![]() |
I&I-> Jaargangen -> Artikel
Bespiegelingen onder het rijden
|
|
Door: Hein de Graaf & Jan van der Sluis Hoe ziet de wereld er over pakweg vijftien jaar uit? Niemand weet het. Veel vernieuwingen gaan vaak langzamer dan gedacht en andere juist weer veel sneller. In dit artikel wordt een poging gedaan de alledaagse wereld in 2010 te schetsen.
De auto manoeuvreert vloeiend de invoeg- strook op. Met het passeren van het rode vlak wordt de besturing van de auto overgenomen door het snelwegsysteem. Ik tik mijn bestemming in op de kleine boordnavigator en leun achterover. Met een snelheid van 123 kilometer per uur en op een halve meter achter zijn voorganger schiet de auto over de snelweg. Als een lint treinwagons spoeden de auto's zich over de weg, bestuurd en gecontroleerd door een centrale computer. Pas bij het bereiken van de bestemming, wanneer de auto wordt 'afgekoppeld' en de menselijke chauffeur de besturing weer terugkrijgt, wordt het weer gevaar lijk. Oudere chauffeurs hebben soms moeite met de constante, hoge snelheid en reageren nu iets trager dan gewenst, terwijl jongeren zich te laat realiseren dat nu hun eigen reactievermogen be paalt hoe lang de remweg zal zijn. Op de gebieden rond de uitvoegstroken van deze computergestuur de snelwegen gebeuren dan ook de meeste ongelukken. In de auto naast me zitten drie heren te overleg gen. Verbazingwekkend eigenlijk dat nog steeds zoveel mensen met de auto naar het werk moeten. In tegenstelling tot wat men tienjaar geleden dacht was het autoverkeer absoluut niet afgenomen, integendeel. Mijn eigen verklaring daarvoor is dat mensen toch behoefte blijven houden aan eigendom en eigenheid. Want anders kan ik het niet goed verklaren; het zijn vooral jongere mensen die van het woon-werkverkeer gebruik moeten maken, en daarvan zijn er nu relatief gezien minder. Maar waarom men toch in de auto blijft zitten? Eigenlijk is er niet zo veel veranderd sinds 1995, realiseer ik me. Ik lees nog steeds de krant; niet meer thuis of op het werk, maar ik lees nog steeds een papieren editie. Qua inhoud is die krant wel veranderd. Kranten brengen niet meer het nieuws, maar vervullen de functie van informatiemakelaar, van instituut dat aan de lezer uitlegt hoe het nieuws geïnterpreteerd moet worden. Achtergrondartikelen, samenvattingen en beschouwingen zijn steeds belangrijker geworden. En eigenlijk hebben alleen degenen met voldoende vrije tijd nog de mogelijkheid dat alles op zich te laten inwerken. Het dagelijks nieuws wordt steeds meer elektro nisch verspreid. En in zulke grote hoeveelheden dat ik me zorgen maak over dat wat ik allemaal ei genlijk mis. Of eigenlijk: denk dat ik mis. Onlangs heb ik nog gemerkt dat mijn gesprekspartner een jongeman van een jaar of vijfentwintig ei genlijk een onwaarschijnlijk oppervlakkige kennis heeft. Had het mij in 1995 nog verbaasd dat Amerikanen en Europeanen een slechte topografische kennis hadden, nu kan ik mij daarover niet meer opwinden. Jongeren grijpen onmiddellijk naar elektronische kennisondersteunende apparatuur en ontwikkelen hoegenaamd geen parate kennis. De aanwezigheid van grote hoeveelheden infor matie over alle mogelijke onderwerpen heeft de mensen zeker niet bevrijd, maar eerder afhankelijk gemaakt. Ik had niet gedacht het ooit nog bevestigd te zien, maar het ziet er echt naar uit dat op dit punt vroeger alles beter was. Wie had dat nou ooit gedacht? Ik niet echt in ieder geval. Maar de fixatie op informatie en informatiebronnen lijkt nu dan echt te hebben geleid tot een situatie waar in mensen steeds meer bezig zijn met het verzamelen van feiten. Ik heb de indruk dat de wereld steeds meer op een groot Triviantspel gaat lijken: feiten en gegevens leven een eigen leven, zonder referentie- of interpretatiekader. Niet vreemd dat steeds meer jongeren volstrekt gedesoriënteerd ra ken; het ontbreken van een ordeningsprincipe, van een referentiekader maakt hen feitelijk volslagen hulpeloos. Gegevens zijn verworden van middel tot doel. Ik herinner me een gesprek waarin iemand de vergelijking maakte met het opvissen van een bal uit een rivier. De rivier is nu zo belangrijk gewor den dat een gerichte actie als het opvissen van een bal niet meer doelmatig kan worden uitgevoerd. Treurig stemmend eigenlijk. Maar er is wel een lichtpunt voor mij: oudere mensen kunnen zich dankzij hun parate kennis goed meten met de jon geren. Markt en marktmechanismen zijn ook van groot belang, bedenk ik me. Via marktonderzoek spelen producenten continu in op 'de vraag'. Jammer ge noeg wordt die nog steeds gedomineerd door jongeren; of anders in ieder geval door marktonder zoekers die beweren dat de grootste en commercieel meest interessante groep die van de jongeren is. Zou je dat eigenlijk niet ook in verband kunnen brengen met die onstilbare honger naar harde gegevens? Want wie onderzoeken we nu eigenlijk? Wiens mening en voorkeuren blijkt nu uit al die databestanden? Ik weet zo drie bekenden op te noemen die niets moeten hebben van enquêteurs. Natuurlijk, er waren ook andere onderzoektechnieken; maar toch. Dwingend zoemend meldt de boordnavigator dat de tien kilometers over de snelweg voltooid zijn en dat de besturing van de auto weer moet worden overgenomen. Concentratie is gewenst. Een oranje signaal geeft aan dat de auto de uit voegstrook op moet, waarna een oplichtend rood lampje aangeeft dat de snelwegcomputer de auto niet meer bestuurt. Ik rijd weer zelf. Het gaat on middellijk minder soepel. Automobilisten die op elkaars weggedrag reageren, zorgen ervoor dat het lint auto's zich voortbeweegt als een trekharmonica. Helemaal droevig is de situatie als de plek wordt gepasseerd waar men bezig is een persleiding aan te leggen voor het transport van vracht die nu nog over de weg en rails wordt vervoerd. Na het debâcle met de Betuwelijn wordt nu dan eindelijk een werkelijk revolutionair concept geprobeerd: perslucht en een wat groot uitgevallen buizenpostsysteem. Terwijl ik voortkruip door de stad realiseer ik me dat de congestieverschijnselen nu wel zeer dramatische vormen hebben aangenomen. Het is dat het openbaar vervoer zo onwaarschijnlijk slecht is, maar anders kan men zich afvragen wat al die automobilisten bezielt. De wegen zijn urenlang over vol. Er gaan steeds meer geluiden op om de verkeersstromen strikt te scheiden. Ooit is dat in Le lystad geprobeerd: voetgangers en fietsers met eigen trajecten. In de meeste Nederlandse steden is het alleen buiten de spits, tussen twaalf en drie uur 's middags, nog doenlijk voor ouderen en kinderen om enige afstand te overbruggen. Waarom is het thuiswerken eigenlijk nooit goed van de grond gekomen? Ik kan me de discussies nog levendig herinneren over modellen waarin alle Nederlanders in grotere huizen wonen en aan huis een werkplek zouden hebben. Akkoord, een kleine omissie in dat verhaal was geweest het gegeven dat er ook lokatiegebonden werk bestaat in fabrieken en dergelijke, maar verder. Wellicht zijn de ideeën over die huizen toch wat te utopisch voor een landje als Nederland. Maar ook is steeds duidelij ker geworden dat mensen niet echt geïsoleerd wil len werken. Waar ik persoonlijk wel blij mee ben, is dat ik sinds een jaar of drie kan kiezen op welke plaats ik mij meld voor het werk. Het kantoor heeft gekozen voor een variant op telewerken die veelbelo vend lijkt. Werknemers kunnen op een twintigtal plaatsen in Nederland inloggen op het centrale computersysteem van het bedrijf. Dat heeft als voordeel dat men daarmee congestieverschijnselen op de weg kan voorkomen hetgeen duidelijk niet onmiddellijk is gelukt maar ook dat de telewer ker toch met een aantal mensen 'op kantoor' zit. De enigen waar ik wel eens jaloers op ben, zijn de free-lancers, die van huis werkelijk kunnen tele werken. Opvallend toch wel dat daar een grote groep ouderen in te vinden is: mensen vanaf vijftig of zestig jaar die hun kennis nog steeds economisch benutbaar kunnen maken door te telewer ken. Maar aan de andere kant moeten ze ook wel; aow en pensioenen zijn er ook niet bepaald op vooruit gegaan en een rustige oude dag ligt alleen nog maar in het verschiet voor hen die de pensioengerechtigde leeftijd van zeventig jaar halen. Aan het viaduct hing een spandoek waarop wordt opgeroepen toch vooral na te denken over de zin van het leven; alsof je veel anders te doen hebt tijdens de rit. Het is wel iets waarover ik me af en toe zorgen maak. In de jaren zestig heb ik als jonge man gevochten en gedemonstreerd voor een samenleving van gelijken: mannen en vrouwen, witten en niet-witten. Daarvan is weinig terechtge komen. Vanaf de jaren negentig hebben jongeren zich en masse gewend tot de kerken, op zoek naar vastigheid, naar ankers. Niet dat iedereen nu massaal de kerken bezoekt. Nee, die zijn grotendeels verbouwd of gesloopt. Maar de televisiepredikers en de literatuur over religie zijn immens populair onder jonge mensen. Ik ben er niet gerust op; het lijkt mij dat conser vatieve krachten teveel vat op de samenleving krijgen. Met name het besluit dat een jaar geleden is genomen om elektronische referenda op grote schaal toe te staan, lijkt gevaarlijk. Sinds 1995 is geëxperimenteerd met de 'elektronische democra tie', maar om nu te zeggen dat de digitale steden, digitale burgerbewegingen en digitale ambtenaren een groot succes zijn geworden, nee. De vorm is anders, maar de inhoud nog steeds hetzelfde. Hoogstens is het nu mogelijk ook extreme ideeën gerealiseerd te krijgen. Wie was het ook alweer die voorstelde om het partijenstelsel maar af te schaf fen? Elektronische referenda zouden veel meer recht doen aan de wens van burgers om voor plan nen en voorstellen te kiezen en niet aan partijpro gramma's. Misschien kan ik de schrijver van dat artikel nog vinden. Toch een leuk idee om weer eens naar voren te brengen. Eigenlijk heb ik een hekel aan mijn werk. Er is zo weinig creatiefs aan. De hele dag moet ik iets maken of aan de praat krijgen wat anderen hebben verzonnen. Daarbij kan ik gebruik maken van allerlei beslissystemen die mij stapsgewijs door de diagnose en de oplossing heen helpen. Al die syste men zitten volgepropt met kennis van deskundigen, maar als je vraagt wie dat dan zijn, dan is dat vooral de vorige generatie. En helemaal fraai wordt het als we er niet uitkomen; dan roept men de on-line adviseurs erbij, alweer die oude knarren. Dat is toch ergerlijk! Op die manier kom ik aan de praat met een col lega over onze vaders. Mijn vader heeft het wel getroffen. Steeds weer zit zijn generatie van vlak na de Tweede Wereldoorlog in een pluche stoel. Van babyboom tot seniorenboom: ze hebben steeds goed voor zichzelf gezorgd. Ik heb echt gedacht dat onze kans wel zou komen als zij te oud waren om het tempo dat in de bedrijven gevraagd wordt, bij te kunnen benen. Maar nee hoor, ze stappen eruit met een goed pensioen, ze beschikken over een startkapitaal vanwege hun afgeloste hypotheek en beginnen voor zichzelf. Waarom zijn ze zo succesvol? Allereerst natuur lijk die slimme manier van apart en toch samen te werken. De nieuwe vorm van coöperaties komt voort uit de beperkingen en mogelijkheden die mijn vader en zijn generatie heeft. Mijn vader weet veel van informatiesystemen af. Hij vormt een vrij losse groep met een paar leeftijdgenoten die kennis en kunde hebben die mooi passen bij zijn expertise. Zo is er een echte techneut van de oude stempel, een voormalig accountant en een documentalist. Een ex-manager van een groot be drijf is degene die opdrachten binnenhaalt en de werkzaamheden verdeelt onder de deelnemers aan de groep. Een voormalig bedrijfsleider is verantwoordelijk voor het gezamenlijke produkt naar de klant toe. Indien nodig kunnen ook andere oude experts ingeschakeld worden uit het (informele) netwerk van de groep, voor een groot deel aan hun oude werkkring overgehouden. Alle groepsleden werken thuis en hebben daar alles wat ze nodig hebben. Veel van die spullen hebben ze overgehouden van het bedrijf waar ze werkten. Boven dien zijn de kosten van apparatuur zo laag geworden dat ze gemakkelijk door een particulier kun nen worden aangeschaft. Het onderlinge, elektronische contact vindt alleen plaats wanneer er geza menlijk aan een produkt gewerkt wordt waarbij de groepsmanager de boel centraal coördineert. Op deze wijze is mijn vader in staat zijn eigen tempo te bepalen en zelf zijn tijd in te delen. Dat past ook veel beter bij zijn fysieke en mentale mo gelijkheden, doordat het hem in staat stelt te rusten op de momenten dat hij zich vermoeid voelt. Hij is niet gedwongen zich te verplaatsen in het kader van zijn werk. Hij kan alles thuis doen en gaat alleen op pad als hij dat zelf wil. Het type werk dat hij uitvoert eist geen lichamelijke inspan ning. Hij verstrekt adviezen, kennis, analyses, ont werpen; de jongeren als ik mogen met de handen wapperen en de dingen bouwen op grond van zijn adviezen. Ze noemen het niet eens telewerken. Ze doen gewoon waar ze goed in zijn en hebben een structuur opgezet waardoor ze dit werk kunnen blijven doen ondanks de beperkingen die de klimmende leeftijd met zich meebrengt. Ze hebben de (relatief geringe) investeringen gedaan zonder zelfs een bank nodig te hebben. Kortom, een mooi stukje markt is weer eens ingepikt door die boomers en wij moeten ons weer tevreden stellen met de krui mels. Ik heb weleens de indruk dat mijn generatie de nadelen ondergaat van de elektronische revolutie, terwijl de generatie van mijn vader er de vruchten van plukt. Wij kunnen via onze televisie nu Internet op en alle informatie vragen die we willen. Maar we weten niet wat we willen en als we al informatie binnenkrijgen, weten we niet wat we er mee moeten doen. Op zich is dat niet zo vreemd. Het is immers zijn generatie geweest die zaken als Internet heeft ontwikkeld. Zijn opleiding en vaardigheden maken het gebruik van al die informatiebronnen van zelfsprekend. Maar daarna zijn de veranderingen snel gegaan. Wie leert er nu nog analytisch en creatief met zijn omgeving om te gaan? De generatie van mijn vader is altijd gewend geweest uit de voeten te kunnen met relatief weinig feitenmateriaal. De nadruk ligt bij hen op de analyse en de verwerking van wat ze wisten tot antwoorden waar men wat aan had. Ontbrekende informatie word zelf geadstrueerd op grond van ervaring en kennis. Mijn vader heeft misschien tien boeken die hij geregeld gebruikt voor zijn werk. Hij heeft een vijftal personen in de buurt die hij kan consulteren, en dat is alles. Om iets te weten te komen moet mijn vader ook sociaal vaardig zijn, anders krijgt hij niets te horen van een ander. Wij kunnen nu via het netwerk precies te weten komen welke bibliotheken in de wereld boeken van Kierkegaard bezitten. Maar we lezen ze niet, laat staan dat we de kennis eruit gebruiken. Bovendien hoeven wij niet meer zo sociaal bedreven te zijn. Natuurlijk, sociaal gehandicapt zijn levert ook nu nog problemen op. Maar ik hoef niet diplomatiek en strategisch te opereren om gegevens te krijgen. Veel van die gegevens zijn wel ergens on line beschikbaar. En als ze dat niet zijn, zullen ze ook niet beschikbaar komen. De juiste toetsaanslagen zijn nu belangrijker dan de juiste woorden. Mijn collega wijst mij er wel op dat mijn vader natuurlijk wel behoort tot een kleine minderheid van hoog opgeleide mensen die al een redelijk suc cesvol arbeidsbestaan achter de rug hebben. Zijn vader is het grootste deel van zijn leven werkloos geweest en heeft verder alleen ongeschoold werk gedaan. Bovendien is hij al 75 jaar. Mijn collega voelt zich eigenlijk enigszins schuldig want hij rea liseert zich dat hij zijn vader alweer een half jaar niet heeft bezocht. Wel heeft hij regelmatig contact; via de videofoon en een keer in de twee we ken een briefje per e-mail. Zijn vader ontvangt die briefjes wel, maar wei gert via het net te antwoorden. Hij belooft steeds 'echte brieven' terug te sturen, maar dat kostte hem duidelijk teveel moeite. Als zijn vader wil, kan hij ook via de televisie direct een videolink leggen met het gezin van mijn collega. Helaas heb ben ze elkaar niet veel te zeggen en doet het contact behoorlijk geforceerd aan. Je voelt je gedwon gen iets te zeggen; natuurlijke stiltes in een gesprek 'horen' niet. Ja, zegt mijn collega, het is wel mooi dat tegenwoordig alles via de televisie kan: lopen, berichten, post, videoverbinding en natuurlijk film en tv. Maar als zo'n ding stuk gaat, dan zit mijn vader in de puree. En hoewel de bediening erg eenvoudig is, deels zelfs via mondelinge opdrach ten, heeft zijn vader er toch nog steeds moeite mee en weet hij door zijn onhandige gedoe steeds vaker storingen te veroorzaken in de apparatuur. Zijn vader kan nog steeds thuis blijven wonen, hetgeen zijn zoon wel goed uitkomt. De kosten van een 'groepswoning' of 'verpleegtehuis' zijn erg hoog. Zijn vader loopt bovendien weinig risico, want hij wordt doorlopend 'gemonitord' en is uit gerust met allerlei alarmvoorzieningen. Als zijn stoelgang van de norm af begint te wijken of als hij iets te lang niet beweegt in zijn bed, gaan er op de centrale post meteen alarmbellen rinkelen. Daar kan men ook zien of het gas uit is, of de ver warming werkt en of het elektrisch circuit in huis goed functioneert. Een erg handige achtervang, lijkt het. Want of er dan ook direct hulp komt, is een tweede, zegt mijn collega, omdat vanwege de hoge structurele kosten er op de centrale post een chronische onderbezetting is. Mijn vader daarentegen kan zich nu vakanties veroorloven die vroeger ondenkbaar waren voor mensen van zijn leeftijd. Met alleen een pensioen had hij dat nooit gered. Maar nu, met die extra in komsten en weinig vaste lasten zit hij om het half jaar ergens anders op de wereldbol. Het is toch al lemaal nog steeds ongelijk verdeeld. De vader van mijn collega kan zich dat alles niet permitteren. Sterker, ook mijn collega merkt de verschillen tus sen beide vaders. Hij betaalt er nu voor opdat zijn vader zo lang mogelijk thuis kan blijven wonen. Akkoord, voor een deel wordt dat ook weer gecor rigeerd door belastingtechnische voorzieningen. Maar de structuur blijft een probleem. Kinderen betalen voor de levenswijze van hun ouders. Het lijkt mij maar mijn vader zit niet in die si tuatie datdit ook gevolgen heeft voor familiever banden. Die worden steeds zakelijker: wanneer is het iemand minder waard om zijn ouders nog te helpen? En wie neemt die zorg dan over, als die al wordt overgenomen? Al die idealistische beelden van vroeger waarin mantelzorgers, maar vooral fa milieleden, de zorg voor oude en zieke familieleden op zich namen, zijn niet bepaald bewaarheid. Sociale contacten bijvoorbeeld zijn enorm veran derd. Mijn familie woont verspreid over heel Nederland. En om te beweren dat we vaak bij elkaar komen... En nu ik er bij stil sta: ook met mijn buren heb ik niet zoveel contact. In de vrije tijd die we heb ben, zijn we vooral voor onszelf bezig. Echt veel gemeenschappelijke interesses kom je in onze he terogene buurt niet tegen. En in de gevallen waarin je iets elektronisch kunt doen en dat zijn al die 'tele'-activiteiten is het zelfs niet noodzake lijk sociaal vaardig te zijn. Niemand weet wie je echt bent: jong of oud, man of vrouw, dik of dun, wel of niet gehandicapt. Ik moet ineens aan mijn moeder denken, die nu al jaren thuis opgescheept zit met mijn vader, nog steeds bezig met zijn eigen werk en met nog steeds weinig aandacht voor haar. Mijn moeder heeft een hekel aan alles wat naar computers zweemt. Zo lang het allemaal onzichtbaar is opgeborgen in een bruikbaar en praktisch apparaat is het prima. Maar ze wil geen dingen met reeksen knopjes, dingen die terugpraten, dingen die niet doen wat zij wil, kortom dingen die, in haar woorden, 'gemaakt zijn door mannen die er niets van snappen voor mannen die er niets van bakken'. Mijn moeder wil niet teleshoppen, want dan geeft ze veel te veel geld uit en loopt ze haar buurvrouwen niet tegen het lijf. Ze wil niet telebetalen want dat vertrouwt ze niet sinds de bank regelmatig miljarden afhandig wordt gemaakt door slimme techneuten. Ze wil niets horen van Internet want daar spelen zich onsmakelijke taferelen af in woord en beeld. Ze wil niet teleschrijven, telelezen, teleleren, telehel pen; hoogstens wil ze telepraten en telezien via te lefoon en televisie. Ze zei me laatst dat ze echt niet het idee heeft hierdoor veel te missen. Mensen die ze wil zien kan ze gewoon opzoeken; het volk dat zij via al dat tele-gedoe zou kunnen ontmoeten, kan ze missen als kiespijn.
Dit artikel is geschreven ter voorbereiding van een workshop van het Rathenau Instituut in het kader van het Fatima Project over de rol van de overheid in toekomstige elektronische informatie voorziening. |
|