I&I-> Jaargangen -> Artikel

Connectiviteit en duurzaamheid:
een voortgangsrapport over Doors of Perception

Door John Thackara

Er wordt beweerd (het is moeilijk met cijfers te staven) dat minder dan vijf procent van de ruwweg $160 miljard die jaarlijks aan onderzoek en ontwikkeling worden besteed, op de markt worden gebracht in de vorm van een produkt of een proces dat je kunt kopen. Minder dan één procent van die $160 miljard wordt uitgegeven aan het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe dit geld effectiever kan worden besteed. Iedereen is het er inmiddels over eens dat technologie niet volgens zijn eigen logica moet worden ontwikkeld en evenmin bedoeld is om de intuïtieve nieuwsgierigheid van wetenschappers en technici te bevredigen. Vooruitgang in de markt en in de samenleving wordt gemeten aan de mate van wisselwerking tussen onderzoek en technologie enerzijds en sociale en individuele behoeften anderzijds.

Groepen gebruikers en hun behoeften zijn geen passief object maar vormen onderdeel van het proces van innovatie. Om met Derrick de Kerckhove, directeur van het McLuhan Institute te spreken: “Wij worden voor altijd geschapen en opnieuw geschapen door onze eigen uitvindingen”. Elke technologie die de zintuiglijke, motorische of cognitieve functies van onze geest nabootst, uitbreidt of versterkt, heeft onvermijdelijk een invloed op de manier waarop wij informatie verwerken en daarmee op de manier waarop wij denken en ons gedragen. Als we bedenken dat er elke 24 uur meer dan 100.000 PC's worden verkocht, is het goed te onthouden dat wij niet alleen invloed op technologie uitoefenen maar dat er ook sprake is van een omgekeerde invloed.

Tegen deze achtergrond is de jaarlijkse conferentie Doors of Perception voor het eerst gehouden in november 1993. (De woorden “Doors of Perception” zijn afkomstig uit een gedicht van William Blake, hoewel er meer mensen zijn die de woorden kennen als de titel van het gelijknamige boek van Aldous Huxley). De achterliggende gedachte was ons af te vragen - in relatie tot de zogenaamde "informatiesnelweg" - waar het toe dient, en niet zozeer wat het allemaal kan.

In 1993 werd er in de VS over niets anders gesproken dan teleshopping en pay-per-view video, wat niet bepaald een stevig fundament voor een nieuw soort economie leek. Doors of Perception is georganiseerd vanuit de gedachte “er moet toch meer zijn dan alleen dit" en het doel was om interessanter en sociaal gezien zinvoller alternatieven te bekijken.

Mensen vragen vaak of Doors een soort beurs van de computerindustrie is. Het antwoord luidt: niet echt. Veel interessante en zonder twijfel belangrijke mensen uit de computerindustrie hebben als afgevaardigde en spreker deelgenomen en we beschouwen de 10.000 tot 15.000 startende high-tech-bedrijven in Europa als een belangrijke publieksgroep. Maar geen enkele deelnemer aan Doors mag een produkt aanprijzen en computerexperts spreken op gelijke voet met mensen uit allerlei andere disciplines. Het idee achter Doors is dat multimedia netwerken en connectiviteit in economisch, sociaal en cultureel opzicht belangrijk zijn, en dat ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Wij brengen wetenschappers, kunstenaars, zakenmensen, vormgevers, en beleidsmakers bij elkaar en laten ze reageren op een thema.

Sociale contexten van vernieuwing

Het thema van Doors 2, in november 1994, was “thuis”. Niet alleen de woonplek als markt voor nieuwe produkten, maar als sociaal en cultureel begrip dat aan verandering wordt blootgesteld door de opmars van de nieuwe media. Zo'n 1100 mensen hebben de conferentie bezocht, hoewel er geen vakbeurs was, geen tierelantijntjes en geen zaken te doen waren. Hoe moeten wij deze opmerkelijke belangstelling verklaren?

We hebben besloten ons te richten op het begrip ‘thuis’ als een goed voorbeeld van de complexiteit waarmee de vormgever wordt geconfronteerd wanneer hij technische en sociale systemen wil integreren. “Thuis” is tegelijkertijd een ruimte, een plaats, een idee, een ervaring en een herinnering. Het is niet alleen een fysieke constructie, een ding, maar ook een krachtige generator van betekenissen. Afhankelijk van wie je bent, betekent ‘thuis’ een markt voor informatiediensten, een laboratorium waarin de sociale gevolgen van een netwerkcultuur worden bestudeerd, een metafoor voor sommige geestestoestanden en een waardesymbool van privacy en intimiteit.

Met andere woorden: ‘thuis’ is iets ingewikkelds en verbluffends. Een onduidelijk begrip waarmee de multimedia-ontwikkelaar en interactievormgever wordt geconfronteerd die potentiële toepassingen onafhankelijk wil maken van de verkrijgbaarheid van een bepaalde technologie.

De driedimensionale vorm van het fysieke thuis kan bijvoorbeeld de communicatie tussen mensen sterk beïnvloeden. De vormgeving ervan is traditiegetrouw in handen van architecten geweest, dus waarom zouden zij niet worden betrokken bij het vormgeven van "elektronische huizen"? "Thuis" is echter ook een sociaal begrip, dat voor samenzijn en leefgemeenschap staat. Het vormgeven van gemeenschap binnen de technologie is een prioriteit voor diegenen die vinden dat vele mensen in staat moeten worden gesteld om met vele andere te communiceren via het netwerk, in tegenstelling tot de communicatie van één persoon met vele andere waaraan de informatie-aanbieders van vandaag de voorkeur lijken te geven.

Het is het thuis van de verbeelding dat van doorslaggevend belang is bij het vormgeven van communicatiecontexten. De kracht van het thuis als een idee , een herinnering, is ontzagwekkend: denk maar eens aan de respons die een relatief kleine hoeveelheid informatie kan uitlokken: een vergeelde foto, de geur van eten die uit de keuken komt, of een paar woorden in een telefoonhoorn. Voor ons allemaal is ‘thuis’ een levenslange opeenhoping van ervaringen en gevoelens en van geestelijke en fysieke interactie. Allemaal zaken die zichzelf niet laten uitdrukken in de computertaal van nullen en enen.

Van "pay' tot "participatie"

Het is niet alleen zo dat teleshopping, ook wel Goofy-on-demand genoemd, vooral in Europa als banaal werd beschouwd, dat sprak vanzelf. Maar daarnaast waren veel mensen ook bang dat het enige ‘interactieve’ dat de multimedia-industrie van ons als consument zou verwachten het indrukken van de knop "Betaal" op onze afstandsbediening was. Het passief tot zich nemen van vermaak is geen aanlokkelijk vooruitzicht. We hoopten dat deze verbazingwekkende systemen iets diepers, minder vrijblijvends te bieden hadden. Als je computernetwerken met elkaar verbindt is het resultaat niets meer dan een groter netwerk. En een netwerk, hoe wereldomvattend en technisch geavanceerd ook, heeft op zichzelf geen enkele betekenis. Die krijgt het pas wanneer wij als mensen met elkaar gaan communiceren.

De spectaculaire groei van het Internet bewijst deze stelling. Het is geen commercieel fenomeen, maar de directheid en de kracht om mensen met elkaar te verbinden hebben een enorme energie en enthousiasme ontketend, iets waar de multimedia-industrie - die wordt beperkt door het uitzendingsmodel met eenrichtingsverkeer dat we kennen uit de omroepwereld - alleen maar van kan dromen. Het Internet bewijst dat mensen pas echt enthousiast worden wanneer ze op een nieuwe manier met andere mensen kunnen communiceren: niet van persoon tot persoon, zoals met een telefoon, maar één persoon met velen of vele personen met vele andere.

Het ontbreken van context

De kwaliteit van menselijke communicatie wordt slechts ten dele bepaald door de technologie. Veel belangrijker dan de bits en bytes is de sociale en culturele context - al die kleine maar belangrijke aanwijzinkjes en tekentjes waarin de communicatie plaatsvindt. Nicholas Negroponte is bekend door zijn voorbeeld van de knipoog als communicatieve uiting met een lage bandbreedte maar uitgebreide betekenis. Dat is op de lange termijn een probleem voor het Internet, omdat de zo belangrijke context niet in op een tekst gebaseerde omgeving kan worden uitgedrukt. Er is in het Engels zelfs een term voor, context deprivation, die experts hanteren om disfunctionele communicatie te verklaren.

Maar hoe ziet die context er dan uit, en hoe kunnen wij hem tijdens onze rit over de informatiesnelweg gebruiken? Hierbij wil ik overigens nog eens benadrukken dat Doors of Perception bedoeld is als een conferentie over vormgeving en dat ook wil blijven. Niet zozeer over de vormgeving van objecten of grafische vormgeving als wel het vormgeven van deze contexten, omgevingen en processen waarbinnen allerlei waardevolle vormen van communicatie kunnen plaatsvinden.

Recombinante realiteiten

De heersende cultuur binnen de telecommunicatie schrijft de exploitatie van enorme hoeveelheden ‘bandbreedte’ voor, waarmee een alternatieve of virtuele werkelijkheid wordt geschapen. Al deze inspanningen lijken volkomen misplaatst. De gevoelskracht van het telefoongesprek op fluistertoon lijkt de industrie te zijn ontgaan, en voor de strategie van een recombinante of versterkte realiteit, die technisch eenvoudiger en cultureel gezien verrijkender is, bestaat geen interesse.

Ook de visuele metaforen die voor de nieuwe communicatiesystemen worden gebruikt, missen elke fantasie. Door middel van een “bureaublad” krijgt u op uw computer toegang tot het wereldwijde informatienetwerk. De recente verbreiding van de metafoor “dorpsstraat” op personal digital organisers is zo mogelijk nog irritanter. Je verlaat je knusse huisje om allerlei knusse winkeltjes, grappige bibliotheekjes en gezellige bioscoopjes te bezoeken die vrolijk op je beeldscherm zijn afgebeeld. Als ik had geweten dat de informatiesnelweg naar een speelgoeddorpje zou leiden, zou ik nooit van huis zijn vertrokken. Er moeten gewoon andere manieren komen om (figuurlijk gesproken natuurlijk) ‘door het venster’ van onze computer te reizen.

Info-Eco

Het ongenoegen over de zoektocht van de technicus naar synthetische realiteiten kwam tot uiting toen een thema voor de conferentie van 1995 moest worden bepaald. Wij maakten ons vooral zorgen over de kloof die gaapt tussen de discussies over het Internet en over het milieu. Het idee dat cyberspace een soort alternatief voor de werkelijke wereld zou zijn, alsof je de ernstige crisis waarmee de ecosystemen van onze aarde kampen, zou kunnen negeren. De aarde is toch het enige thuis dat wij hebben, nietwaar? Daarom hebben wij heel naïef besloten om de vraag te stellen: “Hoe kan informatietechnologie bijdragen aan duurzaamheid op milieugebied?”.

Om eerlijk te zijn werd deze vraag minder ingegeven door ons milieubewustzijn dan door een hernieuwde poging om antwoorden te vinden op onze eerste vraag over de informatiesnelweg: "Waartoe dient het?” Na twee conferenties hadden wij nog steeds niets iets gevonden wat op een antwoord leek. Het leek daarom een goed idee om Internetpioniers en milieukundigen met elkaar te confronteren. Ze delen een duidelijk interesse in het lot van onze planeet, maar om onduidelijke redenen vindt er nauwelijks interactie tussen hen plaats. Om die reden hebben wij de conferentie als een ‘bijeenkomst van info- en ecogemeenschappen’ omschreven.

Wij begrijpen de materie niet

Ons thema voor Doors 3 was “materie”, omdat de voornaamste reden waarom wij onze planeet aan het vernietigen zijn het waanidee is dat hij uit een onuitputtelijke hoeveelheid materie bestaat. Om een lang verhaal (30.000 jaar lang om precies te zijn, want zo lang lopen er mensen op aarde rond) kort te maken, wil ik graag Paul Hawken citeren. Hij zegt in zijn boek The Ecology of Commerce: “5,5 miljard mensen planten zich exponentieel voort. Het proces om hun behoeften en wensen te vervullen berooft de aarde van zijn biotische capaciteit om leven voort te brengen. Deze consumptie-explosie door één soort zorgt voor een ondraaglijke belasting voor lucht, aarde, water en fauna”.

Los van de apparatuur verbruikt de informatietechnologie relatief weinig energie en is ze per definitie “immaterieel”. Economen die over de de-materialisatie van de economie spreken, vertellen ons dat netwerken en connectiviteit deze trend zullen versterken.

Tijdens het bestuderen van het fenomeen "dematerialisatie" zijn wij op het concept met de naam ‘Factor 20’ gestuit. Verschillende experts en denktanks zoals het Wuppertal Institute en het Santa Fe Institute hebben berekend dat wij, om een balans te bereiken in de consumptie van energie en materie, en wanneer de bevolkingsgroei en verhoogde levensstandaard in de berekening worden opgenomen, de efficiency waarmee wij materie en energie gebruiken met een factor tien tot twintig moeten vergroten tegen het jaar 2040. Het doet niet ter zake of het cijfer “20” wetenschappelijk exact is: het kan ook 8 of 80 zijn. Het gaat erom dat Factor 20 een keerpunt symboliseert, een kwalitatieve omslag in de manier waarop wij op aarde leven. Het betekent dat het schoner en lichter maken van industriële processen, iets waarmee vele bedrijven momenteel bezig zijn, niet voldoende is om een balans te bereiken. Hawken beweert dat als elk bedrijf op aarde op de meest milieuvriendelijke manier zou gaan werken, de aarde nog steeds op instorten staat omdat de ‘meest milieuvriendelijke manier’ de zaken hooguit met de factor vijf zou verbeteren.

Het probleem met zulke afschrikwekkende scenario's is dat ze zo demotiverend zijn, vooral wanneer je met een enorm schuldgevoel wordt opgezadeld omdat jij de planeet naar de knoppen aan het helpen bent. Toch is het nastreven van Factor 20 niet zo moeilijk als het lijkt: het betekent dat “dingen eens zo lang moeten meegaan met de helft van de huidige hoeveelheid middelen”. Aangezien ons wordt verteld dat de economie aan het dematerialiseren is, hoeven wij geen enorme trend radicaal om te buigen, want dat gebeurt al.

Wat achter het object ligt

Sommige mensen vragen zich af wat dit alles met vormgeving te maken heeft. Het Vormgevingsinstituut is wat zijn naam aangeeft, en veel mensen begrijpen dan ook niet wat wij te zoeken hebben bij zaken als het Internet, om nog maar te zwijgen over het milieu.

Sommige mensen gebruiken ‘vormgeving’ als een zelfstandig naamwoord, waarmee een object, een gebouw of een document wordt aangeduid, maar het kan ook betrekking hebben op processen waarmee deze dingen worden geproduceerd of de manier waarop ze worden georganiseerd. In die zin gaat vormgeving net zozeer over mensen, infrastructuren, materialen, energie, materie en informatie als over dingen. Als wij dus kijken naar de algemeen geaccepteerde uitgangspunten van duurzaamheid, zoals beperking van overtollige energie en materie tot een minimum, beperking van het vervoer en distributie van goederen en het inzetten van meer mensen en minder materie, betekent dit dat systemen opnieuw moeten worden vormgegeven zodat ze veel efficiënter en veel minder milieubelastend worden.

Dit is niet precies hetzelfde als "groene" vormgeving of eco-vormgeving, die zich vooral richt op eindprodukten. Bestaande produkten worden opnieuw ontworpen zodat ze geschikt voor hergebruik zijn of minder afval veroorzaken. Dit is belangrijk werk maar het vormt slechts het halve verhaal als we over duurzaamheid spreken. Om die te bereiken, moeten we een nieuwe vorm geven aan onze manier van leven. Er moeten nieuwe produkten en nieuwe diensten komen.

Doors is bedoeld om scenario's voor nieuwe processen te verkennen. Wij vragen ons multidisciplinaire publiek: houd deze eco-doelstellingen in uw achterhoofd en vertel ons hoe we processen volgens u opnieuw kunnen vormgeven met hulp van onder meer informatietechnologie.

Laat ik een voorbeeld geven met het eco-principe: “vervang op nationale en internationale schaal geproduceerde goederen door goederen die lokaal en regionaal worden vervaardigd”. We weten dat informatienetwerken de maker rechtstreeks met de gebruiker kunnen verbinden. We weten ook dat logistieke technologieën (het gebruik van informatienetwerken om distributie en opslag te optimaliseren) heel geavanceerd zijn. De vraag is dus: hoe kunnen we informatienetwerken gebruiken voor de eco-doelstelling van lokale produktie zonder dat de grote internationale ondernemingen op de fles hoeven te gaan?

Collectieve intelligentie

Een van de thema's die uit ons recente werk sterk naar voren komt, is ‘collectieve intelligentie’. Informatienetwerken zijn er om mensen met elkaar te verbinden, en mensen vragen zich af of connectiviteit betekent dat de som groter is dan de individuele delen samen. Wij zullen Factor 20 alleen bereiken wanneer grote aantallen mensen met elkaar gaan samenwerken op een manier die tot dusver ongekend is. Dus luidt de vraag: helpen de nieuwe communicatienetwerken ons om meer collectieve intelligentie te bereiken, en zo ja hoe?

Doors gaat over nieuwe toepassingen voor multimedia en het Internet maar niet over een volksverhuizing van de fysieke wereld naar cyberspace. Integendeel: het kernprobleem van de milieucrisis is dat we onvoldoende voor onze planeet zorgen. Een van onze lange-termijnthema's gaat dus over de vraag hoe we onszelf opnieuw kunnen openstellen voor fysieke dingen zoals ons lichaam en de aarde.

De relatie tussen connectiviteit en gemeenschap is in dit verband belangrijk. Er wordt veel gesproken over de zogeheten ‘virtuele gemeenschappen’ van mensen die elkaar alleen in cyberspace ontmoeten, dus op het Internet. We moeten ervoor waken dat we deze virtuele gemeenschappen teveel aandacht geven ten koste van echte gemeenschappen, iets dat binnen een duurzame manier van leven uiterst belangrijk zal zijn. Aan de andere kant kunnen vijf, binnenkort acht miljard mensen niet allemaal in knusse dorpjes wonen en hun eigen worteltjes verbouwen. De meeste van ons zullen behoorlijk opeengepakt wonen, maar dat moeten we doen zonder energie te verslinden en zonder met elkaar te vechten als ratten in een te kleine kooi.

Denken en doen

In gewoon Nederlands gaat Doors of Perception over het omzetten van ideeën in handelingen, van woorden in daden. Milieubeleidskundigen noemen dit met een vreselijk woord ‘operationalisatie’. Vormgevers kunnen de rol van katalysator spelen in dit proces, dat letterlijk van levensbelang is.

Het wordt gemakkelijk vergeten hoe groot de kloof is tussen denken en doen als we over het milieu praten. Twintig jaar lang hebben onderzoekers, denktanks, overheden en wereldorganisaties het milieuprobleem geanalyseerd. Ze weten precies wat de aard en omvang van de problemen zijn. Maar al deze informatie wordt maar niet op de wereld betrokken. Ze drijft boven ons als een donkere wolk. We weten dat de wolk er is en vragen ons half onbewust af of het zal gaan regenen, maar we passen ons gedrag niet aan, zelfs al zijn vele van ons er wel degelijk van doordrongen dat we op de afgrond afstevenen.

Milieubeleidskundigen worden gefrustreerd door dit massale ontkenningsgedrag maar zij hebben niet de middelen en het begrip om ertegen te vechten. De meeste realiseren zich dat rapporten en officiële verklaringen waardeloos zijn totdat de samenleving, dus vele miljoenen mensen, er iets mee doet. Om die reden neemt het woord 'operationaliseren' zo'n belangrijke plaats in hun vocabulaire in.

Het vervelende is dat de meeste beleidsmakers deze kwestie top-down benaderen. Ze vertrouwen ofwel op wetgeving om het gedrag van bedrijven en mensen binnen de perken te houden of ze gaan voor de "softe aanpak" en proberen leiders ervan te overtuigen dat zij de werkmethoden van hun organisaties moeten veranderen. Een vooraanstaand deskundige heeft mij verteld: “Kreeg ik maar de kans om de voorzitter van de raad van bestuur (van een groot chemisch concern) te spreken, dan zou er pas echt iets gebeuren”.

Lag het maar zo simpel. De benadering van bovenaf is zonder twijfel belangrijk, want regeringen kunnen agenda's vaststellen en tot op zekere hoogte het gedrag van bedrijven en burgers veranderen. Maar daar blijft het ook bij. In een tijdperk van enorme en machtige geldstromen, instabiele goederenmarkten en wereldwijd mobiele produktie is elke poging om de wereldeconomie te ‘regelen’ ten behoeve van het milieu tot mislukken gedoemd. We weten niet eens hoe het mechanisme werkt.

Het Factor 20-scenario (een radicale vermindering van onze absolute consumptie van materie en energie binnen één generatie om een duurzaam produktieve aarde te verkrijgen) is alleen haalbaar als er een culturele omslag van grote omvang plaatsvindt. Geen enkele wet, belastingsysteem of technologisch lapmiddel kan ons, op zichzelf staand, redden. Natuurlijk kan de technologie ons een heel stuk op weg helpen, bijvoorbeeld door nieuwe bronnen van eiwit aan te boren of ultra-efficiënte motoren te ontwikkelen. Maar de de-materialisatie die Factor 20 vereist, kan alleen worden bereikt door intensieve economische en culturele creativiteit van onderop, die niet leunt op nieuwe technologieën maar erdoor wordt gestimuleerd en uitgaat van een dynamische samenwerking tussen bedrijven, experts en de creatieve input van talloze mensen.

Back-casting

Maar waar moeten we in vredesnaam beginnen? Tijdens onze bescheiden bijdrage in de vorm van Doors hanteren we een proces dat voor het eerst uit de doeken is gedaan door Leo Jansen van het DTO, genaamd 'back-casting'. Hierbij wordt een scenario of plaatje geschetst van het dagelijks leven in een wereld die Factor 20-balans heeft bereikt. De workshop neemt onverwerkte gegevens (bijvoorbeeld: 90 procent van alle voedsel wordt gegeten op maximaal 50 kilometer van de plek waar het wordt geproduceerd) en verwerkt die in ‘verhalen’ die het leven in zo'n situatie beschrijven.

Hier komt de belangrijke rol van vormgevers om de hoek kijken: zij gebruiken hun kennis op het gebied van planning om het verhaal samenhangend te maken en hun presentatievaardigheden om het echt te doen lijken. Als deze Factor 20-scenario's degelijk in elkaar steken, op een indrukwekkende manier worden gepresenteerd en vervolgens op een effectieve manier aan een breder publiek worden gepresenteerd, worden ze net als “Factor 20 DNA” en prikkelen ze mensen om ze in de praktijk uit te proberen.

De drie belangrijkste kenmerken van de workshop zijn ten eerste: de projecten worden gebaseerd op scenario's of ‘back-casting’ uit een toekomst waarin de Factor 20-balans al is bereikt. Het proces is niet utopisch maar kan mensen hoop geven. Ten tweede: de workshops zijn bedoeld om processen opnieuw te vormgeven, niet zozeer produkten. Ten derde: het gaat om multidisciplinaire projecten. Een vierde kenmerk van de workshop is dat we gebruik maken van het Internet, namelijk onze DOME website met zijn gemeenschappelijke Futplex on-line werkplek. De site zal blijven groeien en veranderen. Wij zullen het Internet intensief gebruiken om de resultaten te verspreiden en samenwerking voort te zetten.

Conclusie

Informatietechnologie biedt ons een nieuwe manier om te communiceren. Het raakt onze hoofden en harten, stimuleert onze zintuigen en vergroot onze kennis. Aan de explosieve groei van het Internet zien we hoe groot de aantrekkingskracht is van connectiviteit als nieuwe manier om miljoenen mensen met elkaar te verbinden. In deze context heeft Doors of Perception het concept van info-eco omarmd. Het gaat niet om mondiale topontmoetingen en grootse plannen om de wereld te redden maar om het verspreiden van zaadjes die, wie zal het zeggen, een paar antwoorden kunnen voortbrengen van de miljoenen die we moeten vinden.

Verder lezen:

  • De Doors of Perception website bevat afschriften van de Doors 3 conferentie, samenvattingen van de twaalf vormgevings workshops , links naar samenvattingen van Doors 2, literatuurlijsten, biografieen van experts, links naar aanverwante sites, en een on-line discussiegebied.

    DOME