I&I-> Jaargangen -> Artikel

Uitgevers
tussen papier
en electronica

Door Joost Kist


'Interactive multimedia publishing' zou de taak zijn die innovatieve uitgevers in het informatietijdperk met spoed dienen op te pakken om het verdwijnen van het papieren produkt op te vangen. Overstijgen enthousiasme en hype wederom de werkelijke betekenis van alle nieuwe fenomenen? Op de scheidslijn van oude en nieuwe stroomgebieden zoekt de uitgevers bedachtzaam naar geëigende oplossingen voor de verschillende informatiemarkten die zij bedient.


De uitgeverij is een oude bedrijfstak. Zij ontstond al in de vijftiende eeuw op de waterscheiding tussen het nobele handwerk van de scriptoria en de industriële technologie van de boekdrukkunst.
In het begin van de door Gutenberg veroorzaakte revolutie kon het nieuwe medium, het met losse loden letters gedrukte boek, zich comfortabel verschuilen achter het traditionele medium, het met de hand geschreven manuscript, waarvan het een getrouwe kopie bedoelde te zijn. Men kon dat bijvoorbeeld zien in de Library of Congress in Washington DC waar het manuscript van de Grote Bijbel van Mainz dat op 4 april 1452 werd aanbesteed en 15 maanden later gereed was, tentoongesteld werd naast de Gutenberg Bijbel die in dezelfde tijd en in dezelfde stad werd vervaardigd door middel van het nieuwe procédé.
Het industrieel vervaardigde machinale produkt van Gutenberg presenteert aan de lezer in principe exact hetzelfde beeld, gevoel en leesgenot als het met zorg geschreven manuscript.
De acceptatie van een fundamenteel nieuwe technologie bood daarom in beginsel geen probleem en het boekdrukprocédé kon reeds van stonde af aan een plaats verwerven naast het 'boetiek produkt' uit de schrijfateliers. Soms werden de traditionele en de nieuwe technologie zelfs tezamen in één werk toegepast, zeker als het de verluchting van de bladzijden en de inkleuring van kapitalen betrof.
De huidige monomediale cultuur van papier en druk stoelt nog steeds op de innovaties van Gutenberg en zijn tijdgenoten. Hun loden soldaten begonnen al enkele jaren na de technologische doorbraak in lineair gelid hun onstuitbare opmars over Europa en de rest van de wereld. Door de snelle verspreiding en door standaardisatie werden produktie, formaat en vorm van de informatie-overdracht voor de verdere toekomst bepaald; de bouwdoos van het grafisch proces hield de informatieve inhoud in vaste kaders gevangen, onbeweeglijk, als in marmer gegraveerd. De leescultuur paste zich aan: van links naar rechts, van boven naar beneden, van voren naar achteren. De structuur van het boek werd een metafoor voor kennisconsumptie. Zelfs de huidige programmatuur van de personal computer en de presentaties op het beeldscherm maken nog steeds gebruik van afbeeldingen van boekpagina's en tabbladen.
Het functioneren van de uitgever, de drukker-entrepreneur of de ondernemer naast de drukker, was bepalend voor het succes van de innovatie. Hij zorgde voor de financiering, voor de honorering van de auteurs, voor de inkoop van papier voor de afzet van de boeken en in het algemeen voor de commercieel-economische gang van zaken.
De primaire functie van de uitgever is in ruim 500 jaar niet veranderd: Het voldoen aan informatiebehoeften door het toegankelijk maken van informatie via diverse overdrachtsvormen.
De vier componenten van de uitgeeffunctie (figuur 1) veranderden evenmin:

  • het vergaren van inhoudelijke informatie;
  • het beheersen van het uitgeef(produktie)proces;
  • het kiezen van de beste presentatievormen; inclusief
  • het verspreiden van de 'verpakte' inhoudelijke informatie onder de afnemers.

    De produkten van de eerste uitgevershuizen bestonden uit pamfletten, boeken en formulieren (aflaten) en later ook, naarmate de informatiebehoefte van de bevolking toenam, uit kranten, tijdschriften, losbladige uitgaven en nieuwsbrieven.

    Er ontstond een ijzersterke informatie- en waardeketen die zich uitstrekte van de auteur en de uitgever-drukker via boekhandel en bibliotheek naar de diverse eindgebruikers.

    Toenemende specialisatie

    De uitgevershuizen veroverden een centrale plaats in de gehele waardeketen waarvan zij de elementen veelal zelf bezaten of tenminste beheersten. De waterscheiding met het handschrift was al snel achter de horizon verdwenen en er doemden nog geen nieuwe stroomgebieden op. De grafische technieken, het zetten en het drukken werden heel geleidelijk verbeterd doch het papier ging er in de negentiende eeuw op achteruit en werd vatbaar voor verzuring.
    Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw hebben veel uitgevers, die inmiddels tot grotere groepen, combinaties of concerns waren uitgegroeid, afscheid genomen van drukkerijen en boekhandels; niet zozeer uit strategische overwegingen maar veeleer uit financiële bekommernis omdat hun rendementen geen gelijke tred meer hielden met die van de uitgeverij-onderdelen. De verticale integratie met drukkerij en boekhandel nam dus bij de meeste uitgeverijen in de foliosector geleidelijk af. Anderzijds nam de verticale integratie op een ander terrein weer toe, namelijk met de introductie van digitale tekstverwerking en bij de opbouw van eigen databanken.
    Als we nu na deze historische inleiding de situatie van de uitgeverssector in Nederland overzien dan is het mogelijk de positie van de verschillende hoofdtypen van uitgeverijen in kaart te brengen (figuur 2). Wij hebben andere mogelijke medespelers of concurrenten van buiten de uitgeversbranche buiten het beeld gehouden.
    Uitgeven kan zeer gespecialiseerd geschieden, voor specifieke markten en marktnissen (type B en D) en het kan ook op zeer algemene wijze met breed gespreide activiteitenpakketten gebeuren (type A).
    Naast de mate van fondsspecialisatie onderscheiden we in figuur 2 ook naar de mate van verticale integratie. Hiermee werd dus vroeger in de eerste plaats bedoeld de integratie van uitgevers met grafische bedrijven en distributieketens. Nu is daar nog bijgekomen de formele of informele integratie met digitale produktie-eenheden maar ook met hostorganisaties, netwerken, software ontwikkelaars en omroepproduktiemaatschappijen.
    Er ontstaan nu geleidelijk een aantal nieuwe informatie- en waardeketens of combinaties daarvan. In figuur 3 is een beeld geschetst van enige mogelijke nieuwe ketens.

    Nieuwe informatie- en waardeketens

    In de klassieke, lineaire informatiewaardeketen van bron naar gebruiker zijn de functies van uitgever, drukker en distributeur nog duidelijk te onderscheiden. In toenemende mate vindt enerzijds een nieuw soort verticale integratie plaats waarbij de uitgevers zelf digitale informatie vastleggen en vormgeven teneinde deze met behulp van de computer geschikt te maken voor verveelvoudiging en verspreiding via diverse media, papier of electronisch. Anderzijds zien we verticale desintegratie met of zonder bemiddeling waarbij nieuwe welkome of ongewenste actoren in het spel komen uit diverse branches buiten het uitgeversbedrijf. Ook zien wij coalities van oude en nieuwe spelers ontstaan waarbij men ook op elkaars gebieden penetreert (figuur 3).
    Wij kunnen dus naast het traditionele intermediaire stuk van de waardeketen (uitgeven _ drukken _ verspreiden ) een aantal alternatieve trends waarnemen:

  • Verticale integratie: het redigeren (uitgeven) en het vervaardigen van de informatiedrager worden geïntegreerd. Men ziet dit proces al bij een aantal uitgevers plaatsvinden. De auteur levert zijn via de pc vervaardigde gedigitaliseerde manuscript in bij de uitgeefredactie die het laat beoordelen, er waarde aan toevoegt en die de veredelde tekst vervolgens in digitale vorm doorlevert aan derden die de informatie via diverse media verveelvoudigen en verspreiden.
  • Verticale desintegratie: in deze keten worden alle functies door aparte instanties verricht. Auteurs, instituten of overheden leveren hun digitale manuscript aan freelance editors die hun veredelde tekst weer doorleveren aan partijen die hetzij direct via een netwerk gaan verspreiden, of die cd-rom's vervaardigen, verzameledities maken of via andere wegen tekst en beeld opslaan of verspreiden. In deze keten speelt de uitgever geen co”rdinerende rol meer. Hij kan een van de partijen zijn die voor verspreiding zorgt.
  • Met of zonder bemiddeling: in deze ketens blijft de uitgever wel als zodanig fungeren maar hij gaat (mede) gebruik maken van andere intermediairs (bijvoorbeeld Internet of hostorganisaties) naar de markt.
  • Gedeeltelijke penetratie of coalitie: in deze keten kan bijvoorbeeld de moderne drukker weer een centrale rol gaan spelen. Hij incorporeert functies van de uitgever en de verspreider door gebruik te maken van databanken. In deze keten past echter ook een coalitie tussen uitgevers en software organisaties.

    Al deze modellen zijn reeds in bepaalde rudimentaire vorm waar te nemen, vooral daar waar gedigitaliseerde tekst of beeld mono- of multimediaal en/of interactief aan de gebruiker wordt aangeboden. Vooral bij het berijden van Highway of Infobahn zullen deze modellen een rol gaan spelen.

    Het digitaliseren van tekst heft dus veel van de belemmeringen op die gedrukte tekst aan het papier geketend hielden. Digitale, 'kneedbaar' gemaakte teksten kunnen met behulp van computer en electronica gemakkelijk opgeslagen, gemanipuleerd en getransporteerd worden en er zijn bovendien veel nieuwe toepassingen en combinaties mogelijk. Wij noemen deze tekst: 'digitale hutspot'.
    De traditionele waardeketen van de gedrukte informatievoorziening is echter nog altijd gekoppeld via zeer sterke schakels en gewoonten die zich sinds Gutenberg hebben gevormd en bestrijkt nog steeds een zeer groot deel van de markt. De diverse nieuwe, electronische waardeketens bevatten daarentegen nog steeds veel zwakke schakels die versterking en verbetering behoeven. Hun marktaandeel is _ op een enkele uitzondering na _ nog klein.
    Korte electronische waardeketens zoals we die zien bij transactiesystemen die snelle communicatie realiseren zonder veel toegevoegde waarde zijn tot op heden het meest succesvol geweest. Het is voor velen de vraag of de nieuwe technologieën ooit tot een rendement zullen leiden dat op hetzelfde niveau ligt als bijvoorbeeld dat van het monopolistische vooruit betaalde gedrukte tijdschrift of de losbladige uitgave met een direct doorberekende prijs per pagina.

    Nieuwe waterscheidingen

    De voor de gebruiker bijna onmerkbare waterscheiding tussen manuscript en drukwerk had tot gevolg dat het nieuwe medium in de tweede helft van de vijftiende eeuw snel geaccepteerd werd.
    In de tweede helft van de twintigste eeuw werden er door de electronische industrie een groot aantal nieuwe informatiedragers ontwikkeld die stuk voor stuk specifieke voordelen beloofden te bieden in vergelijking met de traditionele produkten van de drukkers. Er ontstond hierdoor niet alleen een nieuwe waterscheiding tussen papier en electronica maar er ontstonden ook een aantal andere potentiële waterscheidingen tussen concurrenten als bijvoorbeeld telefax en electronic mail, televisie en personal computer, analoge beeldplaat en digitale compact disc, cd-rom en cd-i, kabel en satelliet, on line en off line en tussen betaalde en door adverteerders en sponsors gepresenteerde informatie en recreatie (figuur 4).
    Het is niet verwonderlijk dat informatieleveranciers, waaronder de uitgevers, zich bij zo'n overdaad aan mogelijke informatiedragers terughoudend opstelden. De specifieke kenmerken, sterkten en zwakten van de verschillende nieuwe informatiedragers moeten worden afgestemd op de specifieke informatiebehoeften en voorkeuren van de verschillende gebruikerscategorieën (figuur 5). Zo is bij de keuze van de meest geschikte informatiedrager voor spoedberichten (transacties, beursinformatie) het aspect van de snelheid van levertijd van doorslaggevende betekenis. On line ligt hier dus voor de hand.
    Bij noodzakelijke of nuttige informatie die niet zozeer aan tijd gebonden is, is met name de kwaliteit van belang. De informatiedrager dient vooral de kwaliteit van de inhoud tot zijn recht te laten komen en te garanderen. Thans is dat wellicht het boek of de cd-rom, later wellicht te vervangen door weldoordachte on-line databanken.
    Achtergrondinformatie, die interessante inzichten of nieuwe invalshoeken biedt, moet vooral gemakkelijk op te zoeken zijn. Toegankelijkheid is hier het belangrijkste punt voor het informerend systeem. Hier gooit de bibliotheek voorlopig nog hoge ogen.
    Bij educatieve informatie is het vraag- en antwoordspel (de interactiviteit) van belang, vooral bij systemen die beogen de docent geheel of gedeeltelijk te vervangen. Toch zal het leerboek nog lange tijd een centrale rol in het onderwijs blijven spelen omdat veel nieuwe electronische leermiddelen niet aantrekkelijk of te kostbaar in het gebruik zijn.
    Ontspanningsinformatie drijft op een breed aanbod en een zo laag mogelijke prijs. De mode- en trendgevoeligheid van het publiek leidt tot moeilijke voorspelbaarheid.
    Ten slotte is er ongevraagde informatie die dagelijks in grote hoeveelheden op ons afkomt in de vorm van 'overload' en 'ruis' en die een grote selectiviteit en mogelijkheid tot 'wegzappen' vereist.
    De mate waarin de nieuwe informatiedragers of informerende systemen met hun bijbehorende hulpmiddelen (als bijvoorbeeld SGML en Hyperlinks) aan deze vereisten kunnen voldoen zal hun superioriteit over het papieren produkt bepalen. Er zullen waarschijnlijk voor verschillende markten combinaties van systemen gaan ontstaan, veeleer dan dominantie van één informatiedrager. Wij zullen in de toekomst veel meer voorbeelden van cohabitatie, aanvulling en complementariteit tegenkomen dan volledige vervanging of verdrijving. In deze combinaties zal het boek een belangrijke rol blijven spelen, zij het dat de functie (en de vorm) wellicht meer dan voorheen ondersteunend en supplementair zal worden.

    Slotconclusie

    Net op het moment dat de oude roergangers, van Vinken en Ververs tot en met Thomas Rap, hun actieve uitgeefcarrière afsluiten wordt het uitgeven op de nieuwe waterscheidingen en in de nieuwe waardeketens weer spannend, interessant én riskant, in het bijzonder voor uitgevers van wetenschappelijke en documentaire informatie (figuur 6). Hun marges zullen onder druk komen te staan, hun monopolieposities zullen worden geattaqueerd, hun informatie en hun copyrights zullen weglekken uit oncontroleerbare netwerken, hun klanten zullen steeds veeleisender worden en hun auteurs zullen denken dat ze hun informatie via Internet rechtstreeks aan de lezer zullen kunnen slijten.
    De innovatieve uitgever echter, die beschikt over gedigitaliseerde, goed gecodeerde, beschermde en naar gebruikerswensen gesegmenteerde informatiebestanden (de 'digitale hutspot') heeft uitstekende kansen om zijn rol in de informatiemaatschappij van de toekomst mee te spelen. Meer dan ooit zal de uitgever in de digitale wereld zijn functie als kwaliteitsbewaker moeten gaan waarmaken. Hij moet de initiator, de begeleider en tevens de zeef zijn in de ketens tussen informatiebron en lezer. Tenslotte moet hij de creatieve buffer zijn tussen informatie-overvloed en de werkelijke gebruiksbehoeften. Lukt hem dit alles dan wacht hem een mooie toekomst in het volgende millennium.