Door Nico van Eijk
Met de concretisering van de beoogde liberalisering wil het maar niet vlotten. Er zijn nog steeds geen nieuwe regels die exploitanten van kabelnetten toestaan om telecommunicatiediensten aan te bieden. Begin augustus kondigde de minister van Verkeer en Waterstaat wel een ontheffingsmogelijkheid aan voor de levering van vaste verbindingen aan gsm-vergunninghouders (Staatscourant van 4 augustus 1994, nr. 147). Onder strikte voorwaarden mogen de kabelnetten worden gebruikt om datatransportdiensten te leveren ten behoeve van de nieuwe mobiele telefonienetten. De exploitanten zijn verplicht om aan iedere vergunninghouder (een eufemisme want het gaat om slechts twee vergunningen, ‚‚n voor kpn en ‚‚n voor een begin volgend jaar te kiezen tweede operator) een offerte uit te brengen gebaseerd op non-discriminatoire voorwaarden en tarieven. Hierdoor kunnen kabelexploitanten geen gunstiger voorwaarden bieden aan de concurrent van kpn en heeft kpn door het opvragen van een offerte volledige inzake in de prijs die door de concurrent moet worden betaald. Kortom, de kansen voor kabelexploitanten om op het gebied van telecommunicatiediensten tot een concurrent van kpn uit te groeien zijn nog niet talrijk. De kabelexploitanten zijn verder van mening dat ook voor wat betreft nieuwe diensten zoals betaaltelevisie, in de vorm van klassieke abonneetelevisie, maar ook in geavanceerdere vormen zoals pay-per-view/video-on-demand/near video on demand, hun mogelijkheden te beperkt zijn. Deze klacht is met name te horen nu kpn de knuppel in het hoenderhok heeft gegooid door betaaltelevisiediensten te gaan aanbieden via een joint venture met Philips en het Amerikaanse Graff Pay-Per-View. Casema, de kabelexploitant met een marktaandeel van zo n twintig procent en kpn als meerderheidsaandeelhouder, zal als eerste de diensten gaan afnemen. Juridisch is het echter niet zo dat ka- bel-exploitanten geen programmadiensten zouden mogen aanbieden, zoals kpn dat nu gaat doen via de joint venture. De betreffende wettelijke bepaling, artikel 70a Mediawet, lijkt een absoluut verbod op omroepactiviteiten door kabelexploitanten in te houden, maar dit is slechts het geval wanneer een exploitant zelfstandig daartoe zou willen overgaan. Neemt een kabelexploitant voor maximaal 49 procent deel in een joint-venture dan geldt dit verbod niet. Het probleem ligt naar alle waarschijnlijkheid meer bij de kabelexploitanten zelf. Pogingen van de kabelsector te starten met het aanbieden van betaaltelevisiediensten zijn tot nu toe, behoudens een enkel lokaal experiment niet van de grond gekomen. Twee jaar geleden werd de Algemene Dienstenexploitatiemaatschappij bv (adem) in het leven geroepen, die gesteund door de belangrijkste kabelexploitanten, waaronder ook Casema, als vehikel zou moeten dienen voor de verdere commerci‰le uitbating van de kabel. Echter, de adem-diensten beperken zich momenteel tot een experiment met digitale abonneeradio. Mogelijk dat de adem, mede onder druk van het kpn/Philips/Graff-initiatief, meer vaart zal zetten achter het daadwerkelijk realiseren van betaaltelevisie activiteiten, al dan niet samen met een strategische partner. Het heeft er dus alle schijn van dat de kabelexploitanten op het klassieke terrein van omroepachtige diensten, hun core business , eerder te maken hebben met bedreigende concurrentie dan met eigen groeimogelijkheden.
Mogelijk dat er nog wat hoop valt te putten uit de recente initiatieven in het Brusselse. Binnen de Europese Commissie circuleert momenteel een ontwerp-richtlijn waarin een liberalisering van de kabel wordt bepleit die grote overeenkomsten vertoont met het eerder beschreven kabinetsstandpunt. Een steuntje in de rug dus. Het ontwerp kent echter nog een bepaling die op meer interesse van de Nederlandse kabelwereld kan rekenen. Lidstaten worden namelijk verplicht om situaties te voorkomen of te be‰indigen waar dezelfde operator zowel kabelnetten als de telecommunicatienetwerken verzorgd in hetzelfde geografische gebied. De scheiding in twee afzonderlijke business units is hiervoor niet voldoende, aldus de tekst van het ontwerp. Mochten deze regels worden ingevoerd, dan kunnen er problemen ontstaan voor kpn. Zeker na de nieuwe joint-venture zal het moeilijk worden om vol te houden dat kpn via Casema niet een dubbele pet op heeft. Het feit dat het om twee zelfstandige ondernemingen gaat (ptt Telecom bv en Casema nv) wordt in de ontwerp richtlijn onvoldoende geacht. De beoogde tweede infrastructuurlicentiehouder waarin de kabelexploitanten zouden moeten deelnemen heeft echter mogelijk eenzelfde probleem. Wanneer het beoogde samenwerkingsverband tot stand zou komen zal namelijk dezelfde organisatie zowel telecommunicatie als kabeltelevisie gaan aanbieden. Het feit dat de machtigingen van de kabelexploitanten zouden moeten opgaan in de nieuwe vergunning versterkt slechts de problematiek. Wellicht dat deze interpretatie niet bedoeld is door de opstellers van de ontwerp-richtlijn, maar de tekst sluit een dergelijke uitleg niet uit.
Kortom, de kabelexploitanten kunnen niet concurreren op de telecommunicatiemarkt, worden op hun eigen markt beconcurreert en het nieuwe kabinetsbeleid om de kabelexploitanten te betrekken bij het landelijk telecommunicatie-aanbod wordt wellicht vanuit Brussel onderuit gehaald. Als doekje voor het bloeden geldt dat de opponent ook wat minder bewegingsruimte krijgt. Dit zou de pessimistische conclusie kunnen zijn van het voorgaande. Voor een optimistische benadering is echter ook ruimte: kabelexploitanten kunnen actief programmadiensten gaan aanbieden en zouden meer individuele vrijheid op telecommunicatiegebied moeten bedingen mede omdat het overheidsscenario voor de tweede landelijke telecommunicatie-aanbieder wel eens een Europeesrechtelijke misser zou kunnen worden. De kabelexploitanten zullen dan wel (in staat moeten zijn om) voor een meer marktgerichte benadering moeten kiezen. Maar dat is een ander verhaal.