I&I-> Jaargangen -> Artikel

Europese initiatieven in
telecommunicatie

Door Cor Berben


De Europese Unie ontwikkelt nieuwe regelgeving op het gebied van de telecommunicatie met het perspectief op het jaar 2000; liberalisering , open toegang en interconnectie zijn daarin de sleutelwoorden. Een overzicht.


Vanaf de zomer van 1994 is een aantal ontwik-kelingen in de telecommunicatieregelgeving in Europa in een beslissende fase gekomen. Naast de bestaande regelgeving, die wordt geconsolideerd en waarvan de invloed wordt geëvalueerd, is er sprake van een toenemende steun voor de fundamentele liberaliseringsdoelstellingen van het telecommunicatiebeleid in de Europese Unie.
Het rapport van de Bangemann-groep, dat in mei gepubliceerd werd, en de bevestiging van de belangrijke conclusies (zie kader 1) tijdens de Korfoe-top, hebben de urgente behoefte aan verandering onderstreept.
Het recente groenboek van de Commissie over mobiele en persoonlijke communicatie wijst in dezelfde richting, en opent de deur naar infrastructuurconcurrentie. Daarbij staat het onderwerp 'interconnectie' of koppeling als centraal thema in het debat over regelgeving in een omgeving die meer en meer concurrerend wordt.

Waar staan we nu?

Drie jaar na de publikatie van het groenboek van 1987 over telecommunicatie, werden twee oriëntatierichtlijnen goedgekeurd om de voorstellen over telecommunicatiediensten uit te voeren. De Richtlijn voor diensten vereiste het wegnemen van belemmeringen aan de concurrentie voor alle diensten behalve de basistelefoondienst, terwijl de Kaderrichtlijn voor de open toegang tot netwerken was gericht op het bereiken van harmonisatie en rationalisatie van de voorwaarden van toegang tot basisnetwerken en basisdiensten. Men erkende echter reeds op dat ogenblik dat verdere verandering noodzakelijk was, en om deze reden vereiste de Richtlijn dat de dienstensituatie in de sector in 1992 herzien zou worden.
De '1992 Review' en het erop volgende brede openbare overleg vonden in 1992 en begin 1993 plaats, en resulteerden in een communiqué van de Commissie met de conclusies uit het overleg en voorstellen voor een concreet tijdschema voor de volledige ontwikkeling van de telecommunicatiesector in Europa. Deze voorstellen werden door de Raad in een resolutie goedgekeurd in juli 1993. De belangrijkste onderdelen van de resolutie van de Raad waren als volgt:

  • Voor spraaktelefonie toonde het overzicht aan dat er brede overeenstemming is over de noodzaak om de dienst te liberaliseren. Het is algemeen aanvaard dat deze verdere stap in liberalisatie niet in tegenspraak is met de behoefte om het huidige principe van universele dienstverlening te handhaven of te verbeteren. Het is ook algemeen aanvaard dat concurrentie nodig is om het nieuwe marktpotentieel volledig te exploiteren, dat gecreëerd is zowel door de technologische ontwikkeling als door een maatschappij die zich meer en meer op informatie en de communicatie baseert. Daarom werd beslist dat de voorziening van alle openbare spraaktelefoniediensten in de lidstaten van de Unie per 1 januari 1998 geliberaliseerd dient te worden.
  • De principes van de open toegang tot netwerken (ONP) blijven als basis dienen voor het regelgevingskader in de Unie. Deze zullen waar nodig aangepast worden aan verdere liberalisering met betrekking tot de organisaties waarop ze van toepassing zijn en kwesties zoals universele dienstverlening, interconnectie en tarieven voor toegang.
  • Het beleid inzake mobiele en 'personal communications' wordt in een groenboek beschreven, dat inmiddels door de Commissie gepubliceerd is.
  • Een beleid inzake de regelgeving van telecommunicatie-infrastructuur en van kabeltelevisienetwerken moet worden ontwikkeld als resultaat van een breed overleg na publikatie van een groenboek over infrastructuur, tegen eind 1994. De Raad verzocht de Commissie verder om tegen 1 januari 1996 een pakket van maatregelen voor te bereiden om het telecommunicatie-regelgevende kader van de EU in het licht van de liberalisatie van spraaktelefonie in 1998 aan te passen.

    De agenda van de Commissie en het werkprogramma voor de volgende jaren zijn zo eenduidig vastgelegd door de resolutie van de Raad. Een reeks van nevenkwesties zoals het geven van vergunningen, de coördinatie van het gebruik van frequenties, het gebruik van nummers, de bescherming van gegevens en privacy komen ook zeer nadrukkelijk voor in het werkprogramma van de Commissie.

    Mobiele communicatie

    De mobiele communicatie ontwikkelt zich naar 'personal communications'

    De laatste jaren heeft de mobiele communicatie een ongekende groei in aantallen gebruikers gekend, en is daarmee het snelst groeiende gebied binnen de telecommunicatiesector geworden. Europa heeft nu meer dan acht miljoen gebruikers van cellulaire mobiele telefonie, meer dan tweemaal het aantal van drie jaar geleden, en er zijn nog eens acht miljoen gebruikers van andere mobiele communicatiediensten (pagers, PMR, enzovoort). Men voorspelt dat tegen het jaar 2000 er bijna veertig miljoen gebruikers in de Europese Unie zullen zijn, en met de groeiende uitbreiding naar 'personal communications'-diensten, tachtig miljoen gebruikers tegen het jaar 2010.

    Personal communications zullen uiteindelijk person-to-person-oproepen toestaan onafhankelijk van plaats en de gebruikte terminal, de manier van transmissie (via draad of draadloos) en/of de keuze van de technologie. Het marktpotentieel voor personal communications is enorm.
    Terwijl de maximum dichtheid voor vaste telefoonaansluitingen naar verwachting niet een gemiddelde penetratie van vijftig procent van de bevolking wezenlijk zal overschrijden (ongeveer één verbinding per huishouden, plus zakelijk gebruik), heeft dat van personal communications het potentieel om meer dan tachtig procent van de bevolking te bereiken, tot één aansluiting per volwassene. De totale gebruikersaantallen kunnen uiteindelijk de 200 miljoen in de Europese Unie wel eens overschrijden - vergeleken met een huidige totale gebruikersbasis voor de traditionele vaste telefoonaansluitingen van 153 miljoen.
    Mogelijk zullen de personal-communicationsdiensten het meest economisch door één enkel geïntegreerd technologieconcept ondersteund worden - het zogenaamde UMTS (het universele mobiele telecommunicatiesysteem). De sterke Europese positie in digitale mobiele communicatie heeft ervoor gezorgd dat de Unie een belangrijke rol speelt in het werk dat tot dit toekomstige derde-generatiesysteem moet leiden.
    Terwijl de markt van publieke mobiele communicatie nog hoofdzakelijk door analoge cellulaire systemen wordt bediend, worden de digitale technologieën nu geïntroduceerd in zowel publieke als privé-mobiele radiocommunicatie, in het bijzonder GSM900 (het Globale Systeem voor Mobiele communicatie) en DCS-1800 (zogenaamde personal communications netwerken - de PCN-diensten). Slechts één jaar na zijn lancering vertegenwoordigt GSM meer dan tien procent van de geïnstalleerde cellulaire mobiele telefonie in de Europese Unie. GSM is aanvaard - of voorgesteld - in meer dan zestig landen, inclusief landen in Oost- en Centraal-Europa, de landen rondom de Stille Oceaan, Azië, het Midden-Oosten en Afrika.
    Tegelijkertijd staat GSM de soort paneuropese mobiliteit toe die de verschillende en onverenigbare analoge systemen in de lidstaten niet konden bieden. Het ontwikkelt tot een belangrijk voorbeeld van een marktgeleide introductie van een transeuropees netwerk.

    Het groenboek tracht een Europese markt voor de mobiele diensten en apparatuur te creëren

    De mobiliteit heeft een speciale betekenis in de bredere context van de Europese Unie. De mobiliteit is de kern van de doelstelling van de Unie voor de vrije beweging van goederen, mensen, diensten, en kapitaal.

    De mobiele communicatie speelt ook een belangrijke rol in het bevorderen van privé- en publieke investering op grote schaal in de telecommunicatienetwerken en -diensten, en het levert een bijdrage tot het handhaven en het ontwikkelen van de diensten in de minder ontwikkelde en randgebieden van de Unie.
    De doelstellingen van de voorstellen van het groenboek zijn de ontwikkeling van een Europese markt voor mobiele diensten, apparatuur en terminals, alsmede gemeenschappelijke uitgangspunten bij de voorziening van mobiele infrastructuur, de ontwikkeling van mobiele netwerken en diensten, en de levering en het gebruik van mobiele terminals. Het beoogt ook de evolutie aan te moedigen van de mobiele communicatie naar personal communications voor massaal gebruik, met bijzondere nadruk op de paneuropese diensten en netwerken, en erop toe te zien dat de ontwikkeling van de sector wordt bereikt op een manier verenigbaar met het algemeen belang.
    Met de uitbreiding van mobiele communicatie naar de toekomstige personal-communicationsmarkt lanceert het groenboek een debat over een coherent beleidskader voor de sector. Het identificeert basisprincipes en programmapunten voor verdere discussie.

    Belangrijke veranderingen zijn vereist om hindernissen voor groei uit de weg te ruimen

    Het groenboek stelt vijf belangrijke veranderingen voor in de huidige situatie voor mobiele communicatie in de Europese Unie om hindernissen voor de verdere ontwikkeling van de sector uit de weg te ruimen:

  • Afschaffing van de resterende exclusieve en speciale rechten in de sector, waar nodig onderworpen aan de benodigde voorwaarden voor het geven van een vergunning.
  • Afschaffing van alle beperkingen op de voorziening van mobiele diensten door onafhankelijke dienstverleners of door directe dienstverlening door mobiele netwerkdienstverleners. Dienstverleners zou het toegestaan moeten worden verschillende diensten te combineren die verleend worden onder verschillende vergunningen (zoals GSM telefonie en paging), evenals de dienstverlening in verschillende lidstaten.
  • Volledige vrijheid voor mobiele netwerkdienstverleners hun eigen netwerken te gebruiken en te ontwikkelen, inclusief het recht op het gebruik van eigen infrastructuur of die van derden voor hun mobiele netwerk, en het wegnemen van beperkingen op het gemeenschappelijk gebruik van infrastructuur.
  • Een onbeperkt gecombineerd aanbod van diensten via vaste en mobiele netwerken, binnen het tijdschema aangenomen voor de volledige liberalisatie van de openbare spraakdiensten.
  • Het vergemakkelijken van paneuropese netwerken en diensten. Dit zou moeten omvatten een verdere ontwikkeling van wederzijdse erkenning van homologatie van mobiele terminals, evenals coördinatie van het vergunningenbeleid.

    De ontwikkeling van gedetailleerde posities voor deze vijf belangrijke veranderingen vormt een uitbreiding van de principes van het bestaande telecommunicatiebeleid van de Unie wat betreft de mobiele communicatiesector.

    Bij het identificeren van gedetailleerde posities beperkt het groenboek zich tot gebieden waar het gemeenschappelijke posities op het communautaire niveau nodig acht, met name:

  • voorwaarden voor het verlenen van vergunningen voor mobiele dienstverleners;
  • het lanceren van de evolutie naar personal communications;
  • voorwaarden voor de dienstverlening, frequentie- en nummertoewijzing, infrastructuur en interconnectie.

    In het mobiele groenboek heeft de Commissie een eerste stap gezet naar de liberalisering van infrastructuur door voor te stellen dat mobiele dienstverleners het recht zouden moeten hebben hun eigen transmissie-infrastructuur dan wel die van derden te gebruiken. De 1992 Review resulteerde in nogal uiteenlopende meningen over de kwestie van dergelijke liberalisatie in het algemeen. Terwijl de gebruikers en de dienstverleners het principe sterk steunden, waren de publieke-telecommunicatiedienstverleners zoals verwacht terughoudend, refererend aan de noodzaak voor stabiliteit en planning van investeringen op lange termijn.

    Er zijn twee belangrijke elementen ter overweging :

  • De algemene kwestie van de toekomstige regelgeving van openbare infrastructuur.
  • De verlening van diensten die reeds geliberaliseerd zijn (inclusief de spraakdiensten voor netwerken van ondernemingen en gesloten gebruikersgroepen) over bestaande alternatieve infrastructuur.

    Liberalisering van de infrastructuur

    De commissie gaf in de Review aan dat fundamentele veranderingen in de regelgeving van infrastructuur belangrijke gevolgen voor de gevestigde publieke-telecommunicatiedienstverleners kunnen hebben. Terzelfdertijd is er ongetwijfeld een belangrijke vraag naar hoge-snelheidtransmissiecapaciteit waaraan momenteel niet wordt tegemoetgekomen, hoofdzakelijk vanwege zeer hoge tarieven onder een monopolie. Dit heeft tot een situatie geleid waar nieuwe diensten, inclusief de voorziening van netwerken voor bedrijven en gesloten gebruikersgroepen, niet het volledige voordeel kunnen behalen uit nieuwe technologieën en marktontwikkelingen.
    Twee belangrijke resultaten zijn te voorschijn gekomen uit het beleidsdebat:

  • De Commissie is verzocht om een groenboek voor te bereiden over de toekomstige infrastructuurvoorziening. Dit groenboek, en de consultatie die ermee verbonden is, zouden zich moeten richten op globale regelgeving van de communicatie-infrastructuur, inclusief telecommunicatie- en kabel-tv-netwerken. Het groenboek wordt verwacht eind 1994, begin 1995.
  • Vier lidstaten - Frankrijk, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk - hebben de Commissie gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken om de bestaande geliberaliseerde diensten te verlenen over een alternatieve infrastructuur, die in het bezit zijn van nutsbedrijven, spoorwegen en andere grote maatschappijen.

    De beschikbaarheid en de prijsstelling van huurlijncapaciteit binnen Europa is in het Bangemann-rapport onderkend als het belangrijkste struikelblok voor de verwezenlijking van een Europese Informatie Infrastructuur.

    De huidige beperkingen betekenen dat de in de meeste gevallen geliberaliseerde telecommunicatiediensten slechts via door publieke dienstverleners verpachte lijnen verleend kunnen worden. Deze lijnen vormen typisch de ruggegraat van netwerken die gebruikt worden voor velerlei doeleinden: de snelle overdracht van informatie binnen bedrijven tussen Local Area Netwerken voor geavanceerde produktiemethoden, computer-aided marketing en design, hoge kwaliteit video-conferencing, onderwijs op afstand, medische beeldweergave, 'magere produktie'-technieken en video-amusementsdiensten.
    Studies bevestigen dat zelfs na de inwerkingtreding van de ONP-richtlijn voor huurlijnen de tarieven voor infrastructuur met hoge capaciteit (2 Mbit/s verbindingen) in de Unie vele malen hoger zijn dan gelijkwaardige capaciteit over dezelfde afstanden in Noord-Amerika.
    Tegelijkertijd zijn zaken als innovatie in Europese bedrijfsnetwerken, de verlening van concurrerende diensten, evenals de tenuitvoerlegging van de toepassingen die in het Bangemann-rapport voorgesteld zijn om de informatiemaatschappij te lanceren, kritisch afhankelijk van de beschikbaarheid van digitale huurlijnen met snelheden van 2 Mbit/s en hoger.
    Om de huidige stagnatie in de levering en de ontwikkeling van de geliberaliseerde telecommunicatiediensten snel te overwinnen, is het essentieel de toegangsmogelijkheden tot de infrastructuur van derden en de eigen voorziening van infrastructuur te bewerkstelligen, in het bijzonder om het totale aantal lijnen met een hoge capaciteit in de Europese Unie te laten toenemen en de prijzen te verlagen.
    De spoedige liberalisering van alternatieve infrastructuur kan een belangrijke impuls geven aan industrie, dienstverleners en gebruikers bij de ontwikkeling van de markt voor netwerken voor bedrijven en gesloten gebruikersgroepen.
    Het groenboek over infrastructuur zal een fundamenteel nieuw onderzoek van de huidige structuur inhouden. Nieuwe technologie, de zakelijke en sociale behoeften, overwegingen omtrent universele dienstverlening, en transeuropese netwerken komen onder andere voor op de agenda. Het regulerende beleid van de Europese Unie zal een rol spelen, niet door het geven van een voorkeur aan één technologie boven een andere, maar door het creëren van een objectief kader voor universele dienstverlening, voor op kosten gebaseerde prijsstelling en voor interconnectie.
    Deel 1 van het groenboek is eind oktober door de Commissie aangenomen en aangeboden aan de Raad van Ministers en aan het Parlement. Deze tekst wordt nu onderwerp van een openbaar debat (zie kader 2).

    Perspectief

    Met het regelgevende programma voor Open Toegang tot Netwerken (ONP) in een vergevorderd stadium van uitvoering, richt de aandacht zich nu op het bijstellen van het regelgevingskader voor de toekomstige concurrerende markt. Een volledig concurrerende markt in telecommunicatiediensten zal zich in fasen ontwikkelen. Twee stadia kunnen daarbij onderscheiden worden.
    Het eerste stadium bestaat uit volledige tenuitvoerlegging van het bestaande pakket van regelgevende maatregelen. Dit omvat volledige toepassing van de ONP-kaderrichtlijn, de Richtlijn voor huurlijnen, samen met de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Raad over ISDN en pakket-geschakelde diensten (PSDS). Het omvat ook goedkeuring in de nabije toekomst door het Europese Parlement en de Raad van de opnieuw voorgelegde Richtlijn over spraaktelefonie, evenals acties die volgen uit het analyserapport van de Commissie over de toepassing van de principes van ONP op intelligente netwerken, netwerkbeheer en toegang tot het lokale distributienetwerk.7 De volledige tenuitvoerlegging van deze maatregelen is essentieel voor het geven van wettelijke zekerheid voor de periode tot 1 januari 1998.
    Het tweede stadium betreft de veranderingen die noodzakelijk zijn om aan de vereisten van een volledig concurrerende markt te voldoen per 1 januari 1998. In overeenstemming met het tijdschema bepaald in de resolutie van de Review zullen de noodzakelijke wetgevende maatregelen door de Commissie voor 1 januari 1996 voorgesteld worden.
    Drie belangrijke kwesties moeten behandeld worden: het toepassingsgebied (namelijk de organisaties waarop ONP van toepassing is), de beperking van regelgeving tot kernzaken, en technische normen.

    Toepassingsgebied: de organisaties waarop de verplichtingen van de open toegang tot netwerken van toepassing zijn

    Het concept van 'speciale en exclusieve rechten' is tot op heden gehanteerd als belangrijkste criterium voor het toepassen van de voorwaarden van de open toegang tot netwerken. Met de toekomstige afschaffing van speciale en exclusieve rechten voor telecommunicatiediensten moet de kwestie van de organisaties waarop de bepalingen van de open toegang tot netwerken van toepassing zullen zijn, opnieuw bekeken worden. In de toekomst kunnen de exclusieve of speciale rechten niet meer als belangrijkste criterium voor de toepassing van de voorwaarden voor de open toegang tot netwerken dienen. Het uitgangspunt voor het onderzoeken van de kwestie is om naar een oplossing te werken die

  • rekening zal houden met de marktpositie van de organisaties, zodra de exclusieve en speciale rechten voor telecommunicatiediensten zijn afgeschaft;
  • erop toe dient te zien dat de verplichtingen betreffende de universele dienstverlening redelijk verdeeld worden, met toepassing van het principe van evenredigheid en zonder nieuwkomers op de markt onevenredig te belasten met regelgeving.

    Het beperken van regelgeving tot kernzaken

    De nadruk van titel xii van het Verdrag van de Europese Unie over interconnectie en interoperability, en het centrale belang van interconnectie en interoperability in een concurrerende omgeving, vereisen dat de open toegang tot netwerken zich concentreert op deze kwesties. De belangrijkste toekomstige richtlijn zou een open interconnectiekader moeten zijn. Dit is benadrukt door het rapport 'Europa en de globale informatiemaatschappij', en door het daarop volgende actieplan van de Commissie.8

    Drie hoofdrichtingen zouden gevolgd moeten worden:

  • Commerciële onderhandeling zou de basis voor interconnectie-overeenkomsten moeten zijn.
  • De nationale regelgevende overheidsorganen moeten een rol spelen bij het bepalen van de basis voor onderhandeling.
  • Er moeten gemeenschappelijke principes komen voor interconnectietarieven.

    De tarieven van interconnectie zouden met betrekking tot drie belangrijke elementen geanalyseerd moeten worden:

  • een vergoeding voor eenmalige kosten verbonden aan het totstandbrengen van interconnectie;
  • transportkosten verbonden aan het volume van het verkeer en het aantal gebruikte verbindingen;
  • een bijdrage aan de kosten betreffende de voorziening van de universele diensten, binnen de richtlijnen van resolutie 94/C48 van de Raad over universele dienstverlening.

    De huidige kaderrichtlijn voor de open toegang tot netwerken legt het principe van kostenoriëntatie vast voor de eerste twee punten. Sommige principes voor de kostprijsberekening met betrekking tot het laatste punt werden aanvaard in algemene zin door het Europese Parlement en de Raad tijdens de recente behandeling van de toepassing van de principes van de open toegang tot netwerken op spraaktelefonie.

    Het huidige overleg wijst op de behoefte aan een algemene benadering voor het bevorderen van interconnectie die duidelijk bepaald moet worden in een doorzichtig en stabiel regulerend kader.
    De meest aangewezen benadering is een nieuwe interconnectierichtlijn die in duidelijke termen de principes en het kader vastlegt voor de bevordering van interconnectie. Gebieden die zouden moeten worden bestreken door een dergelijke interconnectierichtlijn zijn:

    Algemene principes voor interconnectie.

    Deze principes komen voort uit de ONP-kaderrichtlijn, dat wil zeggen objectiviteit, transparantie en niet-discriminatie, overeenkomstig de eu-wetgeving.

    Kader voor onderhandeling

    . Een kader voor het onderhandelen zal erop toe moeten zien dat de commerciële onderhandelingen in een eerlijke en tijdige overeenkomst resulteren. De regelgevende overheidsorganen zullen verantwoordelijkheid moeten nemen voor een evenwichtige onderhandelingspositie van de betrokken partijen, het verstrekken van adequate informatie, de kostenoriëntatie van het aanbod, en voor kwesties zoals 'unbundling' en het installeren van apparatuur bij de andere partij (collocation).

    Een gemeenschappelijke benadering en limitering van het deel van de interconnectietarieven dat samenhangt met het delen van de kosten van universele dienstverlening.

    Deze benadering zou gebaseerd moeten worden op het huidige overleg dat in de context van resolutie 94/C48 van de Raad over de principes van universele dienstverlening in de telecommunicatiesector wordt gevoerd. Het zou duidelijke, in heel Europa geldende regels tot stand moeten brengen voor het bepalen van toegangstarieven, inclusief limitering voor de compensatie die eventueel nodig is voor verplichtingen met betrekking tot universele dienstverlening.

    Een mechanisme voor het oplossen van geschillen.

    Een mechanisme voor het oplossen van geschillen tussen de partijen moet opgezet worden, met daarin een goed omschreven rol voor de nationale regelgevende orgaan en de Commissie.

    Twee uitvoerige studies worden momenteel uitgevoerd voor de Commissie betreffende kostentoewijzing en interconnectie (respectievelijk door Arthur Andersen9 en wik10). De studies zullen na publikatie in december 1994 aan een open discussie onderworpen worden.

    De technische normen zullen in het algemeen vrijwillig zijn.

    De proliferatie van netwerken en diensten in de toekomstige concurrerende omgeving, en de behoefte aan interconnectie en interoperabiliteit, vereisen een nieuwe nadruk op de ontwikkeling van markt-georiënteerde normen, om erop toe te kunnen zien dat de markten werkelijk open zijn en de gebruikersbelangen worden gediend.

    De benadering is zodanig dat vrijwillige technische normen voor interconnectie benadrukt zullen worden, omdat in het algemeen conformiteit aan geharmoniseerde normen in het belang is van alle partijen. Dit zal zoveel mogelijk als een vrijwillig proces worden gehandhaafd. Tegelijkertijd dienen de beschermingsmechanismes versterkt te worden, waardoor volgens duidelijke criteria bepaalde normen verplicht gesteld kunnen worden in situaties waar anders de open toegang tot netwerken in gevaar komt en de gebruikers benadeeld worden.