I&I-> Jaargangen -> Artikel

Mobiele communicatie in historisch perspectief:
de wereld van vóór de handhelds

Door: Jacques Caspers

Door de één verguisd vanwege de rustverstoring, door de ander toegejuicht als het toppunt van vrijheid en bereikbaarheid. Maar hoe verschillend er ook over gedacht wordt, één ding is zeker: draagbare telefoons, mobilofoons en semafoons zijn niet meer weg te denken uit onze samenleving. Er was echter een lange weg te gaan van de eerste experimenten in de jaren dertig tot de hedendaagse handzame apparaten. Een overzicht van bijna zestig jaar mobiele communicatie.

De kinderen `buzzen' erop los, pa verstuurt een short message via zijn GSM-autotelefoon en ma gebruikt haar draadloze toestel om vanuit de tuin een vriendin te bellen. Dankzij mobiele communicatie is iedereen altijd en overal bereikbaar. Steeds kleiner en steeds meer mogelijkheden is het devies van de jaren negentig. Toen de belangstelling voor mobiel telefoneren begin jaren dertig langzaam van de grond kwam was dat wel anders. De systemen waren groot, zwaar en nauwelijks geschikt om vervoerd te worden. Dit artikel behandelt de ontwikkeling van deze omvangrijke systemen naar de tegenwoordige handhelds.

De radiocontroledienst

Met het populairder worden van radiouitzendingen in de jaren twintig en dertig van deze eeuw breken er drukke tijden aan voor de radiocontroledienst van PTT. Voor het opsporen van de veelal illegale zenders gebruikt de radiocontroledienst auto's die zijn uitgerust met gevoelige ontvangers en meetapparatuur. De communicatie tussen de verschillende opsporingswagens, natuurlijk uiterst belangrijk om de zendpiraten op heterdaad te kunnen betrappen, laat te wensen over. Het contact blijft beperkt tot een telefoontje op afgesproken momenten, waarbij men vaak afhankelijk is van particuliere aansluitingen[n,1]. Hoewel telefoneren via radio op de kortegolf in die jaren goed mogelijk is, maken de forse afmetingen van de apparatuur het vooralsnog ongeschikt voor communicatie tussen auto's. Het Radiolaboratorium van PTT begint daarom in 1934 met experimenten voor een handzame mobiele zend-ontvanger. Een nieuwe ontwikkeling is het gebruik van dezelfde radiobuizen voor ontvangen en zenden, waardoor het aantal onderdelen beperkt wordt. Met deze zend-ontvanger wordt in de stad een afstand van ongeveer 5 km overbrugd. De proeven worden genomen op golflengten van 4,3 tot 5 m (70-60 MHz). Het is een zogenaamde simplex-verbinding, waarbij overgeschakeld moet worden tussen spreken en luisteren.

De eerste generatie

Als na de proefperiode in 1937 de specificaties zijn vastgesteld wordt een aantal Nederlandse bedrijven gevraagd een praktische zend-ontvanger te ontwerpen. De fabrikanten hebben de grootste moeite om aan de gestelde technische eisen te voldoen en pas drie maanden na de afgesproken datum wordt de eerste apparatuur afgeleverd. Het ontwerp van de Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) te Hilversum blijkt het best te voldoen. In het najaar van 1939 bestelt PTT 200 NSF zend-ontvangers van het type DR 38. Het grootste deel daarvan wordt weer doorverkocht aan hulpdiensten zoals politie, brandweer en elektriciteitsbedrijven. PTT blijft verantwoordelijk voor het onderhoud van de apparatuur.

Hoewel de apparatuur uitstekend werkt, zal het nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren voordat het mogelijk wordt om selectief een van de zend-ontvangers op te roepen. Je moet voortdurend alert blijven of jouw mobielnummer opgeroepen wordt, ondertussen noodgedwongen meeluisterend met de al dan niet interessante conversatie van de andere mobiele posten.

Herstel van de oorlogsschade

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op 10 mei 1940 worden alle zend-ontvangers door de bezetter in beslag genomen en afgevoerd naar Duitsland[n,2]. Tijdens de oorlogsjaren liggen de ontwikkelingen op het gebied van mobiele telefonie vrijwel stil. Het Radiolaboratorium van PTT experimenteert op kleine schaal verder en geeft daarmee een voorzichtige aanzet om, na afloop van de oorlog, een automatisch mobilofoonsysteem op te zetten.

In de oorlog wordt grote schade aangericht aan de interlokale verbindingen van het telefoonnet. In Londen, waar de regering gedurende de oorlogsjaren verblijft, wordt inmiddels nagedacht over de wederopbouw van het telecommunicatienet. Om de schade na de oorlog zo snel mogelijk te kunnen herstellen besluit de regering een aantal (militaire) zend-ontvangers van de Amerikaanse fabrikant Link aan te kopen. De Link-apparatuur moet de deels verwoeste Nederlandse telefooncentrales en -kabels tijdelijk vervangen. Het gebruik van dit mobiele noodnet is overigens voorbehouden aan de Nederlandse overheid en geallieerden.

Zeeuwsch meisje

Direct na de bevrijding wordt de Link-apparatuur ingezet bij de drooglegging van het eiland Walcheren. Het eiland is tijdens de oorlogshandelingen grotendeels onder water gezet, waardoor veel telefoonverbindingen buiten dienst zijn geraakt. Voor de dijkherstelling is onderlinge communicatie echter van het grootste belang. Reden waarom er naast een aantal posten op het vasteland, ook enkele zend-ontvangers geplaatst worden op zandzuigers voor de kust. De goede kwaliteit van het mobiele noodnet blijkt uit een rapportage van 11 juli 1945 aan de chef van de Radio Controledienst:

`... De verstaanbaarheid van de verbindingen is behoorlijk en de bediening zeer eenvoudig. Als bijzonderheid hiervan zij vermeld, dat de cantinejuffrouw van de keet te Vrouwenpolder, een Zeeuwsch meisje, dat nog nooit getelefoneerd had, een vlot gesprek voerde met de telefoonjuffrouw van de M.U.Z. ...'[n,3].

Halverwege oktober 1945 zijn er in Nederland ongeveer 38 kleine netten of verbindingen in dienst met twee of meer zend-ontvangers, afstanden overbruggend van 6 tot 82 km. Voor het openbare telefoonverkeer worden verbindingen opgezet op de routes tussen 's Hertogenbosch-Waalwijk en Goes-Terneuzen, waarbij een telefoniste bemiddelt bij het opbouwen van de verbinding. Iedere zend-ontvangpost heeft een dubbel stel antennes nodig: één voor het zenden en één voor het ontvangen. Rond diezelfde tijd komen er ook weer zend-ontvangers beschikbaar voor gebruik in kleine gesloten netten, zoals die van brandweer en politie. De apparatuur wordt in de kofferbak van de auto gemonteerd en het bedieningspaneel, de luidspreker en de microfoon onder het dashboard.

De paleisbrand

De introductie van het nieuwe communicatiemiddel wordt met verve ter hand genomen. Op de Jaarbeurs van 1947 in Utrecht trekt de Philips-NSF stand grote belangstelling. In de stand wordt regelmatig getelefoneerd met een in en buiten Utrecht rijdende demonstratiewagen, waarvan de route op aanschouwelijke wijze door lampjes op een grote kaart is aangegeven. Zo wordt op pakkende wijze het telefoneren vanuit de auto onder de aandacht van het grote publiek gebracht. Tijdens de brandweertentoonstelling van 1948, in de Haagse Houtrusthallen, is ook PTT vertegenwoordigd. In de stand is een telextoestel neergezet, waarop alle brandmeldingen in ons land binnenkomen. Bij elke brandmelding in de Haagse regio spoedt een auto van de mobilofoondienst zich naar de plek des onheils om verslag te doen aan de bezoekers van de tentoonstelling. Op 18 mei komt het bericht binnen dat er brand is uitgebroken in het Koninklijk Paleis aan het Noordeinde. Op de eerste rij bij het paleis staat de met mobilofoon uitgeruste auto van `verslaggever' H. Lubsen, een van de mobilofoonpioniers. Zijn ooggetuigeverslag wordt niet alleen doorgegeven aan de bezoekers in de Houtrusthallen, het `hot news' komt ook terecht in de Hilversumse radiostudio. Het verslag wordt opgenomen en later via de radio uitgezonden.

De populariteit van de mobilofoon neemt snel toe en ook taxibedrijven zien door deze nieuwe vinding het aantal `lege' kilometers dalen. Tot die tijd maken taxi's allemaal gebruik van zogenaamde gesloten netten, waarbij één basisstation één of meerdere voertuigen in een beperkt gebied bedient[n,4]. Als gevolg van de groeiende belangstelling plaatst PTT bij de NSF een bestelling voor een nieuw type zend-ontvanger, de zogenaamde SRR 192. De SRR 192 zou samen met de betrouwbare Link-basisstations de basis vormen voor het latere landelijke mobilofoonnet.

Openbare en gesloten netten

Op 6 januari 1948 heeft een eerste vergadering plaats van de PTT-commissie voor `mobiele radiotelefonie op zeer hoge frequenties'. Doel van deze commissie is het opzetten van een radio-telefoondienst, op bredere basis dan voor de oorlog. Voorzitter Emmerik wijst erop dat `...de mobiele radiotelefonie moet worden gezien als een aanvulling op de lijntelefonie, daar waar deze laatste niet in staat is een oplossing te geven'. Werd mobiele radiotelefonie vóór de oorlog bijna uitsluitend gebruikt door overheidsdiensten, inmiddels hebben ook andere diensten en ondernemingen laten blijken behoefte te hebben aan deze nieuwe vorm van communiceren. Zo zal mobiele communicatie goed van pas komen bij bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen en op veerdiensten als Stavoren-Enkhuizen en Nieuwendiep-Texel. Ook wordt er gesproken over radiotelefoonverbindingen tussen de Waddeneilanden en Leeuwarden als back-up voor de kabelverbindingen. Naar goed Nederlands gebruik worden er vier sub-commissies ingesteld die zich gaan buigen over respectievelijk de aansluiting op het bestaande telefoonnet, de tarieven, de infrastructuur en een apart net voor de havens van Amsterdam en Rotterdam.

In het eindverslag aan de hoofddirectie van PTT, in juli 1948, komt de commissie tot de slotsom dat de exploitatie van mobiele radiotelefonie het best in handen kan zijn van het Staatsbedrijf der PTT.

`Het min of meer vrijlaten van dit nieuwe telecommunicatie-middel aan particulieren zou gemakkelijk leiden tot ernstige storing en misbruik, en het hierin scheppen en handhaven van enige orde zou voor PTT een moeilijke, kostbare en ondankbare taak betekenen'.

Aanbevolen wordt daarnaast de werkzaamheden die uit de exploitatie voortvloeien onder te brengen bij de Plaatselijke Telefoondiensten en de Telefoondistricten, gecoördineerd in een centrale afdeling Radio. De aanbeveling gaat verder uit van drie verschillende mobiele netten:

°een openbaar landelijk net;
°lokale netten (gebruikers bewegen zich in een gebied die door één vaste post wordt bestreken);
°gesloten netten (gebruikers met een eigen net, een eigen frequentie en een eigen vaste post, zonder toegang tot het telefoonnet)

De commissie wijst verder op het punt van de geheimhouding. De telefoniste die de verbinding tot stand brengt tussen een telefoonabonnee en een mobiele radiotelefoon, zal de telefoonabonnee moeten waarschuwen voor het feit dat andere mobiele gebruikers mee kunnen luisteren.

Het Openbaar Landelijk Net (OLN)

Vrij snel na het besluit van de commissie wordt er een begin gemaakt met de bouw van het Openbaar Landelijk Net (OLN). Er worden basisstations geplaatst die een gebied met een straal van circa 25 km zullen bestrijken. Uit praktische overwegingen - in verband met de bediening en de koppeling aan het bestaande telefoonnet - worden de basisstations zoveel mogelijk in de districtscentrales geplaatst. Dankzij het Openbaar Landelijk Net wordt het op eenvoudige wijze mogelijk om vanaf elk telefoontoestel, via een telefoniste, een vaar- of voertuig waar ook in Nederland op te roepen. Degene die een gesprek aanvraagt moet echter wel ongeveer weten waar `de mobiel' zich bevindt. De eerste aansluiting op het Openbaar Landelijk Net (OLN) wordt op 14 april 1949 in dienst gesteld. Het is de zandzuiger Beverwijk IV van de Hollandsche Aannemingsmaatschappij Zanen en Verstoep te Den Haag. De zuiger werkt onder de roepnaam Mobiel 11 en is op dat moment werkzaam in het Hollandsch Diep. Na het in dienst stellen van een basisstation in Lemmer wordt in juli 1949, bij wijze van proef, een mobilofoon geïnstalleerd op de veerboot Van Hasselt, die de dienst tussen Enkhuizen en Stavoren onderhoudt. Het Algemeen Handelsblad heeft op 22 juni de primeur om als eerste krant in Nederland het nieuwe medium voor verslaggeving te gebruiken. Aan de redactie wordt een rechtstreeks verslag gegeven van een brand aan de Spinozastraat te Amsterdam.

Rode en blauwe kanalen

Om storingen tussen de posten onderling te voorkomen zijn er voor het landelijk mobilofoonnet twee frequenties (kanalen) beschikbaar. Voor de abonnee betekent dit dat hij of zij tijdens een rit van bijvoorbeeld Den Haag naar Amsterdam halverwege de route zijn kanaalschakelaar moet omzetten om bereikbaar te zijn voor basisstation Amsterdam. Iedereen krijgt een kaartje van Nederland waarop de basisstations in rood en blauw staan aangegeven. De abonnee moet dus zelf zijn bereikbaarheid in de gaten houden. Een nadeel van dit systeem is dat er maar één gesprek per kanaal mogelijk is binnen het bereik van het basisstation. De spreekduur is daarom beperkt tot 3 minuten. Later wordt de toegestane gespreksduur verlengd tot 6 minuten, hoewel dit uitsluitend voor zakelijke gesprekken geldt. In maart 1950 gaat Goes als 12e basisstation in dienst. Een passerende automobilist met mobilofoon bewijst de Nederlandse Spoorwegen al snel een dienst door het station Goes een defecte trein te melden, waarna hulp snel op gang kan komen. Begin 1951 is het landelijk net voltooid en zijn er ruim 100 abonnees aangesloten.

Watersnood en bestedingsbeperking

Het belang van de mobilofoon wordt pas echt duidelijk tijdens de watersnoodramp in februari 1953. Een hevige storm die gepaard gaat met een springvloed, laat tal van dijken in Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden bezwijken. Ruim 1800 mensen en duizenden dieren laten het leven. Een groot deel van de kabels en bovengrondse telefoonlijnen gaat verloren en grote delen van Zeeland worden onbereikbaar. Op korte termijn wordt alle beschikbare apparatuur van de mobilofoondienst ingezet. Philips Eindhoven werkt zelfs een nacht door om de benodigde zendkristallen op tijd te kunnen leveren. Binnen 10 dagen zijn er 35 mobilofoons beschikbaar die werken via de basisstations Rotterdam en Goes. Maar het intensieve telefoonverkeer tussen de hulpverleners maakt de capaciteit al snel ontoereikend. In allerijl wordt er bij Goes een tweede basisstation ingericht. Om de capaciteit maar zo spoedig mogelijk te kunnen verdubbelen worden de antennes 's-nachts, in allesbehalve plezierige weersomstandigheden, op het dak geïnstalleerd. Ook in Zierikzee wordt in recordtempo een basisstation bijgebouwd dat een radiotelegrafische verbinding met Rotterdam krijgt.

In 1953 ontstaat de eerste wachtlijst voor abonnees. Door de toenemende belangstelling voor mobiel radioverkeer wordt het aantal radiokanalen tussen 1953 en 1955 uitgebreid van 2 naar 8. Het aantal basisstations neemt toe tot 36 en er wordt een nieuw model mobilofoon geïntroduceerd. De wachtlijst voor abonnees wordt hierna voor korte tijd ingelopen. Door de in 1958 van regeringswege opgelegde bestedingsbeperking, die vooral overheidsuitgaven terugdringt, groeit de wachtlijst echter opnieuw[n,5]. In 1963 wordt een landelijk nummer ingevoerd om mobilofoongesprekken aan te vragen: 005. Een laatste uitbreiding vindt plaats in het begin van de jaren zeventig. Het aantal spraakkanalen wordt fors uitgebreid en de mobilofoons worden voorzien van een zogenaamd toonslot, waardoor abonnees in het vervolg selectief kunnen worden opgeroepen.

Het poldernet

Naast het Openbaar Landelijk Net wordt een aantal lokale netten in dienst gesteld, zoals de havennetten van Amsterdam en Rotterdam én het Poldernet. Dit laatste net wordt eind jaren vijftig opgezet om in het ontginningsgebied Oostelijk Flevoland te kunnen telefoneren. In eerste instantie bedoeld voor opzichters van Rijkswaterstaat, maar later ook voor de eerste boerenbedrijven die zich in het Nieuwe Land vestigen. De verbindingen worden tot stand gebracht door een telefoniste in Lelystad, waar ook het basisstation gevestigd is. In het poldernet wordt gebruik gemaakt van een combinatie van semafoon en mobilofoon. De semafoon - op dat moment alleen nog maar gebruikt in het proefnet Den Haag - schakelt op afstand de mobilofooninstallatie in. De apparatuur staat in rust uitgeschakeld en wordt door selectief aankiezen van een van de vier telefoonkanalen door de telefoniste ingeschakeld.

De komst van ATF-1, ATF-2, ATF-3 en GSM

Het aantal abonnees van het OLN groeit gestaag, van 300 in 1956 tot 2600 in het topjaar 1978. Na de algemene invoering van het toonslot in 1970 wordt het landelijke mobilofoonnet een stuk gebruikersvriendelijker. Tot die tijd was het nog steeds een geheel open systeem, waardoor abonnees de hele dag geconfronteerd werden met gesprekken die niet voor hen bestemd waren. Dankzij het toonslot, een soort keuzeschakelaar, kan de luidspreker nu worden uitgezet. Als de telefoniste een gesprek heeft voor één van de mobielen, wordt de oproep voorafgegaan door een openingstoon, waarmee de luidspreker ingeschakeld wordt.

Het landelijk mobilofoonnet heeft echter nog steeds een aantal nadelen. Ten eerste gaat het om zogenaamd simplex verkeer, waardoor de gesprekspartners alleen om beurten kunnen spreken. Daarnaast is er een telefoniste nodig voor de verbindingsopbouw én moet de beller op 25 kilometer nauwkeurig weten waar degene die hij wil spreken zich bevindt. Deze nadelen zijn er mede oorzaak van dat in maart 1980 een nieuw, automatisch, landelijk autotelefoonnet in dienst wordt gesteld. Voor dit net, ATF-1 genaamd, wordt een speciale centrale gebouwd, terwijl er landelijk een groot aantal basisstations geplaatst worden. Het op een Duits concept gebaseerd systeem is op dat moment al in gebruik in Oostenrijk, Luxemburg en West-Duitsland. De centrale, geleverd door fabrikant TeKaDe, wordt opgesteld in de Rotterdamse districtscentrale aan de Waalhaven en daar gekoppeld aan het openbare telefoonnet. Nederland wordt verdeeld in de regio's West, Noord en Zuid elk met een eigen netnummer. De beller moet aangeven in welke regio de mobiele gebruiker zich waarschijnlijk bevindt. De abonnee kan kiezen uit twee typen autotelefoontoestellen die vast in de auto gemonteerd moeten worden: de Castor en de Pollux.

Aanvankelijk was, op grond van ervaringscijfers met het handbediende openbare landelijke mobilofoonnet, geraamd dat het ATF-1-net voldoende capaciteit zou hebben voor 6000 abonnees. Al snel bleek echter, dat er zoveel en zulke langdurige gesprekken werden gevoerd dat het aantal aansluitingen moest worden beperkt tot 3500, een aantal dat al in 1982 werd bereikt. In de loop van 1983 werd, met name in de Randstad, door kanaaluitbreidingen de afhandeling van het verkeer verbeterd. Door de enorme belangstelling was inmiddels besloten naast het ATF-1-net, een tweede autotelefoonnet op te zetten. Dit nieuwe net, het ATF-2-net, zou gebaseerd worden op het zgn. `Nordic Mobile Telephone' (NMT-)concept, dat al enige tijd operationeel was in de Scandinavische landen. Op 29 januari 1985 wordt ATF-2 in dienst gesteld met een aanvangscapaciteit van ruim 15.000 aansluitingen, uitbreidbaar tot circa 50.000. In hetzelfde jaar wordt het landelijk mobilofoonnet (OLN), na 37 jaar trouwe dienst, officieel gesloten.

Met de introductie van ATF-2 komt er een nieuw assortiment mobiele apparatuur op de markt, de CARVOX 2451 en 2452, een jaar later gevolgd door de 2453. De CARVOX is het eerste autotelefoontoestel dat ook buiten de auto gebruikt kan worden. Voor de abonnee verbetert de kwaliteit. Er is een goede radiobedekking over heel Nederland en door het gebruik van hogere frequenties (de 450 in plaats van de 160 MHz-band) zijn de verbindingen minder storingsgevoelig. In het nieuwe ATF-2 net is het ook niet meer nodig te weten, waar de gebruiker zich bevindt. Het bereik van het nieuwe net is bovendien uitgebreid met Luxemburg en - vanaf 1987 - met België.

Nog geen vier jaar later is ook dit net niet meer toereikend. Op 12 januari 1989 wordt dan ook het derde ATF-net in bedrijf gesteld. Dit 900 MHz-net, dat een enorme capaciteit heeft, bestrijkt alleen Nederland. Er komt opnieuw een groot assortiment mobiele apparatuur beschikbaar, waaronder de eerste draagbare telefoontoestellen, de zogenaamde handhelds[n,6].

De ontwikkelingen blijven stormachtig. In 1994 wordt een digitaal net in dienst gesteld: ATF-4. Dit net, beter bekend als GSM (Global System for Mobile Communications) is bedoeld voor koppeling met andere Europese autotelefoonnetten en biedt veel extra faciliteiten[n,7]. GSM maakt het mogelijk om met de eigen autotelefoon of handheld, waar ook in Europa en in veel andere landen wereldwijd, dag en nacht bereikbaar te zijn. Eind 1994 wordt het eerste ATF-net definitief gesloten en (gedeeltelijk) bijgezet in het depot van het PTT Museum. Opnieuw is er een stukje communicatiehistorie afgesloten.