Op de electronische snelweg
betalen de gebruikers wel,
maar voor wat?

Door Johnny Nouwens


Na de oranjegezinde oud-verzetstrijder, de slissende Oost-Europadeskundige en de netwerkende politicus, kunnen nu ook informatici en telecommunicatiedeskundigen zich verheugen in de belangstelling van Van Kooten & De Bie. Ondanks de relativerende opmerkingen ('alles wat ondergronds is - de metro, glasvezelkabels - is van de maffia'), blijken zij toch een inspiratiebron voor gedachten over de electronische snelweg. Ze werden althans verschillende keren aangehaald om aan te tonen hoe actueel het onderwerp is van het jaarcongres van het Nederlands Genootschap voor Informatici (NGI), dat op twaalf oktober plaatsvond. De snelweg, ach... de snelweg. De hype is volledig en welke serieuze informaticus of informatiekundige heeft zich er nog niet tegen afgezet? De term is (te) veel gebruikt en vooral misbruikt. Want de snelweg is al lang de snelweg niet meer, zo maakten verschillende vertegenwoordigers van de overheid de congresgangers duidelijk. De metafoor was oorspronkelijk bedoeld om aan te tonen hoe belangrijk een telecommunicatie-infrastructuur is voor de nationale economie en om een actieve betrokkenheid van de overheid te onderstrepen. Maar daar houdt de vergelijking op. De echte snelwegen (de AI's en consorten) worden bijvoorbeeld volledig gefinancierd door de overheid. Een dergelijke genereuze houding hoeft niemand te verwachten ten aanzien van de electronische snelweg. Dat hoeft ook niet, aldus dr Driedonks - directeur beleidszaken Telecommunicatie en Post. De technologie hoeft niet gestimuleerd te worden, 'die ontwikkelingen gaan gewoon door'. De overheid heeft daar weinig invloed op en hoeft ook weinig invloed te hebben. Ook de aanleg of uitbreiding van de snelweg hoeft niet via publieke middelen gefinancierd te worden, omdat we de gebruikers van de snelweg kunnen laten betalen; de welbekende tikken van 'Ma Bell' en andere PTT's. 'Daar wordt écht geld verdiend', aldus prof. ir Dinklo (directeur corporate planning & strategy, Philips International), wat onder andere geïllustreerd werd door verschillende taartdiagrammen met de omzetten van de belangrijkste marktpartijen. De taart van de wereldwijde PTT's was duidelijk het grootst, wat als een rode lappendeken op de congresgangers bleek te werken.
Daarnaast is de schaarste van fysieke ruimte een belangrijk praktisch argument voor de publieke financiering van echte snelwegen. Ook daar is in de virtuele werkelijkheid geen sprake van.
Dat betekent overigens niet dat de overheid zich volledig afzijdig houdt, zo liet Van Hoogstraten (Manager strategy bij PTT Telecom) fijntjes weten. Integendeel, ten aanzien van de verkeersregels blijft de overheid - terecht - nog veel interveniëren. Het verdelen van de frequenties, het regelen van interconnectie en gelijke toegang (Open Network Provision), en de standaardisatie van tarieven; dergelijke zaken blijven onderhevig aan overheidsbemoeienis. Telecommunicatie-infrastructuren vertegenwoordigen een publiek belang en het is de taak van de overheid om de kaders aan te geven waarbinnen dit publieke belang het best gediend kan worden, zo was de conclusie in de speciale workshop over sociale aspecten.
Dit publieke belang is het centrale argument waarop de Amerikaanse overheid, de Europese Commissie en - in navolging van hen - de Nederlandse overheid hun plannen hebben gebaseerd. Er is echter wel een opvallend verschil tussen de Verenigde Staten en Europa ten aanzien van de invulling van dat belang, zoals prof. Dinklo aanstipte. De Amerikaanse plannen lijken direct ingegeven door een duidelijke behoefte aan specifieke diensten, met name op het gebied van de gezondheidszorg en het onderwijs. 'Imagine the dramatic changes in your life if the best schools, teachers and courses were available to all students, without regard to geography, distance, resources, or disability; if the vast resources of art, literature, and science were available everywhere, not just in large institutions or big-city libraries and museums; if services that improve America's health care system and respond to other important social needs were available on-line, without waiting in line, when and where you needed them [...]' (The Adminstration's Agenda for Action).
In Europa wordt het belang van de trans-europese informatie-infrastructuur veel algemener gedefinieerd in termen van economische groei, werkgelegenheid en de internationale concurrentiepositie ten opzichte van de Verenigde Staten en Japan (zie bijvoorbeeld het Witboek van de Europese commissie 'Growth, competitiveness, employment'). De snelweg is belangrijk, want ze is een belangrijke bedrijfstak op zich, ze heeft een positieve invloed op de economische groei in het algemeen en genereert daardoor veel werkgelegen- heid. Anderen (lees: de Verenigde Staten) doen het ook en we mogen niet achter blijven.
Op basis van het White paper is er een commissie ingesteld waarin, onder leiding van Europees commissaris Bangemann, belangrijke vertegenwoordigers van multinationals (Nederland werd vertegenwoordigd door Timmer van Philips) adviezen hebben gegeven over wat Europa moet doen om de ontwikkeling van de electronische snelweg te stimuleren. Deze adviezen hebben hun weerslag gevonden in het zogenaamde Bangemann-rapport, waarin enkele concrete aanbevelingen worden gedaan. Op het congres werd duidelijk dat het Bangemann-rapport inmiddels het uitgangspunt is voor het actieplan van de Nederlandse overheid, zoals aangekondigd in de troonrede. Toch zijn er verschillende kanttekeningen te plaatsen bij dit rapport. Allereerst heeft de commissie weinig rekening gehouden met de noord-zuid-relaties binnen Europa. In het Bangemann-rapport is liberalisering van de telecommunicatie-infrastructuur een vanzelfsprekendheid en een noodzakelijk geachte voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de snelweg. Bij de bespreking van dit rapport in de telecommunicatie-industrieraad (op 28 september 1994), waarin Nederland vertegenwoordigd wordt door de minister van Verkeer & Waterstaat, bleek deze liberalisering eigenlijk alleen bepleit door de ministers van Duitsland, Nederland, Groot-Brittanni' en Frankrijk. Met name in het zuiden - 'te beginnen bij België', aldus Driedonks - overheerst vooralsnog de twijfel.
Ook de applicaties die in het Bangemann-rapport genoemd worden, zoals telewerken, academische netwerken, diensten voor het midden- en klein bedrijf, tele-educatie en diensten voor beheersing van het weg- en luchtverkeer, lijken meer gebaseerd op internationale compromissen en belangen van aanbieders (door wie het rapport geschreven is) dan op behoeftenstudies en marktvraag. Sterker nog, wanneer in het Bangemann-rapport over 'marktvraag' wordt gesproken, bedoelt men meestal de vraag van aanbieders om te mogen opereren in nieuwe markten, of de vraag van aanbieders naar consumenten!
Ook op het congres werd regelmatig gebruik gemaakt van dit eufemisme. Drs Rademaker (Philips) sprak bijvoorbeeld over de marktvraag als één van de drijvende krachten achter de electronische snelweg, maar hij dacht duidelijk niet aan de consumentenbehoefte aan nieuwigheidjes. De consument wordt veelal juist vaak als een vertragende factor beschouwd.
Deze traagheid heeft echter haar voordelen. Technologische ontwikkelingen gaan snel, en het is maar goed dat de consument niet probeert achter die feiten aan te hollen. Dit geeft ten minste de mogelijkheid om na te denken over hoe de snelweg ingericht zou moeten worden, voor wie er waarom diensten zullen (moeten) komen en in hoeverre het de moeite waard is om deze ontwikkelingen actief te stimuleren. Het NGI-congres was een eerste, geslaagde aanzet om hierover na te denken. Eindelijk stond niet de techniek centraal staan - hoewel het nog steeds uitgangspunt van discussie is - maar de vraag hoe er met die techniek omgegaan kan worden.
Vooralsnog blijven we het antwoord op die vraag echter schuldig. Ook vanuit de overheid kwamen op dit congres weinig nieuwe ideeën over snelwegtoepassingen. Hoewel de telecommunicatie-infrastructuur uitstekend gebruikt zou kunnen worden om de vele databanken van de overheid toegankelijk te maken voor de burger, lijkt de overheid vastgeklemd in haar eigen redenering. Ze houdt zo krampachtig vast aan haar stelling dat de overheid geen marktpartij moet zijn - omdat dit slechts subsidiecircuits tot gevolg heeft (aldus Driedonks) - dat ze voorbijgaat aan de (markt-)mogelijkheden om nieuwe informatiediensten aan te bieden.
Hoe die informatiediensten eruit gaan zien is dan weer een heel andere vraag. Zo is het nog allerminst zeker of de triggerdiensten professionele, op PC's gestoelde toepassingen zullen zijn - het scenario van Bill Gates van Microsoft - of juist interactieve entertainment voor het moderne tv-toestel - het scenario van de fabrikanten van consumentenelectronica, zo stelde Jens Arnbak (hoogleraar TU Delft). Hoewel de techniek vanwege de digitalisering een volledige integratie van dergelijke randapparatuur toestaat, bleek op het congres dat dit zo'n vaart niet zal lopen. De techniek is niet het probleem, maar de gebruik(er)s- context. Prof. ir Dinklo stelde het als volgt: 'ik zit voor de tv, maar achter de PC en je krijgt de mensen niet van voor naar achter'. De tv zal daarom vooral geschikt blijven voor amusement voor het hele gezin, terwijl de PC voor meer zakelijke, informatieve en individuele toepassingen gebruikt zal worden. Dat de PC daarmee nog steeds in huiselijke kring zijn plek zal kunnen vinden, blijkt wel uit de opkomst van telewerken. J. Blankert, voorzitter van het NCW, benadrukte dat telewerken een manier is om organisaties flexibeler te maken en werknemers meer flexibiliteit te gunnen. Maar Blankert stelde tevens, klaarblijkelijk om het enthousiasme te temperen, dat telewerken slechts één van de vele manieren is om die flexibiliteit te bewerkstelligen, en dat het veel organisatievermogen vergt van zowel werkgever als werknemer.
Veel blijft dus onduidelijk en we weten nauwelijks voor welke toepassingen behoefte bestaat. Volgens IT-consultant Mulder is dit echter niet zo'n probleem: 'moeten we niet eerst iets maken voordat we weten wat het is?' Maar of consumenten en aanbieders bereid zijn om onder dergelijke onzekere omstandigheden veel te investeren, is natuurlijk de vraag. Daarom is het belangrijk om te weten hoe we die behoeften kunnen bepalen. De meest beproefde methode is het opzetten van pilot-projecten. Ook in het Bangemann-rapport wordt deze methode geopperd, en het lijkt er op dat ook in het kader van het Nationale Actieplan weer dergelijke projecten opgezet zullen worden, terwijl er toch veel scepsis bestaat over deze methode. 'Persoonlijk ben ik daar aanzienlijk terughoudender in', aldus dr Driedonks, 'de electronische snelwegen zijn bezaaid met wrakken van pilot-projecten'. Want, hoe kan de overheid bepalen welke projecten geschikt zijn, hoe moeten die projecten vervolgens uitgevoerd worden en wie zal wat betalen?
Ook de Koninklijke PTT Nederland is niet erg enthousiast over de methode, zo blijkt uit de woorden van Pieter van Hoogstraten. In plaats van de implementatie van ambitieuze, hoogwaardige diensten en systemen in een beperkt geografisch gebied, stelt hij voor om te experimenteren met relatief simpele en laagdrempelige diensten die voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Voorbeelden van dergelijke experimenten zijn Telekado (telewinkelen), en - dit was een primeur op het congres - PTT Telecom gaat tegen lokaal tarief internetaansluitingen aanbieden voor particuliere gebruikers.
Naast pilot projecten - waar niemand enthousiast over is - is er nog een andere beproefde methode om consumentenbehoeften te achterhalen: marktonderzoek. Maar, zo luidt een stelling van Dinklo, consumenten hebben geen behoeften, slechts wensen. En die wensen zijn voornamelijk gebaseerd op wat de buren hebben. Mensen kunnen geen behoefte aangeven voor iets wat nog niet bestaat of waarvan zij niet weten dat het bestaat: 'Als Sony marktonderzoek had uitgevoerd naar de walkman, dan was dat ding er nooit gekomen'.
De enige manier om behoeften te achterhalen, lijkt dan ook het zelf kweken van behoeften. Het hele debat rondom de electronische snelweg en de bereidheid van topindustriëlen om op congressen te spreken en in adviescommissies zitting te nemen, lijkt bedoeld om dat te bewerkstelligen. Mensen moeten het gevoel krijgen dat er iets is wat de buurman al heeft en waarbij jij - als consument of potentiële aanbieder van diensten - niet achter mag blijven. Het is een oude marketingtruc - management by expectations - en het lijkt ook deze keer te lukken. Het bijzondere is echter dat ook de overheid zich gedwongen voelt deel te nemen aan de marketing van de snelweg. Van Al Gore tot Bangemann, van Delors tot Wijers; de overheid doet mee aan de hype, ze is een actieve marketeer van de electronische snelweg geworden. Tegen wil en dank is de overheid zo toch een marktpartij geworden.

Conclusie.


Het debat rondom de electronische snelweg schreeuwt om nieuwe inzichten. Op het NGI-congres werd daar een eerste aanzet toe gegeven. Ook bleek echter weer dat vooral oude denkkaders en clichés de boventoon voeren. Men roept dat de overheid geen marktpartij moet zijn, want dat creëert slechts subsidiecircuits en toch doet ze zelf fanatiek mee aan de marketing van de snelweg. Sterker nog, de overheid zou wel actief moeten zijn op de informatiemarkt omdat ze zelf een grote producent van informatie en beheerder van databanken is. Niemand gelooft meer in de maakbare samenleving en toch wordt van de overheid verwacht dat ze een kader schept, waarbij de markt gestimuleerd wordt en de samenleving beschermd wordt. Iedereen roept dat de technologie op zich niet de drijfveer achter de electronische snelweg is. Maar wie of wat is dat dan wel? Hoe kunnen dit de behoeften van de toekomstige gebruikers zijn, als we niet eens weten waaruit die behoeften bestaan? Het NGI-congres stelde vooral de - juiste - vragen. Maar er zullen nog vele congressen volgen voordat we antwoorden hebben.