I&I-> Jaargangen -> Artikel

De telefoon is geen meneer

Door: Valerie Frissen

Geen communicatiemedium heeft zo'n vanzelfsprekende plaats in het leven van alledag als de telefoon. Kennelijk geldt die vanzelfspre kendheid ook voor wetenschappers, want er is geen medium waar naar zij zo weinig onderzoek hebben gedaan als de telefoon. Hoewel telefonie naar alle waarschijnlijkheid een cruciale rol heeft gespeeld in processen van sociale verandering, zijn studies naar de sociale implicaties van de telefoon op de vinger van één hand te tellen. Het weinige onderzoek dat er is op dit terrein levert niettemin enige verrassende bevindingen op: zo blijkt de geschiedenis van de telefoon op allerlei manieren gekleurd te worden door sekseverschillen.


Als object van studie van communicatiewetenschappers is de telefoon een nogal stiefmoe derlijke behandeling ten deel gevallen. Naast de welhaast onuitputtelijke onderzoeksliteratuur over de klassieke massamedia vallen de weinige studies over de telefoon volledig in het niet. De academi sche verwaarlozing van de telefoon is vooral opmerkelijk, omdat de ontwikkeling van telefonie nauw verweven is met allerlei ingrijpende processen van sociale verandering die zich in de twintig ste eeuw hebben voltrokken (de Sola Pool, 1977, 1983 ). Telefonie is een essentieel onderdeel van de maatschappelijke informatievoorziening, het ze nuwstelsel waarlangs de samenleving voorziet in haar communicatie-en informatiebehoeften (Van Cuilenburg & Slaa, 1993:184). De telefoon vervult daarmee zowel economische, politieke als sociale functies. Opmerkelijk is dat in wetenschappelijk en toegepast onderzoek vooral de sociale functionaliteit van de telefoon onderbelicht is gebleven. Met name de betekenis van de telefoon in het leven van alledag heeft weinig aandacht gekregen, misschien omdat de telefoon in de loop der tijd is uitgegroeid tot een volkomen vanzelfsprekend onderdeel van dat alledaagse leven.

Niettemin heeft het weinige onderzoek naar de sociale betekenis en implicaties van de telefoon en kele opmerkelijke bevindingen opgeleverd. Eén daarvan is dat het alledaagse telefoongebruik sterk gekleurd wordt door sekseverschillen. Niet alleen bellen vrouwen veel vaker en langer dan mannen, ook de betekenis die de telefoon voor hen heeft in het dagelijkse leven is opvallend seksespecifiek in gekleurd. Uit sociale geschiedenissen van de telefoon (zoals die van Fischer, 1992, Martin, 1991, Rakow, 1992) komt bovendien naar voren dat sek severschillen een niet te veronachtzamen rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de 'residen tiële' telefoon.

In deze bijdrage zal ik de betekenis van sekse verschillen voor de ontwikkeling van de 'alledaagse' telefoon proberen te verduidelijken aan de hand van enkele terugblikken op de geschiedenis van de telefoon. Deze historische excursie biedt al lerlei aanknopingspunten om de betekenis van de telefoon in het leven van alledag verder te onder zoeken. Vooral nu er allerlei ingrijpende veranderingen in de telecommunicatiesector op stapel staan, lijkt inzicht in de sociale betekenis van de 'plain old telephone' onontbeerlijk om uitspraken te kunnen doen over de ontwikkeling van de 'nieuwe' telefoon.

De goeie ouwe telefoon

Recent zijn enkele studies verschenen waarin de ontwikkelingsgeschiedenis van de telefoon uitvoe rig beschreven en geanalyseerd wordt (Fischer, 1992 ; Martin, 1991). In deze studies wordt ook veel aandacht besteed aan de manier waarop 'gender' of 'sekse' met deze geschiedenis vervlochten is.

Op twee thema's die vanuit een sekseperspectief interessant zijn wil ik hier nader ingaan: de rol van de telefoniste en de rol van de vrouwelijke consument in de ontwikkelingsgeschiedenis van de tele foon.

'The Voice with a Smile'

Bij het opzetten van het telefoonsysteem in de Verenigde Staten (Fischer, 1992, Rakow, 1992), Canada (Martin, 1991) en Europa (Maddox, 1977) zag de telefoonindustrie zich geconfronteerd met een paradox. Enerzijds kon het systeem niet functioneren zonder telefonisten die als intermediair fungeerden tussen systeem en gebruiker. Anderzijds vormden die telefonisten een obstakel, omdat ze privégesprekken konden afluisteren. Het tele foonsysteem creëerde zo de paradoxale situatie van een publieke ruimte waarin de interacties vaak een privékarakter hadden. We spreken hier over eind negentiende eeuw, het Victoriaanse tijdperk: morele regulering van deze paradox werd dan ook noodzakelijk gevonden. Deze nieuwe vorm van communicatie zou het publieke imago van de tele foonindustrie immers kunnen schaden. Om dat te voorkomen werkte de industrie hard aan de ont wikkeling van een telefoonetiquette, waarbij een cruciale rol aan telefonistes werd toegedacht.

Dit heeft geleid tot een vrijwel volledige femini sering van het beroep van 'telefonist'. De perfecte telefonist werd geacht bepaalde kwaliteiten en morele waarden te hebben, die als voorbeeld konden dienen voor potentiële abonnees. Aanvankelijk zetten de telefoonmaatschappijen nog jongens in, vooral omdat die verondersteld werden enige tech nische know-how te hebben, hetgeen nog wel eens van pas kon komen. Maar al snel ging men er toe over uitsluitend jonge vrouwen aan te nemen, omdat de jongens zich niet netjes gedroegen: ze waren onbeleefd, luidruchtig, ongeduldig en haalden grappen uit met de klanten (Martin, 1991:55, Maddox, 1977). Vrouwen zouden beter geschikt zijn voor dit beroep, juist vanwege hun 'vrouwelijke' kwaliteiten die in het Victoriaanse tijdperk hoog gewaardeerd werden: ze zouden geduldiger zijn, ze waren nooit onbeleefd, maar juist erg discreet en ze hadden zachtere en meer melodieuze stemmen. Aangezien ze ook nog aanzienlijk goedkoper wa ren dan mannen, stond niets de feminisering van het beroep in de weg; reeds in 1880 waren vrijwel alle telefonisten vrouw, meestal jong ­ als ze gin gen trouwen dienden ze ontslag te nemen ­ en veelal afkomstig uit de middenklasse (Maddox, 1977).

Martin (1991) vond voor haar studie in Canada allerlei voorbeelden over hoe telefonistes vervolgens door de telefoonmaatschappijen werden inge zet om de industrie tot ontwikkeling te brengen. Zo werden in advertenties beelden van telefonistes gebruikt die werden voorgesteld als 'The Voice With a Smile'. De ideaaltypische telefoniste kreeg zelfs een naam: verbinding met de telefoniste kreeg men door te vragen: Waar ben je, Ernestine? Ernestine was het gezicht van de telefoonmaat schappijen. Bij het ontwikkelen van een telefoonetiquette, een morele standaard voor het telefoon verkeer, zette de industrie haar employé's actief in: zij moesten in hun uitstraling en gedrag het goede voorbeeld geven en werden daartoe ook opgeleid. Bovendien moesten telefonistes behalve verbindin gen tot stand brengen, ook informatie geven (bijvoorbeeld over weer, tijd of verkiezingsuitslagen), en vragen van het publiek beantwoorden. Telefonistes speelden zo niet alleen een belangrijke rol in het verbeteren van het corporate image van de telefoonindustrie, maar droegen ook bij aan de groei van deze industrie en aan een succesvolle diffusie van het telefoonsysteem. Een niet te onderschatten cultureel effect is bovendien dat telefonistes een belangrijke rol hebben gespeeld bij het toegankelijk maken en vormgeven van een geheel nieuwe vorm van sociale interactie.

Met het verdwijnen van het oude telefoonsys teem, waarbij de telefoniste als knooppunt fungeerde, raakte ook de rol van telefonistes groten deels uitgespeeld. Dit systeem maakte geleidelijk plaats voor een geautomatiseerd systeem van direc te verbindingen. Deze ontwikkeling ging gepaard met paradoxale sociale veranderingen. Aan de ene kant werd de sociale en geografische ruimte waarin mensen zich konden bewegen aanzienlijk uitgebreid. De grenzen van de lokale gemeenschap wer den, mede door toedoen van de telefoon, steeds verder opgerekt. Tegelijkertijd kregen interacties via de telefoon steeds meer een privékarakter. De introductie van een systeem van directe privéver bindingen weerspiegelt een proces van zich terugtrekken in de steeds kleinere sociale ruimte van het huishouden en een steeds scherpere scheiding tussen publieke en privésfeer.

Recente ontwikkelingen in de telecommunicatiesector, met name in de 06-sfeer, hebben in zekere zin geleid tot een terugkeer van de telefoniste. Verbindingen worden opnieuw aan elkaar gekoppeld bijvoorbeeld bij babbelboxen, party-lines, da ting lines en telefonische vergaderingen. De telefo niste is in deze gevallen opnieuw het knooppunt, zij dirigeert de gesprekken van gezamenlijk naar 'even apart' en houdt vaak ook de standaard van de conversatie in de gaten om misbruik te voorko men. Hoewel die standaarden uiteraard van inhoud zijn veranderd, zou het interessant zijn om de rol van deze moderne Ernestines eens te vergelijken met die van hun Victoriaanse evenknie. Zouden opvattingen over de specifieke vrouwelijke kwaliteiten van telefonistes nog steeds van be lang zijn? Spelen telefonistes opnieuw een belangrijke rol bij de implementatie en het gebruik van deze nieuwe 'diensten'?

Vrouwen als tegendraadse consumenten

Een andere opmerkelijke bevinding van het historische telefoononderzoek heeft wat meer bekend heid gekregen: er blijkt sprake te zijn van een uit zonderlijke discrepantie tussen de oorspronkelijke marketingdoelstellingen van de telefoonmaat schappijen en het daadwerkelijk gebruik van de telefoon door met name vrouwen (Fischer, 1992; Martin, 1991).

Lange tijd stimuleerde de industrie alleen het za kelijke gebruik van de telefoon en werd privé-tele foonverkeer niet alleen als oninteressant gezien, maar zelfs sterk afgeraden. Het huiselijk telefoon gebruik diende zuiver functioneel te blijven. De politie of huisarts bellen of huishoudelijke ver plichtingen arrangeren was toegestaan, maar bellen om zo maar wat te kletsen werd ten strengste afge raden. Vooral vrouwen werden ervan verdacht eindeloos te kletsen. Zij werden er geregeld op aange sproken dat ze de lijn niet bezet moesten houden met hun frivole gebabbel. En als ze dat dan niet konden laten, moesten ze dat zoveel mogelijk tot de avonduren beperken. Reclame- en marketing strategieën richtten zich overwegend op mannen en spraken vrouwen alleen aan in hun hoedanigheid van 'huishoudmanagers'. Wat bijvoorbeeld wel werd aangemoedigd was een vorm van 'teleshoppen' avant-la-lettre: telefonisch bestellen en winkelen zou de huisvrouw veel tijd en energie kunnen besparen.

Alle voorschriften en campagnes van de indus trie ten spijt, bleken vooral vrouwen de telefoon toch veelvuldig te gebruiken voor het onderhou den van sociale contacten. Deze tegendraadse consumenten voerden lange en intieme gesprekken met familie en vrienden, maar gebruikten de telefoon ­ vooral op het platteland ­ ook veel voor het arrangeren van allerlei sociale activiteiten in de lokale gemeenschap (Rakow, 1992). Dit onverwachte sociale gebruik van de telefoon bleek zo hardnekkig te zijn dat de telefoonindustrie uitein delijk inzag dat deze vorm van telefoneren wellicht ook commercieel uitgebaat kon worden. Pas na twintig jaar volgden de reclamecampagnes waarin de sociale en psychologische functies van de telefoon centraal stonden ('Reach Out and Touch').

Ook hier zien we weer een parallel met meer re cente ontwikkelingen in de telecommunicatie: in het discours rondom de implementatie van allerlei nieuwe telecommunicatietoepassingen of -diensten wordt opnieuw een opvallend zwaar accent gelegd op de instrumentele vormen van gebruik, zoals te lewerken, teleshoppen, tele-educatie en zelfs teledemocratie. De sociaal-communicatieve functie en de amusementsfunctie van nieuwe media worden daarentegen veel minder serieus genomen. Vanuit een commerciële optiek is dit een eigenaardige vi sie, als we bijvoorbeeld kijken naar de explosieve groei van het verschijnsel audiotekst. Het succes van de 06-business ligt nu juist in het centraal stel len van die sociaal-communicatieve en amusementsfuncties. Ook de manier waarop doorgaans van Internet gebruik wordt gemaakt laat zien dat juist de communicatieve mogelijkheden van de electronische snelweg ten zeerste gewaardeerd worden. Niettemin benadrukt het officiële discours vooral de meer chique toepassingen, zoals de mogelijkheid om allerlei informatiebestanden te raad plegen.

Terugkerend naar het begintijdperk van de tele foon, kan worden vastgesteld dat de telefoon een belangrijke rol speelde in moderniseringsprocessen en daarmee gepaard gaande veranderingen in de geografische en sociale ruimte. Voor vrouwen betekende dit vaak dat zij in een groter sociaal isole ment terecht kwamen door de striktere scheiding van privésfeer en openbare sfeer. Dit kan verklaren waarom juist vrouwen zo'n tegendraadse vorm van telefoongebruik aan de dag legden.

De betekenis van de telefoon in het leven van alledag

Recent is enig internationaal vergelijkend onder zoek gedaan naar het particuliere gebruik van de telefoon in Frankrijk (Claisse & Rowe, 1992), Duitsland (Adler, 1993; Lange, 1991) en de Vere nigde Staten (Dordick & LaRose, 1992). Het lijkt erop dat het belang van onderzoek naar telefoongebruik meer wordt ingezien, nu we op de drem pel staan van een nieuw telecommunicatietijdperk, waardoor het besef groeit dat de kennis over de rol van de telefoon in het leven van alledag zeer mini maal is. Uit deze studies blijkt onder meer dat de telefoon tegenwoordig nog steeds vooral wordt ge bruikt vanwege sociale en emotionele redenen. Het grootste deel van het particuliere telefoonver keer speelt zich af tussen familieleden, vrienden en bekenden (in Frankrijk zelfs tachtig procent). Ook blijken sekseverschillen nog steeds een aanzienlijke rol te spelen. Vrouwen zijn de 'zware bellers': ze bellen doorgaans vaker en langer dan mannen, in de Franse studie bijvoorbeeld zelfs twee keer zo vaak als mannen. Dit patroon blijkt opvallend stabiel te zijn en niet te worden beïnvloed door facto ren als leeftijd, opleiding, of het hebben van betaald werk of een druk gezin. Verder blijken vrou wen vaak een soort 'operator'-rol in het huishouden te vervullen: ze zijn verantwoordelijk voor het opnemen en 'doorverbinden' van de telefoon en nemen vaak ook de beslissingen op het gebied van de telefoon. De manier waarop vrouwen de telefoon gebruiken is veel meer relationeel dan instru menteel. En als een gesprek een instrumenteel karakter heeft dan dient dat in het geval van vrou wen meestal het belang van het hele huishouden, terwijl vergelijkbare telefoontjes van mannen vaker een persoonlijk belang dienen. Zo blijkt de alledaagse praktijk van het telefoneren in vele opzich ten sterk te worden gekleurd door sekseverschillen.

Moyal in Australië (1992) en Rakow (1992 ) in de Verenigde Staten constateren dat de telefoon on losmakelijk verweven met allerlei aspecten van het dagelijkse leven van vrouwen. Moyal ontdekte een zeer uitgebreid en fijnvertakt netwerk van telefoni sche contacten tussen vrouwen door heel Australië. Zij spreekt van een 'sterk verankerde en dyna mische telefooncultuur' die over geografische begrenzingen heen functioneert als een 'psychologi sche buurt' voor vrouwen. Daarnaast is de telefoon een onmisbaar middel om sociale verant woordelijkheden binnen het gezin, de buurt of de gemeenschap te kunnen vervullen. Dit drukke te lefoonverkeer vormt volgens Moyal zelfs een soort structurele sociale voorziening, een sociaal vang net, waarop de samenleving in niet geringe mate steunt. Moyal onderstreept dat dit telefoongebruik daarom uiterst serieus genomen moet worden. Nu de ptt's steeds meer hun nutsfunctie loslaten en overgaan tot het bevoordelen van de zakelijke markt ten koste van de particuliere markt, lijkt dit een belangrijke waarschuwing.

Duidelijk is in ieder geval dat de telefoon niet los te zien is van de sociale context en de culturele praktijken die daarmee verbonden zijn. Het gebruik van de telefoon door vrouwen heeft alles te maken met hun van oudsher sterke rol in de privé sfeer en met de sociale en emotionele verantwoordelijkheden die doorgaans aan vrouwen worden toegeschreven. Daardoor lijkt ook de manier waarop mannen en vrouwen betekenis hechten aan de telefoon te verschillen. Een onderzoek van Rakow ( 1992) in een kleine Amerikaanse plattelandsgemeenschap laat zien dat mannen vaak een zekere verlegenheid ten opzichte van telefoneren hebben. Mannen blijken de telefoon vaak als een deel van de 'vrouwenwereld' te zien met alle positieve en negatieve connotaties die daarbij komen. Vrouwen daarentegen blijken telefoneren juist als zeer bevredigend te ervaren, omdat het bijdraagt aan hun gevoel van veiligheid, autonomie en welzijn. Telefoneren wordt door sommigen echter ook om schreven als een plicht ('it's supposed to be part of our job') , die veeleisend en erg tijdrovend is.

Het gebruik van de telefoon kan daarmee wor den gezien als een klein, maar betekenisvol element van een geheel aan voorstellingen, waarden, normen en praktijken op grond waarvan sekse-identiteiten worden geconstrueerd. In dat verband is bijvoorbeeld ook de lange traditie van flauwe grappen over het telefoongebruik van vrouwen in teressant, een traditie die past in een meer algeme ne negatieve benadering van het taalgebruik van vrouwen enigszins gechargeerd samen te vatten als: 'vrouwen roddelen graag en geven zich veelvuldig over aan tijdverspillend gezwets over onbetekenen de onderwerpen'. Het moge duidelijk zijn dat dergelijke voorstellingen samenhangen met het lage sociale prestige van de privésfeer en de sociaal -emotionele verantwoordelijkheden die daarmee verbonden zijn. De manier waarop mensen met de telefoon omgaan kunnen we zien als een spiegel van sociale arrangementen ­ waarvan de verhou ding tussen de seksen er één is. Dit komt ook tot uitdrukking in de culturele noties en praktijken waarmee deze arrangementen verder worden inge vuld.

De telefoon wordt niet alleen gevormd door de sociaal-culturele context, maar levert zelf ook een actieve bijdrage aan de verandering van die context. Zo heeft de telefoon volgens Rakow ( 1992) de grenzen van de privésfeer opgerekt en daarmee de geografische en sociale ruimte van vrouwen aanzienlijk uitgebreid. De telefoon heeft bijgedragen aan een groter gevoel van mobiliteit en veiligheid van vrouwen en aan het doorbreken van hun sociale isolement. Rakow voegt hier echter aan toe dat de grenzen van de privésfeer weliswaar verlegd zijn, maar niet overstegen worden. In de eerder ge noemde studie van een plattelandsgemeenschap in de Verenigde Staten beschrijft zij hoe de mannen daar steeds meer weggetrokken zijn om elders te gaan werken. Hierdoor werd de lokale gemeen schap steeds meer het domein van vrouwen, een proces waarbij de telefoon een belangrijke rol speelde. Hoewel de ruimte waarin vrouwen zich konden bewegen daardoor steeds groter werd, kre gen zij toch niet echt meer invloed, omdat 'the public sphere of power' met de mannen mee was verhuisd, buiten de grenzen van de lokale gemeenschap (Rakow, 1992:79).

In dit kader past ook een meer recent voorbeeld, ontleend aan een studie van Rakow & Navarro (1993 ) van werkende vrouwen die een mobiele te lefoon van hun echtgenoot hadden gekregen. Hoewel de mannen deze aanschaf vooral hadden gedaan met het doel hun vrouwen te beschermen, bleken de vrouwen hun telefoon voor heel andere zaken te gebruiken, namelijk om vanaf een afstand contact te houden met huishouden en kinderen, 'remote mothering' dus. Terwijl mannen de mobiele telefoon veelal gebruiken om de publieke sfeer mee te nemen naar de privésfeer, zien we bij deze vrouwen precies het omgekeerde: de grenzen van de privésfeer worden opgerekt en zorgtaken worden meegenomen naar het publieke domein.

Tot slot

De ontwikkeling van de 'oude' en de 'nieuwe' tele foon kan niet los worden gezien van de omgeving, waarin allerlei actoren ­ van telefonistes tot wetge vers en gewone consumenten ­ en allerlei proces sen (economische, sociale en symbolische) een rol spelen. Telefonie zou veel meer dan nu het geval is moeten worden bestudeerd als een 'socio-technisch systeem', en de ontwikkeling van telefonie als een 'mutual shaping process' waarbij technologie en omgeving op allerlei manieren op elkaar in werken (Bijker et al., 1987; Jasanoff et al., 1995). Het moge inmiddels duidelijk zijn dat 'sekse' een niet te verwaarlozen onderdeel van die sociale om geving is. Het telefoonvoorbeeld maakt duidelijk dat het zichtbaar maken van de werking van sekse in technologische ontwikkeling tot verrassende ontdekkingen kan leiden.

Een accent op sekse betekent bovendien ook dat er wellicht meer aandacht komt voor de rol van gebruikers in de ontwikkeling van technologie, aangezien vrouwen zich historisch meer op de 'consumption junction' (Schwartz Cowan, 1989) bevinden dan aan de kant van design en ontwikke ling van technologie. Met name door vrouwenstudies is het verwaarlozen van de gebruiker als een belangrijke tekortkoming geformuleerd van de meeste benaderingen van technologie, inclusief de 'social shaping'-benadering (zie voor deze kritiek bijvoorbeeld Wacjman, 1991).

Vanuit de optiek van de gebruiker is de oude vertrouwde telefoon in wezen voor vele generaties hetzelfde apparaat gebleven, enige kleine uiterlijke veranderingen daargelaten. Aan dit tijdperk van technologische sluimer lijkt nu een einde te zijn gekomen, nu de telefoon meer en meer wordt opgenomen in een complex en intelligent systeem van telecommunicatie dat voor de gebruiker talloze nieuwe mogelijkheden met zich meebrengt.

De telefoon ontwikkelt zich van een alledaags, gedeeld huishoudelijk apparaat naar een geïndivi dualiseerd communicatiemedium (Dordick & LaRose, 1992). In theorie kunnen individuele gebruikers steeds meer een aan eigen behoeften en wensen aangepaste 'telecommunicatie-omgeving' creëren. De vanzelfsprekende en alledaagse func ties van de goeie ouwe telefoon lijken daarmee vergeleken opeens hopeloos ouderwets. Niettemin is het juist vanuit het belang van de gebruiker (m/v) zinvol om deze ouderwetse functies van de telefoon niet te veronachtzamen, maar misschien juist als uitgangspunt te nemen bij het ontwikkelen van nieuwe toepassingen.

Uit het voorafgaande is gebleken dat vooral de sociaal-communicatieve functie van de telefoon voor gewone gebruikers een hoge prioriteit had (en heeft), hetgeen door de telefoonmaatschappijen maar moeizaam onder ogen werd gezien. Hier was echter geen sprake van een historische vergissing, maar van een systematische veronachtzaming van de alledaagse praktijk en behoeften van gewone gebruikers. Ook het vertoog rond nieuwe tele communicatie-ontwikkelingen kenmerkt zich vaak door een hoge mate van technologisch determinis me en een daarbijhorend surrealistisch geloof in technologische vooruitgang. Als er in dit vertoog al gesproken wordt over gebruikers dan worden zij aangeduid als 'eindgebruikers' waarmee hun pas sieve en gedetermineerde rol in het proces van technologische ontwikkeling stevig onderstreept wordt. Wanneer het gaat om nieuwe apparaten, toepassingen of diensten is opvallend dat vaak vooral instrumentele functies worden benadrukt. Dit terwijl juist de sociaal-communicatieve func ties van informatie- en communicatietechnologie door gebruikers hoog gewaardeerd lijkt te worden. Tegen deze voor gebruikers fundamentele functies wordt echter vaak met opvallend dédain aangeke ken, en daardoor worden dergelijke functies nog maar zelden als commercieel, laat staan maat schappelijk interessant gezien.

Een tweede karakteristiek van recente innovaties is dat men bij het ontwikkelen en op de markt brengen van deze innovaties veelal uitgaat van een geprojecteerde ideale gebruiker, bij voorkeur een 'early adopter' (vaak jonge mannen) en niet een lid van de 'late majority'. Daarmee wordt al in een vroeg stadium van de implementatie van een tech nologie voorbijgegaan aan de behoeften van grote groepen consumenten. Bovendien wordt daardoor een belangrijke fase in de ontwikkeling van technologie onvoldoende open en nieuwsgierig bena derd, een fase die kan worden aangeduid als de 'domesticatie' van een technologie. Deze term ver wijst naar de integratie van een innovatie in de al ledaagse praktijk van een huishouden. Pas in de loop van dat proces, zo zou je kunnen stellen, krijgt een technologie zijn min of meer definitieve betekenis. Omdat vrouwen, vanwege hun (veronderstelde) moeizame verhouding tot technologie, meestal niet als een aantrekkelijk doelgroep worden gedefinieerd, krijgen zij ook geen centrale rol in dit domesticatieproces, waarmee hun vervreemding van technologie alleen maar wordt versterkt. Om deze cirkel te doorbreken is vooral een meer open benadering van technologie noodzakelijk, waarbij gebruikers in de eerste plaats worden gezien als cruciale actoren in het proces van techno logische ontwikkeling en in de tweede plaats als een uiterst diverse groep, met vaak tegengestelde belangen.

Adler, J. (1993), 'Telephoning in Germany. Callers, rituals, contents and functions'. In: Telecommunications Policy , May/June, pp. 281-96.

Bijker, W., T. Hughes & T. Pinch (eds.) (1987 ), The social construction of technological systems: New directions in the sociology and history of technology. Cambridge: mit Press.

Claisse, G. & F.Rowe (1992), Vers une sociométrie stratégique du telephone. Paper presented at the 9th International Conference of the International Telecommunications Society, Nice, 14-17 June, 1993, 24 pp.

Cuilenburg, J. van & P. Slaa (1993), 'De telefoon in het dagelijks leven. Naar een sociale theorie van telefonie'. In: Massacommunicatie, 21 (3), 1993, pp. 178-195. Ook verschenen in: G. Sciarone -

Gorgels, Telefonie en nummeridentificatie. Amsterdam, Cram winckel 1993.

Dordick, H. & R. LaRose (1992), The telephone in daily life. A study of personal telephone use. Department of Radio-Television -Film, Temple University, Philadelphia & Department of Tele communication, Michigan State University, East Lansing, 72 pp.

Fischer, C. (1992), America calling. A social history of the telephone to 1940. Berkeley: University of California Press.

Jasanoff, S., G. Markle, J. Petersen & T. Pinch (eds.) ( 1995), Handbook of Science and Technology Studies. Thousand Oaks/London/New Delhi: Sage.

Lange, U. (1991), 'The Berlin Telephone Study: An Overview'. In: Moyal. A. (ed.), Research on the Domestic Telephone . Melbourne: circit.

Maddox, B. (1977), 'Women and the switchboard'. In: De Sola Pool, I. (ed.), The social impact of the telephone . Cambridge ma: the mit Press.

Martin, M. (1991), Hello Central? Gender, technology and culture in the formation of telephone systems. Montreal: McGill-Queen's University Press.

Moyal, A. (1992), 'The gendered use of the telephone: an Austra lian case study'. In: Media, Culture & Society 14 (1992), pp. 51-72.

Rakow, L. (1992), Gender on the line. Women, the telephone and community life. Urbana/Chicago: University of Illinois Press.

Rakow, L. & Navarro, V. (1993), 'Remote mothering and the parallel shift: women meet the the cellular telephone'. In: Critical Studies in Mass Communication, vol. 10, nr. 2, p. 144-157.

Schwartz Cowan, R. (1989), More Work for Mother: The ironies of household technologies from the open hearth to the microwave . London: Free Association Books.

Sola Pool, I. de (ed.) (1977), The social impact of the telephone . Cambridge ma: the mit Press.

Sola Pool, I. de (1983):, Forecasting the Telephone . Norwood: Ablex

Wacjman, J. (1991), Feminism Confronts Technology . Cambridge: Polity Press.