I&I-> Jaargangen -> Artikel

Interconnectie:
onderhandelen of
reguleren?

Door A. van Stralen & P. de Roover


Interconnectie speelt zo lang telecommunicatie bestaat. In 1888 werd al een verbinding gelegd tussen de lokale telefoonnetten van Amsterdam en Haarlem. Ook voor het totstandbrengen van internationale verbindingen zijn netten decennia geleden al aan elkaar gekoppeld. De moeilijkheid bij de huidige interconnectie schuilt in de ongelijke marktpositie van de diverse marktpartijen. Daarnaast beschikt één van de partijen over 'bottle neck' faciliteiten. Dit artikel belicht de complexiteit rond interconnectie en dient ter verdere overdenking van een te voeren interconnectiebeleid.


Net voor de jaarwisseling verscheen het actieprogramma van de Nederlandse overheid; electronische snelwegen 'van metafoor naar actie'! Centraal in het rapport staan de stappen die moeten worden gezet om de informatiesamenleving in goede banen te leiden en een voor de toekomst zo gunstig mogelijk economische positie voor Nederland veilig te stellen.
In het rapport wordt een belangrijke betekenis toegekend aan de liberalisatie van diensten en infrastructuur. Ook op Europees niveau is men van mening dat introductie van concurrentie goed is voor de burger en het bedrijfsleven. Concurrentie op infrastructuur vergroot de keuzemogelijkheden, leidt tot een betere kwaliteit en lagere tarieven.
Zowel nationaal als Europees wordt onderkend dat de realisatie van effectieve concurrentie op infrastructuur en diensten een reguleringskader vereist waarin de rechten en plichten van de diverse partijen goed zijn geregeld. De kop peling van netwerken en diensten verdient zowel vanuit mededingingsoptiek als ten aanzien van de technische vereisten de nodige aandacht.
De Europese Commissie heeft in dit verband aangekondigd voor 1 januari 1996 te komen met voorstellen. Binnen het raamwerk van Open Network Provisions (ONP) zal een specifieke interconnectierichtlijn worden opgesteld. Ook op nationaal niveau heeft interconnectie inmiddels de aandacht. Immers, al in 1996 zal concurrentie op de vaste infrastructuur worden geïntroduceerd.
Voor toetredende operators is het noodzakelijk dat hun netwerken aan het netwerk van PTT Telecom worden gekoppeld. Enerzijds wordt hierdoor landelijke dekking verkregen en anderzijds worden onnodige doublures in de aanleg van kostbare netwerken voorkomen. Met name voor de aansluitingen in de lokale markt is het vanuit economische optiek wellicht niet altijd interessant een tweede aansluiting aan te bieden, terwijl het voor de gemiddelde abonnee toch een belangrijk gegeven is dat hij iedereen kan bereiken. De diverse infrastructuren zullen dus als het ware met elkaar moeten kunnen communiceren.
Interconnectie is een bijzonder complex onderwerp dat via regelgeving slechts in beperkte mate kan worden beheerst. Het komt namelijk ook aan op een bereidwillige houding van de betrokken partijen om moeilijkheden op dit punt op te lossen. Dat hierbij 'bottlenecks' op kunnen treden hoeft geen verbazing te wekken. De nieuwe aanbieder zal zich in moeten vechten op een markt die lange tijd in handen is geweest van één, door wetgeving beschermde, aanbieder. Voorzieningen, waarover alleen de PTT beschikt, zijn nodig om landelijke dekking te kunnen realiseren.
In dit artikel wordt de noodzaak van een goed interconnectiebeleid aan de orde gesteld. Zowel op Europees als op nationaal niveau zal actie moeten worden ondernomen om de ontwikkelingen in goede banen te leiden. Alleen dan kan Neder land zijn positie als 'gateway to Europe' behouden en eventueel versterken.

Brussel; ONP-basis voor nieuwe interconnectierichtlijn

In november 1994 hebben de verantwoordelijke Ministers voor telecommunicatiebeleid in Brussel een akkoord bereikt over liberalisatie van de infrastructuur per 1 januari 1998. Een half jaar eerder was reeds een resolutie aanvaard waarin tot liberalisatie van de publieke spraakdienst in hetzelfde jaar werd besloten. Daarnaast is er continu druk vanuit het Directoraat Generaal mededinging van de EG (DG IV) om al eerder dan 1998 liberalisatie van de kabelinfrastructuur, voor de reeds vrijgemaakte diensten, door te drukken. Studies die door IDATE en Analysis voor de Europese Commissie zijn verricht, duiden overigens aan dat liberalisatie van de alternatieve infrastructuur _ met uitzondering van de publieke telefonie dienst _ geen grote invloed heeft op de financiële positie van ptt's. De betekenis van liberalisatie neemt aanzienlijk toe indien ook de spraakdienst onder concurrentie mag worden aangeboden. Op dat moment kunnen zich problemen voor gaan doen met betrekking tot de onderlinge afrekening voor het bedienen vanonrendabele gebieden.
De principes en het tijdschema voor vrijmaking van de infrastructuur zijn in de Raadsresolutie van 16 juni 1993 vastgelegd. De principes van de open toegang tot netwerken (ONP) blijven als basis dienen voor het regelgevingskader in de Unie. De Raad verzocht de Commissie verder om tegen 1 januari 1996 een pakket van maatregelen voor te bereiden om het telecommunicatieregelgevende kader van de EU in het licht van de liberalisatie van spraaktelefonie in 1998 aan te passen.
Het is nu aan de Europese Commissie hier verder uitwer king aan te geven. Een brede consultatie over het tweede deel van het groenboek infrastructuur is recent gestart en zal medio maart worden afgerond. In ieder geval zullen gemeenschappelijke principes ten aanzien van de reikwijdte en de financiering van de universele dienstverlening alsmede regels voor interconnectie worden vastgesteld. De Europese Commissie zal een algemeen kader moeten ontwerpen op basis waarvan de interconnectie in de diverse landen zo eenduidig mogelijk wordt geregeld.
In opdracht van de Europese Commissie hebben in 1994 het Wissenschaftliches Institut fr Kommunikationsdienste (WIK) en Arthur Andersen studies verricht. In de WIK-studie is gekeken naar de ontwikkeling van een algemeen regelgevend kader, met name de interconnectie van netwerken in een concurrerende markt. In de Andersen-studie zijn de praktische vragen belicht die samen hangen met interconnectie. Met name wordt daarbij ingegaan op de kostentoerekeningsmethodiek. Algemeen principe bij de vaststelling van de interconnectietarieven dient te zijn dat er een evenwicht ontstaat tussen het bevorderen van toetreding tot de markt en het vereiste van toekomstige levensvatbaarheid.

Begripsomschrijving van interconnectie

In dit artikel wordt onder interconnectie verstaan: Het door middel van een fysieke koppeling verkrijgen van toegang tot (openbare) netwerken met het oog op het verder afwikkelen van dienstenverkeer (Van Stralen, 1994).

Interconnectie: horizontaal en vertikaal

Interconnectie zal zich in twee situaties voordoen. Ten eerste vindt interconnectie plaats op horizontaal niveau tussen (een beperkt aantal) netwerk operators. Ook de daarboven gelegen netwerkdiensten zullen, gezien de nauwe verstrengeling, horizontaal gekoppeld worden. Te denken valt aan de koppeling tussen twee mobiele telefonie-diensten. Om diensten te koppelen en ze onderling uitwisselbaar te laten zijn, moet aan de eis van interoperabiliteit worden voldaan.
Ten tweede vindt interconnectie vertikaal plaats. Aan bieders van netwerkdiensten, toegevoegde waarde en informatiediensten willen deze diensten koppelen aan één of meer netwerken. Zo is het essentieel dat de GSM-netten aan het vaste openbare telefoonnet worden gekoppeld. Een abonnee kan dan van het mobiele net met iemand in het vaste net bellen en omge keerd. Een toegevoegde waarde dienst als *21 zal daarbij meegeleverd worden met de basisdienst.
De scheiding tussen infrastructuur en de verschillende diensten wordt verduidelijkt door een gelaagd telecommunicatiemodel, zie figuur 1.

  • De onderste laag bestaat uit de infrastructuur. De infrastructuur heeft betrekking op de transportcapaciteit voor de elektronische informatievoorziening.
  • Het feitelijk gebruik beslaat de laag van netwerkdiensten (ook wel transportdiensten genoemd). De netwerkdiensten dragen zorg voor de routering van de elektronische informatie over de infrastructuur. Voorbeelden zijn: datatransport, (mobiele) telefonie.
  • De hierboven gelegen laag bevat de toegevoegde waarde diensten. Het gaat om additionele faciliteiten die gebruik maken van netwerkdiensten maar daar waarde aan toevoegen. De syste men zijn op het netwerk aangesloten. Voorbeelden zijn: videotex, teletekst en 06-diensten.

    Interconnectie tussen netwerken (horizontaal)1

    De fysieke koppeling vindt tussen netwerken N1, N2... nn onderling plaats. Daartoe bestaan vier verschillende mogelijkheden: vaste-vaste netwerkcombinaties; vast-mobiel; mobiel-mobiel en koppeling met het intelligente netwerk (IN). Een onderscheid tussen diverse interconnecties van netwerken wordt gemaakt omdat de vraagstukken en knelpunten niet geheel hetzelfde zijn. Zo kan het noodzakelijk zijn dat apparatuur, zoals multiplexers, van de toetreder in de centrale van de gevestigde operator geplaatst moet worden (collocatie). Dit vormt eerder een knelpunt bij GSM-verkeer dan bij vaste telefonie. Een reden vormt het tegengaan van vele zendmasten die het vlakke Hollandse landschap ontsieren. Het delen van antenne-opstelplaatsen voorkomt dit. Dit probleem doet zich vanzelfsprekend niet voor bij de minder opzichtelijke centrales in het vaste netwerk.
    Operators willen een koppeling tot stand brengen om bijvoorbeeld de dekkingsgraad (toegang tot de lokale monopolistische delen) en de verkeersdichtheid te verhogen. De koppeling kan technisch op meerdere niveaus in de hiërarchie van een netwerk tot stand komen. Deze verdeling kenmerkt zich door een hoogste niveau dat uit ondermeer drie internationale, twee omweg- en één 06-centrale bestaat; het daartussen liggende niveau wordt gevormd door eerste- en twee verkeerscentrales; het laagste niveau bestaat uit 1400 nummer- of wijkcentrales waarop de eindgebruikers zijn aangesloten.
    Koppeling met een centrale vereist gestandaardiseerde interfaces. In lang niet alle centrales is dit momenteel echter mogelijk: niet ieder punt is geschikt voor een koppeling. Bij een gestandaardiseerde koppeling spelen verschillende aspecten een rol:

  • bewaking van de integriteit van het netwerk;
  • registratie van de gebruiksgegevens;
  • mogelijkheid tot routering van de gesprekken;
  • de door de aanvrager gewenste capaciteit en kwaliteit.

    Naast dit (voorlopige) technische argument is ook de houding van de gevestigde operator bepalend. PTT Telecom bood aanvankelijk slechts de twee omwegcentrales in Arnhem en Amsterdam als interconnectiepunt aan. Dit is echter veranderd, hoewel PTT Telecom koppeling op het niveau van de nummercentrales nog niet haalbaar acht. Een reden hiervoor is de technologische ontwikkeling waardoor in de toekomst de transmissiekosten af zullen nemen en de kosten van het schakelen zullen stijgen (door o.a. centrales ATM-geschikt te maken).

    Interconnectie met netwerkdiensten (vertikaal)

    De aanbieder van een netwerkdienst D1 wil toegang tot een netwerk N1 of N2. Bepalend voor zijn keuze is welke faciliteiten de (netwerk)dienstenaanbieder verlangt en welke de netwerkbeheerder biedt. De regelgever verplicht de netwerkbeheerder om een minimumpakket van faciliteiten aan te bieden. Dit pakket is vastgelegd in AMvB's en kan in de loop der tijd door de minister veranderd worden. Faciliteiten die in een pakket kunnen zitten zijn ondermeer huurlijnen met een bepaalde snelheid, 06-nummers, gespecificeerde rekeningen. De gemaakte scheiding tussen netwerk en diensten is verder van belang om in het kader van de ONP-regeling equal access van dienstenaanbieders tot netwerken te garanderen.
    Concurrentie kan plaatsvinden tussen operators N1, N2 en..NN. Boven het vastgelegde minimumpakket kunnen de beheerders zich onderscheiden door additionele diensten aan te bieden. Voorbeelden zijn, *21, call waiting, automatische nummer identificatie (ANI).

    Aspecten rond interconnectie

    Hoewel lastig behoeft interconnectie technisch niet de grootste obstakels op te leveren. Knelpunten ontstaan voornamelijk doordat het koppelen van netwerken binnen één geografisch gebied mogelijk wordt, waar voorheen een monopolist actief was. Dit brengt (A) economische en (B) beleidsmatige vraagstukken met zich mee. In het eerste geval staan de kosten en tarieven centraal. Ten aanzien van de beleidsvraagstukken gaat het vooral om doelmatigheid en universele dienstverlening. Bij de behandeling van deze aspecten baseren we ons op een studie van A. Andersen (1994) naar kostentoerekeningprincipes. In deze studie bestaat de 'interconnection charge' uit twee verschillende kosten die de volgende vier elementen omvatten (zie figuur 2):

    A. Kosten die toegerekend kunnen worden aan interconnectievoorzieningen

    A1 'Connection charge'
    Het betreft de direct toerekenbare kosten die gemaakt worden bij het fysiek koppelen van twee netwerken.

    Fysieke connectiekosten. Vanwege de sterk aantoonbare causaliteit tussen de benodigde wijzigingen in centrales, het aanleggen van huurlijnen enzovoort en de berekende tarieven, zullen deze kosten in de praktijk nauwelijks een struikelblok vormen. Onderhandelen lijkt hier daarom goed toepasbaar. Dit geldt ook in zekere mate voor het gebruik van het netwerk.

  • A2 'Conveyance charge'
    Het betreft kosten die gemaakt worden bij gebruik van diverse elementen in het netwerk: netwerkdelen, schakelcapaciteit, gespreksopbouw (call setup), billing en overhead enzovoort. Om precies de kosten voor gebruik te achterhalen is het nodig deze elementen van het netwerk te ontbinden.

    Ontvlechting van activiteiten. Het scheiden van activiteiten kan bijdragen aan eerlijke concurrentie en gelijke toegang. Een dergelijke scheiding kan structureel zijn of boekhoudkundig (Cave & Martin, 1994). In het eerste geval gaat het om een fysieke scheiding tussen het netwerk en de diensten (vertikaal). Het fysiek scheiden is technisch zeer lastig. Deze vorm van ontvlechting lijkt dan ook niet toepasbaar. Wel is fysieke scheiding van het netwerk mogelijk in een lokaal en lange afstands deel (horizontaal). Dit gebeurt in de Verenigde Staten.

    Boekhoudkundige scheiding tussen activiteiten krijgt gestalte in Australië en het Verenigd Koninkrijk. Een veronderstelling is dat met boekhoudkundige scheiding dezelfde doelen worden bereikt als met structurele scheiding. Namelijk het voorkomen van ongewenste kruissubsidiëring en daardoor oneerlijke concurrentie. Boekhoudkundige scheiding kan vertikaal (zoals Oftel wil in het Verenigd Koninkrijk: scheiding in onder andere een Dienstenbedrijf en een Netwerkbedrijf) of horizontaal (zoals British Telecom wil: scheiding van de lokale flessehals van het overige net).
    De regelgever kan ervoor kiezen de invulling tot in detail voor te schrijven. Het is ook mogelijk de gevestigde operator een voorstel te laten doen, waarna de regelgever dit al dan niet goedkeurt. In beide gevallen zijn aanzienlijke veranderingen in de boekhouding nodig.

    B. Kosten die samenhangen met verplichtingen en tariefbeperkingen

    Een onderscheid dat voorheen nauwelijks werd gemaakt betreft het verschil tussen doelmatigheid in het aanleggen en beheren van een landelijke dekkend netwerk en de verplichting tot universele dienstverlening. Een hiermee samenhangend verschijnsel is het verschil tussen de universele dienstverlening en een access (deficit) charge. Ter volledigheid de opmerking dat het begrip access charge verschillende betekenissen kent die variëren van het totaal aan toegangskosten tot enkel de verliezen in de periferie, hier de 'local access loss' genoemd.

  • B1 'Local access loss charge'
    Het betreft de tekorten die een operator heeft in de periferie van zijn netwerk en de mogelijkheid om deze te subsidiëren met gelden uit andere netwerkdelen of -diensten. De mate waarin een operator tekorten lijdt, hangt sterk samen met doelmatigheid.

    Doelmatigheid. Ten aanzien van doelmatigheid spelen twee doelstellingen (Schaffers, 1994):

  • het versterken van kostenefficiency van aanbieders door middel van concurrentie;
  • het voorkomen van inefficiënte duplicatie van infrastructuren, waarvan de gebruiker op den duur via tarieven de lasten draagt.

    Over de noodzaak van een specifiek interconnectiebeleid waarin tarieven op basis van asymmetrische voorwaarden gereguleerd worden, bestaan twee tegenstrijdige meningen. Tegenstanders stellen dat als de regelgever de gevestigde operator verplicht interconnectie te leveren tegen gunstige tarieven, dit tot laksheid bij de toetredende partij leidt. Er zal immers niet langer naar efficiëntie en technologische vernieuwing worden gezocht. Dit heeft bredere gevolgen voor de economie. Daarom is het beter concurrentie tot de markt toe te laten, en de consument zelf naar mogelijkheden te laten zoeken voor toegang tot de flessehals of hierover te onderhandelen. Interconnectie is dan één van de mogelijkheden.

    Voorstanders van een geregeld recht op interconnectie stellen dat bemoeienis van de overheid noodzakelijk is om de flessehals te openen. Alleen op deze wijze kan een concurrent een levensvatbare positie innemen op de markt. De regelgever kan in een vergunning of in wet- en regelgeving voorwaarden vastleggen en lage tarieven opleggen. Tevens voorkomt interconnectie dat er nogmaals een netwerk moet worden aangelegd dat overlast brengt (het openbreken van straten) en inefficiënte doublures kent.

  • B2 'Universal service obligation charge' Universaliteit van dienstverlening (UD) heeft in de telecommunicatie betrekking op toegang tot de infrastructuur (landelijke dekking) en op toegang tot de telefoondienst (gelijke voorwaarden). Om hieraan te voldoen moet een operator kosten maken, bijvoorbeeld om gehandicapten toch van bruikbare telefoontoestellen te voorzien of door het aanleggen van telefooncellen in afgelegen gebieden. Deze vormen van universaliteit doen zich slechts voor bij de basisdienst telefonie en zijn niet van toepassing op andere diensten.

    Universele dienstverlening. De verplichting tot universele dienstverlening vormt een essentieel vraagstuk bij interconnectie. Als echter niet goed omschreven is wat er onder wordt verstaan, kan er onduidelijkheid optreden. Zo ontstaat er verwarring tussen de UD en de access deficit charge (ADC). De gevestigde operators stellen namelijk dat zij de plicht hebben om ook de 'verliesgevende' periferie te bedienen terwijl concurrentie de winstgevende delen afroomt, hetgeen leidt tot een winstvermindering (deficit) bij de gevestigde operator. Dit legt een druk op de kruissubsidie van de tarieven uit andere delen van het netwerk. Discussie is of de nieuwkomer bovenop de access charge dit 'deficit' moet betalen en hoeveel dat dan zou moeten zijn.

    Het verdient echter aanbeveling een onderscheid te maken tussen de UD en de ADC. Zo is het volgens het onderscheid van Arthur Andersen niet juist de gemaakte kosten in de local loop gelijk te stellen met de kosten van UD. Er zullen zich namelijk klanten in de local loop bevinden die meer opbrengen genereren dan kosten. Een andere redenatie is dat landelijke dekking ook zonder overheidsdwang gerealiseerd zal worden. De marktvraag naar telecommunicatie maakt dat de aansluitdichtheid door de gevestigde operator zo hoog mogelijk wordt gehouden. Een wijdvertakt net is tevens van belang voor de concurrentiepositie van aanbieders van telecommunicatiediensten. Kortom, door UD en ADC te splitsen kan een beter onderscheid worden gemaakt tussen doelmatigheid en bepaalde (onrendabele) verplichtingen.

    Ervaringen in het buitenland

    Door het WIK/EAC is een uitvoerige studie verricht naar de ervaringen met interconnectie in Europese en overzeese landen. Op basis hiervan is een aantal aspecten gesignaleerd dat een rol speelt, namelijk:

  • Het recht op en de plicht tot het leveren van interconnectie
    Het is de vraag of alleen toetredende operators recht hebben op interconnectie of dat ook de gevestigde operator dat heeft. Een ander perspectief is in welke mate een operator verplicht is te voldoen aan verzoeken om koppeling.
  • Equal access
    De eis van equal access tot netwerkcomponenten en -diensten, zorgt ervoor dat dienstenaanbieders onderling kunnen concurreren, ongeacht of ze op het zelfde netwerk of verschillende netwerken zitten. De dienstenaanbieders kunnen zich onderscheiden door abonnees lagere tarieven of tariefpakketten te rekenen, het aanbieden van andere toegevoegde diensten, betere kwaliteit enzovoort.
  • Punt van interconnectie
    De koppeling kan op verschillende niveaus in het netwerk en langs verschillende routes plaatsvinden. De toetreder wil op een zo laag mogelijk niveau kunnen koppelen, de gevestigde operator ziet dat liefst op een hoger en beter controleerbaar niveau gebeuren. De plaats van de verbinding is bepalend voor de kosten van beide partijen.
  • Collocatie
    Bij fysieke collocatie wordt bijvoorbeeld apparatuur in de centrales van concurrerende operators geplaatst of er wordt gebruik gemaakt van bestaande kabelgoten. Fysieke collocatie geeft betere mogelijkheden tot equal access dan virtuele collocatie, waar apparatuur in beheer is van de gevestigde operator.
  • Nummerportabiliteit en nummering
    Nummerportabiliteit maakt het behoud van het abonneenummer mogelijk bij wisseling van operator, hetgeen van belang is voor concurrentie. Dit vereist echter aanzienlijk en langdurig (één tot twee jaar) technisch ingrijpen. Bij nummering moet gedacht worden aan het ontwikkelen van nummerplannen en het vrijmaken van ruimte voor nieuwe nummers voor toetreders.
  • Interconnectietarieven De wijze waarop de interconnectiekosten worden gebaseerd en de hier uit afgeleide tarieven.
    In het algemeen geldt dat niet ieder land alle aspecten op dezelfde wijze behandelt. Soms wordt onderhandeld, soms vindt bemoeienis van de regelgever plaats. Onderhandelen blijkt doeltreffend wanneer het gaat om de kwaliteit van de dienst en het hanteren van standaarden. Indien bemoeienis nodig wordt geacht, zal vervolgens besloten moeten worden of sectorspecifieke regulering gebruikt zal worden of dat mededingingswetgeving het voornaamste instrument is.
    In het algemeen wordt gebruik gemaakt van sectorspecifieke regulering. Deze vorm van regulering wordt op verschillende wijzen en momenten toegepast. Hier zijn enkele regelmatigheden te zien. Regulering vooraf heeft voornamelijk plaats gevonden ten aanzien van het recht op interconnectie, het punt van interconnectie, equal access en de nummering. In beduidend mindere mate wordt mededingingswetgeving als instrument gehanteerd. Twee duidelijke voorbeelden van deze verschillende beleidskeuzes leveren de aanpak in Australië en Nieuw-Zeeland.
    In Australië is interconnectie nog voordat de nieuwe toetreder op de markt kwam, gedetailleerd geregeld in specifieke telecommunicatiewetgeving door de regelgever Austel. Dit geldt ondermeer voor de berekening van interconnectietarieven en access charges. Wanneer de concurrent echter een marktaandeel van 25 procent heeft bereikt, zal de regelgever plaats maken voor commerciële onderhandelingen. De toegetreden operator wordt dan voldoende sterk verondersteld. Pas als de uitkomsten van deze onderhandelingen niet bevredigend worden opgelost, zal Austel alsnog als scheidsrechter optreden.
    In Nieuw-Zeeland leunt het daar gevoerde interconnectiebeleid zwaar op de mededingingswet. Het mededingingsbeleid lijkt succesvol: in anderhalf jaar tijd heeft Clear, de concurrent op vaste infrastructuur, een marktaandeel van rond 20 procent weten te behalen. De snelle komst geldt ook de mobiele operator Bellsouth cellular (Saunders, 1994). Daarentegen stelt Scanlan (1994) dat niet mededinging (en de afwezigheid van regulering) maar _ onbewust _ gunstige interconnectietarieven de reden voor succes vormden.
    In de huidige Nederlandse situatie is de Wet Economische Mededinging (WEM) nog niet toereikend. Op termijn zal dit wel een bruikbaar instrument zijn. Mededingingswetgeving kan met name een rol spelen bij het tegengaan van misbruik van marktdominantie door een partij en bij het garanderen van gelijke toegangsvoorwaarden.
    Een gevolgtrekking is dat voorlopig gebruik gemaakt moet worden van sectorspecifieke regulering. Of dan sprake moet zijn van sterk gedetailleerde regulering valt te betwijfelen. We spreken een duidelijke voorkeur uit voor regulering in de vorm van algemene principes.

    De Nederlandse situatie

    Een concurrerend aanbod van infrastructuur en diensten leidt naar verwachting tot gunstige perspectieven voor bedrijfsleven en consument. De overwegingen die tot deze stellingname hebben geleid zijn in de hoofdlijnennotitie (1993) verwoord. In de betreffende notitie wordt concurrentie op infrastructuur in 1995 voorzien. De Nederlandse overheid, in het bijzonder het Ministerie voor Verkeer en Waterstaat, is dan ook al druk doende met het schrijven van een interim-wetsvoorstel waarmee concurrentie op infrastructuur mogelijk wordt gemaakt. Het voorstel is medio december 1994 in het Overlegorgaan besproken. Momenteel worden nog enige wijzigingen aangebracht waarna, indien alles volgens plan verloopt, het voorjaar 1995 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Eind 1995 kan dan de tweede operator _ Enertel? _ van start.
    Effectieve concurrentie op infrastructuur vereist een helder interconnectiebeleid. Afspraken tussen de marktpartijen over de voorwaarden waartegen de infrastructuren worden gekoppeld, moeten, wanneer geschillen bestaan, getoetst worden aan vooraf helder geformuleerde criteria. De discussie over de te hanteren criteria dient dus voor de toetreding van de nieuwe marktpartij te worden afgerond. Een onafhankelijke instantie of arbiter zal bij een eventueel beroep een gefundeerde uitspraak moeten kunnen doen. Ook in de sfeer van de rechtspraak zullen bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen. Tevens zullen afspraken moeten worden gemaakt over de informatieverstrekking.
    De scheidsrechtersrol die voor de Minister tot dusverre in de concept-interimregelgeving is voorzien voorstellen, is niet voldoende om processen in goede banen te leiden. Onduidelijkheid bestaat bijvoorbeeld over de grondslag en de criteria op basis waarvan de minister haar oordeel zal geven. Een brede discussie over het toekomstige interconnectiebeleid zal daarom zo spoedig mogelijk moeten worden gevoerd.
    Afspraken zijn zeker in het beginstadium van concurrentie nodig. Na verloop van tijd, wanneer de marktverhoudingen een zeker evenwicht hebben bereikt, kan waarschijnlijk met een actief mededingingsbeleid worden volstaan. In de praktijk is deze weg tot dusverre door één land gevolgd. In Nieuw-Zeeland heeft men de sector-specifieke regelgeving achterwege gelaten en wordt de telecommunicatiemarkt via de mededingingsregelgeving aangestuurd.
    Lering trekken uit ervaringen die in andere landen zijn opgedaan, is aanbevelenswaardig. De bijzonder complexe situatie waarin men momenteel in het Verenigd Koninkrijk verzeild is geraakt, behoeft geen navolging. Het is daarom van het grootste belang dat tijdig wordt gereageerd op de ontwikkelingen.

    Aanbevelingen

    Op basis van het bovenstaande betoog komen we tot een zestal aanbevelingen voor te voeren interconnectiebeleid. Figuur 3 toont wat binnen welke kaders geregeld kan worden en wat overgelaten kan worden aan commerciële onderhandelingen.

    1 Algemene principes baseren op ONP Kaderrichtlijn
    . De algemene principes van de ONP-kaderrichtlijn zijn: objectiviteit, transparantie en niet-discriminatie. Recht op interconnectie voor alle partijen en een plicht tot het verzorgen van interconnectie voor die partijen die onder de richtlijn vallen. 2 Raamwerk voor interconnectiebeleid.
    Dit kader voor onderhandelen zal toe moeten zien dat de commerciële onderhandelingen in een eerlijke en tijdige overeenkomst resulteren.

  • Commerciële onderhandelingen zouden de basis moeten vormen voor interconnectie-overeenkomsten.
  • De nationale regelgevende overheidsorganen moeten een rol spelen bij het bepalen van de basis voor onderhandeling.
  • Er moeten principes komen voor interconnectietarieven.

    3 Interconnectietarieven

  • interconnectietarieven dienen via commerciële onderhandelingen tussen de betrokken partijen tot stand te komen. Toezicht dient hierop te worden uitgeoefend en zo nodig zal er door de regelgever tussentijds ingegrepen moeten worden. Mededingingswetgeving is van toepassing;
  • interconnectietarieven dienen een efficiënte en levensvatbare markttoegang te stimuleren. De tarieven dienen gebaseerd te zijn op de onderliggende kosten;
  • de kosten van inefficiënt handelen mogen niet worden doorbelast aan de nieuwkomer. Tarieven dienen transparant, niet-discriminatoir en voldoende 'unbundled' te zijn. Goedgekeurde kostenverrekeningssystemen moeten worden geïmplementeerd. Publikatie biedt hiertoe de beste garantie;
  • verliezen tengevolge van onevenwichtigheid in de tarieven mogen in het interconnectietarief worden doorberekend.

    4 Fonds voor universele dienstverlening.
    De heffingen om in de universele dienst te voorzien worden gecompenseerd uit een universeel dienstverleningsfonds. Het betreft klanten die economisch niet rendabel zijn en enkele verplicht opgelegde diensten zoals emergency services en telefooncellen.

    5 Arbitrage.
    De regelgevende autoriteit ziet toe op transparantie en non-discriminatie. Een mechanisme voor het oplossen van geschillen.

    6 Nummerportabiliteit, collocation en het punt van interconnectie.
    De regelgever zal mede zorg moeten dragen voor het tot stand komen van nummerportabiliteit, collocation en het punt van interconnectie.

  • Een mogelijke oplossing voor het vraagstuk van de nummerportabiliteit is één gecentraliseerde database te maken, die bekostigd wordt door alle betrokken operators en die beheerd wordt door een onafhankelijke instelling.
  • Ten aanzien van het punt van interconnectie dient de regelgever erop toe te zien dat eerlijke concurrentieverhoudingen en het belang van de consument zijn gewaarborgd.

    Arthur Andersen (1994), A study on cost allocation and the general accounting principles.
    Cave, M. & Martin, I. (1994), 'The costs and benefits of accounting separation: the Australian and British debates.' Telecommunications policy. jrg. 18, nr. 1, 12-20.
    Oftel, Interconnection and accounting separation. Consultative document (juni 1993); the next steps (maart, 1994). UK Standard interconnection charges. Proceedings of a workshop (Oktober 1994).
    Saunders, M. (1994), 'Telecommunications regulation in New Zealand.' Telecommunications policy. jrg. 18, nr. 6, 495-496. Scanlan, M. (1994), 'Introducing competition into the telecommunications network: is regulation law rather than regulation the answer?' Telecommunications policy. jrg. 18, nr. 6, 432-434.
    Schaffers, H. (1994), Interconnectie en concurrentie in de telecommunicatie: een beleidsgerichte verkenning. TNO-STB: Apeldoorn.
    Stralen, A. van (1994), Net gekoppeld: een beleidsstudie naar de koppeling van telecommunicatienetwerken. Den Haag. TK (1993-1994), 21 693, nrs 13 en 14. Hoofdlijnennotitie herziening WTV.
    WIK-EAC (1994), Study on interconnection in the domain of ONP. Interim report and draft country studies, mei 1994; executive summary, oktober 1994.