I&I-> Jaargangen -> Artikel

Het publieke debat in 2010

Door: Jo Bardoel

Nieuwe informatie- en communicatietechnologie creëert meer mo gelijkheden voor maatschappelijke communicatie, maar verandert ook het karakter ervan. Deelname van burgers aan het maatschap pelijk debat wordt gemakkelijker, maar evenzo de mogelijkheid om zich hieraan te onttrekken.

De werkelijkheid van het derde millennium wordt eindelijk onder ogen gezien, zo con stateert een redactioneel commentaar in De Perscombinatie van 1 januari 2010. Het eindeloos terugblikken sinds de eeuwwende heeft, volgens de multimediale nieuwsdienst, ten slotte plaatsgemaakt voor de erkenning dat het mensdom met het nieuwe millennium ook een nieuw tijdperk is binnengetreden. De nieuwe maatschappij noemt zich niet langer post-industrieel, postmodern of post-wat-dan-ook, maar heeft welbewust gekozen voor de weinig welluidende maar adequate aanduiding 'cybersamenleving'.

'De' informatiesnelweg waarover in het verleden zo lang en heftig gedebatteerd is, is er nooit geko men; het is bij een metafoor gebleven. Wel liggen er inmiddels vele informatiewegen ­ snel en lang zaam, breed en smal ­ die door onderlinge koppe ling elektronische netwerken vormen. Het gebruik ervan is vooral de laatste jaren sterk toegenomen. De zogenoemde 'mobiliteitscrisis' van 2002 speelde hierin een doorslaggevende rol. Onderzoek toonde aan wat veel mensen uit eigen ervaring allang wisten: het vervoer van en naar het werk kost te menigeen evenveel tijd als het verblijf op de werkplek zelf. Uit de commotie die dit gegeven veroorzaakte, groeide een nieuwe consensus. 'Voortbrengselen van de geest', zoals de Neder landse deelstaatregering het deftig aanduidde, moeten voortaan langs elektronische weg vervoerd worden. Onnodige verplaatsing van personen voor afspraken, vergaderingen en andere vormen van geestelijk verkeer moet zoveel mogelijk vermeden worden; telewerk wordt regel, lijfelijke aanwezigheid uitzondering. De wegen over land, water en door de lucht worden gereserveerd voor het goederenvervoer van en naar het Middeneuropese ach terland. Nederland dreigt anders zijn transitofunctie te verspelen ten gunste van de Noordfranse re gio.

De massale overstap naar elektronisch verkeer door delen van de bevolking die zich hieraan niet eerder hadden gewaagd, had aanvankelijk tot de nodige opstoppingen geleid. Velen gingen in hun vrije tijd zo maar de snelweg op, met geen ander doel dan om de nieuwe horizon te verkennen. Deze elektronische 'zondagsrijders' en 'bermtou risten' waren overigens alweer snel van de netwerken verdwenen, en het functioneel gebruik ­ zo wel voor professionele als voor persoonlijke doeleinden ­ had weer de overhand gekregen.

De grote verwachtingen, optimistisch of pessimis tisch, van de nieuwe informatietechnologie voor politiek en democratie waren niet uitgekomen. Het elektronisch 'Athene', de belofte van directe democratie met inzet van nieuwe informatietech nologie, was ondanks enkele geslaagde lokale proefnemingen een illusie gebleken. Symbolisch was in dit verband de euforische oproep van de Amerikaanse president Al Gore bij de inwijding van zijn tweede ambtstermijn in 2004. Hij had de burgers van Amerika opgeroepen om hem elektro nisch hun wensen en verwachtingen te laten we ten. Hoewel maar tweetiende procent van de bevolking reageerde, had de verwerking van de half miljoen reacties de Washingtonse bureaucratie maandenlang lamgelegd.

Maar ook de zwartkijkers die Orwells voorspel lingen met een vertraging van twintig jaar zagen uitkomen, moesten achteraf hun ongelijk erken nen. De overgang van papieren administratie naar elektronische registratie had aanvankelijk inder daad tot 'Big Brother'-toestanden geleid. Maar de recentelijk opnieuw aangescherpte beperkingen op de koppeling van bestanden en het recht op inzage leken redelijk te werken. Velen waardeerden bovendien het gemak dat de combinatie van gege vens ook kon betekenen. Zelden nog kregen senioren en kinderloze paren ongevraagd reclamefolders van Prénatal toegestuurd.

Eigenlijk was de voorspelde communicatierevo lutie tot dusverre op kousevoeten gekomen. De netwerken waren stap voor stap tot stand geko men, door koppeling van bestaande trajecten en aanleg van nieuwe glasvezelverbindingen. Met de diensten liep het niet anders. Ondanks de zonder uitzondering hijgerige aanprijzingen van aanbie ders keken de meeste gebruikers eerst de kat uit de boom. De consument werd wel steeds toeschietelijker. De generatie met 'computerangst', die door haar leidinggevende positie lang allerlei innovaties had weten te traineren, bereikte de pensioengerechtigde leeftijd. Iedereen die nu werkte, was met 'automaten' ­ de oude term van Fred L. Polak had uiteindelijk toch ingang gevonden ­ opgegroeid.

In elke woning bevinden zich ten minste twee ter minals. Een ervan staat in de huiskamer en dient vooral recreatieve doelen. De terminal in de werk kamer wordt voor professionele en educatieve toepassingen gebruikt, en de kleinere stations op bij voorbeeld de kinderkamers combineren lering en vermaak.

De krant, in de traditionele zin van inkt-op-pa pier, valt nog op de deurmat bij een derde van de huishoudens. Een vijfde ontvangt het produkt in middels elektronisch op de terminal of op een draagbaar elektronisch paneel. Ongeveer de helft van de huishoudens geeft aan voldoende te hebben aan de gratis nieuwsvoorziening die via talrijke al gemene en 'dedicated' nieuwskanalen wordt aangeboden. Zij hebben 'de krant' opgezegd. Uitge vers proberen nu met wisselend succes deze groep met elektronische informatiediensten terug te win nen. Ook 'tijdschriften' ­ oude aanduidingen heb ben een hardnekkig leven ­ worden vaak elektro nisch aangeboden. Het scheuren en bewaren van kranten en tijdschriften behoort voor de meesten tot het verleden. Het eigen elektronisch archief kost nauwelijks kastruimte en laat zich makkelij ker raadplegen. Eigenlijk is het handiger om een centrale databank te consulteren, maar de gewoon te van een eigen archief blijkt onuitroeibaar.

De laatste tijd dienen zich steeds meer nieuwe bemiddelaars aan die combinaties van bestaande produkten aanbieden. Ze maken eigen selecties uit verschillende titels, of offreren een persoonlijk pakket op basis van een individueel, automaatge stuurd interesseprofiel. Veel journalisten die vroe ger naam gemaakt hebben bij bestaande titels hebben nu hun eigen informatiedienst op Nednet. Er komen voortdurend nieuwe formules en formats bij; sommige blijken blijvertjes, andere verdwijnen alweer snel.

Door de toegenomen mogelijkheden tot elektro nische informatie- en communicatievoorziening is het huishouden niet meer de oude oase in een jachtige wereld die het lang was. De functionele wereld is de privésfeer binnengedrongen. Mensen gebruiken dezelfde apparatuur die hen eerder overal en altijd bereikbaar heeft gemaakt nu meer en meer om zich voor ongelegen contacten af te schermen.

De waardering voor het leven en werken in de cybersamenleving loopt sterk uiteen. Vooral het be drijfsleven reageert enthousiast. Na een aarzelende start is teleshopping een doorslaand succes geworden. Veel huishoudens bestellen hun alledaagse boodschappen elektronisch en laten hun inkopen door boodschappendiensten thuisbezorgen. De huishoudens die nog beschikken over een eigen vervoermiddel kunnen deze met korting afhalen bij een verdeelcentrum. Meestal zijn dat voormalige winkels, die omgebouwd zijn tot 'kijkshops' voor 'funshoppers'. De terminologie duidt overigens al aan dat men zonder kennis van het Engels bijna nergens meer terecht kan. Vooral sinds de degradatie van het Nederlands en het Fries tot re gionale talen is het met 'onze taal' snel bergaf ge gaan.

Cultureel gezien openen de nieuwe netwerken werelden die vroeger gesloten bleven. Al vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw was de televisie be gonnen om nieuwsbeelden uit de hele wereld de huiskamer binnen te brengen. Dat had regelmatig, in het geval van oorlog en hongersnood, geleid tot erupties van globale solidariteit. Door de toename van het aanbod lijkt het beeld van de wereld nu gevarieerder en genuanceerder te worden. Naast de politieke problemen komt nu ook de culturele rijkdom van landen en volken tot uitdrukking. Subculturen uit alle windstreken vormen de grondstof voor globale culturele modes en trends. Nooit zijn de expressiemogelijkheden voor groepen zo groot geweest, en nooit zijn subculturele stijlen zo ongenegeerd gekopieerd tot voordeel van de internationale cultuurindustrie. Homogenisering en heterogenisering lijken hand in hand te gaan.

De overvloed aan expressiemogelijkheden en ge dragsalternatieven leidt vooral bij jongeren tot on zekerheid over de eigen identiteit en de eigen plaats in de samenleving. Illustratief in dit verband was onlangs een emotionele demonstratie van Nederlandse jongeren van etnische herkomst tegen de verwijdering van het portret van de Nederlandse koning van de Europese munt. De verwarring over identiteit en centrale waarden leidde ook tot regel matige confrontaties tussen bevolkingsgroepen. Vorige week heeft de politie groepen vrouwen en islamieten die te hoop liepen bij de opening van de tweede islamitische universiteit, in de gebou wen van de voormalige katholieke universiteit te Nijmegen, uiteen moeten slaan.

Maar politiek gezien lijkt de kloof tussen de belof te en de werkelijkheid van de informatiesamenleving voorlopig het grootst. De nieuwe informatie technologie zou ­ zo was het verhaal waarmee de spullen aan de mens waren gebracht ­ directe in teractie tussen burgers en bestuur en rechtstreekse burgerraadplegingen mogelijk maken. De techniek zou zo de panacee zijn voor de tekortkomingen van de vertegenwoordigende democratie, zoals de kloof tussen burgers en bestuur. Dit noopte te meer, omdat naast de nationale overheid ook de lokale en Europese bestuurslagen aan belang ge wonnen hadden. En er was inderdaad voortgang geboekt. Burgers konden sinds kort vanuit hun huis elektronisch stemmen. Een aantal agglomeratiebesturen consulteerde de burgers regelmatig via elektronische referenda. De kiezers kregen daarbij een menugestuurde vragenlijst voorgelegd, zodat al te simpele eens/oneens-vraagstellingen vermeden konden worden. Overigens viel de beantwoording van deze vragenreeksen de burger niet gemakkelijk, om nog maar te zwijgen over de interpretatie van de antwoorden door de bestuurderen.

Ondanks alle nieuwe mogelijkheden was de deelname van de burgers aan het politieke proces over de hele linie eerder kleiner dan groter geworden. Vergeleken met de nationale en Europese politiek bracht, zo bleek uit recent onderzoek, de lokale politiek het er nog het beste vanaf. Vooral in gro tere agglomeraties bleek de populariteit van lokale media en de beschikbaarheid van publieke informatiebanken de betrokkenheid bij de plaatselijke politiek bevorderd te hebben. Opvallend was dat deze interesse redelijk evenredig gespreid was over de verschillende bevolkingsgroepen. Onderzoekers verklaarden de opmars van de lokale politiek uit de concreetheid en de nabijheid van lokale kwesties en uit de combinatie van de directe en mediale communicatiemiddelen die op deze schaal ingezet kan worden. Het veelgeprezen wegvallen van de beperkingen van ruimte en tijd in de cybersamenleving gaat het voorstellingsvermogen van de meeste burgers te boven, zo verklaarde een van de onderzoekers, en daarom zoeken velen hun hou vast op de lokale schaal. Overigens was er vooral in de grote steden een groeiende groep van 'afha kers', bestaande uit laag opgeleide jongeren van et nische afkomst, die tot geen enkele vorm van maatschappelijke deelname te bewegen was. In de kleinere lokale gemeenschappen bleef het meeste bij het oude. De politieke betrokkenheid was er onverminderd groot, terwijl de beperkte schaal zich nauwelijks leende voor lokale media, laat staan voor professionele voorzieningen op dit vlak.

De belangstelling voor de nationale politiek bleek in de laatste tien jaar sterk te zijn teruggelopen. Dit traditionele centrum van politieke macht en soevereiniteit had bevoegdheden verloren naar twee kanten, naar meer centrale (Europa) en decentrale (lokale) gezagscentra. De nationale schaal was te groot gebleken om de concrete problemen van burgers op te lossen, en te klein om invloed te hebben op mondiale economische processen. Deze benarde positie tussen tafellaken en servet had zich vertaald in een forse afbrokkeling van bevoegdheden en belangstelling. De taken van de nationale deelstaat beperkten zich steeds meer tot cultureel terrein ­ cultuur, onderwijs, publieke omroep ­ en konden daarom vooral op steun rekenen van beter opgeleiden die in deze sferen hun brood ver dienen. De landelijke politieke partijen, eerder al ineengeschrompeld van brede bewegingen tot beperkte vergaderkringen, zijn nu nog vooral elek tronische mailcircuits van politieke functionarissen. Burgers reiken politici hun grieven en wensen aan via audiovisuele en elektronische media, politici peilen de steun voor hun oplossingen langs de zelfde weg. Omdat de publieke sfeer steeds geleder geworden is ­ het aantal platforms wordt groter en de kans op attentie en gedeelde communicatie navenant kleiner ­ wordt het almaar lastiger kwesties op de publieke en politieke agenda te krijgen. Politieke programma's en grote verhalen spreken niet meer aan. Beperkte en kortstondige, maar professioneel opererende bewegingen van burgers die op een aansprekende manier een concreet belang naar voren brengen blijken wel succesvol. Zo'n initia tief ontstaat niet zelden vanuit een elektronische communicatiekring; nergens zijn de contacten zo direct en is de reactiesnelheid zo hoog. Omdat bovendien de grenzen tussen informatie en amuse ment vervagen, en vooral het belang van 'infotainment' voor de vorming van de publieke opinie toeneemt, wordt de emotionele component in het politieke proces sterker. Deze, wat wel genoemd wordt, 'politiek van de onderbuik' van burgers doet het in de moderne mediale openbaarheid veel beter dan de verstandelijke, en dus afstandelijke benadering van beroepspolitici.

Treurig is het intussen gesteld met de betrokken heid bij Europa. Hoewel het 'Europa van de Dertig' steeds meer bevoegdheden heeft gekregen op terreinen als economie, infrastructuur, milieu, de fensie en buitenlandse politiek is de belangstelling van burgers sterk achtergebleven. Vooral een kleine élite van zakenmensen, wetenschappers en di plomaten ­ voor wie de wereld allang het werkter rein was ­ blijkt warm te lopen voor het Europees bestuur. Een opvallende uitkomst in het onderzoek was ook dat elke laag van bestuurders en be stuurden een eigen taal blijkt te bezigen. In Europa overheerst het Engels als 'lingua franca', op na tionaal niveau handhaaft het Nederlands zich redelijk en in de agglomeraties ontwikkelen zich nieuwe stadsdialecten, bestaande uit een mengeling van oude klasse- en nieuwe etnische klanken. De maatschappelijke kloof wordt in toenemende mate talig.

Er ontstaat een discussie over de vraag of de opge treden 'marginalisering' van de politiek, vooral op bovenlokaal niveau, al dan niet als een probleem beschouwd moet worden.

Sommigen zien de beperkte belangstelling voor de politiek als niet meer dan een logische ontwikkeling. Echte problemen zijn er in ons werelddeel nauwelijks nog, en de oplossing ervan laat men graag over aan een gespecialiseerde politieke kaste. Waarom zou men nog warmlopen voor de politiek en de publieke zaak, als deze steeds minder inhoud en missie heeft? De beperkte deelname aan het politieke proces is, in deze visie, vooral een teken van realiteitszin en tevredenheid. Het toegenomen aanbod en de grotere keuzevrijheid van burgers brengt nu eenmaal ook de vrijheid met zich mee om zich te onttrekken aan het politieke proces. In het geval van ongenoegen weet de burger de politiek altijd wel weer te vinden, aldus deze sceptici.

Anderen betogen dat de groei van het aantal 'toeschouwers' onder de burgers ten koste van het aandeel van de 'deelnemers' aan het politieke pro ces een kwalijke zaak is die ook de kwaliteit van het politieke bedrijf aantast. De politiek wordt te veel als een afstandelijke 'maatregelmachine' beschouwd, en niet als de uitkomst van maatschap pelijke beraadslaging over kwesties van gemeen schappelijk belang. Ze signaleren dat alleen de lo kale politiek nog bij brede groepen belangstelling weet te wekken, maar dat de nationale en interna tionale politiek inmiddels een elitair onderonsje geworden is.

Over de oorzaken van de crisis van de politiek lo pen de meningen uiteen. Sommige critici wijzen met een beschuldigende vinger naar de 'commer ciële' media die alleen in consumenten en reclame geïnteresseerd zijn, en niet in burgers en politieke informatie. Oude informatieve genres als documentaires en actualiteitenrubrieken zijn verdron gen door drama en infotainment. Talkshows leveren door hun toegankelijkheid en bereik meer stof voor de publieke discussie dan informatierubrieken; publiciteitsbewuste politici weigeren nog lan ger voor de laatste op te treden. Hadden we, voegen sommige waarnemers hieraan toe, nog maar publieke omroep- en persorganen met een behoorlijk publieksbereik.

Oudere journalisten mengen zich in de discussie en verwijzen nostalgisch naar voorbije tijden waar in hun professie nog een belangrijke bemiddelende functie had en binnen de media een beschermde positie genoot. Door allerlei ontwikkelingen als de toename van het aanbod, de fragmentatie van de afname, meer keuzevrijheid voor de ontvanger en een steeds grotere markt- en marketinggerichtheid van informatiebedrijven is de professionele positie gaandeweg uitgehold. Het vak is steeds breder geworden. Naast journalisten-oude-stijl, wier werk bestaat uit het op de hoogte houden van een vaste, bekende afnemersgroep via standaard-informatiepakketten, zijn er steeds meer 'nieuwe' journalis ten gekomen die bestanden bewerken voor elektronische informatiediensten ten behoeve van een wisselend, vaag bekend en over de tijd verspreid publiek. De oude journalistieke cultuur, die be stond en werd doorgegeven binnen centrale redacties, is teloorgegaan. Dit komt deels omdat journa listen werkplekken delen met andere disciplines (uitgevers, vormgevers, marketeers), deels omdat veel journalisten op andere plaatsen, thuis of dichtbij het bronnenmateriaal, werken. Als reactie op deze, wat zij noemen, 'verzakelijking' van de professie zijn kleine groepen hooggekwalificeerde journalisten voor zichzelf begonnen. Zij bieden hun eigen cultuur, smaak en interpretatiekader via verschillende 'outlets' aan geïnteresseerden aan.

De journalistiek lijkt hetzelfde lot beschoren als eerder dominees en pastoors; ooit fungeerden ze als geestelijke leidslieden, maar nu kiezen de mees te burgers hun eigen koers. Uitgevers-oude stijl, merken oude journalisten op, hadden nog gevoel voor hun verantwoordelijkheid tegenover democratie en samenleving. Het publieke debat functio neerde nog als ontmoetingsruimte tussen overheid en burgers, en tussen burgers onderling, waar za ken van algemeen belang besproken werden. Maar sinds steeds meer 'branchevreemde' ondernemers als postbestellers, energiebedrijven en verzekeringsmaatschappijen zich op de profitabele infor matiemarkt gestort hebben is het misgegaan. Binnen deze communicatieconglomeraten telt slechts de opbrengst, en niets dan de opbrengst. Door de steeds grotere omloopsnelheid van onderwerpen en de fragmentatie van het bereik heeft het maatschappelijk debat vergruizeld. In de media maken redactionele formules plaats voor 'market formats', slimme informatiemakelaars 'samplen' voortdurend nieuwe produkten bijeen, authenticiteit en plagiaat vallen nauwelijks nog te onderscheiden. De journalistiek, of wat daarvoor moet doorgaan, verliest aldus haar herkenbaarheid en het publiek zijn vertrouwen, zo luidt de klacht. Nu de collec tieve cultuur van de redacties is verdwenen, moet ­ zo wordt bepleit ­ de beroepsgroep hoognodig een nieuwe, individuele ethiek en een gedragscode voor 'informatiebemiddelaars' ontwikkelen.

Andere waarnemers wijzen met een beschuldigende vinger naar de verschillende overheden. Deze zijn, in de verbeten strijd om de belangstelling van de burger, steeds meer marketingtechnieken gaan toepassen en hebben hun politieke profiel verstopt ten gunste van hun bestuurlijke image. Het 'verkopen' van besluiten en maatregelen kreeg een ho gere prioriteit dan het adequaat informeren van burgers en van het toegankelijk maken van rele vante informatiebronnen. Vanuit dezelfde defensieve instelling werden de nieuwe, participatieve mogelijkheden van de nieuwe communicatietechnologie genegeerd. Diverse experimenten hadden aangetoond dat burgerraadpleging wel degelijk zinvol kon zijn, maar dat de bestuurders vanuit hun corporatistische traditie met de nieuwe mogelijkheden weinig wisten aan te vangen.

Ook de burger trof blaam, zo beweerden ande ren. Hij had zich teruggetrokken in zijn eigen privé-domein en zich steeds minder gelegen laten lig gen aan de publieke zaak. Natuurlijk, er waren verzachtende omstandigheden. De toegenomen informatie- en communicatiestroom, het groeiende aantal gedragsalternatieven en de steeds grotere beslissingsmacht van individuen over eigen leven en welzijn hadden ertoe bijdragen dat de modale burger alleen al aan het 'managen' van het eigen bestaan meer dan zijn handen vol had. Ook de maatschappelijke vertogen over individualisering en privatisering hadden de indruk gevestigd als zouden de exclusieve bekommernis met het eigen lot en de ontwikkeling van een doe-het-zelfmoraal het ultieme stadium van menselijke ontplooiing zijn. Betrokkenheid bij de publieke zaak en de ontwikkeling van gedeelde opvattingen over het goede, het schone en het ware waren lange tijd af gedaan als vormen van verouderd collectivisme, behorend bij een vorig stadium van maatschappe lijke ontwikkeling, uit het voorbije millennium.

Op een conferentie over Communicatievrijheid en burgerschap, georganiseerd door het Arnbak Insti tuut voor Technologie en Samenleving, kwamen de aanwezigen tot de slotsom dat de huidige situa tie van private rijkdom en publieke armoede niet uitsluitend aan een van de genoemde partijen te wijten was, maar op het conto kwam van de samenleving als geheel. Te lang had men aangeno men dat de nieuwe communicatie-infrastructuur als vanzelf tot betere vormen van samenleven zou leiden. 'Vooral niet sturen' was lang de hoogste wijsheid geweest. Voor de economische welvaart, zo was gebleken, had dit goed uitgepakt. Immers, de markt, het spel van vraag en aanbod vindt altijd wel zijn weg. Hoe minder regels, hoe beter.

Maar met het culturele en politieke welzijn van de samenleving lag het lastiger. Voor de expressie van individuen en groepen waren podia nodig, waarbij toegankelijkheid en pluriformiteit verze kerd moesten zijn. En zeker de benutting van de nieuwe communicatie-infrastructuur ten behoeve van de politieke democratie vereiste, volgens de conferentiedeelnemers, een weloverwogen architectuur. Hier waren in het verleden de grootste fouten gemaakt. Er was nooit goed nagegaan welke functies de nieuwe netwerken zouden kunnen vervullen voor de verschillende fasen van het poli tieke proces, en welke basisvoorzieningen en regelering daarvoor vereist waren. De discussie was steeds vagelijk tussen hoop en vrees blijven steken. De oude, gescheiden beleidstradities van media (pluriformiteit) en telecommunicatie (toeganke lijkheid) convergeerden veel moeizamer dan de onderliggende communicatiepraktijk. Bij gebrek aan consensus over de gewenste aanpak werd communicatievrijheid lang gelijkgesteld aan 'Gods wa ter over Gods akker laten lopen'. Had men, zo verzuchtte een spreker op de conferentie, vijftien jaar geleden maar beter over deze zaken nagedacht, dan zou het publieke domein minder kaalslag vertonen dan thans het geval was.

Dit essay is evenals het hierop volgende verhaal geschreven in opdracht van het Rathenau Instituut (voorheen Nederlandse Organisatie voor Technologisch Aspectenonderzoek) voor een 'toekomst-workshop'. Deze vond plaats in het kader van het Fatima-project. In de Fatima-reeks verscheen Rechten en plichten van het individu op de elektronische snelweg, Aanzet tot een hand vest van A.W. Koers, isbn 90 71894 916, Otto Cramwinckel Uitgever te Amsterdam.