|
|
Door Cor Berben
De Europese Unie ontwikkelt nieuwe regelgeving op het gebied van
de telecommunicatie met het perspectief op het jaar 2000;
liberalisering , open toegang en interconnectie zijn daarin de
sleutelwoorden. Een overzicht.
Vanaf de zomer van 1994 is een aantal ontwik-kelingen in de
telecommunicatieregelgeving in Europa in een beslissende fase
gekomen. Naast de bestaande regelgeving, die wordt geconsolideerd
en waarvan de invloed wordt geëvalueerd, is er sprake van een
toenemende steun voor de fundamentele
liberaliseringsdoelstellingen van het telecommunicatiebeleid in
de Europese Unie.
Het rapport van de Bangemann-groep, dat in mei gepubliceerd
werd, en de bevestiging van de belangrijke conclusies (zie kader
1) tijdens de Korfoe-top, hebben de urgente behoefte aan
verandering onderstreept.
Het recente groenboek van de Commissie over mobiele en
persoonlijke communicatie wijst in dezelfde richting, en opent de
deur naar infrastructuurconcurrentie. Daarbij staat het onderwerp
'interconnectie' of koppeling als centraal thema in het debat
over regelgeving in een omgeving die meer en meer concurrerend
wordt.
Waar staan we nu?
Drie jaar na de publikatie van het groenboek van 1987 over
telecommunicatie, werden twee oriëntatierichtlijnen
goedgekeurd om de voorstellen over telecommunicatiediensten uit
te voeren. De Richtlijn voor diensten vereiste het wegnemen van
belemmeringen aan de concurrentie voor alle diensten behalve de
basistelefoondienst, terwijl de Kaderrichtlijn voor de open
toegang tot netwerken was gericht op het bereiken van
harmonisatie en rationalisatie van de voorwaarden van toegang tot
basisnetwerken en basisdiensten. Men erkende echter reeds op dat
ogenblik dat verdere verandering noodzakelijk was, en om deze
reden vereiste de Richtlijn dat de dienstensituatie in de sector
in 1992 herzien zou worden.
De '1992 Review' en het erop volgende brede openbare overleg
vonden in 1992 en begin 1993 plaats, en resulteerden in een
communiqué van de Commissie met de conclusies uit het
overleg en voorstellen voor een concreet tijdschema voor de
volledige ontwikkeling van de telecommunicatiesector in Europa.
Deze voorstellen werden door de Raad in een resolutie goedgekeurd
in juli 1993. De belangrijkste onderdelen van de resolutie van de
Raad waren als volgt:
Voor spraaktelefonie toonde het overzicht aan dat er brede
overeenstemming is over de noodzaak om de dienst te
liberaliseren. Het is algemeen aanvaard dat deze verdere stap in
liberalisatie niet in tegenspraak is met de behoefte om het
huidige principe van universele dienstverlening te handhaven of
te verbeteren. Het is ook algemeen aanvaard dat concurrentie
nodig is om het nieuwe marktpotentieel volledig te exploiteren,
dat gecreëerd is zowel door de technologische ontwikkeling
als door een maatschappij die zich meer en meer op informatie en
de communicatie baseert. Daarom werd beslist dat de voorziening
van alle openbare spraaktelefoniediensten in de lidstaten van de
Unie per 1 januari 1998 geliberaliseerd dient te worden.
De principes van de open toegang tot netwerken (ONP) blijven
als basis dienen voor het regelgevingskader in de Unie. Deze
zullen waar nodig aangepast worden aan verdere liberalisering met
betrekking tot de organisaties waarop ze van toepassing zijn en
kwesties zoals universele dienstverlening, interconnectie en
tarieven voor toegang.
Het beleid inzake mobiele en 'personal communications' wordt
in een groenboek beschreven, dat inmiddels door de Commissie
gepubliceerd is.
Een beleid inzake de regelgeving van
telecommunicatie-infrastructuur en van kabeltelevisienetwerken
moet worden ontwikkeld als resultaat van een breed overleg na
publikatie van een groenboek over infrastructuur, tegen eind
1994.
De Raad verzocht de Commissie verder om tegen 1 januari 1996 een
pakket van maatregelen voor te bereiden om het
telecommunicatie-regelgevende kader van de EU in het licht van de
liberalisatie van spraaktelefonie in 1998 aan te passen.
De agenda van de Commissie en het werkprogramma voor de
volgende jaren zijn zo eenduidig vastgelegd door de resolutie van
de Raad. Een reeks van nevenkwesties zoals het geven van
vergunningen, de coördinatie van het gebruik van frequenties,
het
gebruik van nummers, de bescherming van gegevens en privacy komen
ook zeer nadrukkelijk voor in het werkprogramma van de Commissie.
Mobiele communicatie
De mobiele communicatie ontwikkelt zich naar 'personal
communications'
De laatste jaren heeft de mobiele communicatie een ongekende
groei in aantallen gebruikers gekend, en is daarmee het snelst
groeiende gebied binnen de telecommunicatiesector geworden.
Europa heeft nu meer dan acht miljoen gebruikers van cellulaire
mobiele telefonie, meer dan tweemaal het aantal van drie jaar
geleden, en er zijn nog eens acht miljoen gebruikers van andere
mobiele communicatiediensten (pagers, PMR, enzovoort). Men
voorspelt dat tegen het jaar 2000 er bijna veertig miljoen
gebruikers in de Europese Unie zullen zijn, en met de groeiende
uitbreiding naar 'personal communications'-diensten, tachtig
miljoen gebruikers tegen het jaar 2010.
Personal communications zullen uiteindelijk
person-to-person-oproepen toestaan onafhankelijk van plaats en de
gebruikte terminal, de manier van transmissie (via draad of
draadloos) en/of de keuze van de technologie. Het marktpotentieel
voor personal communications is enorm.
Terwijl de maximum dichtheid voor vaste
telefoonaansluitingen naar verwachting niet een gemiddelde
penetratie van vijftig procent van de bevolking wezenlijk zal
overschrijden (ongeveer één verbinding per
huishouden, plus zakelijk gebruik), heeft dat van personal
communications het potentieel om meer dan tachtig procent van de
bevolking te bereiken, tot één aansluiting per
volwassene. De totale gebruikersaantallen kunnen uiteindelijk de
200 miljoen in de Europese Unie wel eens overschrijden -
vergeleken met een huidige totale gebruikersbasis voor de
traditionele vaste telefoonaansluitingen van 153 miljoen.
Mogelijk zullen de personal-communicationsdiensten het meest
economisch door één enkel geïntegreerd
technologieconcept ondersteund worden - het zogenaamde UMTS (het
universele mobiele telecommunicatiesysteem). De sterke Europese
positie in digitale mobiele communicatie heeft ervoor gezorgd dat
de Unie een belangrijke rol speelt in het werk dat tot dit
toekomstige derde-generatiesysteem moet leiden.
Terwijl de markt van publieke mobiele communicatie nog
hoofdzakelijk door analoge cellulaire systemen wordt bediend,
worden de digitale technologieën nu geïntroduceerd in
zowel publieke als privé-mobiele radiocommunicatie, in het
bijzonder GSM900 (het Globale Systeem voor Mobiele communicatie)
en DCS-1800 (zogenaamde personal communications netwerken - de
PCN-diensten). Slechts één jaar na zijn lancering
vertegenwoordigt GSM meer dan tien procent van de
geïnstalleerde cellulaire mobiele telefonie in de Europese
Unie. GSM is aanvaard - of voorgesteld - in meer dan zestig
landen, inclusief landen in Oost- en Centraal-Europa, de landen
rondom de Stille Oceaan, Azië, het Midden-Oosten en
Afrika.
Tegelijkertijd staat GSM de soort paneuropese mobiliteit toe
die de verschillende en onverenigbare analoge systemen in de
lidstaten niet konden bieden. Het ontwikkelt tot een belangrijk
voorbeeld van een marktgeleide introductie van een transeuropees
netwerk.
Het groenboek tracht een Europese markt voor de mobiele
diensten en apparatuur te creëren
De mobiliteit heeft een speciale betekenis in de bredere context
van de Europese Unie. De mobiliteit is de kern van de
doelstelling van de Unie voor de vrije beweging van goederen,
mensen, diensten, en kapitaal.
De mobiele communicatie speelt ook een belangrijke rol in
het bevorderen van privé- en publieke investering op grote
schaal in de telecommunicatienetwerken en -diensten, en het
levert een bijdrage tot het handhaven en het ontwikkelen van de
diensten in de minder ontwikkelde en randgebieden van de
Unie.
De doelstellingen van de voorstellen van het groenboek zijn
de ontwikkeling van een Europese markt voor mobiele diensten,
apparatuur en terminals, alsmede gemeenschappelijke
uitgangspunten bij de voorziening van mobiele infrastructuur, de
ontwikkeling van mobiele netwerken en diensten, en de levering en
het gebruik van mobiele terminals. Het beoogt ook de evolutie aan
te moedigen van de mobiele communicatie naar personal
communications voor massaal gebruik, met bijzondere nadruk op de
paneuropese diensten en netwerken, en erop toe te zien dat de
ontwikkeling van de sector wordt bereikt op een manier
verenigbaar met het algemeen belang.
Met de uitbreiding van mobiele communicatie naar de
toekomstige personal-communicationsmarkt lanceert het groenboek
een debat over een coherent beleidskader voor de sector. Het
identificeert basisprincipes en programmapunten voor verdere
discussie.
Belangrijke veranderingen zijn vereist om hindernissen voor
groei uit de weg te ruimen
Het groenboek stelt vijf belangrijke veranderingen voor in de
huidige situatie voor mobiele communicatie in de Europese Unie om
hindernissen voor de verdere ontwikkeling van de sector uit de
weg te ruimen:
Afschaffing van de resterende exclusieve en speciale rechten
in de sector, waar nodig onderworpen aan de benodigde voorwaarden
voor het geven van een vergunning.
Afschaffing van alle beperkingen op de voorziening van
mobiele diensten door onafhankelijke dienstverleners of door
directe dienstverlening door mobiele netwerkdienstverleners.
Dienstverleners zou het toegestaan moeten worden verschillende
diensten te combineren die verleend worden onder verschillende
vergunningen (zoals GSM telefonie en paging), evenals de
dienstverlening in verschillende lidstaten.
Volledige vrijheid voor mobiele netwerkdienstverleners hun
eigen netwerken te gebruiken en te ontwikkelen, inclusief het
recht op het gebruik van eigen infrastructuur of die van derden
voor hun mobiele netwerk, en het wegnemen van beperkingen op het
gemeenschappelijk gebruik van infrastructuur.
Een onbeperkt gecombineerd aanbod van diensten via vaste en
mobiele netwerken, binnen het tijdschema aangenomen voor de
volledige liberalisatie van de openbare spraakdiensten.
Het vergemakkelijken van paneuropese netwerken en diensten.
Dit zou moeten omvatten een verdere ontwikkeling van wederzijdse
erkenning van homologatie van mobiele terminals, evenals
coördinatie van het vergunningenbeleid.
De ontwikkeling van gedetailleerde posities voor deze vijf
belangrijke veranderingen vormt een uitbreiding van de principes
van het bestaande telecommunicatiebeleid van de Unie wat betreft
de mobiele communicatiesector.
Bij het identificeren van gedetailleerde posities beperkt
het groenboek zich tot gebieden waar het gemeenschappelijke
posities op het communautaire niveau nodig acht, met name:
voorwaarden voor het verlenen van vergunningen voor mobiele
dienstverleners;
het lanceren van de evolutie naar personal communications;
voorwaarden voor de dienstverlening, frequentie- en
nummertoewijzing, infrastructuur en interconnectie.
In het mobiele groenboek heeft de Commissie een eerste stap gezet
naar de liberalisering van infrastructuur door voor te stellen
dat mobiele dienstverleners het recht zouden moeten hebben hun
eigen transmissie-infrastructuur dan wel die van derden te
gebruiken. De 1992 Review resulteerde in nogal uiteenlopende
meningen over de kwestie van dergelijke liberalisatie in het
algemeen. Terwijl de gebruikers en de dienstverleners het
principe sterk steunden, waren de
publieke-telecommunicatiedienstverleners zoals verwacht
terughoudend, refererend aan de noodzaak voor stabiliteit en
planning van investeringen op lange termijn.
Er zijn twee belangrijke elementen ter overweging :
De algemene kwestie van de toekomstige regelgeving van
openbare infrastructuur.
De verlening van diensten die reeds geliberaliseerd zijn
(inclusief de spraakdiensten voor netwerken van ondernemingen en
gesloten gebruikersgroepen) over bestaande alternatieve
infrastructuur.
Liberalisering van de infrastructuur
De commissie gaf in de Review aan dat fundamentele veranderingen
in de regelgeving van infrastructuur belangrijke gevolgen voor de
gevestigde publieke-telecommunicatiedienstverleners kunnen
hebben. Terzelfdertijd is er ongetwijfeld een belangrijke vraag
naar hoge-snelheidtransmissiecapaciteit waaraan momenteel niet
wordt tegemoetgekomen, hoofdzakelijk vanwege zeer hoge tarieven
onder een monopolie. Dit heeft tot een situatie geleid waar
nieuwe diensten, inclusief de voorziening van netwerken voor
bedrijven en gesloten gebruikersgroepen, niet het volledige
voordeel kunnen behalen uit nieuwe technologieën en
marktontwikkelingen.
Twee belangrijke resultaten zijn te voorschijn gekomen uit
het beleidsdebat:
De Commissie is verzocht om een groenboek voor te bereiden
over de toekomstige infrastructuurvoorziening. Dit groenboek, en
de consultatie die ermee verbonden is, zouden zich moeten richten
op globale regelgeving van de communicatie-infrastructuur,
inclusief telecommunicatie- en kabel-tv-netwerken. Het groenboek
wordt verwacht eind 1994, begin 1995.
Vier lidstaten - Frankrijk, Duitsland, Nederland en het
Verenigd Koninkrijk - hebben de Commissie gevraagd de
mogelijkheden te onderzoeken om de bestaande geliberaliseerde
diensten te verlenen over een alternatieve infrastructuur, die in
het bezit zijn van nutsbedrijven, spoorwegen en andere grote
maatschappijen.
De beschikbaarheid en de prijsstelling van huurlijncapaciteit
binnen Europa is in het Bangemann-rapport onderkend als het
belangrijkste struikelblok voor de verwezenlijking van een
Europese Informatie Infrastructuur.
De huidige beperkingen betekenen dat de in de meeste
gevallen geliberaliseerde telecommunicatiediensten slechts via
door publieke dienstverleners verpachte lijnen verleend kunnen
worden. Deze lijnen vormen typisch de ruggegraat van netwerken
die gebruikt worden voor velerlei doeleinden: de snelle
overdracht van informatie binnen bedrijven tussen Local Area
Netwerken voor geavanceerde produktiemethoden, computer-aided
marketing en design, hoge kwaliteit video-conferencing, onderwijs
op afstand, medische beeldweergave, 'magere produktie'-technieken
en video-amusementsdiensten.
Studies bevestigen dat zelfs na de inwerkingtreding van de
ONP-richtlijn voor huurlijnen de tarieven voor infrastructuur met
hoge capaciteit (2 Mbit/s verbindingen) in de Unie vele malen
hoger zijn dan gelijkwaardige capaciteit over dezelfde afstanden
in Noord-Amerika.
Tegelijkertijd zijn zaken als innovatie in Europese
bedrijfsnetwerken, de verlening van concurrerende diensten,
evenals de tenuitvoerlegging van de toepassingen die in het
Bangemann-rapport voorgesteld zijn om de informatiemaatschappij
te lanceren, kritisch afhankelijk van de beschikbaarheid van
digitale huurlijnen met snelheden van 2 Mbit/s en hoger.
Om de huidige stagnatie in de levering en de ontwikkeling
van de geliberaliseerde telecommunicatiediensten snel te
overwinnen, is het essentieel de toegangsmogelijkheden tot de
infrastructuur van derden en de eigen voorziening van
infrastructuur te bewerkstelligen, in het bijzonder om het totale
aantal lijnen met een hoge capaciteit in de Europese Unie te
laten toenemen en de prijzen te verlagen.
De spoedige liberalisering van alternatieve infrastructuur
kan een belangrijke impuls geven aan industrie, dienstverleners
en gebruikers bij de ontwikkeling van de markt voor netwerken
voor bedrijven en gesloten gebruikersgroepen.
Het groenboek over infrastructuur zal een fundamenteel nieuw
onderzoek van de huidige structuur inhouden. Nieuwe technologie,
de zakelijke en sociale behoeften, overwegingen omtrent
universele dienstverlening, en transeuropese netwerken komen
onder andere voor op de agenda. Het regulerende beleid van de
Europese Unie zal een rol spelen, niet door het geven van een
voorkeur aan één technologie boven een andere, maar
door het creëren van een objectief kader voor universele
dienstverlening, voor op kosten gebaseerde prijsstelling en voor
interconnectie.
Deel 1 van het groenboek is eind oktober door de Commissie
aangenomen en aangeboden aan de Raad van Ministers en aan het
Parlement. Deze tekst wordt nu onderwerp van een openbaar debat
(zie kader 2).
Perspectief
Met het regelgevende programma voor Open Toegang tot Netwerken
(ONP) in een vergevorderd stadium van uitvoering, richt de
aandacht zich nu op het bijstellen van het regelgevingskader voor
de toekomstige concurrerende markt. Een volledig concurrerende
markt in telecommunicatiediensten zal zich in fasen ontwikkelen.
Twee stadia kunnen daarbij onderscheiden worden.
Het eerste stadium bestaat uit volledige tenuitvoerlegging
van het bestaande pakket van regelgevende maatregelen. Dit omvat
volledige toepassing van de ONP-kaderrichtlijn, de Richtlijn voor
huurlijnen, samen met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen
van de Raad over ISDN en pakket-geschakelde diensten (PSDS). Het
omvat ook goedkeuring in de nabije toekomst door het Europese
Parlement en de Raad van de opnieuw voorgelegde Richtlijn over
spraaktelefonie, evenals acties die volgen uit het analyserapport
van de Commissie over de toepassing van de principes van ONP op
intelligente netwerken, netwerkbeheer en toegang tot het lokale
distributienetwerk.7 De volledige
tenuitvoerlegging van deze
maatregelen is essentieel voor het geven van wettelijke zekerheid
voor de periode tot 1 januari 1998.
Het tweede stadium betreft de veranderingen die noodzakelijk
zijn om aan de vereisten van een volledig concurrerende markt te
voldoen per 1 januari 1998. In overeenstemming met het tijdschema
bepaald in de resolutie van de Review zullen de noodzakelijke
wetgevende maatregelen door de Commissie voor 1 januari 1996
voorgesteld worden.
Drie belangrijke kwesties moeten behandeld worden: het
toepassingsgebied (namelijk de organisaties waarop ONP van
toepassing is), de beperking van regelgeving tot kernzaken, en
technische normen.
Toepassingsgebied: de organisaties waarop de verplichtingen
van de open toegang tot netwerken van toepassing zijn
Het concept van 'speciale en exclusieve rechten' is tot op heden
gehanteerd als belangrijkste criterium voor het toepassen van de
voorwaarden van de open toegang tot netwerken. Met de toekomstige
afschaffing van speciale en exclusieve rechten voor
telecommunicatiediensten moet de kwestie van de organisaties
waarop de bepalingen van de open toegang tot netwerken van
toepassing zullen zijn, opnieuw bekeken worden. In de toekomst
kunnen de exclusieve of speciale rechten niet meer als
belangrijkste criterium voor de toepassing van de voorwaarden
voor de open toegang tot netwerken dienen. Het uitgangspunt voor
het onderzoeken van de kwestie is om naar een oplossing te werken
die
rekening zal houden met de marktpositie van de organisaties,
zodra de exclusieve en speciale rechten voor
telecommunicatiediensten zijn afgeschaft;
erop toe dient te zien dat de verplichtingen betreffende de
universele dienstverlening redelijk verdeeld worden, met
toepassing van het principe van evenredigheid en zonder
nieuwkomers op de markt onevenredig te belasten met
regelgeving.
Het beperken van regelgeving tot kernzaken
De nadruk van titel xii van het Verdrag van de Europese Unie over
interconnectie en interoperability, en het centrale belang van
interconnectie en interoperability in een concurrerende omgeving,
vereisen dat de open toegang tot netwerken zich concentreert op
deze kwesties. De belangrijkste toekomstige richtlijn zou een
open interconnectiekader moeten zijn. Dit is benadrukt door het
rapport 'Europa en de globale informatiemaatschappij', en door
het daarop volgende actieplan van de Commissie.8
Drie hoofdrichtingen zouden gevolgd moeten worden:
Commerciële onderhandeling zou de basis voor
interconnectie-overeenkomsten moeten zijn.
De nationale regelgevende overheidsorganen moeten een rol
spelen bij het bepalen van de basis voor onderhandeling.
Er moeten gemeenschappelijke principes komen voor
interconnectietarieven.
De tarieven van interconnectie zouden met betrekking tot drie
belangrijke elementen geanalyseerd moeten worden:
een vergoeding voor eenmalige kosten verbonden aan het
totstandbrengen van interconnectie;
transportkosten verbonden aan het volume van het verkeer en
het aantal gebruikte verbindingen;
een bijdrage aan de kosten betreffende de voorziening van de
universele diensten, binnen de richtlijnen van resolutie 94/C48
van de Raad over universele dienstverlening.
De huidige kaderrichtlijn voor de open toegang tot netwerken legt
het principe van kostenoriëntatie vast voor de eerste twee
punten. Sommige principes voor de kostprijsberekening met
betrekking tot het laatste punt werden aanvaard in algemene zin
door het Europese Parlement en de Raad tijdens de recente
behandeling van de toepassing van de principes van de open
toegang tot netwerken op spraaktelefonie.
Het huidige overleg wijst op de behoefte aan een algemene
benadering voor het bevorderen van interconnectie die duidelijk
bepaald moet worden in een doorzichtig en stabiel regulerend
kader.
De meest aangewezen benadering is een nieuwe
interconnectierichtlijn die in duidelijke termen de principes en
het kader vastlegt voor de bevordering van interconnectie.
Gebieden die zouden moeten worden bestreken door een dergelijke
interconnectierichtlijn zijn:
Algemene principes voor interconnectie. Deze principes
komen voort uit de ONP-kaderrichtlijn, dat wil zeggen
objectiviteit, transparantie en niet-discriminatie,
overeenkomstig de eu-wetgeving.
Kader voor onderhandeling . Een kader voor het
onderhandelen zal erop toe moeten zien dat de commerciële
onderhandelingen in een eerlijke en tijdige overeenkomst
resulteren. De regelgevende overheidsorganen zullen
verantwoordelijkheid moeten nemen voor een evenwichtige
onderhandelingspositie van de betrokken partijen, het verstrekken
van adequate informatie, de kostenoriëntatie van het aanbod,
en voor kwesties zoals 'unbundling' en het installeren van
apparatuur bij de andere partij (collocation).
Een gemeenschappelijke benadering en limitering van het deel
van de interconnectietarieven dat samenhangt met het delen van de
kosten van universele dienstverlening. Deze benadering zou
gebaseerd moeten worden op het huidige overleg dat in de context
van resolutie 94/C48 van de Raad over de principes van universele
dienstverlening in de telecommunicatiesector wordt gevoerd. Het
zou duidelijke, in heel Europa geldende regels tot stand moeten
brengen voor het bepalen van toegangstarieven, inclusief
limitering voor de compensatie die eventueel nodig is voor
verplichtingen met betrekking tot universele dienstverlening.
Een mechanisme voor het oplossen van geschillen. Een
mechanisme voor het oplossen van geschillen tussen de partijen
moet opgezet worden, met daarin een goed omschreven rol voor de
nationale regelgevende orgaan en de Commissie.
Twee uitvoerige studies worden momenteel uitgevoerd voor de
Commissie betreffende kostentoewijzing en interconnectie
(respectievelijk door Arthur Andersen9
en wik10). De studies
zullen na publikatie in december 1994 aan een open discussie
onderworpen worden.
De technische normen zullen in het algemeen vrijwillig
zijn.
De proliferatie van netwerken en diensten in de toekomstige
concurrerende omgeving, en de behoefte aan interconnectie en
interoperabiliteit, vereisen een nieuwe nadruk op de ontwikkeling
van markt-georiënteerde normen, om erop toe te kunnen zien
dat de markten werkelijk open zijn en de gebruikersbelangen
worden gediend.
De benadering is zodanig dat vrijwillige technische normen
voor interconnectie benadrukt zullen worden, omdat in het
algemeen conformiteit aan geharmoniseerde normen in het belang is
van alle partijen. Dit zal zoveel mogelijk als een vrijwillig
proces worden gehandhaafd. Tegelijkertijd dienen de
beschermingsmechanismes versterkt te worden, waardoor volgens
duidelijke criteria bepaalde normen verplicht gesteld kunnen
worden in situaties waar anders de open toegang tot netwerken in
gevaar komt en de gebruikers benadeeld worden.
|
























|