Door Inigo Baten en Marc van Lieshout
De regeringsverklaring van het nieuwe kabinet en de laatste troonrede bevatten korte passages over de toekomstige informatie-infrastructuur. De Nederlandse overheid onderkent het belang van deze infrastructuur, en is van zins op korte termijn plannen voor te leggen ter bevordering van een nationale electronische snelweg. Geïnspireerd door het Witboek van Delors, en de hieropvolgende uitwerking van de groep top-industriëlen rond Europees commissaris Bangemann, is de Interdepartementale Commissie Informatiebeleid doende met de ontwikkeling van een Nationaal Actieplan dat voor het eind van dit jaar aan het kabinet zal worden voorgelegd. Volgens dr A.G.M. Driedonks, directeur beleidszaken Telecommunicatie en Post bij V&W, zal het NAP zich vooral richten op de juridische barriéres op het gebied van de telecommunicatie en de omroep die in voorbije tijden hun functie bewezen hebben, maar nu slechts als hinderlijk worden ervaren. Tegelijkertijd heeft de Commissie van Advies inzake Post en Telecommunicatie, onderdeel van de Raad voor Verkeer en Waterstaat, een aantal, merendeels commerci&eaumlle, spelers op het gebied van de nieuwe media uitgenodigd om onder de paraplu van een Nationaal Telecommunicatie Initiatief de mogelijkheden voor de benutting van de toekomstige informatie-infrastructuur te verkennen en hierover advies uit te brengen aan minister Jorritsma.
Er wordt dus haast gemaakt. Die snelheid van handelen roept echter vragen op. Ontwikkelingen op het gebied van nieuwe media en telematica gaan razendsnel, dat wel. Maar daarmee is niet gezegd dat we ons mee moeten laten voeren door die stroomversnelling. Misschien is het juist verstandiger om even langzaam te rijden of stil te staan alvorens definitief 'in te voegen'.
Wat hebben beide initiatieven te bieden? En wat ontbreekt? Het adjectief 'nationaal' dat beide initiatieven siert, stemt hoopvol. Hier zijn blijkbaar ontwikkelingen gaande waar alle burgers belang bij hebben, en die dus wellicht een oplossing bieden voor belangrijke nationale maatschappelijke vragen van dit moment, zoals werkgelegenheid en veiligheid. Of de initiatieven werkelijk nationale vragen kunnen en willen aanpakken, is de vraag. De telecommunicatiesector wordt immers al jaren getypeerd door een toenemende internationalisering waarin nationale grenzen geruimd worden om mee te kunnen blijven doen in de mondiale race. De laatste berichten rond de noodzakelijk geachte reorganisatie van de KPN (waar 3.000 volledige arbeidsplaatsen ingeruild worden voor een plaatsje in de internationale arena) geven tevens aan dat een betere concurrentiepositie en een hogere economische groei niet automatisch in meer werkgelegenheid binnen 's lands grenzen vertaald worden. En de veiligheid op straat is volgens minister Dijkstal meer gediend met de komst van extra blauwe petten dan met investeringen in nieuwe technologie.
Mogelijk schuilt het nationale karakter van deze initiatieven er dan in dat ze zich richten op de conditio sine qua non van de natie, de burger. En dat is toe te juichen. De leefwereld van burgers wordt steeds ingewikkelder, sociale relaties vermenigvuldigen in omvang en complexiteit, en de manier waarop de burger en de overheid in diens verschillende gedaantes zich tot elkaar verhouden, is aan grote veranderingen onderhevig. Tegelijkertijd kunnen we niet anders dan constateren dat ons begrip van de veranderingen en de nieuwe relaties die hieruit voortvloeien, eigenlijk nog steeds uiterst gering is. De gewenste en noodzakelijk geachte aansturing van deze ontwikkelingen is lastig, en leidt tot beleidsmatige twijfel. Dijkstal spreekt over 'doorgeschoten privatisering', Karin Pais, CDA-Europarlementariër, heeft het over 'herregulering', en Arnbak uitte op een onlangs door het Nederlands Genootschap voor Informatica georganiseerd congres zijn vermoeden dat er zelfs wel eens meer regels nodig zouden kunnen zijn in plaats van minder of andere.
Uit datgene wat tot nu toe over de toonzetting van beide initiatieven naar buiten komt, spreekt echter een andere benadering. Beide initiatieven lijken vooral het resultaat te zijn van een vertaalslag van de commerciële verlangens van de economische spelers op het terrein van de nieuwe media. De burger is niet een volwaardig partner wiens verlangens en behoeften centraal staan, maar in de eerste plaats een consument, een afzetmarkt voor nieuwe produkten en nieuwe speeltjes. De overheid krijgt de taak toebedeeld om barriéres te slechten en optimale concurrentie te bevorderen. De definiëring van het algemeen belang - zoals de communicatievrijheid - komt vanuit een dergelijk perspectief slechts zijdelings aan de orde.
Gelukkig is er, buiten deze initiatieven om, wel iets gaande om de burger scherper op de agenda te krijgen. Op het laatste jaarcongres van het Nederlands Genootschap voor Informatica - dat in zijn geheel gewijd was aan de electronische snelweg - organiseerde de afdeling Sociale Aspecten van Informatisering en Automatisering een workshop waarin bovenstaande discussie centraal stond. Vanuit een aantal invalshoeken werden de electronische snelweg, maatschappelijke veranderingen en de rol en positie van de burger hierin op elkaar betrokken. De Mediaraad heeft in een drietal rapporten een basis gelegd voor een nieuwe inrichting van het informatiebeleid. Hierover is al eerder in dit tijdschrift bericht. Deze Raad breekt een lans voor het opnemen van de nutsfunctie in een modern informatie- en communicatiebeleid. En ook een experiment als de Digitale Stad laat zien dat actieve participatie van de deelnemers leidt tot eigen, volwassen manieren van gebruik van nieuwe media die boven een eenvoudig consumentisme uitgaat.
Hoopvolle signalen misschien, maar tegen de achtergrond van de geschetste ontwikkelingen waarschijnlijk te zwak en te onduidelijk om tevreden te stellen. De geringe zichtbaarheid van de burger - hoe wisselend van identiteit en verlangens dan ook - in de huidige ontwikkelingen rond de electronische snelweg, vraagt om scherper doordenken. McLuhans global village blijkt uit vele lokale en virtuele gemeenschappen te zijn opgebouwd. Dit vereist een politiek debat rond de electronische snelweg. Wat willen we met de gigantische mogelijkheden die de technologie ons lijkt te bieden? Welke maatschappelijke behoeften en verlangens kunnen er mee worden vervuld? Aan welke maatschappelijke kwalen kan het iets veranderen? Kan de electronische snelweg ons helpen in de strijd tegen de sociale vervreemding? Bij de modernisering van onze gezondheidszorg? Als mogelijkheid om ons onderwijs te vernieuwen? Als nieuwe vorm om de toegankelijkheid tot de collectieve voorzieningen te waarborgen?
Voorkomen moet worden dat oude fouten, voortkomend uit een te sterk aanbodgericht (en misschien ook wel marktconform) denken, nog een keertje worden overgedaan. De wijze waarop Eindhoven zich presenteert als een de toekomstige 'Bangemann-steden', of het aangekondigde public-private-partnership tussen de VVD en Volmac die een 'bovenmodale' wijk in Utrecht hebben uitverkoren als electronische proeftuin, roept bij ons herinneringen op aan de bijna vergeten experimenten in Zaltbommel, Goirle, Zuid-Limburg en Amsterdam. Daarnaast vragen de veranderingen in de samenleving om een actieve opstelling van de overheid die leidt tot het herdefini'ren van haar eigen rol op de electronische snelweg: welke collectieve voorzieningen op de electronische snelweg worden geprivatiseerd, gecommercialiseerd of verzelfstandigd, en welke nieuwe spelregels zijn daar voor nodig? Hiervoor is een heldere positie van de overheid, ook zonder geldbuidel, vereist.
Samenvattend, om de mogelijkheden voor nuttige experimenten te onderzoeken en om helderheid in de positie van de overheid te verkrijgen is een politiek debat over de maatschappelijke voorwaarden voor een electronische snelweg op korte termijn gewenst.