![]() |
I&I-> Jaargangen -> Artikel
Intelligente netwerken: |
|
Door A.L. van Stralen De opkomst van intelligente netwerken (IN) is een essentiële ontwikkeling voor zowel telecommunicatie-operators, dienstenaanbieders als gebruikers. In toenemende mate worden telecommunicatiecentrales ondersteund door computers en software. Daardoor kunnen telecommunicatienetten meer flexibiliteit en functionaliteit bieden aan consumenten. Ondanks het optimisme over deze ontwikkeling blijkt dat de markt voor IN in Nederland vooralsnog niet goed van de grond komt. Het IN is slechts gedeeltelijk gestandaardiseerd, waardoor softwarebedrijven en dienstenaanbieders zich afwachtend opstellen en diensten niet tot ontwikkeling komen. In de eerste helft van deze eeuw vormden telefonistes de intelligente schakels in een netwerk. Zij verbonden niet enkel gesprekken door, maar wisten ook dat de wethouder zojuist een afspraak met de dokter had gemaakt en daar te bereiken was. De rol van deze toenmalige telefonistes is enigszins vergelijkbaar met de hedendaagse ontwikkeling van het intelligente netwerk (IN). De intelligentie, die nodig is voor het ontwikkelen en het besturen van de vele diensten, wordt bij een IN uit de telefooncentrales gehaald en in een centrale computer en databank gestopt. Daardoor is de intelligentie gescheiden van het fysieke netwerk, net als bij de telefoniste die het netwerk controleerde en besliste hoe en wanneer schakelingen tot stand kwamen. De komst van intelligente netwerken als 'enabling technology' past in het veranderingsproces dat operators meemaken. Onder druk van concurrentie veranderen ze van technische netwerkbeheerders in commerciële dienstenaanbieders. Het biedt een operator de mogelijkheid pro-actief te reageren op de veranderende markt. Dat is noodzakelijk gelet op het aantal te verwachten toetreders tot de markt. Het IN sluit ook goed aan bij de globaliseringsontwikkelingen. Immers, het IN legt de basis voor diensten die onafhankelijk zijn van tijd en plaats. Het IN is dan ook van groot belang voor de ontwikkelingen in de mobiele markt. Mobiele communicatie veronderstelt de mogelijkheid om de vele duizenden gebruikers te lokaliseren en te bereiken. Dit gaat gepaard met een groeiende behoefte om optimaal te kunnen voldoen aan nieuwe diensten, klantenbeheer, bandbreedte op aanvraag en het management van een netwerk. Alle diensten kunnen ook zonder een IN, op de 'traditionele' manier, worden gerealiseerd. Het IN is een middel om diensten flexibeler en sneller te ontwikkelen en te implementeren, waardoor de 'time to market' aanzienlijk wordt verkort. Daarnaast zal dit goedkoper kunnen doordat er lagere ontwikkelingskosten zijn, er een efficiënter gebruik is van beschikbare middelen en er lagere kosten zijn voor het netwerkbeheer. Voorbeelden van diensten, voor zowel bedrijven als particulieren, zijn (2):
Dit artikel geeft een beschrijving van de ontwikkelingen op het gebied van IN. Er wordt ingegaan op de technologische aspecten, de markt voor IN en enkele vraagstukken die samenhangen met het beleid ten aanzien van IN.
TechniekDe oorsprong van IN ligt in de VS, waar concurrentie in de telecommunicatiemarkt al eerder zijn intrede heeft gedaan. Bellcore is op verzoek van Ameritech in 1985 begonnen met de ontwikkeling van een concept (IN/1 en later IN/2) om sneller diensten te introduceren, mogelijkheden te creëren voor dienstenaanbieders en om standaarden in te voeren. Het IN moest aanzienlijk meer kunnen dan het bestaande openbare spraaknetwerk. Bij een IN is sprake van computergestuurde centrales die een strikte scheiding kennen tussen het telefonie- of schakeldeel en het besturingsdeel (de computer). Het schakeldeel wordt bestuurd door software die is opgeslagen in de computer. Digitalisering van het netwerk en een scheiding van functionaliteiten zijn voorwaarden voor invoering van een IN.
Architectuur en SignaleringDe verschillende leveranciers en operators hanteren verschillende benaderingen ten aanzien van de implementatie van IN. Toch kan de architectuur van een IN op hoofdlijnen worden beschreven. Een IN bestaat uit verschillende netwerkelementen die elk een verschillende functionaliteit bezitten (zie figuur 1 en het beschrijvende kader). Switching en controle: Het hart van een IN bestaat uit daarvoor geschikt gemaakte telefooncentrales: Service Switching Points (SSP). Deze herkennen een toegevoegde waarde-dienst aan het nummer en zullen in dat geval contact opnemen met de centrale computer, het Service Control Point (SCP). De SCP doorzoekt zijn databank en stuurt vervolgens de SSP weer aan om de dienst te realiseren.Management: Noodzakelijk in een IN is een Service Management System (SMS), dat op een computer draait. Een SMS beheert informatie zoals statistische gegevens, data over de afhandeling van abonnees en tarieven, en zorgt voor de update van SCP's. De SMS maakt het mogelijk dat een gebruiker (bijvoorbeeld een dienstenaanbieder), via een terminal, direct invloed uit kan oefenen op de diensten. Kenmerkend is echter dat de pre-intelligente management systemen niet ontworpen zijn om open en eerlijke toegang te verlenen.Intelligente peripheral: Veel intelligente diensten vereisen additionele informatie van een gebruiker, zoals een credit card nummer of pincode die via een spraakdialoog worden doorgegeven. De Intelligent Peripheral (IP) zorgt voor spraakherkenning of voice response. Een IP kan uitgebreid worden met service data en beheer.Dienstenontwikkeling: om nieuwe diensten te kunnen ontwikkelen en onderhouden is een Service Creation Environment (SCE) nodig. Hierbij wordt gebruik gemaakt van gestandaardiseerde en vooraf geteste software bouwstenen. Daartoe werkt men met zogenaamde Service Independent Building (SIB's) blokken. Voor een deel zijn deze SIB's gestandaardiseerd.Signalering: Tussen SSP en SCP wordt gebruik gemaakt van het gestandaardiseerde signaleringssysteem; Common Channel Signaling System (CCSS7 of SS7). SS7 is speciaal geschikt voor digitale (ISDN) en intelligente netten. Dit signaleringssysteem zorgt voor de communicatie tussen computers en telecommunicatiecentrales. De beschikbaarheid van gestandaardiseerde interfaces (SS7) tussen elementen van een IN maakt een 'multi-vendor omgeving' mogelijk. Er bestaan in het publieke telecommunicatienetwerk standaard netwerk-interfaces (bijvoorbeeld SS7 en ISDN) op punten zoals het SCP en SSP. Deze standaard-interfaces maken concurrentie mogelijk tussen verschillende leveranciers van netwerkprodukten en diensten, en stimuleren daarmee marktontwikkeling. Met name computerproducenten en softwarehuizen zijn leveranciers van op dit systeem gebaseerde toepassingen. Nieuwe IN-systemen zullen zeer waarschijnlijk gebaseerd zijn op standaard computerplatforms Hoewel IN toegepast kan worden op ieder type netwerk blijkt dat, in netwerken waar SS7 nog niet uitvoerig is geïmplementeerd, de kosten hoger zijn dan wanneer dit systeem al geïnstalleerd is.
MarktZoals beschreven bestaat een IN uit verschillende elementen. De markt voor deze elementen kent meerdere belanghebbende partijen. Naast de leveranciers van centrales, afnemers van IN-systemen en de eindgebruikers van IN-diensten, zijn diverse partijen actief die hardware en/of software produceren. Daarbij moet wel bedacht worden dat de convergerende krachten in het gebied van informatie- en communicatietechnologie er toe leiden dat partijen in elkaar schuiven en meerdere rollen kunnen vervullen.
De belangen van de verschillende partijen zijn niet eenduidig. Zo zal een dienstenaanbieder toegang willen tot het IN van de dominante operator, terwijl deze operator de toegang wil beperken om de integriteit van het netwerk te behouden en om geen marktaandeel te verliezen. Het is operators niet altijd bekend wat de afnemende partij wil, of de klant weet zelf niet wat het belang van IN-diensten is. De toeleverende bedrijven hanteren dan ook de filosofie om minder te wachten op een bestelling van een operator, maar zelf eerder te gaan ontwikkelen. Figuur 2 illustreert dit veranderende gedrag. Leveranciers van 'traditionele' switches proberen marktomvang te behouden door hun positie te versterken met kennis van computers, of door intelligentie in te bouwen in de centrales in plaats van in computers en in databanken. Omgekeerd verschuiven softwarehuizen en computerleveranciers richting de telecommunicatie en de markt voor real-time switching. Dit betekent echter wel een toetreding tot onbekend terrein. Daarom kiezen de diverse partijen ervoor zich te concentreren op enkele van de elementen van een IN. Ter illustratie dient figuur 3, waarin een (gedateerde) onderverdeling is te zien van de strategische keuzen van een aantal partijen(4). De ontwikkelingen rond IN worden vooral vanuit de aanbodzijde gestuurd. Zowel operators als eindgebruikers zien nog onvoldoende het nut in van intelligente diensten. Desondanks worden door de diverse onderzoeksbureaus forse ramingen gemaakt van de marktomvang:
Ondanks de voordelen van een IN en de aantrekkelijke prognoses over de marktomvang is van een volledig IN in Nederland nog geen sprake. Knelpunten zijn ondermeer: Aanbodzijde Vraagzijde
BeleidHoewel het IN één van de belangrijkste ontwikkelingen in telecommunicatie-architecturen is, heeft het in beleidsstukken nog betrekkelijk weinig aandacht gekregen. Dit is ten onrechte, aangezien het IN een complex vraagstuk vormt. De volgende aspecten spelen daarin een rol: de toepassing van ONP, tarifering, mededinging en toegang, standaardisatie, universele diensten, interconnectie en nummerportabiliteit.
Open Network ProvisionMet de ONP Kaderrichtlijn van de Europese Commissie (90/388/EC) zijn de basisprincipes vastgelegd voor de harmonisering van de condities waaronder dienstenaanbieders en gebruikers toegang hebben tot telecommunicatie-infrastructuren. Deze richtlijn dient als raamwerk voor hier uit voortvloeiende specifieke richtlijnen, zoals de ONP-richtlijn voor spraaktelefonie. Belangrijk in de ONP Kaderrichtlijn zijn de 'essential requirements'. Een operator kan onder verwijzing naar onder andere 'netwerkintegriteit' en 'netwerkbeveiliging' in de huidige situatie de toegang tot zijn netwerk aan dienstenaanbieders weigeren. De vraag is in de eerste plaats (a) welke mogelijke oplossingen de marktpartijen dan wel de regelgever hebben, en in de tweede plaats (b) wat er tegen het schaden van netwerkintegriteit kan worden gedaan. (a) De richtlijn voor spraaktelefonie (5) maakt melding van 'special network access' (artikel 10). Dit artikel is van toepassing op andere organisaties dan operators van publieke mobiele diensten en spraaktelefoniediensten. Deze organisaties (bijvoorbeeld dienstenaanbieders) kunnen een operator om toegang verzoeken, die daar aan moet voldoen. Een weigering van een operator moet gemotiveerd worden en zal vervolgens door de regelgever beoordeeld worden. Toepassing van deze regeling heeft wel als consequentie dat de aanvrager betaalt. Dit kan tot inertie in de markt leiden: iedereen wacht op wat de ander doet om de kosten van aanpassingen in het netwerk niet voor eigen rekening te hoeven nemen. Aanbevolen wordt om een platform voor dienstenaanbieders en -ontwikkelaars op te richten om deze onzekerheid weg te nemen en om een sterkere onderhandelingspositie te verkrijgen. (b) In samenwerking met de Hoofddirectie Telecommunicatie en Post (HDTP) heeft TNO-STB een workshop over IN gehouden. Naar aanleiding hiervan is door Ericsson een tweetal suggesties gedaan om de netwerkintegriteit te beschermen. In de eerste plaats door een vorm van gateways te ontwikkelen (6), waarbij het mogelijk is dat ontwikkeling en beheer van diensten buiten het domein van de operator gebeurt (zie figuur 4). Een knelpunt is wie deze gateways beheert. Een andere oplossing is om de mogelijkheden van een Intelligent Peripheral (IP) uit te breiden; de interface tussen SSP (schakelen), SCP (beheer) en IP is gestandaardiseerd. Een IP kan eenvoudig worden uitgebreid en zelfs service data en beheer omvatten en daarmee los komen te staan van de operator. Deze elementen worden vervolgens gekoppeld met de SCP en SSP van een operator zonder de integriteit te schaden. Daarbij zullen afspraken met de operator moeten worden gemaakt over informatie van zijn netwerk, de mate van controle en de billing van diensten.
Tarifering en netwerkontbundelingHet ontwikkelen van oplossingen, zoals gateways om op korte termijn toegang te verlenen, brengt kosten met zich mee. Er moeten enerzijds prikkels bestaan om redelijke oplossingen te ontwikkelen en anderzijds zullen de kosten gedekt moeten worden door de afspraken over interconnectie. Kosten-georiënteerdheid (dus inclusief een redelijke winstopslag) is een voorwaarde. Zowel de Europese Commissie (EC) als de nationale regelgever HDTP kiezen ervoor de netwerkelementen te ontbundelen. Zo kan beter inzicht worden verkregen in de kostentoerekening. Dit zal ook moeten gelden voor een IN en het gebruik van de diverse elementen tijdens de afwikkeling van een dienst.
ToegangDienstenaanbieders kunnen op drie niveaus in de structuur van een IN om toegang verzoeken, te weten:
Voorlopig is onduidelijk of de huidige wet- en regelgeving, in het geval van een mogelijke weigering van toegang aan een dienstenaanbieder of een andere operator, adequaat toegepast kan worden op IN. Wellicht dat de Wet Economische Mededinging (WEM) op termijn beter past ten aanzien van marktafscherming en kan zij per case worden toegepast. Momenteel is de WEM onvoldoende toegesneden op de telecommunicatiemarkt wil zij een bruikbaar instrument vormen (7). Mededinging en het voorkomen van marktbelemmeringen worden in toenemende mate van belang. Het toezicht daarop komt te zijner tijd in handen van een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO).
StandaardisatieBehalve bij Bellcore vindt standaardisatie plaats bij CCITT (ITU-T) en ETSI. De ITU-T heeft zich vanaf 1988 met IN bezig gehouden middels de ontwikkeling van een Capability Set (CS-1). De volgende standaard CS-2 zal op zijn vroegst in 1996 gestandaardiseerde produkten kennen. Ook is er inmiddels aangevangen met CS-3. Overigens ondersteunt CS-1 slechts een beperkt aantal IN-functies, zodat er pas met de komst van CS-2 sprake is van een meer gestandaardiseerde omgeving. Aangezien ETSI zich aanvankelijk concentreerde op de protocollen tussen de SSP en SCP, is hier inmiddels sprake van gestandaardiseerde interfaces. Dit maakt in theorie multi-vendor oplossingen mogelijk (8). Daarentegen is nauwelijks aandacht geschonken aan het standaardiseren van interfaces waarmee 'third party' operators en dienstenaanbieders toegang kunnen krijgen tot een IN en het SMS van een operator. Duidelijk is dat er nog geen sprake is van een geheel gestandaardiseerde IN-omgeving, hoewel dit een belangrijke doelstelling is geweest bij de ontwikkeling van een IN. Vaak moeten complexe compromissen worden gesloten in de internationale standaardisatie-organisaties om vooraanstaande leveranciers tevreden te stellen. In de praktijk blijkt er dan ook geenszins sprake te zijn van een multi-vendor omgeving, maar van IN-oplossingen die leverancierspecifiek zijn. De (dedicated) software modules waarmee IN-diensten gerealiseerd worden, draaien vaak enkel op switches van een specifieke leverancier; er is sprake van 'proprietary systems'. Aangezien bij centrales sprake is van hoge 'sunk costs' zal een operator niet snel nieuwe apparatuur met andere standaarden van een andere leverancier betrekken.
Universele dienstenIndien de verplichting tot universele dienstverlening gehandhaafd blijft, kan dit consequenties hebben voor de toekomstige reikwijdte daarvan. Zo is het denkbaar dat er in de toekomst ook IN-gebaseerde diensten onder vallen (bijvoorbeeld een Universal Personal Telecommunicatienummer), hetgeen gevolgen heeft voor andere operators en de eventuele noodzaak tot interconnectie.
InterconnectieDe ervaringen met interconnectie tussen intelligente netwerkdiensten van verschillende operators zijn beperkt. Hiermee hangt samen dat de interfaces nog slechts gedeeltelijk gestandaardiseerd zijn. Door verschillende partijen kan om interconnectie worden verzocht: de dienstenaanbieder, de gebruiker en de operator: Dienstenaanbieder: Dienstenaanbieders kunnen om toegang verzoeken op drie niveaus in de structuur van een IN (zie 'mededinging'); Eindgebruiker: Het gaat hier niet om de particuliere eindgebruiker, maar om de zakelijke gebruiker die een eigen, SS7-gestuurd, bedrijfsnetwerk en eigen databanken wil verbinden met het signaleringsnetwerk van een operator. Operator: Om toegevoegde waardediensten te kunnen leveren aan klanten van een andere operator zal de concurrerende operator verzoeken om signalering, toegang tot databanken en beheer om interconnectie en interoperabiliteit mogelijk te maken. Interconnectie kan plaatsvinden tussen de verschillende elementen van intelligente netwerken van verschillende operators. De internetworking kan op een aantal mogelijke manieren plaatsvinden. Bepalend hiervoor is welke functies gestandaardiseerd zijn. De meerderheid van de te maken koppelingen tussen de elementen is nog niet gestandaardiseerd (WIK/EAC, 1994, p. 24). De regelgever in Nederland heeft Interconnectie Richtsnoeren opgesteld waarin de algemene uitgangspunten zijn vastgelegd ten aanzien van koppeling van infrastructuren. Daarentegen zal interconnectie van diensten niet in de interim-wetgeving zijn opgenomen, maar pas bij de algehele herziening van de WTV aan de orde komen. Aangezien een dergelijke herziening nog even op zich laat wachten, kan het ontbreken van helderheid ten opzichte van interconnectie van diensten een vertragende factor zijn voor een dienstenaanbieder die toegang verlangt.
NummerportabiliteitEen aspect dat tenslotte samenhangt met IN en interconnectie is nummerportabiliteit, waarbij het behoud van het abonneenummer mogelijk is bij wisseling van operator (of bij scheiding van dienstenaanbieder). In een concurrerende omgeving is nummerportabiliteit noodzakelijk. Dit vereist echter aanzienlijk en langdurig ingrijpen door een operator (één tot twee jaar). Daarom moet de regelgever hier vroegtijdig aandacht aan geven.
OntwikkelingenVan een wereldwijde implementatie van IN is nog geen sprake. Desondanks is het een voldongen feit dat er in toenemende mate sprake zal zijn van intelligentie in netwerken, maar ook van intelligentie in randapparatuur . Hieronder worden enkele ontwikkelingen beschreven die samenhangen met IN en die consequenties kunnen hebben voor toekomstige beleidsvorming.
Internationaal INEen van de mogelijkheden die een netwerkoperator heeft om de bereikbaarheid van zijn diensten te vergroten is het uitbouwen van de nationale IN-dienstverlening naar een internationale IN-dienstverlening. Dit kan doordat de operators en dienstenaanbieders zelf in coöperatief verband afspraken maken om hun IN-netwerken te koppelen. Of de operators zetten een aparte organisatie op die optreedt als een pan-Europese IN-aanbieder, bijvoorbeeld Unisource of Concert. Zo'n pan-Europese dienstenaanbieder vormt dan een soort Long Distance Carrier, terwijl de nationale operators als regionale operators te zien zijn. De LDC heeft in dit geval zelf de gegevens tot zijn beschikking. Een punt van aandacht blijft ook hier de interconnectie met concurrerende (pan-Europese) IN-aanbieders. Binnen EURESCOM (European Institute for Research and Strategic Study in Telecommunications) wordt onderzoek gedaan naar mogelijke samenwerkingsverbanden tussen operators voor het leveren van pan-Europese diensten. Integratie van IN-diensten met toekomstig GSM-netwerk en UPT De ontwikkelingen op het gebied van draadloze en mobiele communicatie leiden tot universele persoonlijke diensten. Het gaat daarbij om persoonlijke mobiliteit, mobiliteit van randapparatuur en portabiliteit van diensten. Vooralsnog is de integratie met GSM en de IN-systemen van het vaste openbare spraaknetwerk echter niet goed mogelijk. Verschillende architecturen en een geringe uitwisseling van informatie tussen een IN en een GSM-netwerk zijn een beperkende factor voor het aantal beschikbare diensten. Gelet op de ontwikkeling van meer geavanceerde mobiele en persoonlijke diensten (bijvoorbeeld UPT), waarvoor intelligentie nodig is, worden in toenemende mate zwaardere eisen gesteld aan de capaciteit, intelligentie en internetworking van de verschillende netwerken.
Computerapplicaties via het openbare netwerkDe invoering van het signaleringssysteem SS7 maakt het mogelijk dat computerapplicaties beschikbaar worden gemaakt en toegankelijk zijn via het openbare spraaknetwerk. Dit geldt al voor Lotus Notes dat via publieke netwerken beschikbaar is. Dankzij het gebruik van dergelijke groupware-applicaties wordt het mogelijk om wereldwijd met elkaar samen te werken. Grootschalig gebruik van deze toepassingen heeft gevolgen voor de verkeersstromen en de performance van het desbetreffende netwerk. Daarnaast is het realistisch te veronderstellen dat wereldwijd werkende teams abonnementen hebben bij verschillende operators. Samenwerken heeft dan gevolgen voor de interoperabiliteit van de diverse groupware-applicaties en voor de interconnectie van meerdere (wereldwijde) netwerken.
ConclusieIN maakt het mogelijk dat meerdere actoren zich bezig kunnen houden met de ontwikkeling van (nieuwe) diensten. Naast de leveranciers van centrales kunnen de operators zelf allerlei diensten ontwikkelen. Ook softwarebedrijven kunnen dergelijke diensten aanbieden. Hierdoor zijn operators minder afhankelijk geworden van de leveranciers van centrales. De situatie in Nederland laat zien dat van een volledig IN nog geen sprake is. De softwarehuizen zijn in het algemeen terughoudend in de ontwikkeling van nieuwe diensten/applicaties omdat er onvoldoende sprake is van standaarden en er nauwelijks een multi-vendor omgeving is. Dienstenaanbieders, zoals banken en verzekeraars, zijn onvoldoende betrokken bij de ontwikkeling van diensten. Belangrijk is dat de infrastructuur enerzijds voor derden toegankelijk moet zijn, en anderzijds dat de telecom operator controle wil behouden (SSP, SCP). In discussie is de mate van toegang tot dergelijke functies voor derden (met name de aanbieder) in het kader van ONP. Het IN-architectuurconcept maakt het namelijk mogelijk dat concurrerende aanbieders diensten ontwikkelen en toegang willen tot essentiële functies van de netwerkinfrastructuur. Om open en non-discriminatoire toegang te verzekeren is een tweetal mogelijkheden voorgesteld: een vorm van gateways bouwen tussen de dienstenaanbieder en de operator, of uitbreiding van de mogelijkheden van een IP. De interconnectierichtlijn maakt het dankzij 'special network access' mogelijk dat aanbieders en andere belanghebbende partijen de operator om toegang kunnen verzoeken. Regel is wel dat de aanvrager betaalt. Dit kan tot inertie leiden: iedereen wacht op wat de ander doet, die de kosten voor zijn rekening moet nemen. Aanbevolen wordt een stimuleringsbeleid te voeren en om een platform op te richten voor dienstenaanbieders en -ontwikkelaars. De wijze waarop aan een verzoek om toegang gevolg wordt gegeven zal allereerst via onderhandelen tussen de partijen worden bepaald. De regelgever geeft het kader aan waarbinnen deze onderhandelingen plaatsvinden. Als er geschillen ontstaan zal er een mechanisme moeten zijn voor de totstandkoming van een oplossing. In de toekomst kan een toezichthoudend orgaan uitkomst bieden. Indien marktverhoudingen een zeker evenwicht hebben bereikt kan met een actief mededingingsbeleid worden volstaan. Dat stadium is echter nog niet bereikt.
Noten(1) Dit is een verkorte bewerking van het paper Intelligente Netwerken (Van Stralen, 1995, TNO-STB) ten behoeve van de gelijknamige workshop die gehouden is op 12 december 1995 bij HDTP. (2) De hier genoemde diensten kunnen op twee manieren worden gerealiseerd. Als deze diensten zijn geïmplementeerd op de 'traditionele' manier dan wordt gesproken van toegevoegde waarde diensten (diensten die waarde toevoegen aan standaard spraaktelefonie). Er is sprake van IN-gebaseerde diensten indien voor dezelfde diensten een IN gebruikt is. (3) Met name CMG is in Nederland op dit vlak actief. De meeste softwarehuizen zijn echter terughoudend in de ontwikkeling van nieuwe diensten/applicaties, aangezien er onvoldoende gestandaardiseerd is en er nauwelijks sprake is van een multi-vendor omgeving. (4) Onderdeel van SS7 is de Signal Transfer Point (STP): een gestandaardiseerde communicatie-interface tussen de intelligentie in de andere centrales van het fysieke netwerk. (5) Directive 95/EC of the European parliament and the council on the application of open network provision (ONP) to voice telephony. (6) Het softwarebedrijf CMG heeft in zijn dienstenplatform voor mobiele netwerken op voorhand zo'n soort gateway (API) ingebouwd om toegang aan derden te kunnen verlenen (Maathuis, 1995). (7) Recentelijk sprak minister Weijers op het Kabelcongres (8-11-1995) zijn vertrouwen uit over de toepassingsmogelijkheden van de WEM. Dit vond plaats naar aanleiding van toegangsbelemmeringen van dienstenaanbieders tot de kabel. (8) De interface tussen SME, SMS en SCP onderling is meestal een standaard datacommunicatieprotocol, zoals TCP/IP of X.25, met een leverancier specifiek applicatieprotocol.
Geraadpleegde literatuur
Europese Commissie (1993). The application of Open Network Provision to Intelligent Networks. DG XIII (93)107-en. Uitgevoerd door KPMG Peat Marwick en PQM Consultants. Twee delen.
|
|