I&I-> Jaargangen -> Artikel

De muziekindustrie als media-industrie

Door: Paul Rutten

De muziekindustrie is van aanzienlijk cultureel en economisch belang. In deze bijdrage wordt de economische en bedrijfsmatige context van de muziekindustrie geschetst en wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de markt voor haar belangrijkste produkt, muziek op geluidsdragers. De exploitatie van muziekrechten zal aan belang winnen als bron van inkomsten ten koste van het exploiteren van muziek op geluidsdragers.

De muziekindustrie komt doorgaans slechts sporadisch aan bod in verhandelingen over massacommunicatie en media-industrie. Met muziekindustrie wordt hier bedoeld het geheel van ondernemingen dat zich bezighoudt met de exploitatie van muziekopnamen op geluidsdragers of anderszins. Muziekindustriële ondernemingen worden ook wel platenmaatschappijen genoemd. Die aanduiding verwijst exclusief naar de exploitatie van muziekopnamen door middel van geluidsdragers en niet naar andersoortige exploitatie. Bij dat laatste kan gedacht worden aan het afgeven van licenties voor het gebruik van opnamen aan derden tegen een bepaalde vergoeding, een steeds meer voorkomende en in de toekomst zonder twijfel zeer belangrijke vorm van exploitatie van opnamen.

Een reden voor de relatief geringe aandacht voor muziekindustrie in discussies over massacommunicatie en media-industrie kan te maken hebben met het feit dat de muziekindustrie zich relatief onafhankelijk van de overheid heeft ontwikkeld. Immers aan veel mediadiscussies liggen vragen van overheidsbeleid ten grondslag. Er is slechts mondjesmaat sprake van cultuurpolitieke aandacht voor de muziekindustrie-sector, dit in tegenstelling tot de omroep- en persmedia en recentelijk ook de filmindustrie. Ook voor wat betreft haar economi sche belang is de muziekindustrie nauwelijks een aandachtspunt van overheidsbeleid. Toch is de muziekindustrie een niet onbelangrijke economische sector. Overheidsbemoeienis met de muziekindustrie heeft vooral betrekking op het beschermen van intellectuele eigendom: auteursrecht en recentelijk ook rechten van producenten van opnamen en uitvoerende musici via het zogenaamde naburige recht (vgl. Rutten, 1993).

Deze bijdrage stelt de muziekindustrie als een belangrijke vorm van hedendaagse media-industrie centraal. Allereerst wordt kort ingegaan op een aantal elementen van de economische en bedrijfsmatige context waarin de muziekindustrie als industrie geplaatst kan worden. Daarbij komen de hardware-industrie, de radio en de muziekuitgeverijen aan bod. Daarmee zijn zeker niet alle elementen van de context behandeld, dat zou voor deze bijdrage te ver voeren. De in dit verband belangrijkste worden besproken. Andere sectoren die van belang zijn maar die hier niet aan bod komen, zijn de management- en podiumsector, de muziekdetailhandel en de muziekinstrumentenindustrie en de daaraan verbonden detailhandel. Vervolgens wordt de ontwikkeling van de Nederlandse markt voor haar belangrijkste produkten, muziek op geluidsdragers, binnen de internationale context besproken. Het artikel eindigt met een beschouwing over de potentiële gevolgen van digitalisering van opslag en distributie van informatie voor de structuur, organisatie en werking van de muziekindustrie in de toekomst. Doel van deze bijdrage is het scheppen van een kader voor discussie waarbinnen produktie en distributie van muziek een plaats kan krijgen in bredere discussies over de toekomstige structuur van de produktie, distributie en consumptie van informatieprodukten, nationaal en internationaal.

Hardware-industrie

De ontwikkeling van de muziekindustrie is van oudsher sterk gelieerd aan de hardware-industrie. Frith (1987) geeft aan dat het ontstaan van de Britse 'record-industry' in de jaren twintig van deze eeuw verbonden is met de activiteiten van de fabrikanten van grammofoons. De eerste Britse platenfirma's kwamen tot stand met het doel de verkoop van grammofoons te stimuleren. Ook in Nederland was de relatie tussen grammofoonplatenindustrie en hardware-industrie reeds vroeg aanwezig (vgl. Boudewijns, 1987).

Muziekuitgaven zijn ook heden ten dage voor de audiohardware-industrie van strategisch belang, net name in de lancering van nieuwe vormen van 'home entertainment hardware'. Het belang van hardwareproducenten is dan gelegen in de verkoop van afspeelapparatuur en in de opbrengst op patenten voor gebruik van de informatietechnologische vinding, meer specifiek de drager en het apparaat. Bij de introductie van de compact disc (cd) zette Phillips op uitgebreide wijze het muziekrepertoire van zustermaatschappij Polygram in. Het falen van de introductie van de Digital Audio Tape (dat), een technologie die door de Japanse elektronicagigant Sony werd geïntroduceerd, wordt voor een belangrijk deel geweten aan het feit dat de gezamenlijke muziekindustriële ondernemingen weigerden muziekrepertoire uit te brengen op deze drager. Zij vreesden een negatief effect van het digitaal thuiskopiëren van hun produkten op de exploitatiemogelijkheden. De aankoop van de muziekafdeling van de Amerikaanse firma cbs door het Japanse Sony wordt mede verklaard door het strategisch belang van muzieksoftware in de introductie van nieuwe dragers. Sony Music heeft met deze acquisitie de rechten op cbs-repertoire verworven, waaronder de opnamen van artiesten als Michael Jackson, Bruce Springsteen, Simon & Garfunkel, Bob Dylan en Barbara Streisand. De acquisitie van cbs-Music was de eerste van een aantal overnames van software-bedrijven door Sony, vanuit de uitdrukkelijke filosofie van voormalig directeur Akio Morita dat bezit van software essentieel is bij de succesvolle introductie van 'home entertainment hardware'. Vanaf 1988 heeft Sony ruim 10 miljard dollar geïnvesteerd in software-acquisities.(1)

In de marketing van haar Digital Compact Cassette (dcc) zette Philips opnieuw het Polygram-repertoire in, terwijl Sony in haar marketingstrategie voor de MiniDisc (md) kon terugvallen op het repertoire van Sony Music. Het probleem van het thuiskopiëren is bij deze dragers beperkt gehouden door de introductie in de apparatuur van een bepaalde technische vinding, het Serial Copy Management System (scms). Noch Philips, noch Sony zijn er in geslaagd hun respectievelijke produkten als opvolger van de analoge cassette (overigens ook een Philips-vinding) in de markt te zetten. Opvallend is dat in de ontwikkeling van de zogenaamde Digital Video Disc (dvd), de audio-visuele equivalent van de audio-cd, Philips en Sony gezamenlijk optrekken.

Behalve Philips en Sony heeft ook het Amerikaanse Time-Warner via Warner Music, naast belangen in andersoortige software-exploitatie en in distributie (omroep en kabelmaatschappijen), een belangrijke poot in de mondiale muziekindustrie. Bovendien hebben hardwarefirma's als Toshiba, Itochu en us West grote belangen in Time Warner. Time-Warner en Toshiba werkten geruime tijd aan een eigen versie van de dvd van Sony en Philips. De vier firma's hebben zich inmiddels gevonden in een overeenkomst waarin iedereen zich vastlegt op één standaard. Het patent wordt gedeeld door de betrokken partijen.(2) Deze partners brengen via hun affiliaties met software-firma's dermate veel marketingkracht mee dat het onwaarschijnlijk lijkt dat de dvd geen succes zal worden.

Het Engelse emi, eveneens een van de vijf grote platenmaatschappijen, is eigendom van de elektronicafirma Thorn. De verwachting is echter dat Thorn haar muziekpoot emi binnen niet al te lange tijd zal verkopen, indien er zich een koper aandient.(3) Bertelsmann Music Group (bmg) ten slotte is eigendom van het Duitse uitgeverijconcern Bertelsmann en heeft als zodanig relatief weinig banden met de audiohardware-industrie.

De genoemde maatschappijen Polygram, Sony Music, Warner Music, emi en bmg zijn de vijf grootste multinationale muziekindustriële ondernemingen, elk ook actief op de Nederlandse markt. Zij controleren doorgaans tussen de 70 en de 85 procent van de mondiale muziekmarkt. De aandelen op de Europese markt van elk van de maatschappijen in de jaren 1993 en 1994 worden als volgt geschat: emi: 22,4 procent, Polygram: 18,6 procent, bmg: 16,8 procent, Sony: 13,1 procent en Warner: 12,4 procent.(4)

Omroepmedia: radio en muziektelevisie

Naast het strategisch belang van de muziekindustrie voor de audiohardware-sector kan het belang van de activiteiten van de muziekindustrie voor de omroepmedia, met name de radio, niet onvermeld blijven. Vrijwel de gehele radio-industrie maakt voor haar muziekprogramma's gebruik van de produkten van de muziekindustrie: muziek op geluidsdragers. Historisch is er een situatie gegroeid waarin de radiomakers niet beschouwd worden als afnemers van het produkt muziek van de muziekindustrie, maar meer als 'free promotors'. Omdat geluidsdragers op de eerste plaats geproduceerd worden met het oog op de consumentenmarkt is radio-aandacht voor muzikale produkten door de muziekindustrie steeds beschouwd als een onontbeerlijke vorm van 'free publicity'. Echter met het oog op het toenemend aantal radiostations worden in de kringen van de muziekindustrie steeds meer stemmen gehoord die pleiten voor een substantiële vergoeding door radiostations voor de gedraaide muziek. Aangezien er meer aanbod is van muziekprodukten dan dat er ethertijd is om muziek te draaien, kan de muziekindustrie nauwelijks een vuist maken in deze strijd.

Een soortgelijke situatie is ontstaan in de relatie tussen de muziekindustrie en muziektelevisiestations als mtv, vh-1, viva (Duitsland) en The Mu sic Factory (Nederland). Belangrijk verschil is dat de getoonde muziekvideo's meer gezien worden als promotievehikels voor geluidsdragers dan voor de video's zelf. De omzet die de muziekindustrie maakt met de exploitatie van muziekvideo's is in vergelijking met de omzetten van geluidsdragers beperkt. Het ligt in de lijn der logica dat de muziekindustrie in de toekomst naar wegen zal gaan zoeken om naast muziekopnamen ook de muziek- en beeldopnamen op bredere schaal te gaan exploiteren. Recentelijk hebben een aantal 'muziekmajors' getracht zelf een mondiaal muziektelevisiekanaal op te starten. Die pogingen moesten echter om verschillende redenen gestaakt worden. In het Duitse muziekvideokanaal viva hebben emi, Polygram, Sony en Warner een meerderheidsaandeel. Het Nederlandse muziekvideokanaal The Music Factory is eigendom van de Arcade groep, die naast de platenmaatschappijen Arcade en cnr, cnr Video, ook het muziekstation tv 10 Gold, een aantal radiostations ook de platenwinkelketen The Music Store in eigendom heeft.

Muziekuitgeverij

Muziekuitgeverijen vormen een andere sector die nauw gelieerd is aan de muziekindustrie. De muziekuitgeverij is ontstaan in de tijd dat muziek in gedrukte vorm, bladmuziek, het belangrijkste verspreidingsmedium voor muziek vormde. De muziekuitgeverij exploiteerde het auteursrecht van componist en tekstdichter door liedjes in de vorm van bladmuziek te verkopen. Toen muziek in toenemende mate via geluidsdragers werd verspreid, hebben zij hun taak op een andere manier voortgezet. Ze administreren en exploiteren het auteursrecht van de auteurs en componisten in het algemeen. Voor de liedjes die op een drager worden opgenomen of in het openbaar ten gehore worden gebracht, incasseren respectievelijk buma en stemra gelden die worden doorgesluisd naar de uitgevers die na aftrek van een derde van de revenuen, de helft van de resterende gelden doorsluizen naar de tekstdichter en de andere helft naar de componist. De muziekindustrie gebruikt liedjes die beheerd worden door een uitgever, reproduceert die op geluidsdragers en betaalt daarvoor mechanisch reprod opnamen produceren en exploiteren. Sinds 1994 hebben de producenten van opnamen, de platenmaatschappijen, en de uitvoerenden die op een opname spelen, in Nederland een recht verworven: het zogenaamde naburige recht. Bij het gebruik van de opname door de derden, ter reproduktie op een drager en in het kader van een openbaarmaking, is naast een auteursvergoeding ook een naburigrechtvergoeding verplicht die dan ten goede komt aan producenten van de opname en de uitvoerenden. Dit recht is van groot belang in een toekomstige situatie waarin, naar het zich laat aanzien, muziek in toenemende mate op andere manieren verspreid zal worden dan via door de muziekindustrie zelf geproduceerde en geëxploiteerde geluidsdragers. Vooralsnog is deze vorm van exploitatie van opnamen veruit de belangrijkste bron van inkomsten voor de muziekindustrie.

Nederlandse geluidsdragersmarkt: van analoog naar digitaal

De totaalomvang van de markt voor geluidsdragers in Nederland heeft zich van 1970 tot 1978 crescendo ontwikkeld. In 1970 wordt 210.000 gulden omgezet, in 1978 was dat bijna het drievoudige: 620 miljoen. Daarna breekt er een periode van recessie aan. De omzet van 475.000 gulden in 1983 betekende een absoluut dieptepunt. In datzelfde jaar komt in Nederland, een jaar eerder dan in de meeste andere landen, de cd op de markt, waarmee de weg terug wordt ingeslagen. De omzetgroei die vervolgens in de jaren 1984, 1985 en 1986 te noteren valt is niet het gevolg van groei in het aantal aankopen van geluidsdragers. De groei komt tot stand doordat consumenten in plaats van relatief goedkope langspeelplaten de aanmerkelijk hoger geprijsde cd's gaan kopen. Men koopt ieder jaar minder albums (lp's, cd's of cassettes), maar geeft meer geld uit door de hogere prijs van de cd. Deze jaren markeren de eerste groeifase van de geluidsdragersmarkt na 1983. Overigens is de positie van de cassette in Nederland altijd relatief marginaal geweest, in tegenstelling tot de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

De tweede fase in de groei begint in 1987. In dat jaar is er voor het eerst sprake van een dusdanige toename in het aantal verkochte cd-albums dat de terugloop in het aantal verkochte lp's wordt overstegen. De markt krijgt daarmee als het ware een 'double boost': er worden meer albums verkocht en het conversieproces van lp naar cd is nog in volle gang. De groei van de albummarkt in 1987 en de jaren daarna wordt in kringen van de muziekindustrie voor een groot deel toegeschreven aan de trend bij consumenten om een deel van muziek die men op vinyl in bezit heeft, opnieuw aan te schaffen op cd, gecombineerd met de relatief grote aanschaffen die nieuwe toetreders tot de cd-markt plegen te doen. De muziekindustrie speelt daarop in door hun zogenaamde 'back catalogue' te herexploiteren. Originele albums, eerder uitgebracht op lp, worden op massale schaal opnieuw op cd uitgebracht. Daarnaast verschijnen er talloze compilatie-albums ('Greatest Hits' en 'The Best of ...'). Deze fase duurde tot en met 1991 en markeerde een explosieve groei.

De derde fase van de ontwikkeling van de geluidsdragersmarkt die in 1992 aanbreekt, is er een van consolidatie. In deze fase groeit het aantal verkochte albums niet meer en de geluidsdragersmarkt bestaat vrijwel geheel uit cd's. In 1992 en 1994 is er zelfs sprake van een lichte omzetdaling. Op basis van de resultaten in het eerste halfjaar van 1995 wordt voor dat jaar opnieuw een groei verwacht. De omzetstijgingen zijn met name het gevolg van het feit dat ook op de single-markt de cd in opmars is. Daarnaast laat de verkoop van muziek van Nederlandse artiesten in de jaren 1993 en 1994 voor het eerst sinds lange tijd weer een stijging zien. De groei die voor 1995 wordt verwacht is exclusief het resultaat van de groei in het nationale populaire repertoire. In de loop van de jaren tachtig is de omzet van dit repertoiresegment gestagneerd en zelfs bij tijd en wijle gedaald, terwijl de totaalomzet omhoog schoot. De beperkte omzet in dit marktsegment wordt wel toegeschreven aan het feit dat de Nederlandse muziekindustrie in de loop in de tweede helft van de jaren tachtig en de eerste jaren negentig kon drijven op de verkoopsuccessen van megasterren als Michael Jackson, Madonna, Prince, Dire Straits en u2 en tegelijkertijd niet genoodzaakt was om nieuwe muziek te ontwikkelen omdat men zich kon wen telen in de comfortabele exploitatie van de 'backcatalogue'. De genoemde sterren zijn inmiddels niet meer zo mega en de exploitatie van de 'backcatalogue' lijkt uitgeput. De bereidheid van de Nederlandse muziekindustrie om in lokaal repertoire te investeren kan mede met het oog op deze ontwikkelingen verklaard worden.

Opvallend is dat de vervanging van vinyl door cd op de single-markt bij lange na niet zo snel en voorspoedig is verlopen als op de albummarkt. Op de singlemarkt is dat proces pas in de loop van de jaren negentig op gang gekomen. In eerste instantie blijkt de cd-single geen aantrekkelijk alternatief voor de vinyl-single. Allerwegen wordt dat geweten aan de aanvankelijk hoge prijsstelling van de cd-single in combinatie met relatief veel concurrentie van andere vrijetijdsartikelen op de jeugdmarkt, de belangrijkste markt voor singles. De markt voor albums maakt verreweg het grootste deel uit van de totale Nederlandse geluidsdragersmarkt en schommelde in de afgelopen vijf jaar tussen de 93 en 96 procent van de totale markt. De single wordt binnen de muziekindustrie dan ook voornamelijk gezien als een marketing- en promotieinstrument.

Internationaal

Op de Nederlandse markt is de introductie van de cd sneller verlopen dan op andere nationale markten. Nederland kende als resultaat daarvan in 1994 het hoogste aandeel van de cd op de albummarkt. Van de 36,2 miljoen verkochte albums was 95,6 procent cd, 3,6 procent muziekcassette en 0,8 procent lp. In Japan bestond 94.7 procent van de albummarkt uit cd's, 5,1 procent uit cassettes en 0,2 procent uit lp's. In dat land werden in het totaal ruim 215 miljoen albums verkocht. Het derde land is België met een aandeel op de albummarkt in 1994 (totaal: 20,1 miljoen stuks) voor cd, cassette en lp van respectievelijk 93,5, 6,5 en 0 procent.

Op twee, voor wat betreft omvang belangrijke markten, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, heeft het conversieproces van analoog naar digitaal in eerste instantie geresulteerd in een vervanging van de grammofoonplaat door de cd, terwijl de positie van de cassette relatief onaange tast blijft. De eerder genoemdeddc en md werden door Philips en Sony op de markt gebracht als digitale opvolgers van de analoge cassette, met name omdat het er alle schijn van heeft dat de cd geen volwaardig substituut vormt voor de analoge cassette voor muziekconsumenten in landen waar de cassette de belangrijkste drager vormt. dcc en md hebben als voordeel op de cd dat ze meer geschikt zijn voor draagbaar gebruik en gebruik in de auto en dat de consument ze kan gebruiken om muziek op te nemen. Zoals gememoreerd is geen van beide produkten in staat gebleken een redelijk marktaandeel te veroveren, ook niet in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De ontwikkeling van beide dragers in de eerste twee jaar blijft ver achter bij die van de cd in haar beginjaren.(5)

Inmiddels is uit de recente marktontwikkelingen gebleken dat de opmars van de cd ook de positie van de cassette de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk heeft aangetast. In de Verenigde Staten daalde het aantal verkochte cassettes in 1993, stabiliseerde in 1994 en daalt fors in 1995, terwijl de cd-afzet een forse groei laat zien. Eenzelfde patroon tekent zich af in het Verenigd Koninkrijk. Wellicht dat deze landen zich net als Nederland, Japan en België tot 'one-carrier' landen gaan ontwikkelen.

De cd is op mondiale schaal inmiddels de belangrijkste geluidsdrager. Het aandeel van de cd in het totaal van verkochte albums is 55 procent, dat van de muziekcassette 44 procent en dat van de lp nog maar 1 procent. De cassette is in de Aziatische landen, Afrika en het Midden-Oosten nog steeds verreweg de belangrijkste drager. Op basis van prognoses omtrent de ontwikkeling van de mondiale geluidsdragersmarkt wordt verwacht dat het belang van de Aziatische markt in de komende jaren sterk zal toenemen.(6)

De Nederlandse geluidsdragersmarkt is qua grootte de negende van de wereld. Veruit de grootste markt is de Verenigde Staten, daar werd in 1994 ruim 11,8 miljard dollar omgezet, gevolgd door Japan met een omzet van 5,9 miljard. Daarna volgen de drie grootste Europese markten Duitsland, Groot Brittannië en Frankrijk met omzetten van respectievelijk van 2,9 miljard, 2,3 miljard en 1,9 miljard dollar. Op de Nederlandse markt werd in 1994 0,63 miljard dollar omgezet, wat gelijk staat aan 1,143 miljard gulden.

De omzet op de mondiale geluidsdragersmarkt bedraagt in 1994 35,5 miljard dollar. In Europa werd met een omzet van 11,7 miljard dollar 32,7 procent van de totale wereldomzet gerealiseerd. De Verenigde Staten en Canada nemen samen 36,1 procent voor hun rekening, Japan 16,7 procent. De aandelen van Latijns Amerika en Azië zijn ieder 5,6 procent, dat van de Noordafrikaanse landen, het Midden-Oosten en Turkije samen 0,9 procent, terwijl in de rest van Afrika slechts 0,6 procent gerealiseerd wordt (ifpi, 1995).

Toekomst

>Uit de schets van de context waarin de muziekindustrie opereert is reeds duidelijk geworden dat de activiteiten van de muziekindustrie in sterke mate zijn vervlochten met die van andere sectoren in de communicatie- en informatie-industrie. Die ontwikkeling is al geruime tijd aan de gang. Illustratief in dat verband zijn de woorden van de Engelse muziekindustrieel Stuart Watson uitgesproken tijdens zijn lezing op de conferentie Sommatie 1990 met als thema 'cross-ownership'. Watson was toen werkzaam voor de muziektak van het Amerikaanse bedrijf mca. Kort daarna werd mca opgekocht door de Japanse elektronicagigant Matsushita. Recentelijk is mca overgegaan in de handen van de Canadese frisdrankfabrikant Seagram, die naast mca nog meer belangen in de communicatie- en informatiesector heeft. 'Imagine the following scenario. A giant corporation owns subsidiaries in every medium. One of its magazines commissions an article that is later expanded into a book which is published by the company's publishing subsidiary. The author is widely interviewed in the company-owned newspapers and on its television and radio stations. The book is turned into a screenplay for the company's movie studios and the film is automatically booked into the corporation's chain of movie theatres. The film has a soundtrack released on the company-owned record label. The vocalist becomes an instant celebrity as a result of interview in the company's magazines - and releases a solo album which is played on all of its radio stations. The movie is eventually released by the company's video cassette division and is shown on company-owned tv stations. The re-run rights are then sold worldwide. It might sound incredible. But the kind of multi-media synergy is already happening as a result of the activities of multinational conglomerates' (Watson, 1990).

Gezien de huidige ontwikkelingen in opslag- en distributietechnologie ligt het voor de hand te vooronderstellen dat de muziekindustrie in de toekomst verder zal integreren met andere sectoren van de communicatie- en informatieindustrie. Drijvende kracht achter dit proces is de voortschrijdende integratie in de distributie van entertainment-software en daaruit voortvloeiend de toegenomen mogelijkheden voor de cross-marketing en cross-promotie van muziek en andere software-items. De digitalisering van opslag en distributie van informatie zal in de toekomst gaan werken als een katalysator in het proces van vervlechting. Verschillende vormen van software zullen in de toekomst via eenzelfde medium, hetzij de momenteel door Philips, Sony, Time-Warner en Toshiba ontwikkelde dvd, hetzij via een hoogwaardig distributienet, naar consumenten gedistribueerd worden. Daarmee lijkt een einde te komen aan de situatie waarin de muziekindustrie, in een relatief autonome positie, zelf en alleen verantwoordelijk is voor de exploitatie van distributie via dragers van haar muziekprodukten. De muziekindustrie wordt in dit scenario omgevormd tot een van de belangrijke software-leveranciers onder de koepel van een grote multinationaal georganiseerde 'holding', die naast softwarebelangen sterk vertegenwoordigd zal zijn in de distributie van allerlei vormen van software, via dragers, via netwerken of via omroepvoorzieningen. De activiteiten van de grote hard- en softwarefirma's als Time-Warner, Philips-Polygram en Sony in de ontwikkeling van nieuwe dragers, hun toenemende acquisities in en ontwikkeling van kabelnetwerken en hun participatie in omroepdiensten, illustreren die tendens. Bovendien zullen de interactieve mogelijkheden die het resultaat zijn van technologische ontwikkelingen op het gebied van informatieopslag, een nieuwe generatie van entertainmentprodukten voortbrengen. De eerste generatie van dergelijke produkten ontwikkeld onder auspiciën van de muziekindustrie, hebben tot de eerste kwantitatief beduidende verkoopresultaten geleid met op cd-rom en in mindere mate op cd-i uitgebrachte interactieve produkties met muziek, beeld en tekst van artiesten als Bob Dylan, Peter Gabriel en David Bowie. Daarmee lijkt een nieuwe stap te zijn gezet in het door Watson geschetste scenario. De rol van de muziekindustrie in dat scenario gaat in toenemende mate in de richting van een onderneming die de hoor vervaardigde opnamen voor gebruik licenseert aan derden, al dan niet binnen de eigen 'corporate' koepel. De bron van inkomsten van de muziekindustrie is dan vooral gelegen in de exploitatie van rechten en minder in het zelf verkopen en verschepen van dragers waarop de eigen opnamen vervat zijn, de tot op heden belangrijkste bron van inkomsten voor de muziekindustrie.


Boudewijns, L. (1987), Honderd Jaar Rond. Fonografisch Nederland 1987. kgvo: Amsterdam.

Frith, S. (1987), 'The Making of the British Record Industry 1920-1964'. In: J. Curran, A. Smith & P. Wingate (Eds.) Impacts and Influences . London: Methuen. Pp. 278-290.

ifpi (1995), The Recording Industry in Numbers. ifpi Statistical Handbook 1995. London: ifpi.

Music & Copyright, no. 57, 18 januari 1995.

Music & Copyright, no. 65, may 10 1995.

Music and Copyright, no. 71, 2 augustus, 1995.

Music & Copyright, no. 74, 27 september 1995.

vnpi (1985), Cijferschrift 1985. Hilversum: vnpi.

vnpi (1995), Cijferschrift 1995. Hilversum: vnpi.

Rutten, P. (1993), 'Popular Music Policy: A Contested Area - The Dutch Experience'. In: T. Bennett, S. Frith, L. Grossberg, J. Shepherd & G. Turner (Eds.). Rock and Popular Music. Policies, Politics and Institutions. London: Routledge. Pp. 37-51.

Watson, S. (1990), 'Music and Media Ownership. The growing worldwide synergy between entertainment companies, retailers and media owners.' Voordracht op Sommatie 1990. Veldhoven.