I&I-> Jaargangen -> Artikel

Bescherming
versus
openbaarheid

Door A.W.M. Teulings


In hoeverre hebben personeelsinformatiesystemen invloed op de arbeidsverhoudingen van werknemers? En hoe bedreigend zijn PI-systemen voor de privacy van diezelfde werknemers?

Onlangs trad de Registratiekamer in de open-baarheid met een (voorlopige) studie over privacybescherming van werknemers bij de invoering en toepassing van personeelsinformatiesystemen.1 Men kan deze studie beschouwen als een eerste beleidsdocument waarin optiek en filosofie zijn vastgelegd van waaruit klachten van werknemers over aantasting van de persoonlijke werksfeer door de Registratiekamer in behandeling worden genomen. Personeelsinformatiesystemen worden in deze studie benaderd vanuit de vraag in hoeverre daardoor de arbeidsverhouding van werknemers wordt gewijzigd, in het bijzonder de machtsafhankelijkheid.
Kenmerkend voor de probleemstelling van deze studie is de gedachte dat PI-systemen een toenemende bedreiging (kunnen) vormen voor de privacy en dat werknemers daartegen moeten worden beschermd. Daarvoor is dan nieuwe wetgeving vereist omdat het huidige arbeidsrecht onvoldoende waarborgen biedt. Deze probleemstelling is in mijn ogen eenzijdig, en op vrijwel elke pagina van deze studie wordt deze eenzijdigheid onderstreept: door de keuze van definities, de selectie van geraadpleegde literatuur, de als illustratie bedoelde 'voorbeelden uit de praktijk' maar vooral ook door het vaak normatieve taalgebruik. Maar vooral zal ieder die te maken heeft met de ontwikkeling van personeels- en organisatieinformatiesystemen getroffen worden door het gevoel dat de praktijk van de informatievoorziening in het bedrijfsleven zich in een wat andere richting ontwikkelt dan door de auteurs wordt vermoed. Gegeven de ontwikkeling van de technologie vormen P&O-informatiesystemen niet meer in de eerste plaats een vraagstuk dat vraagt om betere bewaking en bescherming, maar om verdere ontplooiing en openbaarheid.
Ter ondersteuning van deze stelling wil ik drie gezichtspunten naar voren brengen:

  • De ontwikkeling van personeelsinformatiesystemen heeft zich verplaatst van administratie en registratie naar beleidsondersteuning en beleidsevaluatie.
  • Bij de vraag naar het kennisleidend belang (cui bono/cui malo?) blijkt informatisering in organisaties een tweesnijdend zwaard: voor werknemers en het publiek (de burger) is er minstens zoveel profijt te trekken als kwaad te duchten van de huidige ontwikkeling.
  • De 'zorgende' rol van de overheid zou zich, gegeven de huidige ontwikkeling, niet meer uitsluitend of overwegend op privacybescherming maar vooral op openbaarheidsbevordering dienen te richten.

    De eerste computerondersteunde PI-systemen werden al voor 1970 in Nederland ingevoerd. De computer was niet meer dan een medium, verving de kaartenbak of het personeelsdossier.

    Personeelsgegevens waren aanvankelijk gekoppeld aan geautomatiseerde salarisadministraties. Personeelsstaven en managers hadden daar geen verstand van, en het beheer werd toevertrouwd aan een centrale automatiseringsafdeling, of, in veel gevallen, uitbesteed aan een gespecialiseerd servicebureau. De beheerder verschafte standaardoverzichten. Een verzoek om overzichten op maat stuitte op grote problemen. De vrager had geen idee welke vragen zinvol gesteld konden worden, de toeleverende instantie had geen vakinhoudelijke kennis van het werkterrein van de vrager. De bevraging kostte veel tijd, het antwoord kwam meestal te laat. De verkregen gegevens bevatten vaak meer desinformatie dan informatie. Personeelsfunctionarissen waren vaak wars van cijfers, vroegen nogal eens de verkeerde tabellen op, en trokken daaruit ongeoorloofde conclusies.
    Het enige dat meestal goed ging was het opvragen van individuele gegevens. Maar een kaartenbak of personeelsdossier was dan eigenlijk wel zo toegankelijk. Omdat de kloof tussen personeelsfunctionarissen en automatiseringsmedewerkers moeilijk te overbruggen leek, ontstond een markt voor een sterk vereenvoudigd stand-alonesysteem van personeelsinformatisering met beperkte mogelijkheden, toegespitst op de traditionele administratieve registratiebehoeften van de personeelsafdeling, voorzien van elementaire standaard opvraagmogelijkheden, en zo direct door de personeelsfunctionaris te raadplegen. De technologische ontwikkeling van personeelsinformatiesystemen kwam tot stilstand; preciezer: werd regressief. Binnen andere functiegebieden van het management zette zich wel een ontwikkeling door waarbij informatiesystemen werden ingezet ten behoeve van vraagstukken van planning, sturing, control en beleidsevaluatie. Eerst in de jaren negentig komt weer een ontwikkeling op gang die aan te duiden is als het inhalen van een veeljarige achterstand. Men probeert PI-systemen weer te koppelen aan andere informatiesystemen, en het denken over ondersteuning van beleidsvorming, sturing en evaluatie vanuit de personele functie keert weer terug.
    De vraag wie toegang had tot de personeelsdossiers was in het verleden nooit een issue. Behalve een enkele keer als deze in stapels in een vuilniszak op straat werden aangetroffen. Problemen rond privacybescherming van in de computer opgeslagen personeelsdossiers blijken vaak een produkt van wederzijdse onkunde en incompetentie. De mogelijkheid van bewust misbruik is bij kaartenbak en personeelsdossier groter, maar kan bij raadpleging van computerbestanden gemakkelijker worden vastgesteld.
    Anno 1994 is die situatie veranderd, en in de komende jaren zal die verandering zich versneld doorzetten. De richting van deze verandering kan het beste worden omschreven als de ontwikkeling naar beleidsondersteunende informatiesystemen binnen een context van resultaatverantwoordelijk management.2 De centrale legitimiteitsvraag is dan zeker niet te zoeken op het punt van privacy, maar op het punt van openbaarheid van bestuur, en in de publieke zichtbaarheid van het effect van doelgericht bestuurlijk handelen, zowel in de publieke als in de private sector. In veel organisaties is die effectiviteit beperkt, en openbaarheid daarover wordt niet altijd als wenselijk beschouwd:

  • Politiekorpsen besteden middelen die bedoeld zijn voor uitbreiding van het aantal 'streetcops' voor de aanschaf van nieuwe informatiesystemen. Niet alleen worden geen nieuwe wijkagenten aangetrokken, maar ook worden meer streetcops gevangen op het bureau. De omvang van de misdaad wordt beter geregistreerd, en de veiligheidbeleving van de burger neemt verder af. Politiepersoneel - ook wijkagenten - hebben tegenwoordig een HBO-opleiding. Zij zien hun toekomst niet op straat maar achter het bureau. Het collectief groepsbelang verzet zich krachtig tegen het publieksbelang. De informatie over het beleidseffect (doel-middel verschuiving) is in alle politiekorpsen van meet af aan beschikbaar, maar wordt niet vrijwillig openbaar gemaakt. De gemeentereiniging gaat over tot gescheiden huisvuilinzameling in antwoord op de milieuproblematiek. De tarieven worden daartoe verhoogd, het reguliere huisvuil wordt niet meer eens per week, maar per veertien dagen opgehaald. De andere week is voor tuinafval. De opbrengst aan tuinafval is gering, slechts dertig procent van de gebruikers zet elke veertien dagen het tuinafval aan straat, en de vaten zijn half leeg. De inefficiëntie van het apparaat neemt toe, de dienstverlening neemt af, de gemeentelijke belastingen stijgen. De informatie is bekend, maar niet openbaar, want niet in het belang van de organisatie, die daarmee een dreigende privatisering heeft afgewend.
  • De arrondissementsrechtbanken klagen over een tekort aan openbare aanklagers en rechters, waardoor een sterke vertraging in de produktie en verwerking van rechtszaken ontstaat, en in toenemende mate zaken worden geseponeerd. Aan enkele arrondissementen wordt een forse personeelsuitbreiding toegekend. In daaropvolgende jaren neemt juist daar de doorstroomsnelheid nog verder af.
  • Het bestuurscentrum van een universiteit wordt vele jaren belaagd met klachten over extreme bureaucratie van de centrale stafdiensten. Eindelijk wordt overgegaan tot afslanking en enkele honderden medewerkers verdwijnen - uit het zicht, want zij worden overgeheveld naar de afzonderlijke faculteiten, waar niet om uitbreiding was gevraagd, maar waar de lokale bureaucratie nu een ongekende opbloei beleeft.
  • Op een ministerie worden in het kader van een centraal personeelsbeleid minimale eisen gesteld aan het percentage in dienst te nemen vrouwen, werkloze academici, sociale-vangnetgroepen en allochtonen. Er is echter sprake van een jarenlange krimpsituatie, die ook in de komende jaren zal blijven bestaan. Eén dienstonderdeel kent echter een voortdurende uitbreiding, als gevolg van sterke parlementaire aandacht. Deze dienst groeit jaarlijks met meer dan honderd procent. Het is tevens de vergaarbak van de genoemde sociale doelgroepen, waarmee het ministerie zijn beleidsdoelen weet te behalen. De functionering van het dienstonderdeel is zeer problematisch, maar dat is de prijs die het ministerie gaarne betaalt.

    In al deze gevallen is de problematiek in de organisatie bekend en de omvang ervan onmiddellijk zichtbaar bij analyse van de gegevens uit het personeelsinformatiebestand, al dan niet gekoppeld aan financiële bestanden. De organisatie heeft hier behoefte aan privacy, het publiek aan openbaarheid.

    Diezelfde tegenstelling geldt overigens ook voor de medewerkers binnen een organisatie. Voor hun individuele gegevens mogen zij aanspraak maken op rechtsbescherming en privacy, maar zij hebben als collectief een direct belang bij de benutting van die persoonlijke gegevens in de meer geaggregeerde vorm die noodzakelijk is voor beleidssturing en -evaluatie. We geven enkele voorbeelden.

  • Minderheden kunnen individueel belang hebben bij het niet opnemen van hun minderheidsstatus in een personeelsbestand. Het maakt hen dan echter tegelijkertijd onzichtbaar voor doelgroepenbeleid en gerichte beleidsevaluatie.
  • In veel organisaties is sprake van een sterk verminderde instroom en uitstroom van medewerkers. Daardoor hapert ook de doorstroming. In toenemende mate worden mensen aangesteld op functies onder hun (opleidings)niveau, en blijven hangen in functies waar promotiekansen minimaal zijn.

    Uit gegevens van het personeelsinformatiesysteem is eenvoudig zichtbaar te maken in welke organisaties en in welke organisatie-onderdelen de doorstroommogelijkheden volledig verstopt zijn geraakt. Organisatie-onderdelen van eenzelfde bedrijf of overheidsdienst kennen vaak zeer grote verschillen in hun kwaliteit als stijgingskanaal. Een HBO-er of pas afgestudeerde die binnenkomt op afdeling A loopt in een fuik. Dezelfde persoon zou in afdeling B merken dat deze als springplank fungeert. Er bestaat een significant verschil in stijgingskansen vanuit A dan wel B. Voor medewerkers is dit uiterst relevante informatie. Het bedrijf of de instelling zal niet zo gauw met deze informatie te koop lopen.

    De vraag wie baat heeft bij bescherming van gegevens wordt niet bepaald door de aard van de gegevens die worden opgeslagen, maar door de wijze waarop deze tot informatie worden bewerkt, en vervolgens door het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
    De verschillen in effectiviteit en doelmatigheid tussen gelijksoortige organisaties zijn vaak erg groot. Bij resultaatmeting (zowel in output als outcome) zijn onderlinge verschillen van meer dan honderd procent mogelijk, tussen politiekorpsen, arrondissementsrechtbanken, universiteitsbesturen, ziekenhuizen, arbeidsbureaus, gemeentelijke diensten, postkantoren, bankfilialen, gemeenschappelijke administratiekantoren en verkiezingscampagnes. Alleen bij McDonald-s zijn de verschillen minimaal.
    De vergelijking van bereikte beleidsuitkomsten tussen organisaties en organisatie-onderdelen laat zien wat in de praktijk mogelijk is, in welke mate in door de maatschappij en politieke vertegenwoordigers gearticuleerde behoeften daadwerkelijk wordt voorzien, en welk niveau van effectiviteit en efficiency als norm mag gelden.
    Inter- en intra-organisationele resultaatvergelijking kan dan een grondslag vormen voor fonds- en legitimiteitsaanspraken van een organisatie of organisatie-onderdeel. De ontwikkeling van de informatietechnologie laat deze vorm van beleidevaluatie toe.
    Er bestaat echter een te grote kloof tussen technologische mogelijkheden en alledaagse praktijk. Belangenorganisaties (zoals vakorganisaties en politieke partijen) en overheidsdiensten die mede tot taak hebben om werknemers- en publieksbelangen te articuleren, nemen nog te vaak maatschappelijk en wetenschappelijk achterhaalde posities in, waarmee de belangen van hun achterban niet wezenlijk gediend zijn, die als red herrings de discussie in de verkeerde richting leiden, en daarom moeilijk als progressief kunnen worden aangemerkt. In veel organisaties is er een achterstand in competentie met betrekking tot de toepassing van informatiesystemen binnen een kader van resultaatverantwoordelijk management. Zo doet zich in tal van vormen een toenemende tegenspraak voor tussen organisatiebelang en publiek belang. Als gevolg daarvan is er een teveel aan privacy en tekort aan openbaarheid.
    De Registratiekamer zou zich in deze context kunnen spiegelen aan de taakopvatting van de Rekenkamer - of ook aan recente studies van het Cultureel Planbureau - en haar functie herdefiniëren: van behandeling van individuele gevallen van privacybescherming naar de ontwikkeling van een cultuur van collectieve openbaarheidsbevordering.

    Dit artikel is geschreven als inleiding voor het seminar van de Registratiekamer over het rapport personeelsinformatiesystemen, Den Haag, 29 april 1994, Pulchri Studio.