I&I-> Jaargangen -> Artikel

Perspectieven voor bedrijven
in telecommunicatie
en multimedia

Door Hans Schaffers


Door de snelle technologische ontwikkelingen op het gebied van telecommunicatie en multimedia is ook de concurrentiesituatie voor de aanbieders van informatie- en communicatiediensten sterk in beweging. Tegenover de risico's van investeringen in nieuwe activiteiten en de kansen op toekomstige kasstromen staan de risico's van het achterblijven. Partijen in de uitgeefwereld, de software en de energiesector maar ook sommige eindgebruikers zien nieuwe toetredingsmogelijkheden. Wat zijn de perspectieven voor het Nederlandse bedrijfsleven?


De komst van een breedband-gebaseerde dienstenmarkt biedt de huidige Nederlandse informatieproducenten, zoals uitgevers en grafische bedrijven, audiovisuele producenten en omroepen, mogelijkheden die genuanceerd moeten worden bekeken, gegeven de specifieke sterktes en zwaktes van die sectoren. De kernpro- blemen liggen in fragmentatie, het ontbreken van verticale integratie en het gebrek aan sectoroverschrijdende innovatie. Op het gebied van informatieproduktie en televisie/video heeft Nederland op zichzelf natuurlijk een aantal belangrijke ondernemingen in huis (Den Hertog, 1994). Het betreft naast aanwezigheid van Philips op het gebied van digitale video een aantal internationaal sterke uitgevers, producenten van cd-i titels (van de ongeveer 250 bedrijven wereldwijd zijn er zo'n 30 in Nederland gevestigd) en vele, op Endemol en NOB na, kleine audiovisuele producenten en facilitaire bedrijven. Sommige van deze bedrijven hebben een achtergrond in de ontwikkeling van multimedia (Valkieser, Codim, Wigant). Nederland heeft op audiovisueel gebied een relatief hoge produktiewaarde, maar de sector is tegelijkertijd relatief gefragmenteerd en kwetsbaar (McKinsey, 1993).
Op het gebied van nieuwe media wordt een afwachtende houding ingenomen door traditionele spelers zoals uitgevers. Dit komt ten dele door de grote risico's en onzekerheden rond kwesties als standaarden, randapparatuur, distributiemedia en marktvraag; de grotere partijen hebben kennis opgebouwd, werken aan machtsconcentratie (hetgeen valt te zien aan VNU en haar re- laties in televisiedistributie en -produktie) en wachten het juiste moment voor verdere investering af. Omroepen worden in hun activiteiten sterk belemmerd door regelgeving. De potentieel innovatieve rol van kleinere AV-ontwikkelaars en -producenten moet versterkt worden door sectoroverschrijdende projecten in de precompetitieve sfeer (software, omroep, computing, telecom, media); bij uitstek een rol voor het technologiebeleid op nationaal niveau. De kleine multimedia ontwikkelbureaus zijn momenteel weinig levensvatbaar. In kernsectoren zoals IT hard- ware software, amusement en informatiediensten is Nederland betrekkelijk zwak en weinig innovatief; het aanbod wordt gedomineerd door Amerikaanse bedrijven. De kabeltelevisiewe- reld is afwachtend, te nationaal georiënteerd en weinig innovatief. Te verwachten valt, gezien de internationale trends, voor de nabije toekomst de vorming van een beperkt aantal sterke maar tijdgebonden allianties rond KPN, Philips, kabeltelevisie-exploitanten, uitgevers, softwarebedrijven, Amerikaanse telecom/kabelbedrijven, en ook sterke dienstenafnemers zoals financiële instellingen. De kleine ontwikkelaars worden toeleveranciers en komen onder grote druk te staan, want het toekomstige aanbod is verregaand internationaal.

Nieuwe rollen

In de nabije toekomst zullen uitgevers en omroepen, om levensvatbaar te zijn, nieuwe rollen moeten vervullen verge- leken met hun huidige gerichtheid op de uitgeeffunctie. De hiermee gepaard gaande structuurverandering in de mediacluster heeft belangrijke economische gevolgen. De nieuwe rollen zullen zich in de multimedia-industrie vooral vanuit de telecomsector ontwikkelen, zoals de interactieve multimedia host functie (het verzorgen van interoperabiliteit, betalingsafhandeling, ac- count management) en service control. Hoewel de content players een strategische rol krijgen in de multimediamarkt, blijven zij altijd kanalen en hostfuncties nodig hebben. Gezien de internationale en technologische ontwikkelingen valt er vooral een tendens naar verticale integratie te verwachten, met als kern de beheerders van distributiekanalen.
Het vasthouden aan traditionele rolverdelingen in de informatieproduktie _ audiovisuele sector, aanbieders van televisie, informatiediensten, uitgevers _ zal in een 'multimedia-industrie' tot onvermogen leiden om nieuwe concurrentiebepalende technologie te benutten en marktaandeel te behouden, en uiteindelijk tot stagnatie. De rol van omroepen zal verschuiven naar die van informatieproducent, mogelijk gekop- peld aan interactieve multimedia hostfuncties. Voor omroepen bete- kent interactieve televisie zowel een bedreiging als kans (de omroepregulering valt niet te handhaven gegeven het vooruit- zicht van interactieve televisie). De convergentiebewegingen leiden tot zowel integratie _ spelers op elkaars gebied _ als speciali- satie (hostfuncties, betalingsafhandeling, service provision & con- trol, service generation enzovoort), versterkt doordat toegevoegde waarde op steeds hogere integratieniveaus moet worden gele- verd.
In de informatieproduktiesector liggen, los daarvan of deze bereikbaar zijn voor Nederlandse bedrijven, belangrijke kan- sen. Benutten van deze kansen door Nederlandse bedrijven impliceert de noodzaak van structurele veranderingen in de cluster en in de strategie. Kansen komen vooral voort uit toekomstige behoeften aan distributed multimedia toepassingen, nieuwe randapparatuur en multimedia software, nieuwe distributietechnologieën en nieuwe programmavormen (on-demand diensten). De AV-sector zou moeten profiteren van mogelijkheden op het gebied van onder- wijs en amusement op basis van nieuwe platforms en programmavormen. Uitgevers zijn reeds lang actief in nieuwe media, maar zullen zich voorlopig vooral richten op het eigen bedrijfsproces (electronic publishing). Het lijkt erop dat de markt voor bedrijfstoepassingen van multimedia (inclusief business-con- sumer) de meest stabiele en levensvatbare zal worden, boven de markt voor amusement, en ook de meest cruciale voor het investeren in informatie-infrastructuren. Driver op termijn is vooral de totstandkoming van elektronische communicatienetwerken, en veel minder _ althans voor wat betreft de langere termijn _ de stand-alone toepassingen. Wanneer de stand-alone markt snel voet aan de grond krijgt, kan dit beeld overigens aanzienlijk verschuiven. De beperkte kansen voor de 'traditionele' audiovisuele produktie liggen vooral in het geschikt maken van beeld/audiomateriaal voor toepassing via alternatieve platfor- men en media (cd-i, cd-rom, telecommunicatie), en in het uitbaten van differentiatiemogelijkheden voor programma's die niet aan taal zijn gebonden zoals muziek-, geschiedenis- en natuurprogram- ma's. De fragmentatie van de audiovisuele sector en van aanbieders van interactieve multimedia vormt daarbij echter een belemmerende factor. De kritische succesfactor is het totstandbrengen van met name verticale en sectoroverschrijdende integratie.

Interconnectie, toegang, diversiteit

Gegeven Europese en wereldwijde ontwikkelingen is het Neder- landse meer reagerende dan anticiperende mediabeleid aan herziening toe. Deze herziening, in nauwe samenhang met vernieuwing in het telecombeleid, zal een aantal knelpunten en conflicten met zich meebrengen. Gezien wereldwijde ontwikkelingen, gezien de internationalisering van het dienstenverkeer en gezien de beperkte schaal van de Nederlandse markt moet de teveel op de puur Nederlandse situatie gerichte benadering ten aanzien van verticaal geïntegreerde ketens worden verlaten. Concurren- tie kent een internationaal speelveld. Protectie is in de toekomst vrijwel niet mogelijk gegeven de nieuwe communicatietechnologieën. De omroepregulering, en ook de EU-regelgeving met betrekking tot culturele diversiteit, valt niet te handhaven gegeven de komst van interactieve televisie _ toch spelen nieuwe programma- en distributievormen geen rol in de herziene mediawetgeving. In nieuwe wet- en regelgeving betreffende de ontluikende multimediasector moet om te begin- nen, zoals ook de Mediaraad onlangs stelde (Mol, 1994), open toe- gang tot bottleneck-diensten (met name elementen van distributienetwerken) centraal staan naast een zeker niveau van universele diensten. Dat is een cruciale basis voor het be- reiken van belangrijke doelstellingen van media- en informatiebeleid zoals versterking van de economische structuur, communicatievrijheid, mededingingsvrijheid en informatiediversiteit. Er is echter op beleidsniveau nog lang niet duidelijk wat de bottleneck-diensten zijn, wat open toe- gang precies betekent en vooral hoe deze moet worden afgedwongen.
Conflicten tussen doelstellingen zullen er altijd blijven vanwege de voortdurende veranderingen in technologieën, diensten en marktverhoudingen. Regelgeving en ordening moet zich daarom instellen op een moving target. Gelukkig is marktwer- king in veel gevallen niet strijdig met maatschappelijke doelstellingen zoals informatiediversiteit en universele dienstverlening, mits voldaan wordt aan de eis van open toe- gang tot bottleneck-diensten. Marktwerking kan immers helpen om de efficiency van het aanbod van bepaalde diensten te verbeteren. Door het introduceren van concurrentie om subsidies en, indien nodig, concurrentie om toegang kan een universele dienst of must carry systeem dat anders onder druk zou komen te staan door nieuwe programmavormen zoals betaaltelevisie of video on de- mand behouden blijven. Alternatieve modellen voor financiering van bijvoorbeeld kabeloperators _ nu een machtsblok dat tussen de consumenten en de programma-aanbieders in staat _ zullen daar- bij moeten worden bekeken. De visie op informatie als verkoopbaar produkt _ gezien recente suggesties om de publieke omroep als abonnee televisie aan te bieden _ is misschien onontkoombaar maar daarom nog niet aanvaardbaar. In dat kader is het thema uni- versal service (en de kwaliteit daarvan) weer actueel, zowel met betrekking tot informatietransport als informatie-inhoud. De nadelen van content regulation kunnen wellicht alleen vermeden worden door verregaande ontbundeling van de knelpuntfuncties en vermindering van de drempel tot content development, iets waar de Europese op harmonisering gerichte regelgeving veel minder dan de Amerikaanse (Open Network Architecture) op is ingesteld.
Marktwerking en marktmacht verdient veel meer aandacht in het overheidsbeleid; men moet om optimaal innovatie en werkgelegenheid te bevorderen veel meer anticiperen op wat komt in plaats van te reageren op wat heeft plaatsgevonden. Meer dan het scheppen van wettelijke kaders voor regelgeving is het besef nodig dat het doel van de regelgeving steeds verandert en er sprake is van een moving target. Het gaat daarbij om de marktwerking in een gehele cluster van informatie-, transac- tie- en communicatiediensten, niet in deelsegmenten van de infor- matie- en mediasector (omroep, telecomdiensten, informatie). Niet de feitelijke concentratiegraad en sunk cost is maatgevend maar het totaal van alle concurrentiekrachten in een keten en de bete- kenis daarvan voor potentiële concurrentie- en innovatiemogelijkheden in die keten. De huidige ontwikkeling in de multimediasectoren naar verticale en horizontale integratie gecombineerd met specialisatie en convergentie van technologieën vereist een totaalblik. Zonder scherp in- zicht in bronnen van excessieve marktmacht, in de rol van technolo- gie daarbij en in de uitwerking op toekomstige concurrentiekrach- ten is mededingingsbeleid niet mogelijk of werkt vertragend en zelfs destructief op innovatie.
Oorzaak van excessieve marktmacht is steeds de beheersing van toegang. Het toegangsprobleem speelt op vele niveaus: toegang tot informatie, tot diensten, tot infrastructuren, tot marktsegmenten. Hierbij gaat het steeds om toegang tot func- ties waarvan beheersing de markt kan verstoren, keus van afnemers kan beperken, prijsdiscriminatie oplevert enz. Het is niet vol- doende om toegang en interconnectie te verplichten via wet- en regelgeving, het gaat steeds ook om de voorwaarden waaronder toegang moet worden geboden (Schaffers, 1994). De voorwaarden voor toegang worden in Nederland in de telecomsector tot nog toe in aanzienlijke mate aan partijen zelf overgelaten. Dat speelt de dominante partij in de kaart omdat inzicht in kostenstructuren en trends in concurrentiekrachten waarop redelijke toegangsvoorwaarden zouden kunnen worden gebaseerd ontbreekt, ook bij de regelgever. Ondanks het formeel wegnemen van belemme- ringen in regelgeving door verplicht stellen van interconnectie is sprake van door marktmacht bepaalde tarieven en voorwaarden. Alleen de verregaande ontbundeling van netwerk- en dienstenelementen en volledige introductie van concurrentie kan dit tegengaan.
Interconnectieproblemen en standaardiseringsprocessen spelen niet alleen binnen het informatietransport, maar steeds duidelijker ook in de relatie tussen informatieproduktie en -transport. Dit blijkt niet alleen uit de internationale trends naar verticale integratie en daaruit voortvloeiende marktmachtproblematiek, maar ook in de Nederlandse verhoudin- gen bij toegang van programma-aanbieders tot kabelinfrastructuren. Tekenend zijn ook de nieuwe dilemma's rond toegang en standaardisatie die uit technologische ontwikkelingen voort- komen zoals conditional access systemen, de aard en lokatie van intelligentie in netwerken, en de ontwikkeling van standaarden voor digitale video. Daarbij is het vraagstuk van de lokatie van intelligentie van strategische betekenis voor de rolverdeling van kabeltelevisie-operators, hardware- en software-aanbieders en producenten van consumentenelectronica. Toegang tot netwerken en de plaats van de intelligentie is essentieel bij de vraag wie welke nieuwe diensten zal ontwikkelen. Open access is het sleutelwoord; hierbij doemen nieuwe vragen op zoals onder welke omstandigheden standaardisatie aan de markt moet worden overgelaten en waar actief centraal ingrijpen noodzakelijk is, en op welk niveau van detail standaards gewenst zijn gezien hun impact op innovatie.
Scenario's voor de ontwikkeling van een Nederlandse mediacluster zijn sterk afhankelijk van onzekerheden in het beleidstraject; de mediawetgeving in relatie tot de telecomregelgeving, het passieve dan wel actieve mededingingsbeleid, de organisatie van standaardisatieproces- sen. Ook de totstandkoming van verticale allianties speelt een bepalende rol. Verwacht kan worden dat nieuwe combinaties van partijen (rond KPN, Philips) de mogelijkheden in snel tempo aftasten, allereerst uitmondend in aanbod van on-demand dien- sten. Het aanbod (van informatie, van diensten, software enzovoort) zal binnen korte tijd sterk internationaal worden. De kleinere AV- en multimedia-producenten krijgen een moeilijke rol als toeleveranciers in een internationaliserende markt. Dit toont het grote belang van innovatieve sectoroverschrijdende dienstontwikkeling in deze sectoren en van sterke, maar flexibele allianties.

Telecommunicatie: de 'tussenlaag'

Veranderingen in technologie, kostenstructuren en diensten leiden voor aanbieders van telecomdiensten tot nieuwe strategische keuzes. Er is behoefte aan en ruimte voor nieuwe specialistische typen dienstenaanbieders. De marktstructuur verandert op essentiële punten. De marktdynamiek komt niet van infrastructuuraanbieders maar vooral van de service providers. Strategische keuzes worden bepaald door visie op de eigen positie (technologie, distributiekanalen, toekomstige marktbehoeften) en de 'bereikbare' marktniches. Het gaat zowel om bestaande spelers (netwerkaanbieders, doelgroepnetwerken, private netwerken) als om nieuwe spelers gericht op nieuwe rollen die in de toekomst mogelijk worden: service providers en _ operators, service retailers, host/platform operators, operators van intelligente netwerkfuncties.
Grofweg onderscheid makend tussen 'horizontale', qua aanbod breed georiënteerde diensten en 'vertikale', branche- of bedrijfsgerichte diensten moet beseft worden dat de werkelijke dynamiek plaatsvindt in de tussenlaag van op intelligentie gebaseerde geavanceerde functies rond spraak/data/videodiensten. Hierbij kan men denken aan betalingsafhandeling/incasso, account management, electronic trading, mobiliteitsdiensten, identificatiegebaseerde transactiediensten, call centres en gedistribueerde interactieve diensten. Transport wordt langzamerhand een commodity. Bij het veroveren van de kennisintensieve tussenlaag van op intelligentie gebaseerde diensten met hoge toegevoegde waarde, cruciaal voor het overleven van telecom operators, zien we naast value added netwerken (PTT Multimedia) ook hardware- en softwareaanbieders (producenten van servers/platforms zoals Oracle; software interface aanbieders zoals General Magic, system integrators zoals Cap Volmac) meespelen.

Strategische flexibiliteit

Niet alleen de marktreikwijdte, ook de technologische flexibiliteit speelt een essentiële rol bij strategievorming. Hierbij kan grofweg onderscheid worden gemaakt tussen 'smalle' netwerken, gekenmerkt door een beperkte technologische basis _ videotex, EDI, specifieke protocollen en dergelijke _ en een beperkte flexibiliteit in termen van inspringen op nieuwe marktkansen, en 'brede' netwerken, gekenmerkt door een brede technologische basis en een hoge mate van flexibiliteit. Smalle netwerken, bijvoorbeeld op basis van videotex die tot nog toe diensten verzorgen in een breed scala aan branches, moeten in technologische verbreding en dienstontwikkeling investeren om levensvatbaar te zijn. Smalle netwerken die een duidelijke functie in specifieke bedrijfsprocessen in een keten hebben, zoals kostenbesparing bij transacties, kenmerken zich door een lager risico. Brede netwerken richten zich op generieke diensten, zoals het bieden van toegangs- en transportfuncties; zij kunnen zich verbreden door nieuwe informatie-, transactie- en communicatiebehoeften van nieuwe gebruikersgroepen te koppelen en door diversificatie naar de informatiediensten zelf.
Kansen voor de eerdergenoemde horizontale aanbieders liggen vooral in de groeiende behoefte aan geavanceerde communicatiediensten. De belangrijkste behoeften waarop aanbieders van netwerk- en toegevoegde-waardediensten moeten inspelen, liggen in verzorgen van interoperabiliteit, interconnectie, incasso etc. voor organisaties in zeer verschillende local loops en in zeer verschillend branches. Dit creëert uiteraard nieuwe, maar oplosbare, problemen op gebieden als interconnectie/toegang, standaardisatie en beveiliging. Het creëert echter ook belangrijke kansen voor partijen die in staat zijn om hiervan te profiteren. Een aantal spelers bevindt zich in de positie om deze kansen te benutten, maar dat vereist een weloverwogen groeistrategie en ook vormen van samenwerking. Cruciale nieuwe partijen voor de tussenlaag zijn niet alleen hoogwaardige doelgroepnetwerken zoals Surfnet maar, op den duur, ook kabeltelevisienetwerken en zendernetten.
In toenemende mate worden intelligente netwerkfuncties zoals dienstenontwikkeling, dienstenmanagement en beheer van centrale databases de basis voor geavanceerde diensten. Het betreft diensten zoals virtuele private netwerken, cashless calling, mobiele diensten en incassodiensten; diensten met een hoog groeipotentieel. Niet alleen worden mededingingsproblemen opgeroepen vanwege de toegang tot de centrale intelligente functies door andere operators en service providers, ook resulteert dit in een aanmerkelijke verandering in het proces van dienstontwikkeling door nieuwe client-server netwerkarchitecturen. In toenemende mate is in dat proces samenwerking tussen anderszins concurrerende partijen vereist.

Zelf doen of uitbesteden

De keuze tussen 'zelf doen' en 'uitbesteden' op het vlak van telecomdiensten hangt meer af van te creëren strategische flexibiliteit dan van een concrete kosten-baten analyse. Op den duur zal met de beschikbaarheid van meer intelligentie (VPN) en netwerkmanagement systemen voor private netwerken een scala van mengvormen tussen zelf doen en uitbesteden ontstaan. De keuzes worden door veel factoren bepaald, zoals kosten, kwaliteit, netwerkbeheersing, beveiliging, risico's en kennisniveaus, die voortdurend verschuiven. Deze complexiteit blijkt ook uit de veelal tegenstrijdige of wisselende signalen van eindgebruikers zoals banken. Dat voor banken uitbesteden optie is, betekent ook dat netwerkactiviteit voor hen nog steeds eerder een kostenpost dan de waardevolle 'optie' van innovatieve dienstontwikkeling is. Toetreding van specialistische internationaal georiënteerde aanbieders van closed user group spraak-/datadiensten tot de Nederlandse markt zal voor dergelijke bedrijven een deel van het probleem oplossen. De uitdaging is om op basis van nieuwe technologie zoals intelligente netwerkfuncties en distributed multimedia nieuwe geavanceerde diensten in eigen beheer te ontwikkelen.
Geavanceerde diensten bieden tegelijkertijd veel dichter aan de kant van de kernbedrijfsfuncties nieuwe mogelijkheden tot uitbesteding en automatisering; deze mogelijkheden worden in de toekomst geleverd door de aanbieders van de 'tussenlaag' van geavanceerde netwerkdiensten. Hierbij kan worden gedacht aan administratieve functies van organisaties en ook aan marketing- en verkoopfuncties. De belangrijkste trekker in deze tussenlaag is momenteel KPN. Aanbieders van audio- en videotexdiensten zoals banken, postorderbedrijven en traditionele operators bieden nu reeds op basis van identificatie en betalingssystemen diensten aan consumenten zowel als aan ondernemingen. Een zeer doeltreffend en actueel voorbeeld van dergelijke uitbesteding van kernfuncties is het call centre ('belfabriek'), de geautomatiseerde afhandeling van inkomend telefoonverkeer.

Aanbodzijde

Verandering in het dienstenaanbod gaat in de richting van overname van lagere netwerkfuncties van eindgebruikers door internationaal opererende aanbieders en opkomen van nieuwe intermediaire dienstenaanbieders. De tussenlaag van intermediaire geavanceerde diensten wordt voorlopig nog beheerst door KPN, op basis van haar vrijwel exclusieve kennis van dienstenmanagement. Het is te voorzien dat andere partijen een belangrijke rol kunnen spelen (hostorganisaties, aanbieders van betalingsafhandeling en identificatie, hardware/softwarebedrijven, Telecom 2 mits gekoppeld aan een buitenlandse operator). Niet uit te sluiten is dat grote transactiegerichte eindgebruikers eveneens meespelen. Voorwaarde is altijd de toegang tot de belangrijke netwerkfuncties. Van een aantal partijen die hetzij een smalle technologische basis hebben (Videotex), hetzij een smal marktbereik (Surfnet) kan een rol in dit traject worden verwacht. Te denken valt ook aan doelgroepnetwerken zoals GemNet en financiële EDI-netwerken. De trend zal gaan naar samenwerkingsverbanden tussen partijen die elk een deel van de technische faciliteiten, kennis, distributiekanalen bezitten. Ook value added networks zoals EDS en IBM zullen een bepalende rol spelen in geavanceerde _ multimedia _ communicatiediensten.
Bij de uitbesteding van bedrijfsnetwerken is de situatie complex. De economie van de keuzes verandert (tarieven, technologie; complexe technologie vereist specialistische aanbieders). Virtuele netwerken vormen _ op den duur ook in Europa _ een goed alternatief voor private netwerken. In de toekomst wordt het voor nieuwe (internationale) operators en aanbieders van value added diensten gemakkelijker om in concurrentie geavanceerde spraak- en datadiensten aan te bieden. Verbetering van het aanbod valt vooral te verwachten van internationale bedrijven (operators, computerbedrijven, system integrators) met een zeer hoog niveau in klantenzorg, interconnectiviteit en technologie. De 'tweede aanbieder' zal hier, echter alleen mits gekoppeld aan een buitenlandse operator en mits de interconnectieproblematiek voldoende goed geregeld is, een rol van betekenis spelen.

Regelgeving, beleid

Voor wat betreft regelgeving en beleid zijn de belangrijkste kwesties op de agenda gelegen in mededinging (toegang, interconnectie) en versterking van de economische structuur door innovatie. De belangrijke issues van de afgelopen tijd waren grensoverschrijdend data-/spraakverkeer, netwerk interconnectiviteit, mededingingsproblemen in de keten vanwege elektronische netwerken, toegang tot netwerken voor bijvoorbeeld buitenlandse gebruikers en producenten, interconnectie van telecomnetwerken met kabeltelevisie- en mobiele netwerken, marktmachtproblemen. Deze zijn nog steeds niet bevredigend opgelost. Het Europese ONP-kader is daarvoor ook nog te globaal en een essentieel element dat in de Verenigde Staten veel uitgesprokener invulling heeft gekregen, namelijk ontbundeling, ontbreekt.1 Mededingingsproblemen zullen in de toekomst belangrijker worden, vooral rond toegang, interconnectie en verticale integratie. Voorbeelden van technologie-gebaseerde marktmacht liggen in intelligente netwerkfuncties _ de beheersing daarvan bepaalt de vooruitzichten voor dienstontwikkelaars _, toegang tot local loops en beheersing van encryptiesystemen bij satelliettelevisie.
Elektronische netwerken creëren juist door hun netwerkkarakteristieken (de al of niet aanwezigheid van sunk cost, economies of scale) en door de in de markt aanwezige concurrentiekrachten (het al of niet aanwezig zijn van potentiële concurrentie) nieuwe mededingingsverhoudingen. De concrete vorm van mededingingsbeleid hangt steeds van de innovatie- en marktvooruitzichten af. Dat geldt voor de infrastructuur zowel als voor transactie- en reserveringsnetwerken, maar de onderliggende techno-economische karakteristieken zijn bepalend (Schaffers & Knieps, 1994). De nu reeds zichtbare mededingingsproblemen bij de toegang van informatieproducenten tot (kabel-)netwerken illustreren het grote belang van een op de multimedia-industrie gericht interconnectie- en mededingingsbeleid. Belangrijke nieuwe onderwerpen liggen in toegang tot local loop infrastructuren voor het aanbieden van on-demand diensten en toegang tot intelligente netwerkfuncties voor met telecomoperators concurrerende aanbieders.
Voorkomen van prijsdiscriminatie en stimuleren van innovatie moeten dé doelstellingen zijn van mededingings- en interconnectiebeleid. Rol van de overheid ligt in het zorgdragen voor mededingingscondities; daartoe behoren issue zoals af kunnen dwingen van toegangs- en interconnectievoorwaarden en waar noodzakelijk standaardisatie (denk aan conditional access systemen; informatie-architecturen in de gezondheidszorg en intelligente verkeers- en vervoerssystemen). Architecturen en standaarden behoeven in veel (maar zeker niet alle) gevallen een centrale aanpak. Delegatie van dergelijke rollen buiten de directe sfeer van de overheid is op zijn plaats.
Zonder internationaal perspectief hebben de grotere bij de genoemde ontwikkelingen betrokken bedrijven geen levensvatbare mogelijkheden. Lokale en regionale niches liggen in specifiek regionale diensten en in de ondersteunende dienstverlening. De komende multimedia-industrie brengt nieuwe spelers in het veld, naast een door regelgeving relatief onbenut potentieel aan infrastructuren (kabelnetwerken, zenders, mobiele communicatienetten). De eerste tekenen zijn dat dit in Nederland tot een interessante vernieuwing van communicatiefaciliteiten leidt, bijvoorbeeld op het gebied van koppelingen vanuit kabelnetwerken met internationale communicatienetwerken, koppelingen tussen kabelnetwerken onderling en met doelgroepnetwerken, mobiele datacommunicatie, lokale en regionale televisie etc. Wellicht zijn ook grootschaliger ontwikkelingen mogelijk zoals via bestaande local loops (kabelnetten) bereikbare breder opgezette netwerken voor allerlei zakelijke transacties en communicatie (zoals het in de Verenigde Staten opgezette CommerceNet). Steeds meer behoefte bestaat daarbij aan laagdrempelige hulpmiddelen voor dienstenontwikkeling. De lokaal en regionaal te ontstane activiteiten waarbij combinaties van kabelbedrijven, uitgevers en andere informatieproducenten, computerbedrijven enz. betrokken zijn veelbelovend.

Is kennis belangrijk?

De Nederlandse gebundelde kennisinfrastructuur op het vlak van elektronica, IT, telecom en media is nu te weinig effectief maar moet een voortrekkersrol vervullen bij het ontwikkelen van de telecom- en multimediamarkt. Modernisering van kleinschalige industrie en -dienstensectoren op het gebied van IT en telecom moet topprioriteit zijn. Nederland kent echter te weinig bedrijven in de telecom-/mediasector met eigen produktontwikkeling en moet zorg dragen dat de aanwezige publieke kennisbasis op het gebied van basisdisciplines zoals micro-electronica niet wegglijdt. Aan de rand van de voor velen blinkende multimedia liggen kernsectoren zoals elektronica die onder zware druk staan. Nederland is gebruikersgericht en koopt in, maar dat is uiteindelijk ongunstig voor de concurrentiepositie op nationaal niveau. Ook op overheidsniveau moet men kiezen waar de industrie leidend dan wel volgend moet zijn.
Het aandeel van de publieke R&D in informatietechnologie (eerste en tweede geldstromen) is op zich tamelijk hoog. Zo'n twintig procent van alle inzet van universiteiten is op dit gebied gericht (TNO-STB onderzoek). Ook de hierop ingezette capaciteit van onderzoeksscholen is aanzienlijk. Voorts valt nog het grote aandeel van informatietechnologie in ICES-budgetten en de overheidsstimulering te noemen. De benodigde kennisinfrastructuur is echter, zo constateert ook het Actieprogramma Elektronische Snelwegen, nog niet voldoende gebundeld, toegankelijk en actiegericht. Maar de discussie over doelstellingen en telecommunicatie initiatieven moet overgaan in het bedenken en realiseren van investeringsplannen. Het lijkt dat een systeem van 'projekttr„ger' zoals in Duitsland waarbij programmatisch herkenbare taken en verantwoordelijkheden worden gelegd bij verschillende instellingen een stap voorwaarts kan zijn. Het ICES-model is wat dat betreft veelbelovend. Nieuwe mogelijkheden voor collectieve pre-competitieve R&D zijn nodig wil innovatie met name in het Nederlandse MKB een kans krijgen.
De inzet van de publieke financiering moet behalve op toepassingsgerichte projecten veel sterker op de strategische multimediatechnologieën worden gericht. Ook op nationaal niveau moet worden gedacht in termen van kerncompetenties en core products (Hamel & Prahalad, 1994). Strategische technologieën liggen niet alleen in het 'traditionele' telecommunicatieveld maar in toenemende mate juist in de koppeling tussen software, hardware en telecom met 'alfa'-wetenschappen ten behoeve van dienstenontwikkeling waardoor kennisintegratie een belangrijk aspect wordt. Dit blijkt uit de huidige ontwikkelingen op gebieden als servertechnologie (Oracle), real-time databases, man-machine interfaces, beeldverwerkende systemen en uit het belang van kennisgebieden zoals service management, betalingsafhandeling en klantenzorgsystemen. Zorgen dat een portfolio aan strategische multimediatechnologieën opgebouwd wordt en gericht wordt op innovatieve produkt- en dienstenontwikkeling vormt een belangrijke uitdaging.

'Europese initiatieven in telecommunicatieregelgeving'. Informatie en Informatiebeleid 1994 (12) nr 4, pp. 56-65.
Hamel, G. & C.K. Prahalad (1994), Competing for the Future.
Harvard Business School Press, Boston, Massachusetts.
Hertog, P. (1994), Multimedia als innovatie: Fake or Future. TNO-STB, Apeldoorn.
McKinsey (1993), Stimulating Audiovisual Production in the Netherlands.
Mol, A.L. (1994), 'Naar een nieuwe wet op informatieproduktie en informatietransport'. i&i 1994 (12) nr 1, pp. 32-40.
Schaffers, H. (1994), Interconnectie en concurrentie in de telecommunicatie. Studie in opdracht van het min. van VenW.
Schaffers, H. & G. Knieps (1994), Competition and regulation in network-based industries: the role of interconnection and access regulation. ITS 10th Annual Conference, Sydney, Australia.