I&I-> Jaargangen -> Artikel

Informatietechnologie
en bedrijfstak

Door Jan Stroeken


De invoering van informatietechnologie in twee verschillende bedrijfstakken, de bouw en de banken, worden hier besproken. Welke gevolgen heeft het voor de omstandigheden en de onder- linge verhoudingen?


Veranderingen in de structuur van de samenleving worden in belangrijke mate bepaald door de invoering van informatietechnologie. Informatietechnologie kan immers worden gezien als de sleuteltechnologie van een nieuw opkomend techno-economisch paradigma in de samenleving, ook wel gekarakteriseerd als een vijfde golfbeweging in de geschiede- nis van de industriële samenleving (Freeman, Peres, 1988). Succesvolle implementatie van informatietechnologie leidt op den duur tot veranderingen in (nationale en internationale) arbeidsstructuren, arbeidsorganisatie, kennis- en scholingssystemen, de positie van de overheid, enzovoort.
In vele bedrijven en organisaties wordt inmiddels druk geëxperimenteerd met computergestuurde machines, kantoor- en informatiesystemen. Steeds meer systemen staan via netwerken met elkaar in verbinding. Geleidelijk wordt er ervaring opgedaan met noodzakelijke wijzigingen van de werkprocessen en aanpassingen van de functies van werknemers. Deze wisselwerking tussen technische en organisatorische aspecten blijkt maar al te vaak de nodige problemen op te leveren. Niettemin beginnen in steeds meer situaties de netwerksystemen de grenzen van de individuele organisatie te overstijgen. Optimalisatie van bedrijfskolom, keten of sector staat daarbij centraal. De snelheid waarmee dit gebeurt is, naast de bedrijfsinterne informatiseringsproblematiek, ook nog eens afhankelijk van de omstandigheden en onderlinge verhoudingen binnen de bedrijfs- tak. Over de betekenis van deze onderlinge verhoudingen gaat dit artikel, kortweg de marktstructuur genoemd. Daarbij nemen we als leidraad twee, zoals zal blijken, in een aantal opzichten van elkaar verschillende sectoren, te weten de bouw en de banken.

Proces- en produktinnovatie

De 'normale' industriële cyclus waaraan we gewend zijn is die van produktvernieuwing, standaardisatie en vervolgens procesvernieuwing. Het produkt doorloopt grofweg de stadia van ontwikkeling, introductie, expansie en verzadiging. Essentieel hierbij is dat produktvernieuwing voorafgaat aan procesvernieuwing. Zo wordt in de autoindustrie eerst de mees- te energie gestoken in een nieuw model (produktinnovatie) en wordt vervolgens geleidelijk de nieuwe produktielijn ontwikkeld (procesinnovatie). Figuur 1 geeft een en ander symbolisch weer. Dit principe blijft overeind ondanks de steeds fijner wordende afstemming tussen produkt- en procesinnovatie.
De geleidelijke invoering van informatietechnologie in vele bedrijven en sectoren en de (daarmee gepaard gaande) ver- schuiving van industriële naar meer dienstverlenende activiteiten lijkt een ander stempel te drukken op het innovatieproces. Het gaat niet meer zozeer om de bekende vormen van kapitaalgoederenvernieuwing en de daarmee gepaard gaande automatisering van de arbeid. In diverse industriële sec- toren worden informatiesystemen ingevoerd en/of gemakkelijk omstel- bare computergestuurde machines ge‹nstalleerd voor de verbetering van het produktieproces. Deze procesinnovatie gaat vaak gepaard met lagere voorraden, maar leidt vooral tot een grotere flexibi- liteit naar de marktvraag: sneller inspelen, meer variatie, grotere betrouwbaarheid. Bovendien brengt een verbetering van informatiestromen andere relaties teweeg tussen toeleveran- ciers, verwerkers, afnemers, enzovoort. Men zou dit kunnen opvatten als een procesinnovatie (efficiencyverbetering) welke als zodanig leidt tot een beter, sneller en betrouwbaarder produkt.

Bouw

De bouw is zo'n voorbeeld van een sector waarin informatietechnologie een katalyserende werking kan hebben. De invoering van informatietechnologie, niet alleen binnen de bedrijven maar vooral tussen de bedrijven in de sector, kan een grote steun zijn voor een totaal andere manier van bouwen. De bouwsector is over het geheel genomen ambachtelijk ingesteld, weinig dynamisch en technologisch zeer behoudend. Innovatie komt nauwelijks van de grond. Er is weinig produktontwikkeling en aan onderzoek wordt slechts een minimaal half procent van de omzet uitgegeven. De sector is vooral gericht op relatief kleine verbeteringen. Radicale produktinnovatie zou inhouden een produktiewijze welke is gebaseerd op schaalvergroting, flexibilisering, mechanisering en industrialisering van de produktie (WRR, 1991). In zekere zin werkt de bouw nog als de autoindustrie in het allereerste beginstadium: specifiek vol- gens de wensen van de klant, weinig massaal en ongestandaardiseerd. De autoindustrie is inmiddels gestandaardiseerd en ge‹ndustrialiseerd op basis van een sterke integratie binnen de branche: talloze samenwerkingsverbanden en fusies waren het gevolg. Een dergelijke integratie staat de bouwsector voor een groot deel nog te wachten. Informatietechnologie kan een belangrijke integrerende rol vervullen (Ten Horn, Zijlstra, Stroeken (red.), 1993).

Een voorbeeld van een dergelijk proces van differentiatie door standaardisatie en specialisatie kan gevonden worden bij een onderdeel van de bouwsector, te weten toeleverancier Sphinx. Deze nederlandse badkamerfabrikant is in luttele jaren uitgegroeid van een kleine producent van tegels en keramisch sanitair tot één van de drie grote Europese badkamerspecialis- ten. Een sterke prijsconcurrentie tussen de oorspronkelijke 'stuks'-fabrikanten en een veranderende marktvraag (van afzonderlijke onderdelen naar een totaalconcept) hebben ertoe geleid dat Sphinx en ook andere fabrikanten zich stortten op de complete badkamer. Sphinx zocht daarom naar zeer nauwe samenwerking met andere bedrijven, hetgeen in een aantal ge- vallen leidde tot overnames. Men zocht naar complementaire relaties, hetgeen de werkgelegenheid (in een later stadium zelfs groei) en investeringen kon garanderen. Ieder afzonderlijk bedrijf in het samenwerkingsverband verzorgt de produktie van een bepaald deel van het totaalconcept (bijvoorbeeld een badkuip of tegelwerk). Ieder afzonderlijk bedrijf behoudt in grote lijnen zijn oorspronkelijke kernactiviteit. Via deze specialisatie, ge- paard gaande met een zekere mate van standaardisatie in de afzonderlijke produktieprocessen, kan men uiteindelijk door combinatie van de afzonderlijke delen een totaalconcept aanbieden. Differentiatie is daarbij mogelijk door de gestandaardiseerde deelprodukten zodanig te combineren, dat aan klantspecifieke, op maat gesneden behoeften voldaan kan wor- den.

Banken

Bij de banken speelt informatietechnologie, naast de katalyserende functie via gegevensuitwisseling, nog een veel directere rol. De kernactiviteit van banken is immers informatieverwerking. Naast het afsluiten van kredieten en het openen van spaarrekeningen houdt het bankproces vooral een administratieve verwerking in van financiële transacties. Toepassing van informatietechnologie betekent hier dus vooral procesinnovatie. Deze staat hier centraal, zelfs zodanig dat er sprake is van een zogenaamde 'reverse product cycle' (Barras, 1990): produktinnovatie volgt uit procesinnovatie. Tabel 1 geeft hiervan een illustratie.
In de eerste periode (jaren zestig en zeventig) van de invoering van informatietechnologie is innovatie nog vooral gericht op efficiencyverbetering en (arbeids)kostenbesparing (kolom 4). Girale overschrijvingen worden mogelijk door de ontwikkeling van grote mainframe computers. Naast de technologische mogelijkheden blijken in iedere periode verder telkens twee andere faktoren van belang: de voor elke periode meest geschikte marktstructuur (competitie, kartel of een mix), en een voldoende vraag vanuit de markt (de consument). In periode 2 is er sprake van een verdere verbetering van het produktieproces. In Engeland gebeurde dat door de invoering van hele simpele geldautomaten (Automated Teller Machines), in Nederland werd het girale verkeer verder ontwikkeld. Vanaf het midden van de jaren tachtig leiden ontwikkelingen in de informatietechnologie (netwerken en intelligente terminals) tot zodanige procesverbeteringen dat er sprake is van verbeterde en nieuwe diensten: produktinnovatie in de vorm van goede financiële advisering, geld- en betaalautomaten. In de vierde periode zal in dit concept sprake zijn van radicale produktinnovatie als gevolg van procesinnovatie: volledige integratie van het betalingsverkeer in het economisch verkeer. Daarbij gaat het overigens niet alleen maar om een integratie van betalen en winkelen zoals de tabel suggereert. Het gaat vooral ook om een integratie van de financiële en de goederen- en dienstenlogistiek in en tussen bedrijven en bedrijfstakken.

Informatietechnologie

In het voorgaande bleken de van elkaar verschillende produktieprocessen in de bouw- en banksector ook van invloed op de rol van informatietechnologie bij proces- en produktinno- vatie in de sector. Zo werkt een en ander ook door op de vorm waarin informatietechnologie zich voordoet en de problemen die op- treden.

Banken

Toepassing van informatietechnologie in de bankwereld (zie bijvoorbeeld Vollebregt, 1993) heeft in de eerste plaats, zoals overal, betrekking op het communicatieproces (telefoon, e-mail). Verder is het consultatieproces van belang (koerslijn, lease- lijn, saldo-informatie). Verreweg de belangrijkste toepassing vindt evenwel plaats met betrekking tot transacties. In de zogenaam- de front-office gaat het dan over zaken als betaalautomaten (Be- anet) en de op bedrijfsinterne netwerken stoelende geldautomaten, home-banking en cash-management. In de back-office zijn de bedrijfsinterne netwerken van belang, maar zeker ook de interbancaire transacties welke worden gemedieerd door de BankGiroCentrale (BGC). Via dit Nationaal BetalingsCircuit (NBC) worden interbancaire betaalopdrachten uitgewisseld, weliswaar nu nog op tape, maar in de toekomst ongetwijfeld electronisch. Op internationaal niveau biedt het SWIFT-netwerk de banken de faciliteiten voor de afwikkeling van transacties en het berichtenverkeer. Standaarden, waarin de syntax van berichten is vastgelegd, spelen bij deze gegevensuitwisseling een prominen- te rol. Van belang in dit type electronische gegevensuitwisseling (EDI) is de internationale EDIFACT-standaard, welke in steeds meer sectoren wordt toegepast. Zo stapt bijvoorbeeld SWIFT langzaam op deze standaard over om ook te kunnen concurreren op het gebied van diensten die ook andere organisaties dan banken betreffen. Op initiatief van de Nederlandse Vereniging van Banken is in 1991 EDIFIST opgericht, met als één van de belangrijkste doelen het beheren en ontwikkelen van EDIFACT-berichten, ook op internationaal niveau (ediforum, 1991).
Netwerkrelaties, voornamelijk on-line, geleidelijk geba- seerd op EDI-standaarden, daarover gaat het tot nu toe voornamelijk in het bankwezen. De magneetstripkaart fungeert daarbij als belangrijk identificatiemiddel. Pas zeer recent is er van de kant van de banken ook aandacht voor de off-line georiënteerde smartcard. Technisch gezien bevat een smartcard een chip met zowel een geheugen (E(E)PROM) als een processor. De smartcard bevat naast het beschrijfbare geheugen van de enkelvoudige chipcard ook een operating system in een (R)ead (O)nly (M)e- mory en het bevat een klein (R)andom (A)ccess (M)emory als werkgeheugen. Bij een RAM geheugen verdwijnen de opgeslagen gegevens met het wegvallen van de netspanning. Dit soort ge- heugen wordt gebruikt om tussentijdse resultaten op te slaan. De eigen processor op de smartcard maakt het mogelijk zones en functies strikt van elkaar te scheiden, zodat multifunctionele toepas- sing mogelijk is. Dat kan bijvoorbeeld ten aanzien van identifica- tie van personen voor de toegang tot een systeem, autorisatie van de toegestane gebruiksruimte van het systeem, of codering van te versturen berichten ter beveiliging (zie bijv. J. Smits, 1993). Ongetwijfeld zal zo'n multifunctionele smartcard ook een func- tie kunnen vervullen bij de integratie van het betalingsverkeer in de verschillende sectoren. Toepassing kan zowel plaatsvinden in een zogenaamde debitsituatie (NIBE, 1992), waarbij (vrijwel) onmiddellijk on-line betaald wordt. Toepassing kan eveneens plaatsvinden in de meer off-line georiënteerde pre-paid situatie, waarbij de kaart vantevoren, bijvoorbeeld bij een geldautomaat, volgeladen wordt. Met eerstgenoemde constructie is in de onlangs afgesloten Woerdenproef ervaring opgedaan (Rudelsheim, 1992). Met de pre-paid situatie wordt momenteel geëxperimenteerd in plaatsen als Asten, Alphen aan de Rijn en Heerhugowaard.

Bouw

Bij EDI in de bouw gaat het om rechtstreekse computeruitwisseling van handelsinformatie als offerte-aanvragen, orderbevestigingen en facturen. Dit speelt zich vooral af in de goederenstroombesturing naar de bouwplaats (fig. 4). EDIFACT is hier de standaard voor de syntax van de berichten, maar daarmee liggen de specifieke documenten die worden uitgewisseld nog niet eenduidig vast. Daartoe moeten binnen elke branche nadere afspraken worden gemaakt. Zo ontwikkelt de stichting Edibouw EDI-berichten tussen met name aannemer en fabrikant, en ontwikkelt de stichting Hibin berichten voor de bouwmaterialenhandel. De efficiencyvoordelen van rechtstreekse electronische informatie-uitwisseling tussen computers met behulp van EDI liggen in de sfeer van kosten-, fouten-, en doorlooptijdreductie. Effectiviteitsvoordelen zijn te behalen met betrekking tot de aard van het bouwproces zelf. Het logistieke proces tussen de bouwpartners kan enorm verbeteren en er zullen minder maar langdurigere onderlinge relaties ontstaan.
In tegenstelling tot de banksector, waar het produktieproces vooral informatieverwerking is en EDI feitelijk volstaat, heeft de bouw uiteindelijk te maken met het (materiële) bouwprodukt. Ook daar kan informatietechnologie een belangrijke rol vervullen. Men spreekt in dit verband over PDI (Product Data Interchange). Bij PDI gaat het om de uitwisseling van gegevens tussen ontwerpers en uitvoerders (fig. 5) omtrent bouwontwerpen of -produkten als deuren, ramen en huizen, waarbij het gaat om functionele en technische specificaties. PDI is gebaseerd op de zogenaamde STEP-standaard. Het hoogste niveau van PDI wordt bereikt wanneer in plaats van onderlinge documentuitwisseling gewerkt wordt op basis van produktmodellen. De logische structuur van produkten wordt beschreven in EXPRESS. Eénduidige, voor niemand mis te verstane vastlegging van produkten vergt een enorme hoeveelheid informatie op basis van PDI-normen die er nog nauwelijks zijn. De huidige eerste initiatiefnemers werken op basis van eigen standaarden. PDI-uitwisseling op basis van een produktmodel impliceert een geheel andere manier van werken en communiceren in de bedrijfstak (figuur 2).
Iedere partij haalt de informatie die nodig is uit de database welke ergens centraal (eventueel gedistribueerd) wordt beheerd. Na verwerking van de informatie door bijvoorbeeld de architect, wordt de nieuwe informatie weer teruggestuurd en in de database opgenomen. Het is duidelijk dat grootschalige introductie van PDI via produktmodellen leidt tot een hoogwaardige sectorstructuur, waarbij het onderscheid tussen EDI en PDI geleidelijk zal gaan vervallen.

Organisatie- en marktstructuren

Technologische innovatie in een bedrijfstak is afhankelijk van een wisselwerking van faktoren. Standaardisatie van produkten is er één van, zodat schaalvergroting en mechanisering mogelijk worden. Bovendien nemen daarmee de kansen voor individuele bedrijven toe om uitgaande van de standaarden verder te differentiëren en te specialiseren. Bedrijven profileren zich aldus in een verdergaand stadium van technologische ontwikkeling. Standaardisatie en specialisatie komen echter alleen tot stand bij een toenemende integratie binnen de bedrijfstak. Met name in vertikale zin is samenwerking belangrijk, tussen toeleveranciers, producenten en afnemers, tussen ontwerpers en uitvoerders, enzovoort. Horizontale samenwerking, bijvoorbeeld via fusies, kan eenzelfde effect hebben met betrekking tot het proces van schaalvergroting, standaardisatie en specialisatie. De invoering van informatietechnologie in de bedrijfstak in de zin zoals hierboven is besproken, zal een bestendigend effect sorteren in dit integratieproces. Bovendien komen de integrerende marktpartijen op deze wijze sterker te staan tegenover de overige bedrijfstakconcurrenten en ook tegenover mogelijke substituten voor het bedrijfstakprodukt. Potentiële toetreders komen minder gemakkelijk bij de distributiekanalen wanneer de bestaande (vertikale) relaties tussen afnemers en leveranciers door de werking van EDI of PDI zijn bestendigd.
De zojuist genoemde processen van standaardisatie, specialisatie en integratie komen binnen sectoren vaak niet of moeilijk van de grond. Wellicht de belangrijkste katalysator in dit geheel is druk vanuit de internationale concurrentie. De autoindustrie, die in dit kader al een heel eind is, werkt inmiddels zeer internationaal. De internationale arbeidsverdeling is zover dat van nationale produkten nauwelijks meer kan worden gesproken.
Bij het technologisch innovatieproces in een specifieke bedrijfstak zal het ene moment meer nadruk liggen op horizontale integratie, het andere moment meer op vertikale integratie. Beide integratieprocessen zijn evenwel van belang en kunnen niet buiten elkaar. Ook de specifieke uitkomst voor de marktstructuur is ongewis. De ene keer zullen er veel grote vertikaal ge‹ntegreerde ondernemingen ontstaan, onderverdeeld in business units. De ander keer vallen er meer netwerken te constateren van weliswaar individuele, maar op elkaar afgestemde ondernemingen. Ook tussenvormen als co-makershiprelaties zijn mogelijk. Hierbij maken grotere ondernemingen vaste en betrouwbare afspraken over toelevering met vaak kleinere bedrijven.

Banken

We zien hier af van het traditionele bankprodukt als spaar- en kredietvormen en beperken ons tot het betalingsverkeer (Stroeken, 1993). Intern binnen banken is er gestandaardiseerd met behulp van automatische incasso's, acceptgirokaarten, periodieke overschrijvingen, verzameloverschrijvingen. Tussen de banken wordt het Nationaal Betalingscircuit (NBC) ingevoerd. Bij de te verwachten voltooiing rond 1995 zal iedere overschrijving, incasso of wat dan ook, bij iedere bank op dezelfde wijze en even snel verlopen. Zelfs alle geldautomaten zullen in principe voor algemeen gebruik beschikbaar zijn.
Deze voortgaande standaardisatie, met name in het betalingsverkeer, stelt de banken in staat de aandacht te verleggen en te specialiseren op andere gebieden, bijvoorbeeld ten aanzien van (onderdelen van) internationale dienstverlening. De kostenbesparing tengevolge van standaardisatie stimuleert dat nog eens.
Vanzelfsprekend had dit standaardisatieproces niet kunnen voortgaan zonder de verregaande integratie welke de afgelopen tientallen jaren binnen de bedrijfstak heeft plaatsgevonden, vooral in horizontale zin. Van vertikale differentiatie in de zin van toeleveranciers en producenten is in de banksector feitelijk nooit sprake geweest. Wellicht vanwege de aard van het produkt geld heeft het hele produktieproces zich altijd binnen één en hetzelfde concern afgespeeld, van lokale verzameling, via bewerking in regionale verzamelcentra, tot centrale verwerking toe. Toeleveringsrelaties in de zin van co-makershiprelaties bestaan in de bankwereld feitelijk niet. Uiteindelijk betekende vertikale integratie in de banksector vooral het verdwijnen van het regionale niveau door verbeterde automatisering en om dezelfde reden (geld- en betaalautomaten, thuisbankieren) het efficiënter worden van het lokale niveau. De toenemende bewustwording in de bankwereld dat het ook bij financiële transacties vooral om informatieverwerking gaat, lijkt in verticale zin een wat tegengestelde beweging op te gaan leveren. In verticale zin is immers altijd alles in één hand gehouden. Wellicht zullen bij de informatieverwerking in de toekomst comakershiprelaties gaan ontstaan, bijvoorbeeld in het kader van een internationale arbeidsverdeling. De verhouding tussen arbeidskosten en kapitaalkosten zal daarbij van strategisch belang zijn. Zo zullen bepaalde vormen van (arbeidsintensieve) informatieverwerking bij Nederlandse banken wellicht naar landen met relatief lage arbeidskosten verdwijnen. Aan de andere kant zullen hier aanwezige kapitaalintensieve en hoogwaardige vormen van betalingsverwerking rendabel kunnen blijken voor bijvoorbeeld sommige Westeuropese of Oosteuropese landen (Hazelzet, 1992).
Horizontale integratie heeft in de jaren zestig, zeventig en begin jaren tachtig uit een heleboel kleine banken een vijftal grotere bankconcerns opgeleverd: NMB, RABO, ABN, AMRO, Postbank. Deze eerste fusiebeweging was vooral nationaal ge‹nspireerd, standaardisatie en schaalvergroting waren het devies. Eind jaren tachtig is het begin van een tweede fusiegolf welke in het begin van de jaren negentig overigens alweer zijn voornaamste beslag lijkt te hebben gekregen. Deze tweede fusiegolf is vooral internationaal georiënteerd en heeft in Nederland onder meer de huidige drie grote concerns opgeleverd: ABN/AMRO, RABO, ING/Postbank. Het wegvallen van Europese grenzen leidt ook in de bankwereld tot een proces van schaalvergroting, al was het alleen maar om het internationaliserende bedrijfsleven te bedienen. In deze fase worden ook verzekeringsmaatschappijen in de samenwerking betrokken. Er ontstaat namelijk een toenemende gemeenschappelijkheid in de verwerking van informatie als kernactiviteit. Verdergaande samenwerking mag in de toekomst dan ook worden verwacht met andere informatieleveranciers als uitgeverijen en reisbureaus. Tevens mag een toenemende integratie worden verwacht volgens de laatste fase van de 'reverse product cycle' met andere bedrijfstakken via een integratie van het betalingsverkeer in de bedrijfsactiviteiten. Zo lopen er op dit moment bijvoorbeeld projecten in het vervoer (bijv. Cargonaut, ABN/AMRO) en in de sociale zekerheid (bijv. bedrijfsvereniging Detam, RABO). Gresnigt, Leenen (1993) constateren wel dat banken in deze fase nog geen behoefte hebben aan standaardisatie van deze ge‹ntegreerde vorm van betalen. Cliënten zouden niet te gemakkelijk naar de concurrent moeten kunnen overstappen. Met andere woorden, differentiatie en specialisatie bij banken spitst zich hier toe. Gresnigt en Leenen (1993) constateren eveneens dat banken zich tot nu toe onvoldoende profileren op dit gebied. Naast wellicht een aantal andere redenen zal ongetwijfeld een rol spelen het gebrek aan specifieke kennis rond de invoering van financiële integratie met behulp van gestandaardiseerde elektronische EDI-netwerken. Om welke economische relaties gaat het in een bepaalde sector, welke actoren spelen een rol, hoe staat het met de interne automatisering binnen bedrijven, gaat het om grote of kleine bedrijven, hoeveel internationale uitwisseling is er? Een deel van deze informatiebehoefte loopt parallel aan die voor het verstrekken van kredieten. Banken zullen hier ook genoeg concurrentie gaan ondervinden. Enerzijds gaan steeds meer grote bedrijven zelf hun betalingen regelen tussen bedrijfsonderdelen en dochterondernemingen (netting/clearing, in-house-banking). Anderzijds zullen ook steeds meer netwerkleveranciers een (wellicht beperkte) rol gaan spelen bij de verwerking van EDI-betalingstransacties.
Uiteindelijk zal in deze vierde en laatste fase in de 'reverse product cycle' meer samenwerking gaan ontstaan tussen banken en andere bedrijfstakorganisaties. Het is vervolgens de vraag of een en ander bij nauwe samenwerking blijft of dat er nog een derde fusiegolf in het verschiet ligt.

Bouw

In tegenstelling tot de banken werkt de internationale concurrentie als katalysator in het innovatieproces, in de bouwsector (nog) nauwelijks. Ook vooral nationaal ge‹nspireerde schaalvergroting zoals in de eerste fusiegolf bij de banken, heeft er tot nu toe niet echt ingezeten. Van standaardisatie is nauwelijks sprake en van integratie ook niet (Stroeken, 1994). Welke stimulerende rol kan informatietechnologie daarbij vervullen vragen we ons af en wat is de huidige rol?
Bij EDI, met name van belang in de goederenstroombesturing naar de bouwplaats, wordt een belangrijk concurrentievoordeel behaald in een verlaging van de voorraadkosten door verbetering van de logistieke prestatie. Dat is voor de korte termijn ook de belangrijkste reden waarom bestaande concurrenten in de bedrijfstak in horizontale zin proberen samen te werken op het gebied van onderzoek en ontwikkeling van EDI. We noemen hier de grote aannemers (Edibouw) en de handelaren van bouwmaterialen (Hibin), inmiddels samenwerkend in HCP/Edibouw. Hier houdt men zich ook bezig met de diverse zakenpartners in de branche. Daarmee betreden we het terrein van de vertikale relaties.
In de vertikale relatie blijkt de samenwerking in de praktijk te worden bemoeilijkt door een onderlinge concurrentie om de verschillende functies in het bouwproces naar zich toe te trekken. Iedere partij probeert daarbij haar strategische sterkte zoveel mogelijk uit te buiten. De Groot (1993) heeft een aantal van deze relaties nader onderzocht (figuur 3).
Op basis van gesprekken met diverse organisaties en instanties in de bouwsector komt De Groot tot de volgende conclusies. De relatie tussen grondstofleverancier en toeleverancier van bouwmaterialen is gebaseerd op langdurige afspraken met incidentele informatie-uitwisseling en dus voor een EDI-relatie nauwelijks interessant. Dat is in de relatie toeleverancier en tussenhandel anders. De voorwaarden voor EDI zijn aanwezig: veel informatie-uitwisseling en een redelijke hoeveelheid standaard produkten die in principe codificeerbaar zijn. Beidepartijen zijn intern reeds behoorlijk geautomatiseerd, zodat doorkoppeling van EDI-berichten naar interne bedrijfsprocessen als produktie en voorraadbeheer mogelijk is. EDI komt hier momenteel ook van de grond. De onderlinge relaties blijken hechter en waardevoller te worden, zoals bijvoorbeeld in de wederzijdse advisering over produkt-markt combinaties. In de onderlinge concurrentie over het beheer van de aan EDI gekoppelde logistieke dienstverlening lijkt de tussenhandel aan het langste eind te trekken. Deze neemt een sterke machtspositie in doordat het brede produktassortiment relatief onafhankelijk maakt van een specifieke toeleverancier. De toeleveranciers zijn over het algemeen sterk gespecialiseerd en daardoor afhankelijker. Bovendien zijn ze ook nog eens sterk internationaal gespreid, zodat horizontale samenwerking moeilijk is. Bij de (nationaal georiënteerde) tussenhandel wordt horizontaal hard samengewerkt (Hibin) om het voordeel van de machtspositie te maximaliseren.
In de relatie met de aannemers zitten de toeleveranciers in een vergelijkbare positie. De aannemer heeft als relatief sterke afnemer de mogelijkheid te selecteren en bovendien is hij beter georganiseerd. De waarde van het EDI-contact is hier minder vanwege de weinig intensieve berichtenuitwisseling. Het gaat immers minder om standaardprodukten maar meer om maatwerk als prefab betonelementen en betonwapening, waarvoor de tussenhandel wordt gepasseerd. Niettemin kan de aannemer profiteren van een betrouwbare gegevensuitwisseling via EDI en van een doorkoppeling naar de interne bedrijfssystemen.
Van een vergelijkbaar niveau als met de toeleverancier is de waarde van het EDI-contact van de (grotere) aannemer met de tussenhandel. Tussen (grote) aannemer en tussenhandel is duidelijk sprake van een win-win situatie, er is evenwel geen dominerende partij die zaken kan doordrukken en er wordt inmiddels samengewerkt binnen HCP/Edibouw.
De kleine aannemers hebben weinig aan EDI. Rechtstreekse uitwisseling tussen computers zoals bij EDI lijkt hier niet zinvol. De weinig geautomatiseerde kleine ondernemer zou wel met videotex uit de voeten kunnen, althans voor het ophalen en raadplegen van informatie (Cinbouw). Interactief berichtenverkeer echter via videotex (Bomatel, telebankieren) is al gauw traag en niet effectief. Tevens dient met het oog op integratie van EDI-berichten binnen de interne informatiehuishouding van een bedrijf (dat wil zeggen koppeling tussen magazijnbeheer, inkoop, verkoop, boekhouding, enzovoort), het videotex-systeem aansluiting te vinden op bestaande informatiesystemen. Aangezien deze laatste systemen ook in de bouw steeds meer bestaan uit personal computers, lijkt de aanschaf van een modemkaart en bruikbare EDI-software voor een pc een betere basis. Uiteraard kan men bij videotex ook een pc met een modem toepassen. Het enige duidelijk kenmerk dat dan nog wijst op een videotex-toepassing, is de gestandaardiseerde paginapresentatie (24 regels bij 40 kolommen). Videotex is, ook via een pc, in zijn techniek en presentatievorm een geheel eigen systeem. In hoeverre dat nog zinvol is, met de huidige generatie computers en software, is echter de vraag.
De tussenhandel kan op deze ontwikkelingen met EDI inspelen en tevens, als machtigste partij, een aantal logistieke functies naar zich toe trekken. De kleine aannemer zou dan een aantal logistieke kostenposten kunnen afstoten.

De tussentijdse conclusie luidt dat invoering van EDI in de bouwsector allerlei veranderingen in gang zet, de efficiency vergroot, maar nog geen wezenlijke veranderingen in de manier van bouwen teweeg brengt. Daarvoor is meer nodig: PDI. Vormen van PDI worden op het moment toegepast in de ontwerpfase van het bouwproces en bij de koppeling tussen ontwerpactiviteiten en de produktie van bouwmaterialen. Het merendeel van de initiatieven is gericht op een laag beschrijvingsniveau van produkt of ontwerp, met toepasbaarheid in kleine kring. Classificatie en codering is hier ook een complexe zaak. In de ontwerpdisciplines zijn CAD-systemen inmiddels heel gewoon, maar nog niet echt geschikt voor uitwisseling van bijvoorbeeld installatieontwerp en architectonisch ontwerp. Uit concurrentieoverwegingen werken de verschillende CAD-leveranciers hier ook niet aan mee. De huidige pogingen om PDI te ontwikkelen op het hogere niveau van de ge‹ntegreerde produktmodellen zijn voor een deel gebaseerd op het enige jaren geleden gecreëerde BouwInformatieModel (BIM). De concrete projecten met betrekking tot het ontwerpen van wegen en spoorwegen, en met betrekking tot wapeningsprocessen voor betonconstructies, overschrijden het lage niveau van PDI niet. De (horizontale) samenwerking die hiervoor noodzakelijk is tussen feitelijke concurrenten, verhindert verdere vooruitgang vooralsnog. NOBI/Stichting Bouw Research tenslotte hanteert momenteel een meer bottom-up gerichte benadering om op basis van proefprojecten tot een referentiearchitectuur te komen voor produktmodellen.

Op welke plekken in de bouw zijn nu de beste toepassingsmogelijkheden voor PDI aanwezig? In figuur 4 zijn voor de Burgerlijke en Utiliteitsbouw de voornaamste partijen en relaties weergegeven. PDI is in de onderlinge relatie van opdrachtgever met architect en aannemer nauwelijks interessant. Er wordt slechts incidenteel niet-technische informatie uitgewisseld. De architect staat aan het begin van het bouwproces en heeft aan de inputkant slechts te maken met een (niet-technisch) programma van eisen. Aan de outputkant, naar de overige ontwerpdisciplines, is er niet zozeer behoefte aan informatie-uitwisseling, maar wel aan interactie in verband met ontwerpverbetering. Daarom is hier zeker aandacht voor produkt- en gebouwmodellen en dus ook voor PDI.
Installatie- en constructie-ontwerp, vaak uitgevoerd door ingenieursbureaus, is aan de inputkant geënt op het (technisch) architectonisch ontwerp. Met behulp van de (technische) ontwerpen aan de outputzijde worden er maatprodukten als installaties, prefab betonelementen of betonbewapening geproduceerd alsmede uitvoeringswerkzaamheden in gang gezet als bekisting, landmetingen of gronduitgravingen. PDI is hier met andere woorden zeer interessant.
De (specifieke) toeleverancier in de bouw is vaak de belangrijkste produktvernieuwer in de sector. Zijn positie kan soms ijzersterk zijn, zeker bij een uniek produkt. De relatie met de ontwerpdisciplines is daarbij van groot belang. PDI speelt daarin een rol en diverse projecten kunnen in dit kader inmiddels als voorbeeld dienen.
De aannemers tenslotte spelen geen werkelijke voortrekkersrol bij PDI-ontwikkeling. De onderaannemers gebruiken uiteindelijk slechts de informatie uit de produktmodellen, maar voegen zelf niets toe. De grotere aannemers zijn in feite procesbeheersers en uit dien hoofde vooral ge‹nteresseerd in EDI. PDI komt pas in een vrij laat stadium van ontwikkeling in zicht wanneer EDI-toepassingen een soort afgeleide worden van produktmodellen (De Groot, 1993:52).
Figuur 3 had betrekking op het bouwproces in de Burgerlijke & Utiliteitsbouw. In de (veel kleinere) Grond-, Wegen- en Waterbouw is de situatie iets anders. De overheid heeft daar als voornaamste aanbesteder een flinke vinger in de pap, ook wat betreft het ontwerpproces (Rijkswaterstaat). Bij een verbeterde informatieuitwisseling via PDI kan de overheid een meer controlerende rol gaan vervullen, ten gunste van met name de grote aannemers die dan meer verantwoordelijkheden krijgen (mits PDI wordt toegepast!).

Verdergaande integratie, standaardisatie en diversificatie van het bouwproces met behulp van EDI en PDI zal vergezeld gaan van een toenemende integratie in de marktstructuur. Enerzijds zullen dergelijke initiatieven komen van toeleveranciers die toenemende industrialisering zullen willen koppelen aan schaalvergroting. Anderzijds zullen aannemers in hun rol van procesbeheersers proberen (vaste) netwerken te creëren met gespecialiseerde bedrijven, welke soms zullen worden overgenomen om daarmee als Business Unit van de (grote) aannemer te gaan fungeren.

Op welke wijze deze integratie in vertikale en horizontale zin precies zal plaatsvinden is nu nog ongewis. Voorlopig constateert de Commissie Nijpels (1992) dat in een aantal Europese landen de structuur van de bouw in snel tempo aan het veranderen is. Met name in Frankrijk en Engeland is het integratieproces in de bouw reeds verder gevorderd.

Slotbeschouwing

Veel nadruk is bij deze analyse van (informatie-) technologische ontwikkeling gelegd op de processen van standaardisatie, diversificatie en integratie binnen de sector welke deze ontwikkeling noodzakelijkerwijs dienen te ondersteunen. Informatietechnologie kan hierin een belangrijke katalyserende rol vervullen. De verschillen tussen sectoren blijken hier zeer groot. De banken zijn veel verder dan de bouw en hebben reeds een aantal slagen van standaardisatie achter de rug. Niet de aard van het produkt of het belang van informatie lijkt hier van doorslaggevende betekenis, maar veeleer de druk vanuit de internationale concurrentie. De autoindustrie bijvoorbeeld is niet voor niets zo ver. Niettemin zal ook de aard van het (minder ingewikkelde) bankprodukt en het belang van de (goed te automatiseren) informatie er debet aan zijn dat, zonder de internationale druk, de banken in de afgelopen decennia wel verder zijn gekomen en de bouw zelfs nu nog in een impasse lijkt te verkeren (Intermate, 1993). We hebben in dit artikel gezien dat standaardisatie, differentiatie en integratie ook in de bouw belangrijk is. Verder hebben we gezien waar en op welke plekken informatietechnologie in de vorm van EDI en PDI een katalyserende rol kan vervullen. Niettemin, de bouwsector blijft voornamelijk in een vicieuze cirkel ronddobberen: de meeste activiteiten blijven in een concurrerende sfeer, daardoor is standaardisatie niet mogelijk en integratie, die dit zou kunnen doorbreken, komt klaarblijkelijk ook nauwelijks van de grond.

De overheidsrol met betrekking tot de marktstructuur is in beide sectoren zeer terughoudend te noemen. Voor het bankwezen (Nota Tweede Kamer, 1989) is een dergelijke opstelling goed voorstelbaar. De sector heeft ook vroeger bewezen een zekere dynamiek te kennen, de relatieve concurrentiepositie is niet slecht (Stroeken, 1993:52), de internationale druk is hoog. Nationaal is de druk weliswaar minder hoog (zie prijspolitiek), maar er is sinds kort een vrij actief Gebruikersplatform Betalingsverkeer, dat een soort horzelfunctie verricht.

Voor de bouwsector ligt een terughoudende overheidsrol minder voor de hand. De sector blijkt immers niet in staat zichzelf aan de haren uit het moeras te trekken. De mogelijkheden voor technologiebeleid van de overheid zijn groot, vanwege de vele directe bemoeienis in de bouw. In de grond-, wegen- en waterbouw is de overheid de grootste directe aanbesteder. Belangrijke instrumenten voor de overheid zijn het stimuleren van onderzoek, het normeringsbeleid en het aanbestedingsbeleid, bijvoorbeeld in de vorm van prestatiebestekken (WRR/Mischgofsky, 1991). Stimulering van informatietechnologie is, zoals uit het voorgaande duidelijk is geworden, een ander belangrijk instrument. Gebruikmaking van PDI kan bijvoorbeeld worden afgedwongen van de grote aannemers in de GWW-sector. EDI kan worden bevorderd via de uitwisseling van gegevens in de sfeer van belastingen en sociale zekerheid. Het effect van welk instrument dan ook zal evenwel altijd afhankelijk zijn van de medewerking van de sector zelf en die blijft onduidelijk. Op instigatie van de overheid is in 1990 de AdviesRaad Technologiebeleid Bouwnijverheid (ARTB) opgericht met als doel een gezamenlijk technologiebeleid in de sector te ontwikkelen. Deze raad bestaat uit vertegenwoordigers van diverse ministeries, van de diverse branche-organisaties in de bouw en installatietechniek, en van de bouw- en houtbonden. De Raad heeft onlangs een eerste leidraad geproduceerd voor onderzoek en technologie-ontwikkeling in de bouw (ARTB, 1993). Nochthans lijkt voor de bouwsector het wachten op een toename in de internationale druk, maar misschien zou dat wel eens te laat kunnen zijn.

Tot slot, de indruk zou kunnen zijn ontstaan bij de hier als voorbeeld genomen bedrijfstakken, dat er een ideale marktstructuur voor (informatie)- technologische ontwikkeling zou bestaan waarbij de mate van integratie allesbepalend is. Dit is niet het geval, er is geen ideale marktstructuur en er dient altijd een evenwicht met de mate van concurrentie te bestaan. Bij een sector als die van de telecommunicatie (hier niet besproken) is meer concurrentie gewenst om dit evenwicht te benaderen. De banksector lijkt dit evenwicht het dichtste te benaderen. De bouwsector zit er nog ver van af, meer integratie binnen de sector is gewenst.

AdviesRaad Technologiebeleid Bouwnijverheid, ARTB Bouwvisie 2010, Den Haag, 1993.
Barras R., Interactive innovation in financial and business services: The vanguard of the service revolution, Research Policy 19, 1990.
Commissie Nijpels, Bouwen in Europese Competitie, Min. v. VROM, Den Haag, 1992.
Freeman C., Peres C., 'Structural crises of adjustment: business cycles and investment behaviour', in: Dosi G. e.a. (ed.), Technical change and economic theory, Londen/New York (Pinter), 1988.
Gresnigt M., Leenen M., 'Electronic Data Interchange: is standaardgras groener?', Bank- en Effectenbedrijf, sept. 1993.
Groot de R., De perspectieven voor EDI en PDI in de bouwsector, afstudeerverslag Techniek en Maatschappij, TUE, Eindhoven, 1993.
Hazelzet J., 'BGC wordt modernste betaalfabriek ter wereld', Bank- en Effectenbedrijf, dec. 1992.
Horn ten L., Zijlstra F., Stroeken J. (red.), Informatietechnologie in de maatschappij, Deventer, 1993.
Intermate studievereniging, Bouwen met informatietechnologie, symposium Techniek en Maatschappij, TU, Eindhoven, april 1993. Jacobs D., Kuyper J., Roes B., De economische kracht van de bouw, SMO, Den Haag, 1992.
Janssen A., Perspectieven voor EDI en PDI bij de Hollandsche Beton Groep nv, afstudeerverslag Techniek en Maatschappij, TUE, Eindhoven, 1993.
NIBE, Betaalbedrijf binnenland, Amsterdam, 1993.
Nota Tweede Kamer, Het electronisch betalingsverkeer in Nederland, 11/11/1989, Den Haag.
Rudelsheim H., De chipcard in Woerden, Amsterdam (NIBE), 1992.
Smits J.M., 'Juridische aspecten van de informatietechnologie, het voorbeeld van de "smartcard"', in: Ten Horn, Zijlstra, Stroeken (red.), 1993.

Stroeken J., 'Informatietechnologie in het bankwezen', in: Ten Horn, Zijlstra, Stroeken (red.), 1993.
Stroeken J., 'EDI en PDI in de bouwsector', De Bouwadviseur, jan/febr. 1994.
Stroeken J., 'Informatietechnologie bevordert integratie banken en bedrijven', Bank- en Effectenbedrijf, juni 1994.
Velde v.d. A., De mogelijkheden en kansen van EDI en PDI in de bouwsector, afstudeerverslag Techniek en Maatschappij, TUE, Eindhoven, 1994.
Vollebregt R., Telematica Opportunity Scan, afstudeerverslag Techniek en Maatschappij, TUE, Eindhoven, 1993.
WRR/Mischgofsky F., Overheid en innovatiebevordering in de grond-, water- en wegenbouwsector, T3, Den Haag, 1991.