![]() |
I&I-> Jaargangen -> Artikel
Uitgeven of uitsterven?De wetenschappelijke uitgever |
|
Door: W.G. van Gils In het algemeen lijkt de wetenschappelijk onderzoeker tevreden te zijn met de mogelijkheden om tijdig over de juiste informatie te beschikken, gedrukt of online. Een kentering tekent zich echter af onder de jongere generatie academici, met name in de natuurweten schappelijke richtingen. Zij zijn reeds van jongs af aan vertrouwd met de personal computer, software en databases. Bovendien groeien de mogelijkheden voor de uitwisseling van informatie via de electro nische netwerken exponentieel. Wat is het antwoord van de uitgevers op deze verschuivingen in het wetenschappelijk informatiesysteem? Het auteursrecht lijkt het incasso-instrument bij uitstek voor de uitgevers te worden. Hoe lang klampen zij zich nog aan deze strohalm vast? De onderzoeker als auteur wordt steeds creatiever en ook zelfbewuster en lijkt de uitgever daarbij te gaan omzeilen. appelijke informatievoorzieningen, doordat bij de individuele gebruiker van deze voorzieningen (lees: de wetenschappelijk onderzoeker) over het algemeen weinig besef blijkt te zijn over de voor waarden waaronder deze kunnen bestaan. Zowel in academische kringen als in de commerciële re search & development is men redelijk tevreden over de mogelijkheden tot het vinden van die in formatie die van belang is. Een markant voorbeeld hiervan vormde de befaamde bioloog Lewis Wolpert frs, die tijdens een eerdere presentatie van het onderzoeksrapport in Londen even uit de doeken deed hoe hij wetenschappelijk literatuur verzamelt. 3 De klacht van bibliothecarissen over het jaarlijks nog altijd groeien de publikatie-aanbod vond hij absurd. Alsof er, zo stelde hij, geprotesteerd wordt tegen het feit dat steeds meer nieuwe inzichten en kennis tot stand komen. Zijn oplossing voor het omgaan met de enorme hoeveelheid vakliteratuur was het consequent kiezen van een stuk of 15 'core tijdschriften' waaruit hij wekelijks de belangrijkste artikelen scheurde. Verder zei Wolpert dik tevreden te zijn In 1993 heeft de Britse Royal Society een uitvoerig onderzoek verricht naar de veranderingen in het systeem van wetenschappelijke informatieproduktie- en distributie. De studie concentreerde zich op de beschikbaarheid en verspreiding van informatie in met name de wetenschappelijke, techni sche en biomedische sectoren. Zowel het academisch milieu als de industrie zijn onder de loep genomen. Circa 4000 wetenschappers, ingenieurs en bibliothecarissen in het Verenigd Koninkrijk zijn met behulp van vragenlijsten bij het onderzoek betrokken. De resultaten zijn gepubliceerd in een lijvig en zeer lezenswaardig rapport, getiteld 'The stm Information System in the uk'.1 De leider van het onderzoeksproject was Professor Bryan Coles frs. Coles sprak over dit onderzoek en de belangrijk ste resultaten daarvan tijdens het congres 'Van boeken naar bytes' dat op 18 mei van dit jaar werd gehouden in het Amsterdamse Trippenhuis, de ze tel van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. 2 Coles liet blijken zich enige zorgen te maken over de toekomst van de weten sch met de fotokopieën van de British Library. Ook was hij een groot voorstander van tijdschriften waarin veel korte review-artikelen verschijnen, zo als bijvoorbeeld Trends in genetics. De talloze cur rent-awarenessdiensten van uitgeverijen en bibliotheken die tegenwoordig allemaal op de markt zijn, kende hij niet. Maar waarom zou hij ook, vroeg hij zich hardop af. Stevig roddelen en andere vormen van liefst zéér informeel contact tijdens de essentiële borreluurtjes op congressen: op die ma nier blijf je uitstekend op de hoogte van alle lo pende zaken, aldus Wolpert. De presentatie van Wolpert heeft, afgezien van de ironie waarmee deze gelardeerd was, een exemplarische betekenis. Tal van onderzoekers, zowel in opleiding als hooggeleerd, beschouwen het aanbod aan en de gebruiksmogelijkheden van de di verse informatiesystemen (papieren publikaties, online databases etc.) vanuit de microkosmos van hun dagelijkse en veelal zeer specialistische onder zoekspraktijk. Met de meer structurele kwesties zoals de organisatie, de selectie, het beheer, de ont sluiting, de archivering en de beschikbaarstelling van die specialistische informatie hebben zij door gaans weinig affiniteit. Dat zijn zaken die deel uit maken van een macrokosmos waarmee zij veelal louter een gebruiksrelatie hebben en die bepaald wordt door een bepaalde vanzelfsprekendheid. Opzienbarend is dit uiteraard niet. Wanneer men in een hotel overnacht gaat ook niet de primaire belangstelling uit naar de vraag of de centrale in koop van de beddelakens voor het nieuwe seizoen die ochtend succesvol is afgerond. Dit betekent echter niet dat de consument van wetenschappelijke informatie over de gehele linie dik tevreden is met het traditio nele informatiesysteem. Daarmee is dan bedoeld, de praktijk van het publiceren van wetenschappelijke tijdschriften door commer ciële uitgeverijen, aangevuld met 'value added information services' zoals abstractbla den, bibliografieën, current awareness systemen en dergelijke. Zo blijkt uit het hiervoor genoemde onderzoek van Bryan Coles cum suis, dat de ge bruikersgroep in de leeftijdscategorie van 25 tot 35 jaar het minst tevreden is met de bestaande voorzieningen die wetenschappelijke bibliotheken te bieden hebben. De doorslaggevende factor hier is tijd.4 Zowel bij het opsporen als produceren en publiceren van wetenschappelijke informatie speelt snelheid een in belang toenemende rol. Steven Howdle, een Research Fellow van de Royal Society op het terrein van de chemie heeft samen met een aantal collega's aan de universiteit van Nottingham een online beschikbaar electronisch tijdschrift opgezet, uit onvrede met de lange doorlooptijd van ingediende kopij voor een papieren tijdschrift. Kopij voor het gewone, papieren tijdschrift is in totaal acht maanden onderweg voor het tot publikatie komt en dat tempo is be paald niet in overeenstemming met de snelheid waarmee het vakgebied zich ontwikkelt. Met name in wetenschappelijke disciplines zoals chemie, fysi ca, geneeskunde en biotechnologie is sprake van een hoog tempo van kennisontwikkeling. Een dilemma of paradox, het is maar hoe je het bekijken wilt, doet zich hier voor, namelijk snelheid tegenover kwaliteit. De uitgeverij Rapid Communications of Oxford enquêteerde uitvoerig de lezers van het succesvolle tijdschrift Neuroreport .5 Daaruit bleek dat de verhoging van de publikatiesnelheid hoog op de agenda stond, van vrij wel iedereen. Maar tegelijkertijd bleek men ook zeer veel waarde te hechten aan een goede peer re view service. En iedereen die betrokken is bij het wetenschappelijk uitgeven weet, dat dit deel van het proces de meeste tijd vergt. Dat snelheid en kwaliteit nog niet optimaal verenigd zijn bleek eveneens tijdens een presentatie van Diane Richards van inspec tijdens de eusidic Spring Conference in 1994 in Brussel. Zij sprak over de ontwikkeling van het door The Institution of Electri cal Engineers uitgegeven Electronic Letters Online dat dagelijks wordt voorzien van een update.6 De snelheid waarmee de nieuwste informatie aangebo den kan worden verdraagt zich nauwelijks met een zorgvuldig proces van referees, zodat de vraag is wat het uiteindelijke kwaliteitsniveau van het tijd schrift zal zijn. Zij zag voorlopig nog een markt voor het papieren tijdschrift met een 'high degree of referee' naast die van het online beschikbare electronic journal. Toch is het de vraag of de technologische ont wikkelingen en de faciliteiten die de netwerken bieden, de visie mevrouw Richards niet snel ach terhaald doen zijn. Het tijdschrift Nature bijvoor beeld berichtte in het nummer van 23 maart 1995 over de toekenning van een subsidie van meer dan een miljoen dollar door de us National Science Foundation aan Paul Ginsparg, een hoge-energie fysicus die werkzaam is aan de Los Alamos National Laboratories in New Mexico. 7Ginsparg zette in 1991 een electronisch archief op dat zich aan vankelijk specialiseerde in hoge-energiefysica en dat gevuld werd met artikelen of preprints daar van. Inmiddels bevat de database-artikelen in electronisch format die afkomstig zijn uit 25 verschillende disciplines, die zijn voorzien van cross-refe rences, en waarop vakgenoten commentaar kunnen indienen op de door hen gelezen teksten. Hiermee heeft Ginsparg een systeem opgezet dat men een database van 'interactieve tijdschriften' kan noemen en waar in feite het traditionele peer-reviewproces van de traditionele, gedrukte tijd schriften wordt overgenomen. Dagelijks wordt door wetenschappers wereldwijd meer dan 45.000 maal van deze database gebruik gemaakt, zowel om items te raadplegen als om er nieuwe teksten (artikelen of commentaren) aan toe te voegen. Ginsparg zegt te begrijpen dat uitgevers zijn project met argusogen volgen, maar voegt daar tevens aan toe dat de ontwikkelingen in de wetenschappelijke communicatie nu eenmaal uiteindelijk door de onderzoekers worden bepaald. De global villageWereldwijd worden momenteel tussen de 150.000 en 200.000 wetenschappelijke seriële titels gepubliceerd. De meest geciteerde en gevestigde perio dieken bevatten ieder jaar opnieuw weer meer pagina's. Deze enorme overvloed aan wetenschappe lijke informatie komt tot stand in een tijdperk waarin de electronische dataverwerking zich al lang niet meer beperkt tot haar oorspronkelijke domein van de bedrijfsadministratie, waar het me dio jaren zeventig vooral begonnen is. Het digitale behandelen en verwerken van complete teksten, tekeningen, foto's en video's heeft een ware vlucht genomen in alle bedrijfstakken en instellingen die primair op informatie zijn gericht. Zoals het er nu naar uitziet is het einde van de ontwikkelingen in de nieuwe multimediale en interactieve toepassingen van gedigitaliseerde infor matiedragers nog lang niet in zicht. Een factor van essentieel belang is de opkomst van de personal computer geweest, in 1982 geïntroduceerd door ibm en nu naar schatting wereldwijd op 160 miljoen werkplekken operationeel. Zelf heb ik nog meegemaakt hoe enorm de invloed van de pc en tal van software-applicaties waren op het produk tieproces in de uitgeverij. In 1987 en 1988 werden achtereenvolgens de functies van bureauredacteur, zetter, corrector, en chef layout grotendeels over bodig doordat auteurs kopij op gecodeerde floppy gingen aanleveren en de opmaak via Desktop Pub lishing (dtp) in een fractie van de vroegere tijd re sulteerde in cameraready pagina's. En dan is er nu, in de eerste helft van de jaren negentig, de stormachtige groei van de electronische netwerken als communicatie-infrastructuur en informatietransportmedium. Het meest opmerkelijk is natuurlijk Internet, dat een geweldige im pact op het wetenschappelijk informatiesysteem heeft, alleen al vanwege zijn omvang. Science stelde in augustus 1993 reeds vast dat er meer dan 50.000 verschillende databases beschikbaar zijn via Inter net en dat er 1,7 miljoen hostcomputers op zijn aangesloten, maar deze aantallen worden inmid dels weer ruimschoots overtroffen.8 De schattingen over het aantal pc-gebruikers dat met Internet werkt lopen uiteen maar het gemiddelde schommelt momenteel rond de dertig miljoen en groeit exponentieel. Vast staat dat Internet het snelst groeiende communicatienetwerk uit de wereldge schiedenis is. Tal van hulpmiddelen zijn inmiddels ontwikkeld om de gebruikers wegwijs te maken in het onmetelijke mer à boire aan informatie dat be reikt kan worden. Het meest ambitieus is World-Wide Web ( www) dat als een 'hypermedia browser' voorziet in de mogelijkheid om met behulp van een muis een bepaald woord of ander tekstdeel in een databestand aan te klikken en van daaruit direct over te gaan naar een compleet ander databestand waarin datzelfde woord of tekst deel voorkomt. Belemmeringen van tijd en plaats zijn hier volledig opgeheven. Bovendien kan met www relatief gemakkelijk beeldmateriaal en geluid worden geïntegreerd in een tekstdocument. 9 Wat gebeurt er in dit wereldwijde conglomeraat van netwerken, van wide area networks (wan) en local area networks ( lan), in deze 'cyberspace' of 'global village'? Allereerst is er sprake van het zoe ken en raadplegen van bestaande informatie. Catalogi van bibliotheken bijvoorbeeld en daaraan gekoppeld de mogelijkheid tot het aanvragen van een kopie van een wetenschappelijk artikel. Dat impliceert dus dat men via Internet ook documenten naar zich toe kan halen. Naast het zoeken en raadplegen alsmede het van all over the world binnenhalen van informatie, kunnen via de netwerkfaciliteiten andere diensten beschikbaar gesteld worden aan de medewerkers bij een universiteit, in een laboratorium of een zie kenhuis. Die diensten zijn samen te vatten onder de noemer communicatie. Via Internet en uiter aard tevens via de talrijke meer lokale netwerken kan actieve uitwisseling van informatie plaatsvin den, zoals met electronische post (e-mail), met bulletin-boards en ook in de vorm van 'real time' conferenties, waarbij via de pc de verschillende deelnemers te zien en te beluisteren zijn en op el kaar kunnen reageren. De copyrightspiraalMomenteel wordt naar schatting nog 95 procent van de wetenschappelijke informatie op papier vastgelegd, 4 procent op microfilm- en fiches en circa 1 procent in een of andere vorm van gestandaardiseerde digitale opslag. Vervolgens is bekend dat de connectiviteit van informatiebestanden en de toegankelijkheid hiervan via het netwerk we reldwijd nog regelmatig een probleem is als gevolg van verschillende standaarden. Een probleem vormt ook de capaciteit van de verschillende netwerken, die bepaald nog niet overal zorgt voor Electronic Highways.10 Kortom, de volledige sub stitutie van bedrukt papier door megabites is voorlopig nog niet in zicht. Dat neemt niet weg, dat de digitale informatierevolutie zich in hoog tempo aan het voltrekken is. Uit cijfers van The Internet Index blijkt onder andere, dat de groei van het in formatieverkeer uitgedrukt in een voortschrijdend gemiddelde jaarlijks vele honderden procenten is. Het aantal nieuwsbladen en artikelen dat via Internet online beschikbaar is gesteld, bedroeg in de eerste negen maanden van 1993 ruim 2.300 en dat aantal is inmiddels verveelvoudigd. 11 Een andere bron spreekt voor 1994 over 440 wetenschappelij ke tijdschriften, die online worden gepubliceerd.12 Wat is tot op heden het antwoord van de uitge verijen geweest op deze ontwikkelingen? Die vraag is relevant omdat in een tijdsbestek van pakweg de afgelopen vijf jaar binnen het informatiesysteem sprake was van een samenhang tussen enkele es sentiële onderdelen. Ik doel vooral op de relatieve afname van de beschikbaarheid van wetenschappelijke tijdschriften en ook boeken bij met name universiteits- en bedrijfsbibliotheken als gevolg van budgettaire beperkingen, tegenover de sterk groeiende mogelijkheden om informatie als wetenschappelijke instelling of groep zelf electronisch te publiceren.13 Het besef binnen de universitaire ge meenschap dat de kennis die men ontwikkelt het kapitaal is waarover men beschikt, neemt toe. De vraag of men dit kapitaal 'om niet' in de vorm van inmiddels zelfs cameraready kopij aan de uitgever zal blijven overdragen (in een aantal gevallen zelfs vergezeld van een som geld), wordt steeds vaker gesteld. 14 De klaagzang van bibliothecarissen over hiaten in de collecties en steeds weer nieuwe rekeningen voor copyrightvergoedingen sorteren effect. Het wetgevingsklimaat verandert, zoals op 7 februari 1995 wel bleek bij de behandeling van het wetsvoorstel Reprorecht. Minister Sorgdrager liet daar haar eigen ambtenaren ongeveer vallen als een baksteen en gaf er blijk van zich goed te kunnen verplaatsen in de kritiek van de senatoren op het wetsvoorstel. Kritiek overigens, die zo ongezouten was dat het lezen van de desbetreffende Handelingen tot verplichte literatuur voor juristen moet worden verklaard.15 Enkele maanden later, op 2 mei van dit jaar, behandelde de Tweede Kamer het wetsvoorstel inzake het verhuur- en leenrecht. Tijdens deze behandeling werd met meerderheid gestemd voor enkele amendementen, waar de uit gevers ook niet blij mee zullen zijn. Zo is de voor gestelde 'window-regeling' van de baan, hetgeen betekent dat cd's wel direct na publikatie (en niet pas na een vastgestelde periode) door bibliotheken uitgeleend mogen worden. En wellicht nog crucialer is de vrijstelling van hoger en wetenschappelijk onderwijs en de daaraan verbonden bibliotheken van het betalen van een leenrechtvergoeding! Terugkerend naar de vraag wat de reactie is van de uitgevers op de digitale ontwikkelingen in het informatiesysteem, moeten we vaststellen dat deze hier zowel op anticiperen als reageren. Naast de ontwikkeling van nieuwe produkten en diensten, zoals multimediale tijdschriften in electronische vorm en online databases, starten de uitgeverijen ook samenwerkingsverbanden met universiteiten en bibliotheken. Doel hiervan is te komen tot gezamenlijke kennis en inzichten in een zo optimaal mogelijk functionerend informatiesys teem voor het wetenschappelijk bedrijf, met overigens als axioma dat er een rol weggelegd blijft voor de 'informatie-intermediair': degene die de schakel vormt tussen een auteur en een lezer. Een aantal van deze projecten heeft veel bekendheid gekre gen, zoals het tulip-project van Elsevier en Right Pages van Springer Verlag met at&t. Maar, deze en ook andere projecten zijn niet het enige ant woord van de uitgevers op de tendensen die eerder in dit artikel zijn beschreven. De policy van veel uitgeverijen is primair gericht op een absolute winstmaximalisering. 16 Dat is een legitiem streven maar vanuit het oogpunt van goodwill bij bijvoor beeld politici of bij medewerkers, bestuurders en bibliothecarissen van universiteiten niet altijd de meest effectieve. Het sneuvelen van het wetsvoorstel inzake Reprorecht in de Eerste Kamer en de gedeeltelijke afgang voor het wetsvoorstel inzake Verhuur- en leenrecht in de Tweede Kamer is mede te danken aan het feit dat er een beeld is ontstaan van 'steenrijke uitgevers' en van 'arme, geteisterde (universitaire) eindgebruiker'. Je vraagt je dan ook af, wat strategisch en dus op termijn de winst is van de voortdurende commotie die uitgevers maken over bijvoorbeeld de document-deli very door bibliotheken in Europa. Die dienstverlening heeft betrekking op ongeveer 6,5 miljoen kopieën van artikelen per jaar. Dat zijn uitgaande van ongeveer honderd artikelen per jaargang zo'n kleine 70.000 tijdschriftabonnementen, vooral in de biomedische en technische sectoren en dus met een prijs van pakweg 600 gulden per abonnement. 17 In totaal gaat het dus in Europa om een derving van omzet van circa veertig miljoen gul den, waarvan trouwens menigeen stelt dat de uitgevers deze al lang in de exorbitant gestegen tijd schriftprijzen hebben verdisconteerd. Een fors bedrag, veertig miljoen gulden, en een belang waar voor men gerechtvaardigd kan opkomen. Niettemin staat daar een tol tegenover, namelijk de re putatie van een onverbiddelijke bedrijfstak die vooral opereert als een bankiershuis dat zich met een zekere grimmigheid blijft beroepen op wat in 1886 in Bern door een aantal vertegenwoordigers van staten is afgesproken. Het indirecte effect hier van is niet alleen zichtbaar geworden in wetgevingsdebatten door politici of standpunten van universiteitsbestuurders. De wetenschappelijk on derzoeker als auteur verkent steeds vaker zijn mogelijkheden om zelf de door hem ontwikkelde kennis te distribueren, met behulp van de steeds betere en gebruiksvriendelijker netwerktechnolo gie. Het is goedkoper en ook nog sneller.
Dit artikel is een geactualiseerde bewerking van een lezing die op 1 juni 1994 in Vinkeveen is gehouden voor de Groep Weten schappelijke Uitgevers van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (knub). |
|