I&I-> Jaargangen -> Artikel

Het internet
in meer
detail

Door Erik Zegwaart & Peter Jurg


In Nederland lijkt 1994 het jaar van het Internet te worden. Aan het begin van 1994 was alles nog betrekkelijk rustig, maar vlak voor de zomer werd in het Bangemann-rapport voor het eerst op Europees niveau gesproken over het Internet. Daarna werden de eerste positieve geluiden gehoord vanuit Haagse kringen en ook de pers liet zich in deze periode niet onberoerd. Een duidelijk signaal was ook de troonrede, waarin Hare Majesteit zich uitsprak over de electronische snelwegen. Nu heeft ook IBM geannonceerd dat men eindgebruikers toegang gaat geven tot Internet en de PTT is ook dergelijke diensten aan het ontwikkelen. Het lijkt wel alsof het Internet in één jaar van een netwerk voor onderwijs en onderzoek gegroeid is naar de digitale snelweg van de toekomst.


De hiervoor aangegeven zaken zijn voldoende aanleiding om het Internet meer in detail te beschrijven. In dit artikel zullen daarom de historie, de organisatiestructuur, de diensten en de economie van het Internet uiteen worden gezet. Daarna zal ook worden ingegaan op aspecten die een rol spelen bij het aansluiten van een organisatie op het Internet. Begonnen zal worden met een korte historische terugblik.

Historie van het Internet

Eind jaren zestig werden er door de industrie en overheden verschillende initiatieven ontplooid om computers via netwerken informatie te laten uitwisselen. Een van die initiatieven betrof het in 1973 door het Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA) in de Verenigde Staten gestarte project om een technologie te ontwikkelen waarmee een 'internet' kon worden gecreëerd, dat wil zeggen een koppeling van verschillende netwerken (Lynch, 1993). Het protocol dat hiervoor in 1973-1974 werd ontwikkeld kreeg de naam TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol) (Postel, 1981).
Het eerste netwerk dat gebruik maakte van deze technologie kreeg de naam ARPANET (onderweg werd de 'D' van DARPA losgelaten). Op dit netwerk werden voornamelijk researchinstellingen toegelaten die onder supervisie stonden van het Department of Defense (DOD). In 1980 werd het ARPANET in twee delen opgesplitst, namelijk MILNET (voor militaire toepassingen) en een deel dat onder de naam ARPANET bleef voorbestaan.1
In 1985-86 kreeg de National Science Foundation ook interesse in de toepassingsmogelijkheden van het Internet en besloot om, gebaseerd op de TCP/IP-technologie, een nationaal netwerk te realiseren. Dit netwerk, dat de naam NSFnet kreeg, werd de infrastructuur waarop in principe alle universiteiten en onderzoeksinstituten aangesloten konden worden. Eind jaren tachtig begon NSFnet ook allerlei vertakkingen te krijgen naar Europa en andere werelddelen.
Hoewel er met name voor electronische post medio jaren tachtig al een wereldwijd researchnetwerk was (EARN/BITNET), werd NSFnet al snel zo populair dat wereldwijd vele universiteiten en onderzoeksinstellingen overstapten op netwerken die op TCP/IP waren gebaseerd. Hieruit heeft zich het huidige Internet ontwikkeld, dat bestaat uit de koppeling van internationale, landelijke en lokale netwerken die gemeen hebben dat ze allemaal hetzelfde netwerkprotocol gebruiken (TCP/IP).
De groei van het Internet is de laatste jaren stormachtig geweest en het ziet er naar uit dat ook voor de komende jaren zal gelden. In de Verenigde Staten zijn er op dit moment meerdere aanbieders van Internet, die hun eigen infrastructuren (van nationale backbones tot simpele inbelvoorzieningen) aan elkaar hebben gekoppeld. In Europa is er een aantal service providers van Internet dat weer levert aan nationale service providers. Het Internet is echter nog steeds Amerikaans georiënteerd: het zijn de Europese service providers die de transatlantische verbindingen tussen hun eigen netwerk en dat van de service providers in de Verenigde Staten betalen.
Het Internet bestaat op dit moment uit naar schatting 40.000 netwerken (van service providers, maar voornamelijk van klanten), waarop zo'n 56.000 organisaties (domeinen) zijn aangesloten. Het totaal aantal hosts is in oktober 1994 bijna vier miljoen. In figuur 1 (a/b) wordt de groei in het aantal hosts en het aantal domeinen sinds januari 1993 weergegeven. In tabel 1 wordt aangegeven hoeveel hosts er zijn per land in oktober 1994.
Nederland heeft dus zo'n 75.000 hosts, en ongeveer duizend netwerken. Globaal gezien is dit geen groot aantal, maar wanneer wordt gekeken naar de 'Internetdichtheid' (het aantal aangesloten computers uitgezet tegen het bruto nationaal produkt), komt Nederland wereldwijd op de achtste plaats; na bijvoorbeeld IJsland, Finland, Verenigde Staten, maar voor onder andere het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland, Canada (EEMA2 briefing 1994 no. 7).

Welke diensten biedt het Internet?

De hiervoor beschreven ontwikkeling ging in hoofdzaak over de TCP/IP datatransport-infrastructuur die het mogelijk maakt dat netwerken op grote schaal aan elkaar worden gekoppeld. Het succes van het Internet kan echter maar voor een deel verklaard worden door deze technologie. Een belangrijke bijdrage aan het succes moet toegedicht worden aan de diensten (applicaties voor eindgebruikers) op het Internet. In de volgende paragrafen worden de diensten die een rol spelen bij het Internet vanuit twee verschillende invalshoeken toegelicht: enerzijds die van de gebruikers (aangesloten organisaties en eindgebruikers), anderzijds die van de Internet Providers en de informatieleveranciers.

Netwerkdiensten

Vanuit het oogpunt van de gebruiker bestaan de netwerkdiensten op het Internet uit een stopcontact waarmee transparant kan worden gekoppeld. Het stopcontact kan verschillende vormen aannemen (onder andere vaste verbindingen, satelliet, ISDN en het telefoonnetwerk).
Om te zorgen voor een transparante aansluiting voor de klant moet de Internet Provider een eigen netwerkinfrastructuur onderhouden, die minimaal uit één knooppunt bestaat (hoewel men dan nauwelijks kan spreken van een volwaardige infrastructuur, aangezien één knooppunt ook een single point of failure vormt). Een volwaardige infrastructuur bestaat uit meerdere knooppunten die onderling redundant verbonden zijn. Verder biedt een volwaardige infrastructuur een dynamische transportcapaciteit, een hoge beschikbaarheid en een adequate veiligheid.
De netwerkdiensten dienen als basis voor gebruikstoepassingen op het Internet. Deze kunnen worden onderverdeeld in communicatie-, informatie- en navigatiediensten.

Communicatiediensten

Communicatiediensten zijn diensten die de gebruikers in staat stellen om onderling electronische gegevens (tekst, documenten, plaatjes, video, geluid) uit te wisselen, of om toegang te krijgen tot informatiediensten. De gebruiker heeft via zijn eigen lokale infrastructuur toegang tot deze diensten.
De Internet Provider zal de gebruikers moeten ondersteunen bij het aansluiten van de lokale communicatie-infrastructuur op die van het Internet en zal daarom een eigen communicatie- infrastructuur moeten onderhouden. Deze laatste bestaat onder andere uit voorzieningen die e-mailverkeer op het Internet en tussen het Internet en andere netwerken (bijvoorbeeld de x.400-wereld) mogelijk maken en verder de algemene toegankelijkheid tot informatiediensten op het Internet vereenvoudigen. De belangrijkste communicatiedienst op het Internet is electronische post (e-mail). Voor wat betreft e-mail heeft het Internet koppelingen met allerlei andere netwerken zoals Compuserve, FIDOnet, Applelink, enzovoort. Een bijzondere koppeling heeft het Internet met de wereldwijde x.400 netwerken die door de PTT's en andere grote providers (bijvoorbeeld IBM, AT&T en MCI) worden geëxploiteerd (zie ook figuur 2). Hierbij is namelijk geen sprake van een enkele koppeling, maar van meerdere koppelingen in meerdere landen, die tezamen een grote virtuele koppeling vormen. De Internet Providers die een dergelijke koppeling aanbieden moeten samenwerken om routeringsproblemen te voorkomen. Voor gebruikers (zowel aan de Internet- als aan de x.400-kant) is het daarom zaak om voor de e-mailkoppeling met de andere kant een Internet Provider uit te zoeken die participeert in de internationale samenwerking.
Andere communicatiediensten zijn babbelboxen, file transfer (ftp) en de mogelijkheid om via het netwerk op andere computers in te loggen (telnet).

Informatiediensten

Informatiediensten betreffen alle systemen en technieken waarmee informatie wordt aangeboden. Typische informatiediensten zijn electronische biliotheekcatalogi, databanken met informatie en documenten per onderwerp, electronische telefoonboeken en dergelijke. Ook middelen voor groepscommunicatie zoals discussielijsten (gebaseerd op e-mail) worden meestal tot de informatiediensten gerekend. Gebruikers kunnen via eenvoudig te bedienen applicaties deze diensten gebruiken. De informatie zelf kan door iedere gebruiker van het Internet worden aangeboden, die daarmee als informatieleverancier optreedt.
Een goede Internet Provider beschikt over een informatie-infrastructuur die bestaat uit systemen voor groepscommunicatie aangevuld met archieven met kopieën van public-domain-informatie uit het buitenland (dit komt de beschikbaarheid van deze informatie zeer ten goede en ontlast tevens het gebruik van internationale verbindingen). Verder zal een goede Internet Provider een cošrdinerende rol vervullen ten aanzien van alle informatie die wordt aangeboden via het eigen netwerk.

Navigatiediensten

Navigatiediensten zijn een hulpmiddel bij het zoeken naar informatie. Ze maken de gebruikers wegwijs in het digitale oerwoud van alle informatiediensten. De belangrijkste exponenten zijn gopher en WorldWide Web (WWW). Met WWW vervagen de grenzen tussen informatie- en navigatiediensten. WWW biedt een mechanisme om te navigeren, maar ook om allerlei (multimedia-) informatie in op te slaan.
Voor deze diensten geldt dat een goede Internet Provider soortgelijke activiteiten zal verrichten als bij informatiediensten.

Additionele diensten

Het is de taak van de Internet Providers om voor ondersteuning te zorgen bij het aansluiten en gebruiken van de Internetdiensten. Deze ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van een helpdesk, technische advisering (over aansluiten en beveiliging), gebruikersondersteuning, documentatie, opleidingen, enzovoort. Verder kan een Internet Provider gateways naar andere netwerken en diensten aanbieden. Een Internet Provider is ook verantwoordelijk voor allerlei coördinatie-activiteiten (bijvoorbeeld op het gebied van netwerkmanagement).
De gebruiker heeft met een goede Internet Provider dus een aanspreekpunt voor alle problemen en vragen ten aanzien van de Internetaansluiting.

Innovatie

Het Internet is geworden tot wat het is doordat zeer veel tijd en geld is besteed aan innovatie. Alleen wanneer de inspanningen op het gebied van innovatie onverminderd blijven doorgaan kan het Internet aantrekkelijk blijven. Innovatie met betrekking tot Internetdiensten vindt plaats binnen de IETF (waarover later meer), maar ook zeker daarbuiten in allerlei pilotprojecten. Het is van belang dat Internet Providers, gebruikers en leveranciers van netwerkprodukten blijven samenwerken om het Internet van nieuwe diensten en technieken te voorzien.
Deze taak is tot nu toe voor een belangrijk deel door vertegenwoordigers uit de researchnetwerken uitgevoerd. Dit is ook wel begrijpelijk aangezien deze doelgroep een grote behoefte heeft aan geavanceerde hulpmiddelen bij het verrichten van hun primaire taak. De huidige innovatie spitst zich toe op snellere netwerken en allerlei multimedia-applicaties (bijvoorbeeld videoconferencing, groupware).

De organisatiestructuur van het Internet

Het Internet wordt nog vaak afgespiegeld als een onsamenhangend en slecht geleid netwerk met communicatiediensten die onbetrouwbaar zijn en slechts nuttig zijn voor onderzoek- en onderwijstoepassingen. Dit beeld is gelukkig aan het veranderen, want de praktijk leert ons dat het Internet een infrastructuur is die ondanks de enorme groei bewezen heeft te kunnen blijven functioneren.
In deze paragraaf zal worden weergegeven hoe het Internet op dit moment is georganiseerd. Tevens zal de structuur die verantwoordelijk is voor het verder ontwikkelen van het Internet uiteengezet worden. Dit laatste is zeker geen eenvoudige taak, aangezien bij de start van het Internet (zie historie) geen rekening is gehouden met een dergelijke groei.

Overkoepelende organisaties

Sinds enkele jaren is de Internet Society (ISOC) actief als de internationale organisatie die tot doel heeft het gebruik van het Internet voor research- en onderwijsdoeleinden te promoten. ISOC is een forum voor overheden, industrie en individuen om te discussiëren over regelgeving en procedures rond het gebruik van het Internet. Tevens richt ISOC zich op de verdere ontwikkeling van de Internettechnologie. ISOC is in januari 1992 gestart.
De ISOC bevordert tevens het harmonisatie- en standaardisatieproces binnen het Internet. Dit proces wordt gekenmerkt door een pragmatische wijze van werken van alle betrokken partijen. De huidige standaardisatiestructuur is sinds 1989 operationeel. Deze kenmerkt zich door zijn openheid. Open wat betreft:

  • publikaties: iedereen mag nieuwe standaarden voorstellen;
  • eigendom: alle documenten zijn vrij toegankelijk;
  • ontwikkeling: iedereen mag op basis van deze documenten nieuwe produkten ontwikkelen.

    Deze structuur heeft als 'sturend' orgaan de Internet Architecture Board (IAB). Hierin hebben een vijftiental vrijwilligers 'met een bewezen staat van dienst' zitting die als hoofdtaak hebben 'te waken over de multiprotocol architecture van het wereldwijde Internet'. Op het technisch inhoudelijke vlak is de Internet Engineering Task Force (IETF) actief. De IETF kan gezien worden als het kloppende hart van het standaardisatieproces. Binnen de IETF zijn werkgroepen actief op verschillende deelgebieden, zoals applicaties, routering en adressering, beveiliging, netwerkmanagement, gebruikersdiensten en OSI-integratie. Aangezien het aantal deelnemers aan IETF-bijeenkomsten de afgelopen jaren sterk is toegenomen (in 1992 al meer dan 600) zorgt een groep werkgroepvertegenwoordigers onder de naam Internet Engineering Steering Group (IESG) voor de afstemming van de verschillende deelgebieden.

    De documenten die de standaarden, en standaarden-in-wording beschrijven, worden aangeduid met Request For Comments (RFC's). Er zijn verschillende typen RFC's zoals Informational, Experimental en Standard track. RFC 1539 beschrijft bijvoorbeeld hoe de IETF zelf functioneert. Een citaat uit RFC 1539 'the IETF is a loosely selforganized group of people who make technical and other contributions to the engineering and evolution of the Internet and its technologies'. RFC 1 'Host Software', geschreven door Crocker, dateert trouwens al van 7 april 1969.
    Iedereen kan meewerken aan het ontwikkelen van standaarden. Dit doet men door middel van het schrijven van een voorstel in de vorm van een concept-document (draft RFC). Gedurende een bepaalde periode kunnen anderen via een werkgroepenstructuur commentaar leveren. Voordat een voorstel een standaard kan worden dienen uiteindelijk ook minimaal twee werkende public-domain-implementaties gebaseerd op de draft-RFC's te worden ontwikkeld. Alle publikaties zijn vrij en on-line (hoe kan het anders?) toegankelijk voor geïnteresseerden.
    Een groot verschil met formele standaardisatie (zoals bij de ISO) is dat men niet voor een theoretische, maar voor een pragmatische benadering kiest. Een oplossing wordt vaak vanuit een probleemstelling ontwikkeld en zo spoedig mogelijk in een testomgeving toegepast. De testresultaten kunnen dan weer tot aanpassingen leiden, zodat de uiteindelijke standaard zich eigenlijk direct al bewezen heeft. Er wordt in de praktijk ook wel aan meerdere 'standaarden' tegelijk gewerkt en dit leidt ook wel tot meerdere operationele produkten. De praktijk (en dus de gebruikers) maken uiteindelijk uit welk produkt men wil gaat gebruiken. Dat laatste is iets wat door de formele standaardisatiecommissies wel eens wordt vergeten. Helaas, want het is toch volstrekt logisch dat de 'gemiddelde' gebruiker niet in de gebruikte technologie geïnteresseerd is, maar in het naar behoren functioneren van een netwerkverbinding en communicatiedienst.
    Dr Marshall Rose, voorzitter van de werkgroep Netwerk Management van de IETF en auteur van boeken over OSI, Internet-applicaties en Internetstandaarden (RFC's), reageerde naar aanleiding van vragen en opmerkingen tijdens Interop Europa '93 in Parijs over de OSI-ontwikkelingen in Europa als volgt: 'The Internet runs just fine in Europe. The Internet's core protocol, ip, operates in 62 countries. Look at some market figures which compare the sales of Internet and OSI products in Europe. All this despite well intentioned government interference in free-market economics (e.g., GOSIP). The question isn't Europe versus the United States. The question is political solutions versus engineering solutions.'

    Het netwerk zelf

    Zoals in de inleiding al is gezegd, is het Internet een netwerk van netwerken. Deze netwerken zijn eigendom van service providers die Internetaansluitingen aanbieden, zogenaamde Internet Providers, en van hun klanten.
    De Internet Providers hebben in de regel onderling afspraken gemaakt over hoe hun netwerken onderling worden gekoppeld. Indien dit een directe koppeling is wordt er gesproken van 'peering'. In figuur 3 is een schematisch voorbeeld gegeven van de structuur van het huidige Internet (medio 1994). SURFnet en NLnet, de grootste Internet Providers in Nederland, hebben de beide netwerk onderling verbonden. Er zijn twee voordelen hiervan. De eerste is dat gebruikers van beide netwerken zonder technische belemmeringen onderling kunnen communiceren. De tweede, zeker niet minder belangrijk, is dat er niet gebruik gemaakt hoeft te worden van kostbare internationale verbindingen voor onderlinge communicatie. De tevens in dit schema aangegeven knoop- en schakelpunten (Internet eXchanges) bevinden zich op dit moment allemaal in Amerika, en dat is gezien de historie van het Internet niet verwonderlijk. Door de enorme groei die het Internet de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, zijn wijzigingen in deze opzet voor de komende jaren zeker te verwachten.
    Sinds eind jaren tachtig zijn met name vanuit de Europese researchnetwerken initiatieven ontwikkeld om te streven naar één paneuropese infrastructuur met stabiele verbindingen naar de rest van de wereld. In dat kader zijn Ebone en later ook EuropaNET de duidelijkste resultaten. Sinds 1989 worden ook op het vlak van adminstratieve en technische coördinatie een aantal taken in Europa uitgevoerd door het RIPE NCC (Reseaux IP Europeens Network Coordination Center). Daarvoor werd deze taak door het InterNIC3 uitgevoerd. De vereniging RARE4 verzorgt het formele kader waarbinnen het RIPE NCC kan opereren. De financiering wordt verzorgd door de Europese Internet service providers.
    Figuur 3 beschrijft voor een deel de huidige geografische onderverdeling van het Internet en deels de 'hiërarchische' structuur (voor zover je daarvan binnen het Internet kunt spreken). Uit dit schema blijkt dat de Global Internet eXchange (GIX) het knooppunt is voor het realiseren van wereldwijde connectiviteit. Via de Commercial Internet eXchange (CIX) worden commerciële netwerken onderling en aan de GIX gekoppeld. Netwerken van de Amerikaanse overheden zijn onderling via de Federal Internet eXchange (FIX) gekoppeld. De research- en onderwijswereld in Amerika kent NFSnet als backbone. Deze wordt nog steeds in belangrijke mate bekostigd met overheidssubsidies die beschikbaar worden gesteld via de National Science Foundation. Via regionale netwerken worden universiteiten en researchinstellingen aan de NSFnet-backbone gekoppeld. Onderzocht wordt op dit moment of het haalbaar is om de NFSnet-backbone door meerdere commerciële partijen te laten exploiteren. Bij deze opzet is het de bedoeling dat service providers via zogenoemde Network Access Points (NAP's) onderling connectiviteit gaan realiseren.
    Het feit dat verschillende partijen toegang tot het Internet bieden heeft als consequentie dat er vaak geen eind-tot-eind service kan worden geboden. Binnen het eigen domein van een service provider kan over het algemeen een goede beschikbaarheid en netwerkperformance worden gegarandeerd. Bij communicatie met andere Internetgebruikers is het vaak maar afwachten wat de kwaliteit van een verbinding is. In figuur 4 is een voorbeeld opgenomen van de route die gevolgd wordt indien een gebruiker van SURFnet toegang zoekt tot een hostcomputer van InterNIC (is.internic.net). Van verbinding 1 tot en met 11 kan SURFnet aan zijn klanten een redelijke performance garanderen, omdat voor deze verbindingen kwaliteitsafspraken met andere partijen zijn overeengekomen. Voor het deel van 12 tot en met 15 is SURFnet afhankelijk van de kwaliteit die in dit geval door CERFnet, een regionaal netwerk in Californië, wordt geboden.

    De economie van het Internet

    In de pers en daarbuiten bestaan veel misverstanden over hoe de kosten die worden gemaakt om het Internet in stand te houden en verder te ontwikkelen, zijn opgebouwd en wie deze kosten uiteindelijk dragen. Hier wordt geprobeerd om een beeld te schetsen van de huidige kosten van het Internet en hoe en in welke mate deze naar de gebruikers worden omgeslagen. De huidige situatie lijkt om een aantal redenen niet stabiel. Er zal worden aangegeven welke zaken zich dienen te wijzigen zodat het Internet in de nabije toekomst naar een economisch evenwicht toe kan gaan.

    De huidige situatie

    Er zijn veel organisaties aan te wijzen die een bijdrage leveren aan het onderhoud en beheer van het Internet en de diensten. Ruwweg zijn deze onder te verdelen in twee categorieën: Internet Providers en informatieleveranciers.
    De Internet Providers zijn partijen die een eigen netwerkinfrastructuur onderhouden, deze gekoppeld hebben aan de rest van het Internet, en daarop aansluitingen leveren aan andere organisties en privé-personen (klanten). Ten behoeve van de klanten zal een goede service provider inspanningen verrichten om de communicatie-, infomatie- en navigatiediensten vlot te laten verlopen. In het algemeen worden de kosten hiervan verwerkt in tarieven voor de klanten. Alleen in gevallen waar de Internet Provider volledig gesubsidieerd wordt, hoeft dit niet. In Nederland is De Digitale Stad (een project in Amsterdam) daarvan een praktijkvoorbeeld.
    De koppeling van de eigen infrastructuur met het Internet is voor Internet Providers in Europa over het algemeen een kostbare aangelegenheid. Oorzaken hiervan zijn dat de kosten voor de internationale verbindingen hoog5 zijn en dat de Verenigde Staten nog steeds een dominante positie inneemt binnen het Internet, waardoor de Europeanen een aanzienlijk deel van kosten voor de intercontinentale verbindingen betalen. Samenwerking (kostendeling) van Internet Providers in Europa is dan ook een logische consequentie, en er zijn een aantal paneuropese Internet backbones die Internet Providers in de verschillende landen met elkaar koppelen en de connectiviteit met de Verenigde Staten bewerkstelligen.
    Hierdoor blijven op dit moment de kosten van de internationale verbindingen binnen de perken. Vergeleken met de kosten voor traditionele communicatievoorzieningen zoals telefoon- en faxverkeer blijken de huidige tarieven van de Internet Providers namelijk niet hoog. Zo is een fax vanuit Nederland naar de Verenigde Staten gemiddeld tien maal duurder dan een electronisch postbericht via Internet!
    Naast het koppelen omwille van internationale connectiviteit is het gebruikelijk dat Internet Providers 'peeren'. Peeren betekent onderling transparant koppelen zonder verrekening van kosten en is algemeen gangbaar binnen het Internet. De kosten voor een benodigde verbinding worden in de regel gedeeld.
    Veel van de huidige informatie die op het Internet wordt aangeboden is public domain Đ dat wil zeggen dat het voor iedereen toegankelijk is en bovendien gratis verkrijgbaar. Dit ondanks het feit dat er een behoorlijke inspanning wordt geleverd door de informatieleveranciers om de informatie beschikbaar te stellen. Deze bestaat onder andere uit het onderhouden van apparatuur, maar ook uit de menskracht die ingezet wordt om informatie te verzamelen, te ordenen, te ontsluiten en te presenteren. De inspanning is groter naarmate er meer informatie beschikbaar wordt gesteld. Maar ook naarmate de informatie vaker en door meer mensen wordt geraadpleegd. Als deze beide factoren toenemen is bij gelijke beschikbaarheid meer computercapaciteit nodig voor het aanbieden van de informatie, en een Internetaansluiting van grotere capaciteit. De kosten voor het beschikbaar stellen van informatie worden op dit moment bijna niet doorberekend aan de gebruikers.
    De innovatie van Internetdiensten gebeurt op dit moment door zowel de Internet Providers als de informatieleveranciers. Verder leveren onderzoeksinstellingen en de leveranciers van netwerkprodukten een grote bijdrage. Omdat de innovatieve activiteiten veelal door (overheids)subsidies worden gefinancierd, worden deze kosten niet doorberekend aan de gebruikers van het Internet.

    Een economisch evenwicht op het Internet

    De hierboven beschreven situatie is gedeeltelijk niet stabiel. De huidige gemaakte kosten worden op dit moment niet volledig naar de gebruikers omgeslagen en vaak ook niet gelijkelijk over alle gebruikers verdeeld. Verder bestaat er een spanning tussen de nieuwe diensten die worden ontwikkeld en de kosten voor toekomstige vaste verbindingen die daarvoor nodig zullen zijn.

    'Peeren'

    Op dit moment is er een niche in de Internetmarkt: een aantal Internet Providers biedt goedkope diensten aan doordat zij nauwelijks over een netwerkinfrastructuur beschikt (slechts een enkel aansluitpunt), beperkte communicatie- en informatiediensten aanbiedt en nauwelijks of geen additionele diensten biedt. Toch bieden deze Providers in een aantal gevallen hun klanten een redelijke dienstverlening door te peeren en daarmee als het ware mee te liften met andere Internet Providers die hun klanten wel een volledige dienstverlening bieden. De Internet Providers die op deze manier diensten aanbieden, zorgen voor het wijd verbreide misverstand dat de Internetgebruiker alleen voor de lokale kosten opdraait (telefoon- en ISDN-kosten of kosten voor vaste PTT-verbindingen, waarmee een verbinding wordt gemaakt met een dichtbijgelegen Internetaansluitpunt).
    Toen het Internet nog vrijwel uitsluitend door onderwijs en R&D-instellingen werd gebruikt was het vanzelf sprekend dat bij het 'peeren' onderling geen kosten werden verrekend. Nu het Internet ook commercieel geëxploiteerd wordt, zal onvermijdelijk het karakter van peeren veranderen. Internet Providers zullen een balans opmaken van de wederzijds te gebruiken infrastructurele voorzieningen en ondersteuning en daarop een onderlinge kostendoorberekening baseren. Daarmee zal een verschuiving optreden van de kostendoorberekening aan de klanten. Kosten die eerst alleen werden gedragen door de klanten van een solide Internet Provider zullen gedeeltelijk worden overgeheveld richting de klanten van de Internet Providers met een minder solide infrastructuur en dienstverlening.

    Informatiediensten

    Met het oog op de kosten voor het opzetten en onderhouden van een informatiedienst is de verwachting dat in de toekomst alleen die informatie public domain is, die een promotioneel karakter heeft of waarvan het beschikbaarstellen wordt gesubsidieerd. Een voorbeeld van promotionele informatie kan public domain software zijn die op zich gratis is, maar waarbij voor ondersteuning moet worden betaald. Andere voorbeelden zijn: gedeelten van video's en cd's.
    Gesubsidieerde informatie is bijvoorbeeld de informatie die de overheid aan haar burgers ter beschikking wil stellen (denk hierbij aan gemeenten, provincies en de rijksoverheid). Ten aanzien van deze gesubsidieerde informatie mag worden verwacht dat die in veel gevallen niet voor iedere Internetgebruiker (waar ook ter wereld) even gemakkelijk toegankelijk zal zijn. Dit soort informatie kent vaak een besloten of beperkte doelgroep en de informatie-aanbieders zullen ervoor willen zorgen dat zo'n doelgroep een kwalitatief betere of soms zelfs exclusieve toegang heeft. Dit zal in de praktijk erop neer komen dat deze informatie alleen via bepaalde Internet Providers transparant en vrij beschikbaar zal zijn.
    Daarnaast zal een groot deel van de niet-gesubsidieerde informatie in de toekomst op commerciële basis worden aangeboden, waarbij de verrekening op verschillende manieren kan gebeuren: met credit cards, strippenkaarten, digi-cash (er bestaat op het Internet al een prototype van een digitale bank via welke digitaal en on-line betalingen kunnen worden verricht) en met licenties voor bepaalde doelgroepen die toegang mogelijk maken.

    Multimedia

    De laatste jaren is het gebruik van multimediatoepassingen sterk toegenomen. Deze toepassingen integreren beeld, tekst en geluid, vragen om een een structureel hogere transportcapaciteit die niet kan worden gerealiseerd met incrementele uitbouw van bestaande netwerkinfrastructuren. Om dergelijke applicaties op grote schaal te kunnen invoeren, is een geheel nieuwe infrastructuur nodig van hoge capaciteit. Wanneer de kosten van een dergelijke infrastructuur een extrapolatie zouden zijn van de huidige kosten van de vaste verbindingen (met name internationaal), dan zouden, zelfs bij een gelijk aantal gebruikers, de Internetdiensten in de toekomst onbetaalbaar worden.
    Praktisch betekent dit dat de tarieven voor (inter)nationale verbindingen drastisch verlaagd zullen moeten worden. Het gebruik van alternatieve vormen van datatransport, die onder invloed van het verdwijnen van concessierechten (Arnbak, 1990) beschikbaar komen, zouden ook voor een oplossing kunnen zorgen.

    Innovatie

    De kosten voor innovatie worden op dit moment nauwelijks omgeslagen naar de gebruikers. Hoewel met de komst van meer commerciële Internet Providers dit gedeeltelijk zal wijzigen, zal de bestaande situatie waarin overheden en leveranciers van netwerkprodukten de innovatie grotendeels bekostigen, ook in de nabije toekomst zijn vruchten kunnen afwerpen. Het garandeert namelijk dat de richting waarin de innovatie zich beweegt door een brede groep wordt geaccepteerd. De structuur voor innovatie op het Internet (IETF) kan ook uitstekend omgaan met de huidige mengeling van gesubsidieerde en commercieel getinte innovatie- activiteiten. Instellingen voor onderwijs en R&D werken hierin samen met leveranciers van netwerkprodukten.
    Wanneer het gesubsidieerde deel van de innovatie-activiteiten zou wegvallen, ligt een tweetal gevaren op de loer. Allereerst het gevaar dat minder breed gedragen innovatie ook werkelijk de produkten oplevert die de gebruikers willen, en niet een deel daarvan. En ten tweede dat alle kennis van de technieken van de toekomstige digitale snelweg in handen komt te liggen van commerciële organisaties.

    Toekomst van het Internet

    Vragen die gesteld worden zijn:

  • Zullen deze twee werelden verder gaan integreren en welke nieuwe diensten worden daarmee mogelijk gemaakt?
  • Wie zullen die diensten gaan leveren (en aan wie?)
  • Welke diensten zullen daarmee overbodig worden?
  • Welke gevolgen heeft dit voor de huidige en toekomstige wetgeving, de rol van de overheid en de werkgelegenheid?

    Dat deze ontwikkeling al in gang is gezet blijkt uit het aantal fusies en samenwerkingsverbanden dat de afgelopen jaren door tal van mediabedrijven en netwerkbedrijven is aangegaan. Het is duidelijk dat iedereen aan het zoeken is naar nieuwe partners. Maar over welke toepassingen hebben die partijen het eigenlijk? De toekomtvoorspellingen van de laatste jaren gaan over onder andere multimediatoepassingen in de vorm van 'video-on-demand', pay-tv, teleshopping, beeldtelefoon en videoconferencing, thuiswerken, onderwijs en onderzoek op afstand.

    De telematicawereld noemt het gebruik van e-mail, met daarin zowel tekst als een grafische afbeelding, multimedia. De audiovisuele wereld noemt het bestellen van produkten via de televisie een vorm van multimedia. Is er eigenlijk wel zo veel nieuws onder de zon? Technologisch gezien niet, aangezien er veelal gebruikt gemaakt wordt van bestaande hulpmiddelen. De grote verandering is dat twee historisch gescheiden werelden waarschijnlijk binnen een decenium niet meer gescheiden zullen zijn. Multimedia kan hierbij gezien worden als het te bereiken gemeenschappelijke doel voor convergerende communicatiewerelden.
    Dit betekent ook dat telematicatoepassingen die vroeger primair in de zakelijke markt thuishoorden, nu ook hun weg zullen vinden naar de burger. Ook zal gelden dat traditionele audiovisuele mediabedrijven meer toepassingen zullen gaan ontwikkelen voor de zakelijke markt.
    De wijze waarop de gebruikers uiteindelijk gebruik gaan maken van de nieuwe multimediatoepassingen is nog niet duidelijk. De computer zal zeker een centrale plaats gaan vervullen, aangezien deze ontwikkeld is om digitale informatiestromen te verwerken. De rol van de klassieke televisie is wat minder duidelijk. De televisie zal zeker interactiever worden, onder andere voor video-on-demand en pay-tv , maar de vraag is of er veel meer toepassingen zullen zijn waarbij de televisie onmisbaar zal zijn.
    De rol van het huidige Internet is met deze toekomstverwachting niet duidelijk. De huidige Internettechnologie zal zeker niet als basis kunnen dienen voor de geschetste toekomst, maar de snelheid waarmee binnen het Internet nieuwe toepassingen worden ontwikkeld, geïntroduceerd en geaccepteerd, maakt het wel tot een niet te onderschatten fenomeen.
    Het feit dat overheden, PTT's en het bedrijfsleven het Internet steeds serieuzer gaan nemen kan de komende jaren tot effect hebben dat bij het ontwikkelen van nieuwe toepassingen er meer rekening gehouden gaat worden met commerciële toepassingen en de wensen van de burger thuis. Dan zou het Internet wel eens groter kunnen worden en langer kunnen blijven bestaan dan menigeen vandaag de dag voorspelt.

    Arnbak, J.C., J.J. van Cuilenburg, E.J. Dommering, Rapport Verbinding en Ontvlechting in de Communicatie, isbn: 90-71894-15-0, Otto Cramwinckel Uitgever 1990
    Albitz, Paul & Cricket Liu, dns and Bind, O' Reilly & Associates, 1993.
    W. Cheswick, W. en S.Bellovin, Firewalls and Internet Security, 'Repelling the Wily Hacker', Addison-Wesley Publishing Company, 1994.
    Comer, Douglas, Interworking with tcp/ip: Principles, Protocols, and Architectures, Prentice Hall, 1991.
    Lynch, D. en M. Rose, Internet Sytem Handbook, Addison-Wesley Publishing Company, 1993.
    Perkins, D., The Point-to-Point Protocol for the Transmission of Multi Protocol Datagrams Over Point-to-Point Links, juli 1990.
    J. Postel, J., Internet Protocol, September 1981 (rfc791) en Transmission Control Protocol (rfc793), september 1981.
    Romkey, J., A Nonstandard for Transmission of ip Datagrams Over Serial Lines, rfc1055, juni 1988.
    Quarterman, John S., The Matrix, Computer Networks and Conferencing Systems Worldwide, Digital Press, isbn 1-55558-033-5.
    Rose, Marshall, The Internet Message: closing the book with electronic mail, Prentice Hall, 1993.
    Virginia, S., Netiquette, Albion Books, San Francisco, ca 94118 usa (info@albion.com), isbn 0-9637025-1-3, 1994.
    J. Vanheste, J., Internet, Gids voor Wereldwijd Netwerken, Prisma Compact Computer Cursus, isbn 90-274-3438-7, 1994.
    Zegwaart, E. en K. Zwiggelaar, Veiliger gebruik van computernetwerken 'Resultaten van het project Administratieve Automatisering en Beveiliging', isbn 90-73749-04-2, SURFnet bv 1993.