![]() |
I&I-> Jaargangen -> Artikel
Keerpunten in de geschiedenis van informatieverwerkende technologie
|
|
Door: Jan van den Ende De oorzaken van het toenemende gebruik van informatieverwer kende technologie zijn niet steeds dezelfde geweest. Er zijn verschil lende perioden, waarin maatschappelijke dan wel technische ont wikkelingen dominant zijn. Het lijkt erop dat we op dit moment op een keerpunt zitten. De geschiedenis van reken- en gegevensverwer kende apparatuur in Nederland tussen 1900 en 1965. In deze eeuw groeit het gebruik van reken- en ge gevensverwerkende technologie voortdurend. Aanvankelijk ging het vooral om rekenmachines, boekhoud- en ponskaartmachines en wetenschap pelijke rekeninstrumenten. Na de Tweede Wereldoorlog werd de digitale computer geïntroduceerd, en deze verspreidde zich met toenemende snelheid. De opkomst van reken- en gegevensverwer kende technologie (die ik ook met 'informatieverwerkende' technologie zal aanduiden) is een van de redenen dat we tegenwoordig spreken van een informatiemaatschappij. In dit artikel stel ik de vraag naar de oorzaken van deze ontwikkeling. Neemt vooral de maatschappelijke vraag naar reken- en gegevensverwer kende technologie toe, of is de ontwikkeling van het aanbod de oorzaak van het toenemend ge bruik? De vraag is van belang als we voorspellingen willen doen over het toekomstig gebruik van informatieverwerkende technologie. In hoeverre zijn de hooggespannen verwachtingen over bij voorbeeld de elektronische snelweg realistisch? In de uitgebreide literatuur over de maatschap pelijke aspecten van de computer wordt de ontwikkeling van computertechnologie gezien als oor zaak van het toenemend gebruik (zie bijvoorbeeld Forester, 1980, 1985, 1989; Saxby, 1990). Hoewel de auteurs veel aandacht hebben voor de maatschappelijke aspecten, kenmerkt deze literatuur zich wat de technologie betreft door een deterministische benadering. De auteurs beschouwen de technologische ontwikkeling als oorzaak van allerlei maatschappelijke veranderingen. Hun centrale vraag betreft hoe met die gevolgen om te gaan. Recente benaderingen in de technologiedynami ca leggen daarentegen veel meer de nadruk op maatschappelijke aspecten in technologie-ontwik keling. Het meest uitgesproken is het sociaal-constructivisme, dat stelt dat processen van betekenis geving door maatschappelijke groepen bepalend zijn voor de ontwikkeling van de technologie (Bij ker et al., 1987; Bijker & Law, 1992). Maar ook an dere recente benaderingen, zoals de evolutionaire economie, benadrukken de rol van maatschappe lijke context in technische ontwikkelingen (Dosi et al., 1988). De vraag is vanuit welke van deze perspectieven we het best de geschiedenis van informatieverwerkende technologie kunnen beschrijven. In hoever re hebben maatschappelijke dan wel technologische factoren bijgedragen aan de opkomst van dit type technologie in deze eeuw? Ik zal deze vraag analyseren op het macro-niveau, de grote lijn van de dynamiek van informatieverwerkende technologie en markt over een langere periode. De vraag doet wellicht denken aan de discussie over technology push en market pull uit de jaren ze ventig. Die begrippen hadden echter vooral betrekking op de motieven van ondernemers, inge nieurs en wetenschappers bij het ontwikkelen van innovaties. De discussie eindigde in een patstel ling, doordat een onderscheid tussen push en pull onmogelijk te maken viel. Hier gaat het echter niet om motieven, maar om historische processen, en ik zal betogen dat we maatschappelijke en tech nische factoren daarin soms wel kunnen onderscheiden. Maatschappelijke factoren betreffen de invloed van bredere maatschappelijke veranderingen die tot uiting komen in de behoefte aan, of de markt voor een technologie. Met de invloed van technische factoren doel ik vooral op de 'eigen dyna miek' van de technologische ontwikkelingen. Die komt tot uiting in het tempo en de richting van technologische ontwikkeling. Technologie ontwikkelt zich niet altijd in hetzelfde tempo; er zijn perioden van stabilisatie en van versnellingen. Bo vendien ontwikkelt de technologie zich vaak in een specifieke richting, in de evolutionaire econo mie aangeduid met 'paradigma'. In het algemeen zijn maatschappelijke factoren van invloed op de richtingen waarin wetenschappers en ingenieurs naar nieuwe kennis zoeken. Ook de mate van vooruitgang die ze boeken wordt deels bepaald door maatschappelijke factoren, bijvoorbeeld door de hoeveelheid middelen die wordt ingezet. Maar ook technische factoren zijn van invloed. Het be treft de eigen dynamiek van de technische ontwikkeling, welke wordt bepaald door de fysieke wer kelijkheid. De fysieke werkelijkheid stelt beperkin gen: niet elke denkbare technologie kan gemaakt worden, en als hij wel gemaakt kan worden, meestal niet tegen elke prijs. Aan de andere kant biedt de fysieke werkelijkheid soms ook onver wachte mogelijkheden, als in een bepaalde richting van technische ontwikkeling grotere vooruitgang mogelijk blijkt dan verwacht. Hoewel ik uiteindelijk geïnteresseerd ben in de dynamiek van technische en maatschappelijke ont wikkelingen op het macro-niveau, zal ik me in dit artikel richten op het niveau van specifieke infor matieverwerkende organisaties: bedrijven of afdelingen van bedrijven die zich met rekenen of infor matieverwerking bezighouden. De vraag is hoe omgevingseisen en het aanbod van technologie van invloed zijn op de keuze van informatieverwerkende technologie binnen die organisaties. Ik zal betogen dat er drie perioden te onder scheiden zijn in de twintigste eeuw waarin technologische dan wel maatschappelijke factoren domi nant zijn voor de verspreiding van informatieverwerkende technologie. In de eerste periode ( 1900-1960) groeide vooral de vraag naar informatiever werkende technologie. Een aantal maatschappelijke processen, die we later zullen bespreken, gaf hier aanleiding toe. In de tweede periode (1960-1990 ) waren technische factoren dominant, tot uiting komend in de ontwikkeling van de digitale computer. Een derde periode start rond 1990. In deze periode lijkt de technische ontwikkeling van de computer te stabiliseren. Voor de verdere ontwikkeling van computers wordt de markt weer do minant. Daarnaast is het duidelijk dat in deze periode een ander verschijnsel belangrijk wordt, dat al eer der was begonnen: de koppeling tussen informatieverwerkende en communicatietechnologie. De vraag is echter in hoeverre de huidige, hooggespannen verwachtingen van de groei van dit ge bied reëel zijn. Het lijkt erop dat de grote vlucht die computertechnologie in de afgelopen decennia heeft genomen, wel erg gemakkelijk naar de toe komst wordt doorgetrokken. Drie toepassingsgebiedenIn de geschiedenis van reken- en gegevensverwerkende apparatuur in deze eeuw zien we verschil lende toepassingsgebieden en verschillende typen technologieën door elkaar. Tot in de jaren zeven tig waren er drie belangrijke toepassingsgebieden: technisch en wetenschappelijk rekenen, admini stratieve en statistische gegevensverwerking, en procesbesturing. Ze worden wel met de 'drie cul turen' aangeduid. Tot de introductie van de digi tale computer in de jaren vijftig waren deze gebie den sterk gescheiden. Op elk ervan waren eigen werkmethoden en technologieën toegepast. De computer vond op elk van deze gebieden ingang. Binnen elk van deze drie gebieden werden ver schillende reken- en gegevensverwerkende technieken toegepast. In technisch-wetenschappelijk re kenwerk werden rekeninstrumenten (bijvoorbeeld rekenlinialen), tafelrekenmachines, schaalmodellen en analoge computers toegepast. Vaak werden verschillende technieken naast elkaar gebruikt. In ad ministratieve en statistische gegevensverwerking waren vooral tafelrekenmachines en ponskaartma chines in gebruik. In procesbesturing waren het meet- en regelinstrumenten, en later ook analoge computers. Rond 1960 werd de digitale computer in elk van deze gebieden geïntroduceerd. Uitein delijk verdrong hij de meeste andere toegepaste technieken. Later kreeg de computer nog nieuwe toepassingen, zoals bij cad/cam en in het onderwijs. In grote lijnen was er tot 1960 sprake van toenemende diversificatie, en daarna technologi sche uniformering, waarbij de computer dominant werd. In mijn proefschrift (Van den Ende, 1994) geef ik van elk van deze gebieden één of twee voorbeel den: - Technisch en wetenschappelijk rekenwerk: getij denberekeningen voor Zuiderzee- en Deltawerken. - Administratieve en statistische gegevensverwer king: het cbs en Hoogovens (produktieplanning). - Procesbesturing: Hoogovens. In elk van deze voorbeelden zien we een groeiende vraag naar en toenemende diversiteit van toegepaste technologieën, de introductie van de digitale computer en het dominant worden daarvan. Ik zal de voorbeelden hier kort bespreken. GetijdenGetijdenberekeningen waren nodig voor de Zuiderzee- en Deltawerken. De vraag was hoe water bouwkundige werken de waterstromingen en getijdenbeweging beïnvloedden. De getijdenbeweging volgt een ingewikkeld patroon, dat voor elk punt van een wateroppervlak zoals een zee of zeearm verschillend is. Kennis van veranderingen in dat patroon was belangrijk, omdat het bijvoorbeeld nodig kon zijn om bestaande dijken te verhogen. De technische complexiteit van deze werken maakte het onmogelijk een eenvoudige schatting te doen. Daarnaast werden er steeds meer belangengroepen betrokken bij de planvoorbereiding, hetgeen noodzaakte de effecten van de plannen nauwkeurig te berekenen. Bij de Zuiderzeewerken werd in de planvoorbe reiding nog geen gedetailleerd rekenwerk gedaan. Maar tegelijk met het besluit tot afsluiting in 1918, bepaalde het parlement dat de veranderingen in de waterbewegingen voor de uitvoering nauwkeurig vastgesteld moesten worden. Minister Lely con tracteerde de bekende natuurkundige H.A. Lorentz, inmiddels gepensioneerd, voor dit doel. Sa men met enkele assistenten kostte het hem acht jaar om precies te bepalen wat de Afsluitdijk zou betekenen voor de waterstanden in de Waddenzee. Hij ontwikkelde een wiskundig model van de wa terstromen, dat hij met de hand doorrekende. In de jaren dertig, dus ver voor de watersnood ramp van 1953, begon Rijkswaterstaat dezelfde soort berekeningen voor het Deltagebied te ma ken. Er waren toen al plannen voor aanpassingen van de waterlopen in het gebied, die overigens minder vergaand waren dan het latere Deltaplan, en vooral inhielden dat van meerdere eilanden één werd gemaakt. Hier mengden zich meer belanghebbenden in de planvoorbereiding, zoals de stad Dordrecht, waar het water af en toe tot in de deur openingen van huizen op de kade rees, en scheepvaartvertegenwoordigers, die bang waren dat de stroomsnelheden te groot zouden worden om nog zonder duwboten te varen. Er lagen verschillende alternatieve plannen die doorgerekend moesten worden. Bovendien werd een hoge mate van nauwkeurigheid vereist. Het handmatig rekenwerk kreeg zo'n omvang dat Rijkswaterstaat vanaf 1939 een tiental speciale rekenaars aanstelde. Ze deden de hele dag niets an ders dan dit type rekenwerk. Daarenboven bouwde het hoofd van de betreffende Studiedienst een elektrisch 'analoog' rekenapparaat, waarin de wa terstromen door elektrische stromen werden gesimuleerd. Hij voltooide een eerste prototype in 1946. Bezwaar was dat de betrouwbaarheid van de resultaten voor kritiek vatbaar was. Desondanks liet hij een groter apparaat bouwen, dat in 1954 klaar kwam. Het bestond uit meterslange en me tershoge schakelpanelen. Tegelijktijd begon het Waterloopkundig Labo ratorium in Delft een schaalmodel voor dit probleem te bouwen. Het werd een groot model van het noordelijk Deltagebied, van wel vijftig meter lang. Ten tijde van de overstroming van 1953 gebruikten de betrokken ingenieurs dus drie metho den naast elkaar: de handmatige voor het nauwkeurige werk, de andere twee elk voor snellere maar iets onnauwkeuriger berekeningen. Vanaf 1956 begon Rijkswaterstaat ook experimenten te doen met een digitale computer. In 1963 schafte ze zo'n apparaat voor dit doel aan. Een analoge computer en vooral schaalmodellen bleven echter tot in de jaren tachtig voor dit type problemen in gebruik. Statistiek en produktieplanningTwee andere cases betreffen ponskaartmachines. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ( cbs) paste deze technologie als eerste toe in Nederland in 1916. In de jaren twintig volgden andere bedrijven, zoals Staatsmijnen, de Rotterdamsche Bank in Amsterdam en het Amsterdamse elektriciteitsbe drijf. Uit die tijd stamt overigens het eerste auto matiseringsdebâcle: de toepassing van ponskaart machines bij de girodienst leidde tot zo'n chaos, dat de dienst een jaar lang gesloten moest worden (Nijholt & Van den Ende, 1994, pp. 104-106). Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden ponskaartmachine'parken': installaties die ook een groot aantal machines bestonden, waar de ponskaarten in een specifieke volgorde doorheen geleid werden. In deze tijd, in 1956, introduceerde Hoogovens de ponskaartmachine. Met ponskaartmachines kunnen gegevens gemakkelijk meerdere keren worden geteld. Pons typistes (vanaf het begin in Nederland een vrouwelijk beroep, net als 'gewone' typistes) legden ge gevens vast in kaarten. Die kaarten konden machi naal worden gesorteerd en geteld, met respectievelijk sorteer- en tabelleermachines. Het cbs gebruikte de methode om statistieken samen te stel len. Nadat de gegevens eenmaal geponst waren, konden gemakkelijk verscheidene kruistabellen worden berekend. Aanvankelijk had het bureau maar enkele machines, voor de handelsstatistiek. Vanaf de jaren dertig werd het aantal ponskaartmachines uitgebreid. Er waren in die tijd meer economische statistieken nodig ten behoeve van de economische politiek van de overheid. Hier speel de weer de toenemende participatie van betrokken partijen (werkgevers en werknemers) een rol; de wortels van de Nederlandse overlegeconomie liggen in deze periode. De statistieken moesten com plexer en nauwkeuriger worden doordat elk van die partijen andere eisen stelde aan de statistieken. In de jaren vijftig had het cbs een grote centrale gegevensverwerkende afdeling, met tientallen machines, die miljoenen ponskaarten per jaar ver werkte (13 miljoen in 1949, hetgeen overeenkwam met ongeveer twee en een halve ton aan gewicht aan kaarten per dag!). De machines werden op een tayloristische manier gebruikt. Eerst maakte de werkvoorbereiding een schema van de verwerkingsgang van de kaarten; deze bestond doorgaans uit vele sorteer- en telbewerkingen. (Dit werk was een voorganger van de systeemanalyse in de latere computertijd.) Speciale loopjongens sjouwden de kaarten van tussen het magazijn en de verschillende machines. Het lukte de afdeling zelfs om met de machines de resultaten van de berekeningen kant-en-klaar voor de drukker op papier te prin ten, met de benodigde tekst erbij. Zoals gezegd schafte Hoogovens pas in deze tijd, in 1956, zijn eerste ponskaartmachines aan. Hier was het doel heel anders. Een belangrijke reden was de toenemende complexiteit van het produktieproces. Tot 1939 produceerde Hoogovens alleen ijzer dat door andere bedrijven verder werd ver werkt, en gietijzeren buizen. Vanaf 1939 breidde het bedrijf de produktie uit met staal en staalpro dukten, zoals dikke en dunne platen, en verschillende soorten dunne platen op rollen. Dun plaatstaal werd gebruikt door de auto-, witgoed- en conservenindustrie. Door deze uitbreidingen van het produktiepro ces werd het beheersen van de produktiestroom steeds complexer. Hoogovens produceerde op or der, hetgeen inhield dat elke order van een klant apart werd verwerkt. Al die orders konden ver schillende kwaliteitskenmerken hebben. De orderverwerking gebeurde op een manier die we tegen woordig met just-in-time zouden aanduiden. Fabrieken aan het eind van de produktieketen, de walserijen van platen, combineerden orders tot grotere orders voor fabrieken hogerop in de keten (de plakkenwalserij). Die combineerde de orders weer tot grotere orders voor de staalfabrieken, en zovoort. Als de materialen/produkten beschikbaar kwamen, werden ze in de fabrieken lager in de ke ten weer gesplitst in kleinere orders en verder ver werkt. Voor de administratie van dit proces moesten de fabrieken steeds meer gegevens verwerken. Daarom schafte Hoogovens in 1956 een ponskaartinstallatie aan. Van elke order of deelorder, maar vaak ook van elke stalen plaat, maakte de administratie een ponskaart. Daarop werden steeds nieu we gegevens genoteerd over kwaliteit, gewicht enzovoort. Behalve voor het maken van werksche ma's konden die kaarten gebruikt worden voor produktiestatistieken en voor de kwaliteitsafde ling. De ponskaartmethode had als nadeel dat de in stallatie centraal stond opgesteld. Medewerkers van de administraties van de fabrieken moesten met ponskaarten heen en weer rijden. Dit probleem was een van de redenen voor Hoogovens om in 1961 de produktieplanning te centraliseren. Belangrijker was echter dat de produktie steeds slechter beheersbaar werd. Er ontstonden achterstanden, steeds meer orders kwamen te laat gereed of in kleine delen, wat tot extra transportkosten leidden. De bedrijfsleiding zag als oorzaak dat de planning te veel was afgestemd op de eisen die uit het produktieproces voortkwamen, in plaats van op de klant. Tevens schafte het bedrijf een compu ter aan voor de gegevensverwerking. Die had als voordeel dat hij ook complexe stappen in de gege vensverwerking kon uitvoeren, zoals het combineren van de afmetingen van bestelde platen tot de standaardafmetingen die de walsen produceerden. ProcesbesturingHet voorbeeld van het derde toepassingsgebied van pre-computer gegevensverwerking, betreft procesbesturing bij hetzelfde bedrijf, Hoogovens. Zoals de complexiteit van de waterbouwtechniek in het geval van getijdenberekeningen een rol speelde, stimuleerde hier de complexiteit van staal produktietechniek tot de inzet van rekenhulpmiddelen. Daarnaast noopten de stijgende kwaliteits eisen aan de eindprodukten tot de inzet van nauwkeuriger hulpmiddelen in de procesbesturing. De procesbesturing kende twee stappen. Voor dat een proces, bijvoorbeeld de produktie van een lading staal, werd gestart, moesten de operateurs vaststellen hoeveel materialen, in dit geval ijzer, schroot en zogeheten toevoegstoffen zoals kalk, ze in het proces inbrachten. Dit hing af van de samenstelling van de grondstoffen en van de kwali teitseisen van het eindprodukt. Tussentijds konden ze op basis van waarnemingen van de proces gang nog materialen toevoegen, of de temperatuur aanpassen. Aanvankelijk verrichtten de operateurs de bestu ring van het produktieproces op ambachtelijke wijze. Ze bekeken het staalproces, en pasten de toevoer van lucht, brandstof of materialen aan op grond van hun waarnemingen. Na de Tweede Wereldoorlog zette Hoogovens steeds meer meet- en regelapparatuur in. Zo kwam er een chemisch laboratorium om monsters van de materialen te analyseren. In 1958 introduceerde Hoogovens een nieuw staalproduktieproces (het 'oxystaalproces') waarbij het maar een half uur duurde om een lading staal te fabriceren, tegen voorheen een uur of twaalf. Om met dit proces dezelfde hoge kwaliteit te produceren, moest het proces veel nauwkeuriger gere geld worden. Bovendien moesten de tussentijdse analyses veel sneller gebeuren, omdat het proces daarvoor werd gestopt. Om de invoergegevens beter te kunnen vaststel len, bouwde de researchafdeling van Hoogovens in 1960 een analoge computer. Als de operateurs hierop de produkteisen van het te produceren staal, de gewenste eindtemperatuur en materiaaleigenschappen van de grondstoffen instelden, bere kende de machine de hoeveelheden grondstoffen die moesten worden ingevoerd volgens een vooraf vastgesteld model. In 1963 werd nog een tweede machine van hetzelfde type hiervoor gebouwd. Voor het verwerken van de gegevens van de monsters introduceerde Hoogovens in 1965 een digitale computer. Ze gebruikte hiervoor een nieu we, kleine, getransistoriseerde computer (van het type pdp). Al spoedig installeerde het bedrijf een groot aantal van deze machines voor de procesbe sturing. De computers hadden als voordeel ten opzichte van analoge computers dat ze ook gegevens konden vastleggen voor de administraties. Bovendien konden de programma's gemakkelijker wor den aangepast bij veranderingen in het proces dan bij analoge machines. Om veiligheidsredenen wer den doorgaans twee machines naast elkaar geplaatst. Toenemende vraagIn de periode tot ongeveer 1960 zien we in elk van bovenstaande gevallen een toename van de vraag naar informatieverwerkende technologie. Verschil lende maatschappelijke processen droegen daaraan bij: - de complexiteit van de toegepaste technologie (van andere technologieën dan informatieverwerkende technologie, in de cases: getijden, pro cestechnologie); - participatie van sociale groepen in de publieke besluitvorming (getijden, cbs); - groeiende rol van de overheid (cbs); - integratie in het bedrijfsleven (Hoogovens). Deze processen hadden niet alleen invloed op de vraag naar reken- en gegevensverwerkende appara tuur doordat ze de omvang van reken- en gegevensverwerkende activiteiten deden groeien, maar ze deden ook de nauwkeurigheidseisen en de complexiteit ervan toenemen. De technische ontwikkeling van informatieverwerkende technologie had in die periode minder in vloed op het gebruik. Om dit toe te lichten, moeten we onderscheid maken tussen verschillende in formatieverwerkende technologieën: 1. Technologieën die de gehele of nagenoeg de ge hele periode beschikbaar waren, zoals ponskaartmachines. Deze technologieën verbeterden niet fundamenteel. Zo verbeterden de prestaties van ponskaartmachines (meer mogelijkheden, een ho gere snelheid), maar de prijs ten opzichte van arbeidskosten steeg ook, met een factor van onge veer drie tussen 1920 en 1950. De prijs/prestatieverhouding verbeterde daardoor niet sterk ten op zichte van handarbeid. Desondanks nam het gebruik van de machines drastisch toe. 2. Technologieën die nieuw werden toegepast, maar waarvan kennis al eerder beschikbaar was. Deze technologieën werden vaak niet eerder toege past omdat ze geen meerwaarde boden. Dit geldt bijvoorbeeld voor schaalmodellen: Lorentz over woog al om deze toe te passen voor zijn getijdenberekeningen, maar hij zag er vanaf omdat het te omslachtig zou zijn voor het probleem dat hij moest oplossen. Pas later kregen de getijdenbere keningen een omvang die de bouw van een schaalmodel rechtvaardigde. 3. Technologieën die echt nieuw waren, in de zin dat vrij kort voor de toepassing kennis erover beschikbaar kwam. Dit geldt bijvoorbeeld voor ana loge en digitale computers. Bij deze technologieën kan het in veel gevallen achteraf aannemelijk worden gemaakt dat, als ze eerder beschikbaar waren geweest, geen of weinig voordeel zouden hebben opgeleverd. Zo zou voor de Tweede Wereldoorlog de toepassing van analoge computers voor de procesbesturing bij Hoogovens niet zinvol zijn ge weest omdat voor de langdurige produktieprocessen bij de lagere kwaliteitseisen zo'n technologie niet nodig was. Dat geldt ook voor de eerste digitale computers. De activiteiten van het cbs of Hoogovens waren voor de Tweede Wereldoorlog nog niet van dien aard dat de toepassing van zo'n grote en kostbare technologie, waarvoor bovendien nog kennis van programmeren moest worden opgebouwd, opportuun was geweest. Uiteraard is het denkbaar dat de technologie uit bijvoorbeeld statusoverwegingen toch al was toegepast, maar dat een verspreiding op ruimere schaal had plaats gevonden zoals na de Tweede Wereldoorlog, is onwaarschijnlijk. In de eerste twee gevallen, waar de informatie verwerkende technologie die in deze periode het meest werd toegepast toe behoort, vormde de technische ontwikkeling duidelijk niet de hoofdoorzaak van het toenemend gebruik van de tech nologie. In het derde geval is dat iets minder duidelijk, maar ook daar was de groeiende vraag een voorwaarde voor de toepassing van de nieuwe technologie. In het algemeen mogen we conclude ren dat de groeiende vraag in deze periode een belangrijker rol speelde dan de technische ontwikke ling. Technische versnellingDeze situatie veranderde drastisch rond 1960. Voornamelijk door de toepassing van micro-elek tronica begon de digitale computer aan een revolutionaire ontwikkeling. Hij verbeterde op ver scheidene voor gebruikers relevante kenmerken tegelijk: rekensnelheid, geheugenomvang, omvang van het apparaat zelf, bedrijfszekerheid en gebruiksvriendelijkheid, terwijl hij ook nog goedko per werd. Dit verbeteringsproces hield maar liefst dertig jaar lang aan. De prijs/prestatieverhouding van de computer verbeterde tussen begin jaren vijftig en midden jaren tachtig met een factor van meer dan duizend, als we als prestaties slechts de rekensnelheid en geheugenomvang meenemen (Gordon, 1989). Daarna zette dit proces nog door. Deze ontwikkeling zou wel eens uniek kunnen zijn in de geschiedenis van de techniek. In de economie worden dit soort verbeteringen van een nieuwe technologie met 'leereffecten' aangeduid, hoewel die term wel veel in zich bergt (bij voorbeeld schaalvoordelen). In het geval van de digitale computer hielden ze fundamentele verbete ringen in. Uiteraard werden die door ingenieurs en wetenschappers tot stand gebracht, maar het proces had ook een inherente dynamiek, die eruit bestond dat de fysieke werkelijkheid hier de moge lijkheid toe bood. De snelle technische verbeteringen van de com puter leidden tot een snelle verspreiding. Hij verdrong bestaande technologie (hoewel die soms nog lang verder werden ontwikkeld, zoals schaalmodellen), en er kwamen nieuwe toepassingen. Uiteraard bleef ook de vraag naar informatieverwerken de technologie in deze periode nog groeien (bijvoorbeeld doordat nieuwe ideeën over manage ment-informatiesystemen werden ontwikkeld). Toch is het duidelijk dat de snelle verbreiding van de digitale computer in deze periode vooral aan de technische verbeteringen ervan moet worden toegeschreven. 1 We zien dus op het gebied van informatiever werkende technologie een patroon, waarbij aanvankelijk maatschappelijke processen een groeien de vraag genereerden, die de bestaansgrond vormde voor een nieuwe technologie, de digitale com puter. Die nieuwe technologie kreeg vervolgens een eigen dynamiek, voornamelijk ten gevolge van de mogelijkheden tot fundamentele technische verbeteringen. Men kan de eerste digitale compu ter als een 'drempel-'technologie beschouwen: zelf was hij vooral een antwoord op de toegenomen vraag en vormde hij geen revolutionaire vernieuwing (hij was grotendeels gebaseerd op bestaande kennis en technieken). Maar hij gaf aanleiding tot technische verbeteringen die wel een revolutie teweeg brachten. De snelwegDe vraag is hoe we tegen deze achtergrond de hui dige ontwikkelingen moeten begrijpen. Op het gebied van informatieverwerkende technologie lijkt de bovenstaande periode van snelle ontwikkeling tot een einde te zijn gekomen. Weliswaar wordt de digitale computer nog steeds verbeterd, en er is nog steeds sprake van prijsdalingen van specifieke typen, maar het algemene prijsniveau van (personal) computers lijkt redelijk constant, en in elk ge val veel minder snel te dalen dan in de afgelopen decennia. Hoewel er nog veel verbeteringen moge lijk blijven, begint de digitale computer redelijk uitontwikkeld te raken. Het is niet te verwachten dat de ontwikkeling ervan nog veel zal bijdragen aan het toenemend gebruik. Daarnaast zijn er uiteraard de ontwikkelingen rond de elektronische snelweg. Het is het resultaat van convergentie van twee typen technologieën (telecommunicatie en computers). We kunnen dit in feite ook beschouwen als een technische factor: de mogelijkheid om verschillende technologieën fysiek aan elkaar te koppelen. De convergentie heeft uiteraard een meerwaarde voor de gebruiker. De eerste ontwikkelingen in de telematica vonden al in de jaren zeventig plaats, maar nu begint dit gebied een toenemende dynamiek te krijgen. De vraag is echter wel in welke mate groei te verwachten is. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de verwachtingen over de elektro nische snelweg zijn ingegeven door de revolutie in het gebruik van computers in de afgelopen decen nia, die naar de toekomst wordt geëxtrapoleerd. Ik hoop in het bovenstaande aangetoond te hebben dat die groei heel specifieke oorzaken had: een groeiende vraag en de technische ontwikkeling van de digitale computer. De vraag is of die oorzaken ook in de toekomst nog werkzaam zullen zijn. Verschillende maatschappelijke processen, zoals de toenemende sa menwerking binnen en tussen bedrijven en de daarmee gepaard gaande complexiteit van arbeids processen, en de opkomende wens tot telewerken, doen een toenemende behoefte aan communicatie via computers verwachten. Maar het is onduidelijk wat de behoeften precies zijn, vooral bij particulie re gebruikers, welke eisen gebruikers stellen aan de gebruiksvriendelijkheid en wat ze bereid zijn te be talen. De vraag is bovendien in welke mate de behoeften zullen groeien. En wellicht nog belangrijker: wat zal er tech nisch mogelijk zijn? Er wordt vaak wel erg gemakkelijk aangenomen dat de prestaties van de tech nologie zullen verbeteren, terwijl de kosten drastisch zullen dalen. Uiteraard zijn er voordelige schaaleffecten mogelijk, maar het effect daarvan kan heel beperkt zijn. De vraag is in hoeverre er meer fundamentele technische verbeteringen mogelijk zijn in de technologie of in de produktie daarvan, die de huidige verwachtingen van grote verbeteringen in prijs/prestatieverhouding recht vaardigen. Hoewel het moeilijk is nauwkeurige schattingen daarvan te doen, zijn die wel nodig.
Met dank aan Dirk de Wit en Onno de Wit voor hun commentaar op een eerdere versie van dit ar tikel. Bijker, Wiebe, et al. (red.), The Social Construction of Technolo gical Systems. mit Press, Cambridge (Mass.), 1987. Bijker, W.E., & J. Law, Shaping Technology, Building Society . mit-Press, Cambridge, Mass., 1992. Dosi, G., et al. (red.), Technical Change and Economic Theory . Pinter, London, 1988. Ende, Jan van den, The Turn of the Tide. Computerization in Dutch Society, 1900-1965. Delftse Universitaire Pers, Delft, 1994. Forester, Tom (red.), The Microelectronics Revolution . Basil Blackwell, Oxford, 1980. Forester, Tom (red.), The information technology revolution . Basil Blackwell, Oxford, 1985. Forester, Tom (red.), Computers in the Human Context. Informa tion Technology, Productivity, and People. mit Press, Cambridge, Mass., 1989. Gordon, R.J., 'The Postwar Evolution of Computer Prices'. In: D.W. Jorgenson and R. Landau (red.), Technology and Capital Formation. mit Press, Cambridge, Mass., 1989. Nijholt, Anton & Jan van den Ende, Geschiedenis van de reken kunst. Van kerfstok tot computer. Academic Service, Schoonho ven, 1994. Saxby, S., The Age of Information. New York up, New York, 1990. |
|