Het einde van
Telecom privileges

Door Fransje Klaver

Chamoux, Jean-Pierre. Droit de la Communication. Parijs, Presse Universitaires de France (PUF), 1994. 125 pp. ISBN 2 13 046 486 6.

Chamoux, Jean-Pierre. Télécoms, la Fin des Priviléges. Parijs, PUF, 1993. 272 pp. ISBN 2 13 045 666 9. ff. 138.

Jean-Pierre Chamoux is een actief man. Sinds kort is hij hoogleraar aan de Universiteit van Marne-la-Valle, maar van 1986 tot 1989 was hij (als 'Chef de la Mission la Réglementation') belast met de herstructurering van de Franse telecommunicatiesector. In de afgelopen twee jaar produceerde hij drie boeken over de geschiedenis van de Franse telecommunicatie en over de modernisering van deze sector in het licht van de snelle ontwikkelingen die hierin internationaal hebben plaatsgevonden.
Chamoux beschikt over een brede blik en is veelzijdig geïnformeerd, zowel over Europa als over de Verenigde Staten en Japan. Hij is lid van de internationale commissie die jaarlijks de European Communication Policy Research conferentie organiseert, en lid van de redactie die de daarbij behorende Series uitgeeft. In eigen land is hij oprichter en redacteur van het tijdschrift Le Communicateur, dat regelmatig themanummers ('Dossiers') doet verschijnen over nieuwe internationale ontwikkelingen.
In het boek Droit de la Communication, dat dit jaar verscheen in de populariserende serie 'Que sais-je?', geeft Chamoux een globaal overzicht van de juridische en economische contouren waarbinnen de communicatie - in de meest brede zin - zich afspeelt. Het gaat daarbij in eerste instantie over het grondrecht van de vrijheid van informatie, over de wijze waarop dit grondrecht in de huidige maatschappij gestalte heeft gekregen, en over de mate waarin de overheid zich zeggenschap heeft toege'igend over ondernemingen die in de communicatiesector actief zijn. Chamoux beschrijft in kort bestek, maar toch gedetailleerd, de pogingen die de politiek - in de Franse traditie van 'L'Etat Providence'! - door middel van wetgeving in de laatste tien jaar heeft ondernomen om deze zeggenschap te behouden, ondanks de stormachtige ontwikkelingen die zich op technologisch, economisch en internationaal-juridisch gebied hebben voorgedaan.
Dat deze overheidsbemoeienis Chamoux niet erg welgevallig is, blijkt uit zijn tweede boek dat hier wordt besproken, het uit 1993 stammende Télécoms, la Fin des Priviléges. Voor Chamoux staat het 'droit de la communication' van de burger centraal, en daarmee is de vergaande betutteling door de politiek in strijd. Het boek richt zich speciaal op de sector van de telecommunicatie die zoals bekend talrijke nieuwe perspectieven heeft geopend. Na een beschrijving van het publieke bedrijf dat France Télécom nog steeds is, en van de modernisering die daarin de laatste jaren heeft plaatsgevonden, komt Chamoux tot de kern van de discussie die de jaren tachtig heeft gedomineerd: zou France Télécom moeten worden geprivatiseerd of niet? Uiteindelijk werd in 1990 een compromis bereikt: zowel Post als Télécom zouden staatsbedrijven blijven, maar kregen een grotere bewegingsvrijheid, met name op de internationale markt. De circa 500.000 (!) personeelsleden behielden de ambtenarenstatus. Het is duidelijk dat de vrees voor grote sociale onrust, wanneer dit niet het geval zou zijn, bij het compromis een belangrijke rol heeft gespeeld.
Maar, zo vraagt Chamoux zich af, is deze herstructurering voldoende in een wereld die wordt beheerst door internationale concurrentie? En waarin specialisatie en sterk uiteenlopende communicatiebehoeften de regel zijn? En hoe verhoudt dit Franse beleid zich tot dat van de Europese instanties die steeds meer de noodzaak tot privatisering en vrije mededinging onderstrepen? Ook deze geschiedenis wordt door Chamoux helder beschreven. Volgens hem valt daaruit geen andere conclusie te trekken dan dat ook France Télécom een privaatrechtelijke onderneming moet worden om zich staande te kunnen houden temidden van de allianties die zich al snel hebben gevormd. Alleen zo kan het bedrijf aansluiting vinden bij de gesegmenteerde en gediversificeerde vraag van haar clientele. Door ook zelf allianties aan te gaan zal France Télécom voldoende omvang kunnen krijgen om de investeringen op te kunnen brengen die nu nodig zijn maar pas op termijn zullen renderen. Chamoux pleit er in dit verband voor om ook in Frankrijk het model toe te passen dat in het Verenigd Koninkrijk is gevolgd bij het tot ontwikkeling brengen van de sector van de mobiele communicatie. Dit model is gebaseerd op vergaande liberalisering, het bevorderen van concurrentie en het cre&eacumlren van een netwerk van tussenpersonen (vergelijkbaar met wat in de verzekeringsbranche gebruikelijk is: Agents d'Assurance, en die in goed Nederlands met de term telecommunicatie-service-providers worden aangeduid. Deze tussenpersonen kunnen hun klanten op maat voorlichten en bedienen. Deze benadering sluit overigens niet uit dat op andere terreinen van de telecommunicatie - infrastructuur, hardware-industrie, transportdiensten - juist grote fusies of samenwerkingsverbanden kunnen en mogen ontstaan die een voldoende kritieke massa bezitten om een grote markt te kunnen bedienen. Het is de lezer wellicht bekend dat France Télécom inmiddels een samenwerkingsverband is aangegaan met de Duitse dbp Telekom.
Technisch is het mogelijk om ergens ter wereld een grote computer neer te zetten die alle huishoudens voorziet van digitale muziek, zodat de consument alleen maar een bepaalde opname hoeft op te roepen om deze in zijn huiskamer af te spelen. Met deze constatering begon Jan Timmer, president directeur van Philips Electronics zijn toespraak voor een gehoor van uitgevers en boekverkopers die voor deze gelegenheid op 14 november 1994 naar het Evoluon in Eindhoven waren gekomen. Nog geen week later is het mogelijk een deel van het Rolling Stones concert dat in de Verenigde Staten wordt gehouden via Internet te ontvangen en hoewel lang niet iedereen over de geschikte apparatuur beschikte, konden theoretisch op deze wijze ongeveer 25 miljoen Internet-gebruikers digitaal dit concert beluisteren, opslaan op hun eigen pc en zoveel mogelijk afspelen als ze maar wilden. Het einde van de muziek-industrie in zijn huidige vorm is in zicht. En dit geldt natuurlijk niet alleen voor muziek, maar ook voor boeken, de concurrent op de markt voor vrije tijd en ontspanning.
De heer Timmer gelooft daar niet in. Wat technisch mogelijk is hoeft nog niet te gebeuren. Deze les heeft Philips inmiddels wel geleerd. Philips gelooft in pride of ownership: mensen willen nu eenmaal boeken en platen in hun bezit hebben om hele andere redenen: om ermee te pronken, om aan iemand aan te raden. Je boeken en platencollectie zegt iets over je identiteit en door deze eigendomsdrang zal deze markt niet verloren gaan. Philips is een van de drie grote muziekuitgevers in de wereld en spreekt hier uit ervaring. Uitgevers en boekverkopers zullen het roerend met hem eens zijn. Hoeveel boeken worden er verkocht die daarna ook werkelijk gelezen worden?

Dit neemt niet weg dat door de technologische vernieuwingen een aantal verouderde produkten door nieuwe worden vervangen, die allen digitaal zijn: de langspeelplaat door de compact-disk, de muziekcassette door de dcc-cassette , de videocassette door de beeldplaat of cd-i. Ook hiervan is de heer Timmer overtuigd en het zal ook wel gebeuren, al dan niet in de vorm van Philips-uitvindingen. Ook de uitgevers van boeken zullen aan dit vernieuwingsproces niet ontkomen en mee moeten werken aan de ontwikkeling van interactieve multimediaprodukten, waarbij de educatieve en wetenschappelijke uitgevers de eerste zullen zijn. Een uitgever als Elsevier zit hier op het vinkentouw: de proeven die deze uitgeverij neemt met electronic journals zijn serieus en de recente aankoop van de grootste juridische databank in de Verenigde Staten wijst op een sterk geloof in digitale media.