I&I-> Jaargangen -> Artikel

De beginjaren van het
Nederlandse telefoniesysteem

Door: O. de Wit

De telefoon deed in 1877 in Nederland zijn intrede, ruim één jaar na de toekenning van het telefoonoctrooi aan Alexander Graham Bell. Na een aantal jaren van experimenteren en demonstreren konden de inwoners van Amsterdam vanaf 1881 als eersten lokaal bellen. Reeds in 1883 werd een experimentele interlokale verbinding opgezet tussen Amsterdam en Haarlem. Rond 1895 ­ de telefoon bestond nog geen twintig jaar ­ was deze snelle start echter omgesla gen in een trage groei. Veel lokale netten waren verouderd, het aantal abonnees nam slechts langzaam toe, en de interlokale verbindingen waren beperkt gebleven tot de Randstad. Wat ging er fout tijdens de beginjaren van het Nederlandse telefoniesysteem?

In traditionele innovatiestudies wordt de evolutie van een technisch artefact veelal beschreven als een gefaseerd proces, met de bekende s-curve als grafisch resultaat. Na de fasen van uitvinding en ontwikkeling volgen die van introductie en acceptatie, waarna het proces wordt afgesloten met de fasen van verspreiding en aflossing. Een dergelijke beschrijving berust op een drietal veronder stellingen: na de uitvindingsfase is het artefact niet meer aan verandering onderhevig; bij bewezen superioriteit komt de nieuwe techniek in de plaats van een oude techniek; de nieuwe techniek kan zonder problemen worden ingepast in de bestaan de maatschappelijke omgeving (Lintsen, 1992).

Genoemde veronderstellingen doen geen recht aan het complexe karakter van de dynamiek tussen technische en maatschappelijke ontwikkelingen; aan de voortdurende ontwikkeling van techniek in relatie tot haar maatschappelijke omgeving. In re cent techniek-historisch onderzoek omvat techniekontwikkeling niet alleen de ontwikkeling van nieuwe technieken, maar ook de daarmee gepaard gaande veranderingen in wetgeving, de vorming van institutionele en organisatorische kaders en de totstandkoming van nieuwe markten. Door tech niekontwikkeling te beschouwen als de transformatie van technisch-maatschappelijke systemen met een aantal heterogene elementen ontstaat meer inzicht in de dynamiek van techniekontwik keling.

Door Thom Hughes en andere techniekhistorici is in het afgelopen decennium een model ontwikkeld, specifiek ter verklaring van de dynamiek van technisch-maatschappelijke systemen op het gebied van energie, transport en communicatie (Hughes, 1983; Mayntz et al., 1988). Deze grootschalige infrastructurele voorzieningen worden in de loop der tijd opgebouwd uit een aantal onderdelen van technische en niet-technische aard. De materiële kern van dergelijke systemen is een tech nisch artefact; daaromheen worden organisatorische en institutionele structuren geweven.

Basis van de systeembenadering is de opvatting dat de diverse onderdelen van het systeem een dynamische interactie aangaan, en dat deze interactie op een gegeven moment leidt tot een min of meer stabiele systeemconstellatie. De ontwikkeling van grootschalige technische systemen valt dus te fase ren. Tevens valt in elke fase een bepaald type systeembouwer te onderkennen. Deze systeembouwers vormen de centrale actoren in een bepaalde systeemfase. Hun handelingen geven vorm aan het systeem en zullen vooral gericht zijn op het versterken van de interne dynamiek van het systeem. Gezien het heterogene karakter van systemen dienen ze zich daarbij met zowel technische, econo mische, organisatorische als politieke zaken bezig te houden.

In dit artikel staat de wording van het Neder landse telefoniesysteem centraal. Na een korte bespreking van de uitvinding en de eerste ontwikke lingsjaren van de telefoon in Amerika, zal de aandacht vooral uitgaan naar de introductie van de te lefoon in Nederland en de daaropvolgende fasen van innovatie en groei.

De telefonie in Nederland vertoonde in de pe riode 1877-1895 een weinig dynamisch beeld. Na een snelle start stagneerde op een aantal fronten de ontwikkeling. Het aantal abonnees nam slechts zeer langzaam toe; technische innovaties kwamen nauwelijks voor. In Amerika groeide tussen 1878 en 1897 het aantal telefoons jaarlijks met gemiddeld 25 procent (Chandy, 1995). In Nederland kon over ruwweg dezelfde periode een groei worden genoteerd van gemiddeld slechts 6,5 procent. Het resultaat was dat in Amsterdam en Rotterdam rond 1895 nog geen half procent van de inwoners telefoon bezat.

Wat waren de oorzaken van deze geringe dyna miek? Was er in Nederland misschien geen behoefte aan de telefoon, of ontbrak het hier aan in novatief ondernemerschap? Bestond er wel voldoende kennis en expertise om de snelle techni sche ontwikkelingen op hun juiste waarde te schatten en toe te passen op de Nederlandse markt? Of wierp de overheid wellicht barrières op?

Radikale uitvinding

Hughes onderscheidt in zijn systeemmodel twee typen uitvindingen. Terwijl conservatieve uitvin dingen plaatsvinden gedurende de evolutie van bestaande systemen, initiëren radikale uitvindingen nieuwe systemen. Was de telefoon een radikale uitvinding?

Doorgaans wordt de uitvinding van de telefoon gekoppeld aan de naam van Alexander Graham Bell. In eerste instantie was Bells onderzoek ge richt op de constructie van een multipeltelegraaf, een toestel waarmee verschillende berichten gelijk tijdig over één telegraaflijn konden worden ver zonden, door voor elk bericht een andere toonfrequentie te kiezen. Zijn activiteiten als dovenleraar hadden hem echter ook een fascinatie bijgebracht voor een toestel waarmee spraak overgebracht en zichtbaar gemaakt kon worden. De combinatie van beide onderzoeksterreinen leidde uiteindelijk op 14 februari 1876 tot een octrooiaanvraag, getiteld Improvement in telegraphy. Op zeven maart van datzelfde jaar werd de aanvraag toegekend (Bruce, 1973).

Noch Bell, noch zijn financiële partners T. San ders en G.G. Hubbard hadden op dat moment een vastomlijnd idee voor welk doel hun rudimen taire telefoon gebruikt kon worden. Tijdens demonstraties later in 1876 werd het apparaat vooral gepromoot als een soort vroege vorm van draad omroep: voor een verzameld publiek werd muziek, drama en nieuws ten gehore gebracht (Aronson, 1977). Deze vorm van promotie was deels een gevolg van het streven van Bell en zijn partners om iets aan hun uitvinding te verdienen. Voor een an der deel was er echter ook sprake van een noodge dwongen strategie, daar het tot in oktober 1876 nog niet gelukt was om op een effectieve manier spraak over langere afstanden over te brengen. Ook toen dit technisch wel mogelijk was gewor den werd de telefoon echter niet zozeer als gespreksmedium aan de man gebracht, maar als een toestel dat eenzijdige uitwisseling van zakelijke of informatieve berichten faciliteerde.

Dat ondanks deze demonstraties Bell c.s. nog geen duidelijke markt voor ogen hadden, bleek in de loop van 1876, toen ze voor een bedrag van 100.000 dollar hun octrooi probeerden te verko pen aan de grote Amerikaanse telegraafmaatschappij Western Union. Directeur William Orton wei gerde omdat hij het praktische nut van de telefoon niet bewezen achtte. Wat hij nodig had was een multipeltelegraaf, geen 'electric toy' (Hounshell, 1975).

Van de twee genoemde toepassingsmogelijkheden van de telefoon, door Rammart ( 1989) aangeduid als het radio- en transportconcept, kon voor al het overbrengen van muziek en nieuws als een innovatie gekenschetst worden, daar het vooruit liep op latere massamedia als de radio en de televi sie. Het transportconcept was daarentegen duidelijk gemodelleerd naar het bestaande gebruik van de telegraaf. In beide gevallen ging het om eenrichtingsverkeer, en was van de telefoon als twee zijdig communicatiemiddel nog geen sprake.

De afwijzing van Western Union dwong Bell en zijn partners aan het einde van 1876 zelf hun uitvinding te vercommercialiseren en een markt voor hun produkt te bedenken. Vooral bij Bell groeide het idee dat de telefoon deel kon uitmaken van een algemeen communicatienetwerk voor de gewone burger. In 1876 schreef hij aan zijn aanstaande vrouw Mabel, de dochter van Hubbard:

'When people can order everything they want from the stores without leaving home and chat comfortably with each other by telegraph over some bit of gossip, every person will desire to put money in our pockets by having telephones.' (Bruce, 1973: 210)

Voor een groep Londense zakenlieden die van plan waren zijn uitvinding in Engeland te exploiteren, schetste Bell in maart 1878 een beeld van de telefoon als onderdeel van een systeem, vergelijk baar met de bestaande netwerken van gas- en waterleidingen:

'It is conceivable that cables of telephone wires could be laid under ground or suspended overhead, communicating by branch wires with priva te dwellings, counting houses, shops, manufactories, etcetera, uniting them through the main cable with a central office where the wire could be connected as desired, establishing direct communica tion between any two places in the city [...]. Not only so, I believe in the future wires will unite the head offices of telephone companies in different cities, and a man in one part of the country may communicate by word of mouth with another in a distant place.' (Gautschi et al. 1995: 83-84)

Voor het eerst was de telefoon nu als een onder deel van een systeem voor tweerichtingsverkeer, voor dialoog gedefinieerd. Dit 'Verständigungs konzept' (Rammart, 1989) werd nog eens versterkt door de oprichting van telefooncentrales, waarvan de eerste in 1878 in New Haven, Connecticut werd geopend. In eerste instantie was de telefoon door de in 1877 opgerichte Bell Telephone Company op de markt gebracht als een soort particulie re telegraafverbinding tussen bijvoorbeeld twee kantoren, of als een verbindingsmiddel tussen beurzen, theaters en telegraafkantoren aan de ene kant en een publieke telefooncel aan de andere kant. Nu kon elke telefoonbezitter die was aangesloten op de centrale worden doorverbonden met willekeurig welke andere abonnee (Kragh, 1993).

Net als in Amerika probeerde de Bell-maatschappij op basis van Bells octrooien ook in Euro pa een monopoliepositie te verwerven. Om verschillende redenen lukte dit slechts zeer ten dele. In de meeste Europese landen diende er dus geconcurreerd te worden met andere ondernemin gen (Wilkins, 1970; Foreman-Peck, 1991). Voor dit doel werd in februari 1880 te New York de International Bell Telephone Company opgericht. 1ibtc verwierf van American Bell het alleenrecht op de verkoop, het gebruik of de verhuur van Bell-apparatuur voor een aantal Europese landen, waaronder Nederland.

Uiteindelijk leidde de telefoon van Bell dus tot de wording van een nieuw technisch systeem, en in die zin kan zeker gesproken worden van een ra dikale uitvinding. Tevens kon echter worden geconstateerd dat er sprake was van een grote mate van identificatie met het bestaande telegrafiesysteem. Slechts geleidelijk aan en geholpen door ver schillende technische innovaties, ontwikkelde de telefonie een eigen identiteit. In het navolgende zal bekeken worden hoe het telefoniesysteem in Nederland werd gevestigd en onder invloed van welke factoren het zich in de loop der jaren ontwikkelde.

De telefoon in Nederland

De eerste Nederlandse proefnemingen met de telefoon dateren van het einde van 1877 (Hogesteeger, 1976; Kylstra, 1976). Het was de dienst der Rijk stelegrafie die daarbij naar alle waarschijnlijkheid de spits afbeet, in navolging van de Duitse tele graafadministratie die al in november 1877 de telefoon had ingezet ten behoeve van de telegraaf dienst.

Ook elders werd de telefoon beproefd. Dankzij het ontbreken van een octrooiwetgeving in Nederland konden telefoons zonder juridische restricties vanuit Amerika of Duitsland worden ingevoerd, nagemaakt en doorverkocht. Particulieren, bedrij ven en instanties hadden al tegen het einde van 1877 de mogelijkheid telefoons aan te schaffen, in diverse winkels verspreid over het land. Door bij voorbeeld brandweer en politie werd met deze eerste telefoons geëxperimenteerd als intern commu nicatiemiddel, terwijl door particulieren de mogelijkheid werd verkend om via de telefoon muziek en opera ten gehore te brengen.

De Nederlandse experimenten met de telefoon kregen onder invloed van de introductie en verspreiding van de telefooncentrale in Amerika en Europa een meer demonstratief en propagandistisch karakter. Vanaf het einde van 1879 vroeg een groot aantal firma's en particulieren bij de ge meentebesturen van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag een vergunning aan voor de oprichting en exploitatie van een stedelijke telefoonnet (Hogesteeger 1984).

De achtergrond van deze aanstaande netexploi tanten was zeer divers. Onder hen bevonden zich onder meer de illusionist L.K. Maju, de directeur van de Openbare Handelsschool te Amsterdam dr H.F.R. Hubrecht, de respectievelijk uit Brussel en Parijs afkomstige ingenieurs E. Bede en L. Soulerin, en de ibtc. Sommige initiatiefnemers begonnen vrijwel direct deelnemers te werven en lie ten een brochure drukken met inschrijfformulier.

Zo kondigde de firma Kakebeeke uit Goes in 1880 de oprichting aan van een Nederlandsche Maatschappij voor Telephonische Verbindingen. 2st enige voorlichting aan het publiek over de werking van een telefoonnet en het eenvoudige ge bruik van de telefoon bevatte haar brochure tevens een profielschets van de doelgroep:

'De Maatschappij beoogt het doel om, door middel van de beste toestellen en hunne verbinding verschillende personen in de gelegenheid te stellen onderling besprekingen te kunnen houden. Zulke inrichtingen in de grootere en kleinere handelste den van Amerika en in Londen leeren, welke voordeelen er aan verbonden zijn voor commisionairs, bankiers, cargadoors, expediteurs, kooplieden, makelaars, reeders, enz. om er mede in verbinding te staan [...]. Alle geabboneerden staan in verband door draadleidingen met één of meerdere centrale bureaux [...] welke de verlangde verbindingen op een wisselbord zullen bewerkstelligen, waardoor de abonnés met elkander in contact gebracht wor den.'

De verwijzing naar buitenlandse gebruikers van de telefoon had verschillende functies. Eerder zagen we dat zelfs Bell en zijn partners nog in 1876 geen vastomlijnd idee hadden van de toepassing smogelijkheden van de telefoon. Weliswaar was sinds dat jaar belangrijke vooruitgang geboekt, in die zin dat de telefoon zich inmiddels had ontwikkeld van afzonderlijk artefact tot onderdeel van een technisch systeem. Maar zeker voor de Nederlandse consument anno 1880 was het nut van deelname aan dat systeem nog allerminst evident. De lancering van de telefoon als een communicatiemiddel tussen stedelijke handelsbedrijven was in dat licht bezien een noodzakelijke strategie om voor de telefoon een behoefte te creëren.

De potentiële netexploitanten waren zich ook zeer bewust van het feit dat de waarde van hun net afhing van het aantal abonnees dat ze wist te strik ken. Vandaar dat grote nadruk werd gelegd op het reeds uitgebreide gebruik van de telefoon in het buitenland, of op de potentieel grote vraag naar de telefoon in Nederland. Zo meldde Hubrecht in zijn concessie-aanvraag dat 'reeds zeer vele han delsinrichtingen en personen hunne adhaesie aan dat plan hebben geschonken en zich schriftelijk verbonden hebben hunnen woningen of kantoren in die verbindingen te doen opnemen.' 3

Dergelijke lijsten fungeerden echter niet alleen als reclame in de richting van potentiële abonnees, maar waren ook bedoeld om gemeenten over de streep te trekken. In Rotterdam 4 en Den Haag (Elst, 1953) meenden de plaatselijke b&w's in eerste instantie dat er in hun stad geen behoefte was aan een telefoonnet. Hierdoor ontstond in deze steden een vertraging in de behandeling van de concessieaanvragen. In Amsterdam verliepen de zaken voorspoediger.

Lokale telefoonnetten

Na een schifting van de potentiële kandidaten koos het Amsterdamse gemeentebestuur in juli 1880 uiteindelijk voor de ibtc.5 Daarbij speelde een aantal factoren een rol. Ten eerste bleek dat deze maatschappij het laagste abonnementstarief, 118 gulden per jaar, in het vooruitzicht stelde. Ten tweede bood de ibtc het hoogste percentage van de bruto-opbrengst dat aan de gemeente als con cessierecht zou worden betaald: 21H procent. Ten derde had de ibtc toegezegd de concessie aan een Nederlandse maatschappij over te dragen, terwijl tenslotte de ervaring van de ibtc op het gebied van exploitatie en techniek van groot belang werd geacht.

Nadat tegen het einde van 1880 de Nederland sche Bell Telephoon Maatschappij (nbtm) was opgericht, werd in de eerste helft van 1881 het hoofdstedelijke telefoonnet onder leiding van een Ame rikaanse Bell-ingenieur opgericht. Het ging naar alle waarschijnlijkheid op 1 juni 1881 van start met 49 abonnees.

De nbtm ontwikkelde zich in de daaropvolgen de jaren tot de belangrijkste Nederlandse telefoon maatschappij. In vrijwel alle grote steden werden door haar telefoondiensten opgericht: in 1882 in Rotterdam en Arnhem, in 1883 in Den Haag en Groningen, en in 1884 in Utrecht, Haarlem en Dordrecht. Eind 1884 telde de nbtm in deze acht steden circa tweeduizend abonnees. In 1895 was dit aantal gestegen naar ruim 4700; een toename van gemiddeld 270 abonnees per jaar.6

Vanaf 1885 richtten ook andere bedrijven tele foonnetten op. De elektrotechnische firma Ribbink, Van Bork & Co. uit Amsterdam was van deze maatschappijen de enige die op nationaal niveau actief was. De firma exploiteerde rond 1895 in een tiental steden telefoonnetten. Andere telefoon bedrijven bezaten slechts in één of enkele steden netten.

Het marktleiderschap van de nbtm kwam door deze concurrentie niet in gevaar. Gezien haar ves tiging in de grote steden was dit ook niet verwonderlijk. Rond 1895 telde Nederland 32 particuliere telefoonnetten. De helft daarvan was in het bezit van de nbtm, maar van het totale aantal telefoonabonnees in dat jaar bediende de nbtm zo'n 65 procent (Kruijt, 1895; IJsselstein, 1896 ).

Wie waren de telefoonabonnees in deze periode en hoe gebruikten ze hun telefoon? Door het ontbreken van grootschalig kwantitatief en kwalitatief onderzoek kan op deze vragen slechts een zeer voorlopig antwoord worden gegeven (Hogestee ger, 1987). De aanstaande netexploitanten zochten zoals we eerder zagen hun potentiële abonnees vooral binnen de kring van het leidende bedrijfsle ven ter plaatse. In Amsterdam waren het vooral de bankiers, effectenhandelaren, kassiers, makelaars en fabrieksdirecteuren die als eersten tot aanslui ting overgingen. In Rotterdam gingen de rederijen en cargadoors voorop, in Tilburg de wolstoffenfa brikanten en -handelaren, in Groningen de rijke graanhandelaren en effectenmakelaars, en in En schede de katoenfabrikanten. Vanuit deze leidende sectoren volgden dan de vrije beroepen, het klein schaliger bedrijfsleven en de middenstand. Zelfs in steden als Amsterdam en Rotterdam verliep dit proces met de geringe snelheid van circa honderd abonnees per jaar.

De keus voor het leidende bedrijfsleven als eer ste marktsegment was een strategisch verantwoor de keuze. Hier werden de bedrijven gevonden die ook reeds een intensief zakelijk gebruik van de te legraaf maakten, en waar dus reeds een behoefte aan snelle communicatie bestond:

'Juist zij, die om hun handels of nijverheidsbedrijf het meest aan het algemeen verkeer deel nemen, en dus ook meer dan anderen van den telegraaf ge bruik maken, [zijn] de aangewezene geabonneerden der telephoonondernemingen. '7

De telefoon bood deze bedrijven het voordeel dat snel, zonder tussenkomst van een telegraafbeambte, vanuit de directiekamer gecommuniceerd kon worden met andere ondernemingen. Bovendien ging het telefoonnet al snel als een lokale aanvul ling op het interlokale telegraafnet fungeren. Vanaf 1882 bood de nbtm haar Amsterdamse geabonneerden de mogelijkheid per telefoon telegram men te 'bestellen'. De nbtm prees deze nieuwe service, die ook in de andere netten werd doorge voerd, aan met de zin: 'De aansluiting aan het telegraafkantoor geeft aan alle geabonneerden een telegraafstation aan huis' (Baudet, 1986: 69).

De beschikbare gegevens wijzen er niet alleen op dat de telefoon in eerste instantie vooral door de telegraafgebruikers werd omarmd, maar ook dat het gebruik van de telefoon werd gemodelleerd naar dat van de telegraaf. Een telefoonaansluiting diende voornamelijk een zakelijk en praktisch doel; gesprekken beperkten zich tot het strikt noodzakelijke. De zoon van een Rotterdamse foto graaf en winkelier schreef in zijn autobiografie: 'De telefoon kwam eerst in 1883 in eerste en zeer zuinige exploitatie, en kwam voor huishoudelijk gebruik nog helemaal niet in aanmerking' (Hermans, 1945: 26). Hij vertolkte daarmee waarschijnlijk een algemeen geldend patroon.

Hubrecht en de nbtm

Gelijktijdig met de overdracht van de Amsterdamse concessie van de ibtc aan de nbtm, werd dr H.F.R. Hubrecht benoemd tot directeur van laatstgenoemde maatschappij. Hubrecht, vóór zijn directeurschap van de Openbare Handelsschool leraar scheikunde, technologie en warenkennis, had al in een vroeg stadium met de telefoon geëxperi menteerd, en was dus in zekere mate vertrouwd met de telefonie.

Belangrijker was misschien nog zijn kapitaal krachtige status. Hubrecht maakte deel uit van de zeer gefortuneerde familie Van Alphen en was al lerminst onbemiddeld. Hij kon daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het startkapitaal van de nbtm. Van dit kapitaal, 600.000 gulden verdeeld over 600 aandelen, nam Hubrecht 150 aan delen voor zijn rekening, terwijl lokale Amsterdamse geldschieters, waarvan een aantal tevens als commissaris van de nbtm fungeerde, gezamenlijk 210 aandelen bezaten. De resterende 240 aandelen waren in het bezit van de ibtc.

Hubrecht speelde een belangrijke rol in de ont wikkeling van de telefonie in Nederland gedurende de eerste vijftien jaar. Onder zijn bezielende lei ding ­ in 1887 werd hij getypeerd als een 'onder nemend en zeer schrander directeur',8 in 1894 als 'een wakker, zeer bekwaam en met onderhandelen vertrouwd persoon'9 ­ wist de nbtm zich tot de dominante lokale telefoonexploitant te ontwikkelen. Ook speelde de nbtm een belangrijke rol in de ontwikkeling van de interlokale telefonie.

Het beleid van Hubrecht was duidelijk gericht op expansie en vertoonde monopolistische trekjes. De financiële belangen van de maatschappij en haar aandeelhouders werden daarbij niet uit het oog verloren. Allereerst zullen de consequenties van dit beleid voor de lokale telefoonexploitatie worden bekeken.

Eerder kwam aan de orde dat het Amsterdamse gemeentebestuur in 1880 de ibtc verkoos op grond van haar prijsberekening en internationale reputatie. Hoe het door de nbtm overgenomen en ook in de concessie vastgelegde tarief van 118 gulden was berekend, is onduidelijk. De latere exploi tanten hanteerden in ieder geval een veel lager tarief. De Enschedesche Telephoon Maatschappij bijvoorbeeld berekende een jaarlijkse abonnementsprijs van 30 gulden, terwijl de firma Ribbink, Van Bork & Co. 35 gulden vroeg.10 Voor alle netten gold dat de abonnees 'gratis' konden bellen.

Mede onder druk van abonnees die hun aanslui ting dreigden op te zeggen, werd in 1886 ook in het merendeel van de nbtm-netten een lager tarief doorgevoerd. De abonnees te Rotterdam, Amster dam en Den Haag werd een verlaging van het tarief echter geweigerd (Westerberg 1887).

De nbtm voerde ter verdediging van dit selectie ve beleid aan dat kleine netten goedkoper waren dan grote netten. 11 Het was een gegeven, aldus de maatschappij, dat bij een stijging van het aantal abonnees de kosten van aanleg, exploitatie en onderhoud disproportioneel toenamen. De onder houdskosten namen met een stijging van het aan tal abonnees onevenredig toe omdat de vermeerdering van het aantal lijnen de kans op storing groter maakte dan alleen op grond van het aantal nieuwe lijnen verwacht mocht worden. Ook de exploita tiekosten namen met een stijging van het aantal abonnees onevenredig toe omdat het aantal telefo nistes afgestemd werd op een ­ relatief ­ intensie ver verkeer: de toename van het aantal abonnees resulteerde in een toename van het aantal gesprek ken per abonnee. Voor wat betreft de aanlegkosten werd ten slotte geconstateerd dat de technische in richting van de centrales bij een stijging van het aantal abonnees niet alleen uitgebreider maar ook complexer werd.

Volgens de nbtm ontstond er dus bij uitbrei ding van het net geen schaalvoordeel, maar een stijging van de gemiddelde kosten, die doorbere kend werd aan de abonnee. Er waren echter meer argumenten die het hogere tarief in de grote ste den rechtvaardigden. Zo wees de nbtm ook op het telefoniebeleid van de Rijksoverheid.

Onzekerheid

Bij Koninklijk Besluit van 27 januari 1881 was het Rijkstelegraafreglement met enige uitzonderingen van toepassing verklaard op de telefonie. Impliciet werd hierdoor de telefonie onder de Telegraafwet van 1852 gebracht. Formeel kreeg de voor de telegrafie verantwoordelijke minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, onder meer de bevoegdheid machtigingen te verlenen voor de oprichting en exploitatie van telefoonlijnen. Die machtigingen werden door de minister vanaf de eerste concessie -aanvragen in 1880 zonder uitzondering 'tot wederopzeggens' en zonder bezwarende voorwaarden verleend. Regulering van de aanleg en exploitatie van de vooralsnog bescheiden lokale telefoonnet ten werd door de Rijksoverheid in de eerste plaats als een gemeentezorg beschouwd. Voor haarzelf zag de Rijksoverheid op telefoniegebied vooral een taak weggelegd in een verdere uitbreiding en optimalisering van het Rijkstelegraafnet met behulp van de telefoon (De Wit, 1994).

Onder meer als gevolg van een uitspraak van de Amsterdamse arrondissementsrechtbank, waarin de telefoon als een van de telegraaf verschillend medium werd bestempeld dat dan ook niet onder de Telegraafwet van 1852 kon vallen, kwam de minister in 1884 met het voorstel voor een wijziging en aanvulling van die wet, zodat ook de telefoon nu onbetwist bij wet geregeld zou zijn. Zowel dit voorstel als latere voorstellen voor een afzonderlij ke telefoonwet haalden het echter niet, voornamelijk omdat het parlement het ontbreken van een principiële keuze voor een bepaalde exploitatie vorm van de telefoon als een essentiële omissie be schouwde.

De handhaving van een hoog tarief was in de ogen van de nbtm een noodzakelijke strategie om de door de kabinetsplannen gecreëerde onzeker heid het hoofd te bieden:

'[...] de Maatschappij [mist] in het ontbreken ee ner wettelijke regeling der telephonie elk gegeven om te bepalen tot welk bedrag bij eene eventuëele wijziging in den abonnementsprijs zij rekening zoude hebben te houden met de verplichtingen te genover den Staat, die uit eene wettelijke regeling van het onderwerp voor haar zullen voortvloeien.'12

Een laatste factor ten slotte die van invloed was op het financiële beleid van de nbtm, betrof de onduidelijkheid over wat er ging gebeuren na het aflopen van de concessies. Door de gemeentebesturen van Amsterdam en Rotterdam waren de concessies verleend voor een periode van vijftien jaar. Over de vraag door wie of hoe de telefoon dienst na 1896 zou worden voortgezet, was in de voorwaarden niets opgenomen. Wel was in de Amsterdamse concessie bepaald dat wanneer de gemeente het net voor het aflopen van de conces sie zou overnemen, dit tegen taxatiewaarde zou gebeuren. In het andere geval diende de nbtm het net af te breken (Hogesteeger, 1984).

Ook op dit punt koos de nbtm het zekere voor het onzekere. Noodzakelijke investeringen in de aanleg van nieuwe lijnen dienden bínnen de con cessieperiode te worden afgeschreven, terwijl voor meer kostbare, tussentijdse investeringen in het geheel geen economische basis bestond; althans, in de visie van de nbtm. De consequenties voor het technische peil van de netten werden in met name de grotere steden in toenemende mate duidelijk. Gebrekkige en verouderde schakelapparatuur resulteerde in ondercapaciteit, vertragingen en fou ten.

Gaandeweg ontstond dus in de grotere Bell-net ten een situatie waarin een hoog tarief gepaard ging met een verslechterde dienstverlening, ver oorzaakt door het ontbreken van technische innovaties. Dat het onder deze omstandigheden niet kwam tot een sterke groei van het aantal abonnees of het aantal gevoerde gesprekken, was voor de nbtm geen probleem, integendeel. Gegeven het feit dat de maatschappij van elke abonnee een vast bedrag ontving was er geen reden om het aantal per abonnee gevoerde gesprekken te stimuleren, ook al omdat dit een verdere belasting van de centrales zou betekenen. En gegeven de beperkte ca paciteit van de centrales en de onwil te investeren in grotere centrales met meer telefonistes bestond er voor de nbtm ook geen enkele reden om de aanwas van abonnees te stimuleren door tariefver lagingen. Expliciet stelde Hubrecht dat een toename van het aantal abonnees in Rotterdam zelfs on gewenst was (Westerberg, 1887).

In financieel opzicht voer de maatschappij wel bij haar beleid. Ondanks of misschien juist wel dankzij het ontbreken van grote tussentijdse inves teringen en de heffing van hoge tarieven was de nbtm in bedrijfsmatig opzicht een succesvolle onderneming. In 1886 werd berekend dat het bedrijf alleen al in Rotterdam jaarlijks een nettowinst be haalde van 43.000 gulden (Westerberg, 1887). In de jaren negentig keerde ze jaarlijks een dividend van circa 9 procent uit.13

In haar streven naar winstmaximalisatie verloor de nbtm echter uit het oog dat in sommige kringen de telefonie niet alleen meer werd gezien als een private, winstgerichte onderneming, maar ook als een dienst ten behoeve van het algemeen be lang. En dat, wanneer dit belang niet voldoende werd behartigd, er wel eens gedacht kon gaan wor den aan een andere exploitatievorm van de telefonie. In combinatie met de vooral in de grote ste den deplorabele toestand van de netten en de hoge tarieven aldaar verwondert het daarom niet dat er vanaf 1894 binnen gemeentebesturen en -raden stemmen opgingen om de particuliere exploitatie te vervangen door gemeentelijke exploitatie. In Amsterdam en Rotterdam kwam het in 1896 in derdaad tot de oprichting van gemeentelijke tele foondiensten. In beide steden was de nbtm gedwongen haar netten af te breken. Ze verloor daarmee haar belangrijkste stedelijke markten.

De nbtm speelde ook een belangrijke rol op het gebied van de interlokale telefonie. In 1883 werd door de Rijkstelegraaf in samenwerking met een Engelse ingenieur een interlokale proefverbinding opgericht tussen Amsterdam en Haarlem. Daarbij werd gebruik gemaakt van het systeem van de Belg Van Rijsselberghe, dat de mogelijkheid bood om over één lijn gelijktijdig te telegraferen en te tele foneren (Collette, 1884). Alhoewel de proefneming in eerste instantie werd verricht met het oog op een eventuele vergroting van de capaciteit van de bestaande telegraafverbindingen, kan uit de betrokkenheid van Hubrecht bij de proefneming worden afgeleid dat de mogelijkheid van interlokaal telefoonverkeer tussen het Amsterdamse nbtm-net en het aanstaande nbtm-net in Haarlem niet werd uitgesloten.

In technisch opzicht was de verbinding een suc ces, en de nbtm drong er bij de minister op aan de nu gerealiseerde verbinding voor het publiek open te stellen. Pas vijf jaar later, in 1888, werd echter aan dat verzoek voldaan, en was de eerste Nederlandse interlokale telefoonverbinding een feit. Het lokale Amsterdamse net werd verbonden met de netten in Haarlem en Zaandam. Zonder daarbij overigens gebruik te maken van het systeem van Van Rijsselberghe; dat werd toen toch als te be drijfsonzeker beschouwd.

De belangrijkste oorzaak voor deze aanzienlijke vertraging waren de perikelen rond de totstandkoming van een afzonderlijke telefoonwet. Toen te gen het einde van 1887 was gebleken dat een dergelijke wet er vooralsnog niet inzat en de nbtm bleef aandringen op interlokale telefoonverbindin gen, stond de minister voor een moeilijke keuze. Staatsexploitatie was geen optie gezien het ontbre ken van een onomstreden wettelijk kader. De interlokale telefonie werd dus op de lange baan ge schoven, tenzij aan de nbtm een concessie werd verleend. Uiteindelijk koos de minister voor de tweede optie, maar dat het daarbij niet kon gaan om een vrijblijvende concessie, was van begin af aan duidelijk.

Vooral bij de leiding van de Rijkstelegraaf werd er namelijk ernstig rekening mee gehouden dat de door de nbtm te exploiteren lijnen 'onder de uitlokkende maatregelen van een concessionaris' een eigen leven gingen leiden. Daardoor zou de interlokale telefonie niet alleen als 'gemeenschapsmid del', maar ook als vervanger van de telegraaf gaan functioneren. 14 Omdat de interlokale telefonie het staatsmonopolie op de telegrafie in gevaar bracht, diende de particuliere exploitatie streng gereguleerd te worden.

In eerste instantie verplichtte de nbtm zich tot het waarborgen van de opbrengsten van de telegraafverbindingen tussen Amsterdam, Haarlem en Zaandam. Nadat meer interlokale verbindingen tot stand waren gebracht, werd overgestapt op een constructie waarbij de staat 75 procent van de opbrengsten van de telefoonlijnen ontving. Boven dien ging de staat een belangrijk deel van de aanlegkosten voor haar rekening nemen en verplichtte ze zich tot het onderhoud en de bewaking van de lijnen. In 1889 werd bepaald dat de concessies afliepen in 1891 . Daarna kwamen de verbindingen aan het Rijk, tenzij de concessies ­ voor telkens een periode van zes maanden ­ werden verlengd. Particuliere exploitatie was vanaf dat moment een tijdelijke uitzondering; staatsexploitatie de gewens te situatie. Het interlokale telefoonnet werd dus in toenemende mate geëxploiteerd door de nbtm maar ten behoeve van het Rijk (Hogesteeger, 1984).

Monopolie

Over de gehele periode werden van Rijkswege alleen concessies verleend aan de nbtm, ondanks verzoeken van andere exploitanten. De aanleg van interlokale lijnen bleef daardoor geconcentreerd in één hand, iets dat de overname ongetwijfeld zou vergemakkelijken, terwijl het aantal lijnen ­ en daarmee de overnamekosten ­ grotendeels werd beperkt tot verbindingen tussen de nbtm-netten. Hoewel de nbtm bereid was ook andere netten van een interlokale verbinding tevoorzien, was ze daartoe niet verplcih. Ze stelde aan de concurrerende exploitanten dermate hoge fi9nanciele eisen, dat maar enkele hierop ingingnen.

Hoewel de overeenomsttussen NBTM en het Rijk voor beide partijen in financieel opzicht pro fijtelijk was (Kruijt, 1895), kon in het algemeen niet van een bevredigende ontwikkeling van de in terlokale telefonie worden gesproken. Herhaaldelijk spraken leden van de Eerste en Tweede Kamer zich vanaf 1891 uit voor staatsexploitatie. Hun voornaamste argument was dat het bestaande en voor buitenstaanders ondoorzichtige concessiestelsel de ontwikkeling van het interlokale verkeer ernstig beperkte.

Inderdaad was in de gehele periode de interloka le telefoondienst een voorziening voor weinigen.15 Weliswaar nam tussen 1891 en 1895 in absolute zin het aantal interlokale abonnees toe, maar als per centage van het totale aantal lokale abonnees was er sprake van stagnatie. Slechts een kleine twintig procent van de lokale abonnees telefoneerde in deze periode interlokaal, terwijl de groei van het aantal jaarlijks gevoerde gesprekken afvlakte. Alleen tussen Amsterdam, Rotterdam en Den Haag werden in 1894 dagelijks meer dan tien gesprekken gevoerd. Ook het aantal interlokaal verbonden plaatsen nam na 1892 nauwelijks meer toe, zodat grote delen van het land van interlokaal telefoon verkeer bleven uitgesloten. Het was, aldus het Kamerlid Tydeman in 1895, alsof een 'onzichtbare hand' de ontwikkeling van de telefonie in Neder land tegenhield.16

Aan de reeds genoemde oorzaken voor deze wei nig dynamische ontwikkeling: het feitelijk aan de nbtm verleende monopolie en het restrictieve overheidsbeleid, kan nog een laatste worden toege voegd. Al in 1888 werd bij de interlokale telefoondienst afgestapt van het aanvankelijk gehanteerde tariefstelsel, waarbij de lokale abonnee naast zijn lokale abonnement voor een vast jaarlijks bedrag onbeperkt interlokaal kon bellen. In plaats daar van kwam er een laag vastrecht gecombineerd met een tarief van vijftig cent voor elk interlokaal gesprek van drie minuten, 'en zulks met het doel om het telephonisch verkeer tot het strikt noodzakelij ke te beperken.'17 Een gesprek tussen abonnees in naburige steden kon daarmee wel eens meer kos ten dan het erop uit sturen van een boodschappenjongen met het openbaar vervoer (Van IJssel stein, 1896). Ook in vergelijking met een telegram was een interlokaal gesprek een dure aangelegen heid: een telegram van tien woorden kwam op 25 cent (Ten Brink, 1954). De vergelijking geeft ook aan dat in ieder geval voor wat betreft de prijs de telegrafie de concurrentie van de telefoon nog niet hoefde te vrezen. De gevreesde daling van de telegraafopbrengsten bleef dan ook uit.

De toenemende druk op de minister van de kant van het Parlement om tot een meer bevredi gende exploitatievorm van de interlokale telefonie te komen, en de toenemende ontevredenheid van de andere netexploitanten met het monopolistische optreden van de nbtm, leidde tegen het einde van 1895 tot de beslissing om te komen tot staats exploitatie van de interlokale telefonie. Met de fei telijke overname van de interlokale verbindingen in 1897 werd voor de nbtm andermaal een hoofdstuk afgesloten.

Besluit

In de wording van het telefoniesysteem kunnen een aantal fasen worden onderscheiden, elk met een eigen centrale actor. In de uitvindings- en ont wikkelingsfase waren dat Alexander Graham Bell en de Bell Telephone Company. Duidelijk werd dat met de uitvinding van de telefoon als apparaat er nog geen telefoniesysteem was, en dat zowel op artefact- als op systeemniveau er een verdere 'con structie' diende plaats te vinden. Vooral Bell speel de een belangrijke rol in de uiteindelijke definiëring van de telefonie als een algemeen commu nicatiesysteem.

Bij de introductie en verbreiding van de tele foon in Nederland waren het vooral de ibtc en haar zustermaatschappij de nbtm die het voortouw namen. Net als in Amerika speelde ook hier de vraag naar de maatschappelijke toepassingen van de telefoon. Waar in Amerika de telefonie zich echter door de afwijzende houding van de telegraafmaatschappij Western Union relatief zelfstan dig kon ontwikkelen, daar was in Nederland van begin af aan de invloed van het bestaande telegra fiesysteem merkbaar. De eerste telefoongebruikers werden gezocht in de kringen van de intensieve te legraafgebruikers, en ook het feitelijke gebruik van de telefoon werd gemodelleerd naar dat van de telegraaf.

De invloed van de telegrafie strekte zich tevens uit tot de juridische en organisatorische inbedding van de telefonie. De telefoon werd in 1881 onder de Telegraafwet van 1852 gebracht en ondanks diverse pogingen lukte het niet tot een afzonderlijke telefoonwet te komen. Dit had zowel voor de lokale als de interlokale telefonie consequenties.

De lokale telefonie werd als een dienst van voor al plaatselijk belang ter regulering overgelaten aan de gemeentebesturen. Regulering geschiedde in de vorm van een concessiestelsel. Met name de korte concessietermijn en het ontbreken van financiële bepalingen omtrent eventuele overname van de netten na het aflopen van de concessies waren voor de particuliere netexploitanten een bron van onzekerheid. Die onzekerheid werd echter nog eens versterkt door het ontbreken van een juridische basis voor de telefonie. Uiteindelijk leidde dit tot een zeer behoudend beleid van de kant van de netexploitanten. De verslechterde prijs-prestatie verhouding die vooral in de grotere nbtm-netten hiervan het gevolg was, zorgde voor een geringe interne dynamiek: het aantal abonnees nam slechts mondjesmaat toe; technische vernieuwingen werden nauwelijks doorgevoerd.

De interlokale telefonie werd van meet af aan gezien als een potentiële concurrent van de door het Rijk gemonopoliseerde telegraafverbindingen. Staatsexploitatie van de interlokale telefonie lag daarmee voor de hand, maar was door het ontbreken van een onomstreden telefoonwetgeving geen optie. Met het oog op de belangen van de telegrafie werden de interlokale verbindingen daarom slechts voorwaardelijk aan de nbtm in exploitatie gegeven. De verbintenis tussen de staat en de nbtm resulteerde ook op dit gebied in een weinig dynamische ontwikkeling.

Het optreden van de overheid en de nbtm gedu rende de eerste vijftien jaar van de telefonie in Ne derland kan nog het beste als tweeslachtig worden gekarakteriseerd. Enerzijds leverde de nbtm de kennis en het kapitaal voor een snelle start van de telefonie. De overheid gaf in eerste instantie ruim baan aan dit particulier initiatief. Anderzijds voer de de nbtm een duidelijk op de korte termijn gericht beleid, terwijl de overheid ten aanzien van de interlokale telefonie een sterk restrictief beleid voerde. De weinig bevredigende ontwikkeling van de telefonie die hiervan het gevolg was, creëerde uiteindelijk rond 1895 de ruimte voor nieuwe initiatieven en nieuwe exploitatievormen van de tele fonie.

Tegelijkertijd wijst genoemde ambiguïteit op een fundamentele karakteristiek van techniekontwikkeling. Nieuwe technologie, of het nu gaat om artefacten of systemen, dient zich nog te bewijzen. Niets ligt nog vast, alles in nog onzeker. De maat schappelijke betekenis van de telefonie, de richting en snelheid van haar ontwikkeling, haar juridische en organisatorische vormgeving: in al deze zaken ontstond in de periode 1877-1895 slechts geleidelijk aan en al doende enige duidelijkheid.

Dat in de onzekere omstandigheden van een systeem in wording werd teruggegrepen op het vertrouwde kader van het bestaande telegrafiesysteem, mag dan ook geen verwondering wekken. Het illustreert hoe het nieuwe wordt bezien in het licht van het oude, maar ook hoe de revolutionaire potentie van een nieuw communicatiemedium kan worden gedempt door gevestigde belangen en instituties. Of daarmee, zoals is beweerd door Marvin ( 1988), de voor nieuwe informatie- en communicatietechnologie in eerste instantie ont worpen toepassingen per definitie conservatief zijn, is vooralsnog een open vraag.

Aronson, S.H. (1977), 'Bell's electrical toy: What's the use? The sociology of early telephone usage'. In I. de Sola Pool (ed.), The social impact of the telephone, 15-39. Cambrigde, ma.

Baudet, H. (1986), Een vertrouwde wereld. 100 jaar innovatie in Nederland. Amsterdam.

Brink, E.A.B.J. ten, C.W.L. Schell (1954), Geschiedenis van de Rijkstelegraaf 1852-1952. 's-Gravenhage.

Bruce, R.C. (1973), Alexander Graham Bell and the conquest of solitude. Boston/Toronto.

Chandy, K.T. (1995), 'The birth of machine intelligence: the telephone industry (1876-1925)'. Paper itc-conference 1995, Wilmington, de.

Collette, A.E.R. (1884), 'Het anti-inductie stelsel van Van Rijs selberghe en zijne toepassing op het gelijktijdig telegrapheeren en telephooneren langs denzelfden draad'. In Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Algemeen verslag van de werkzaamheden en notulen der vergaderingen, 95-98.

Elst, P.H. van der (1953), De Haagse telefoon. Den Haag.

Foreman-Peck, J. (1991), 'International technology transfer in telephony, 1876-1914'. In D.J. Jeremy (ed.), International techno logy transfer: Europe, Japan and the usa, 1700-1914 , 122-152. Aldershot.

Gautschi, A. and D.J. Sabaval (1995), 'The world that changed the machines: a marketing perspective on the early evolution of automobiles and telephony'. In Technology and Society , vol. 17, no. 1, 55-84.

Hermans, H. (1945), Van mensen en dingen die mij voorbij gingen . 's-Gravenhage.

Hogesteeger, G. (1976), 'De introductie van het fenomeen tele foon in Nederland'. In Het ptt-bedrijf, xx, nr. 3, 177-190.

Hogesteeger, G. (1984), Concentratie en centralisatie bij de open bare telefonie in Nederland 1881-1940. Den Haag.

Hogesteeger, G. (1987), 'De penetratie van het fenomeen tele foon in Nederland'. In Tijdschrift van het Nederlands Elektronica- en Radiogenootschap, 52 nr. 1, 9-14.

Hounshell, D.A. (1975), 'Elisha Gray and the telephone: on the disadvantages of being an expert'. In Technology and Culture , no. 16, 133-161.

Hughes, T. (1983), Networks of power. Electrification in Western society 1880-1930. Baltimore, Md.

Kragh, H. (1993), 'Transatlantic technology transfer: the recep tion and early use of the telephone in usa and Europe'. In D. C. Christensen (ed.), European historiography of technology . Odense.

Kruijt, A. (1895), 'De telephonie in Nederland'. In Electra, jrg. 1, 61-68.

Kylstra, P.H. (1976), 'Van communicatienood naar wereldcom municatie'. In Het ptt-bedrijf, xx, nr. 3, 149-159.

Lintsen, H.W. (1992), Wat is techniek? Een geschiedenis van menselijke secreten en discrete technieken. Eindhoven.

Marvin, C. (1988), When old technologies were new, thinking about communications in the late nineteenth century. New York/Oxford.

Mayntz, R. and T. Hughes (1988), The development of large technical systems. Frankfurt am Main/Boulder.

Rammart, W. (1989), 'Die Anteil der Kultur an der Genese einer Technik: das Beispiel Telefon'. In Forschungsgruppe Telefon

kommunikation (Hrsg.), Telefon und Gesellschaft, Band I, 87-95. Berlin.

Westerberg, J.F. (1887), Het telephoontarief te Rotterdam . Rotterdam.

Wilkins, M. (1970), The emergence of multinational enterprise: American business abroad from the colonial era to 1914. Cambrigde, ma.

Wit, O. de (1994), 'Telegrafie als grootschalig technisch systeem'. In Informatie & Informatiebeleid 12 nr. 2, 40- 48.

IJsselstein, H.A. (1896), 'Het telefoonvraagstuk in Nederland'. In Vragen des Tijds, 215-248.