I&I-> Jaargangen -> Artikel

Televisie is omroep

Door Jan Wieten


Eind jaren twintig kondigde de komst van de televisie zich al aan. Maar wat was televisie? En waarom moest het daarna nog een kwart eeuw duren voordat verbreiding op grote schaal plaatsvond? De sociale geschiedenis van de televisie en de Nederlandse omroepstrijd.


De televisie, thans beschouwd als het meest succesvolle massamedium van de moderne tijd, heeft er merkwaardig lang over gedaan tot die status te geraken. In tegenstelling tot haar technische leeftijdgenoot de radio was de televisie allerminst een onmiddellijk succes. De vraag rijst waarom de algemene verbreiding van een medium, dat als concept al in de vorige eeuw bestond en waarvoor de meeste technische voorwaarden rond de eeuwwisseling waren vervuld, tot de jaren vijftig en zestig op zich heeft laten wachten. Zeker bij wie bedenkt dat al eind jaren twintig in brede kring een doorbraak van het vèr-zien werd verwacht. Bij de beantwoording van deze vraag gaat het om de mechanismen die een rol spelen bij de invoering van informatietechnologieën in het algemeen en bij de introductie van deze in het bijzonder. Een andere, zeker even intrigerende vraag is waarom de televisie zich heeft ontwikkeld tot het ons bekende allocutieve massamedium, dat net als de radio een plaats kreeg in miljoenen individuele huiskamers en dat ook de institutionele vorm van de radio overnam. Hierbij gaat het om de factoren die bepalend zijn voor de maatschappelijke definitie en toepassing van nieuwe informatietechnologieën.
Officieel begon de televisie in Nederland op 2 oktober 1951. Maar die datum vormt behalve een begin tot op zeker hoogte ook een einde, een voorlopige afsluiting van een lange periode van gedachtevorming en van besluitvorming over het nieuwe medium. De aandacht in dit artikel richt zich op het einde van de jaren twintig en het begin van de jaren dertig, een tijd die wel wordt aangeduid als de eerste televisie-boom.
Die keuze is niet willekeurig, omdat de verwachting is dat tijdens een boom -dat wil zeggen een periode van tijdelijk verhoogde activiteit en gespannen verwachtingen-, potentiële belanghebbenden zich gedwongen zien positie te kiezen. De afwegingen die zij hierbij maken zullen in een prille fase van de ontwikkeling van een nieuwe technologie niet anders dan voorlopig of zelfs puur speculatief kunnen zijn, terwijl de gedane keuzen toch de ontwikkeling in een bepaalde richting kunnen sturen of vastleggen. Geconfronteerd met talloze onzekerheden in de situatie zullen de actoren proberen die complexiteit tot hanteerbare proporties terug te brengen door middel van een interpretatiekader dat zij ontlenen aan bekende, ogenschijnlijk analoge situaties en structuren (March & Simon, 1958; Mosco, 1979). Tegelijkertijd zullen zij, althans voor zichzelf, zoveel en zo lang mogelijk verschillende opties proberen open te houden (vgl. Winston, 1986). Innovatie is een maatschappelijk proces en hoe een nieuwe informatietechnologie zich uiteindelijk ontwikkelt en in welke institutionele vormgeving, is het resultaat van een samenspel van sociale en economische krachten, van onderhandelingen en coalitievorming tussen actoren en van de specifieke constellatie op een bepaald moment (Syvertsen, 1992).
Potentiële belanghebbenden bij televisiebeleid waren er ook al in de jaren twintig in overvloed. In de eerste plaats de Staat, in het bijzonder het ministerie waaronder het telecommunicatie- en omroepbeleid ressorteerden, en het staatsbedrijf der PTT, alsmede officiële adviesorganen van de overheid, in Nederland bijvoorbeeld de Radioraad, voorts het parlement en de politieke partijen, de zakenwereld, in casu het advertentiewezen, de producenten van zend- en ontvangstapparatuur en de omroepen, de radio-amateurs, het publiek, zowel als burger als in de hoedanigheid van afnemer van mediaprodukten, andere massamedia (met name de pers, de film en het theater), kerken en onderwijsinstellingen en ten slotte de vakbeweging (in het bijzonder de bonden van toneelspelers en musici). Potentieel belang is evenwel niet hetzelfde als daadwerkelijk gepercipieerd belang. Een betrokkene hoeft zich van zijn belang niet bewust te zijn. Ook is er verschil in macht tussen de actoren waardoor de een een grotere invloed op de ontwikkeling kan uitoefenen dan de ander. In het geval van de televisie is er aanleiding om in het bijzonder aandacht te besteden aan de rol van de omroeporganisaties.
In het midden van de jaren twintig was nog allerminst duidelijk wat onder televisie moest worden verstaan. Een vrij veel voorkomende opvatting was die van een op afstand bediend middel waarmee men waar ook ter wereld zelf een kijkje kon nemen (Smulders, 1993). De succesvolle proefnemingen met televisie in Engeland, Duitsland en de Verenigde Staten tussen 1925 en 1928 wezen in een andere richting, maar lieten toch nog verschillende toepassingsmogelijkheden open. En toen, tien jaar later, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland vrijwel tezelfdertijd met reguliere televisie begonnen, richtte de een zich op een publiek van individuele kijkers, terwijl de ander koos voor collectieve ontvangst van de uitzendingen in een bioscoopachtige setting.
De term televisie werd al wel alom gebruikt in de jaren twintig, al hadden ook andere benamingen als radio-visie, beeldradio en tele-kino (de huisbioscoop) hun verdedigers. Wat de gebruiker bedoelde was soms onduidelijk. In de opvattingen van sommigen behoorde ook de beeldtelefoon tot de televisie, terwijl voor weer anderen al of niet draadloze facsimiletransmissie (meestal beeldtelegrafie genoemd) ertoe gerekend moest worden.
Opvallend is dat met het tot omroepmedium worden van de radio in het begin van de jaren twintig ook de technische realisatie van televisie in een stroomversnelling komt (Williams, 1990). De meest logische veronderstelling was toen dat televisie de vervolmaking van het onvolkomen audiomedium radio met een visuele component betekende. F.J. Camm (1934:15), de schrijver van een handboek over televisie, noemde het in 1934 'inevitable that very soon television would relegate our present programmes to a position analogous to silent films'. Vijftien jaar later betitelde William Haley (1951:236), de director-general van de BBC, de visie dat televisie 'will kill sound broadcasting' als inmiddels achterhaald, maar volgens hem was dit tot na de Tweede Wereldoorlog wel de gangbare opvatting geweest. In een notitie van zijn hand die door de BBC als haar standpunt werd voorgelegd aan de Britse Broadcasting Committee onder leiding van Lord Beveridge, duidde Haley (1951:237) 'sound and television broadcasting' aan als 'complementary expressions within the same medium'. Hij bepleitte toen een geïntegreerde vorm van radio en televisie.
De laatste opvatting moge minder bedreigend zijn geweest voor de radio dan de eerste, beide geven aan dat er een opinieklimaat bestond dat omroepen de ontwikkelingen op het terrein van de televisie met een meer dan normale belangstelling deed volgen.

Omroep in Nederland

Bij het ontstaan van 'broadcasting' uit de radiotelefonie speelden de omroepen nog geen rol. De voornaamste betrokken partijen waren net als elders de Staat en het staatsbedrijf der PTT die om deels militaire redenen de uiteindelijke zeggenschap wensten te behouden. Voorts de radio-industrie die aan het einde van de Eerste Wereldoorlog op zoek was naar nieuwe toepassingen en markten voor de radiotechnologie. En ten slotte de talloze radio-amateurs uit die tijd, in Nederland merendeels verenigd in de Nederlandsche Vereeniging voor Radiotelegrafie (NVVR).
Het gebruik van draadloze radiotelefonie en -telegrafie voor omroepdoeleinden was overeenkomstig de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 slechts mogelijk met toestemming van de overheid. Deze verleende de eerste vergunningen aan producenten van zend- en ontvangstapparatuur. Om de afzet van apparatuur te bevorderen begon in 1923 een van deze producenten, de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF)(1) te Hilversum, uitzendtijd ter beschikking te stellen, respectievelijk te verhuren aan organisaties van luisteraars. Dit vormt het begin van het Nederlandse omroepbestel. Twee van deze organisaties, NCRV en KRO, kunnen worden beschouwd als drijvende krachten achter de verzuiling van dit bestel. De omroepwetgeving van 1928-1930 bevestigde de door hen gewenste en gedeeltelijk al in de praktijk gegroeide situatie. Van de vier grote omroeporganisaties van dat moment, AVRO, NCRV, KRO en VARA, profiteerde de laatste het meest van deze regeling. Zij had tot dan toe slechts een klein deel van de zendtijd op een van de twee beschikbare radiozenders gehad en kreeg nu een aandeel dat gelijk was aan dat van de drie andere. Bovendien betekende de opneming als gelijkberechtigde in het omroepbestel ook een de facto erkenning van het sociaal-democratische volksdeel. Voor de AVRO daarentegen waren de radioregelingen een gevoelige nederlaag. Zij was voorstander van een nationale omroep, waarvan zij zelf overigens reeds de belichaming meende te zijn, en meende op grond van die positie, van haar eerstgeboorterecht en van het ruime aandeel in de zendtijd waarover zij tot dan toe had beschikt, tenminste aanspraak te mogen maken op de meest vooraanstaande plaats in het bestel. Een en ander resulteerde tot het midden van de jaren dertig in een gespannen verhouding tussen de AVRO en de andere drie grote omroeporganisaties en tussen de AVRO en de overheid.

De televisie kondigt zich aan

De met veel publiciteit omgeven televisie-experimenten van onderzoekers als Charles Francis Jenkins en Herbert E. Ives in de Verenigde Staten, van Dénes von Mihály en August Karolus in Duitsland en bovenal van John Logie Baird in Groot-Brittannië (alsmede de meer bescheiden proeven van iemand als Freek Kerkhof in Nederland) deden in de tweede helft van de jaren twintig ook in Nederland de vraag rijzen of een nieuwe doorbraak op communicatiegebied voor de deur stond. In het buitenland vertaalde dit zich al in een druk op de met het telecommunicatie- en radiobeleid belaste autoriteiten om faciliteiten voor meer geregelde uitzendingen. Zo werd het werk van de Amerikaanse Federal Radio Commission (FRC) vanaf het begin bemoeilijkt door aanvragen voor het doen van televisieuitzendingen via de voor radio beschikbare golflengten. In 1928 maakte de FRC al de eerste frequenties vrij voor de televisie. In 1931 waren er in de Verenigde Staten eenentwintig visual broadcasting stations in gebruik.(2) In Duitsland kreeg Von Mihály actieve steun van de Deutsche Reichspost voor zijn experimenten. In 1929 werd daar begonnen met regelmatige experimentele televisieuitzendingen via de zender Berlin-Witzleben. Baird werd in Engeland echter geconfronteerd met de nodige tegenstand. Weliswaar had hij de enthousiaste steun van een groot deel van de populaire pers, maar de voor PTT-zaken verantwoordelijke minister, de Postmaster-General, en meer nog de BBC stonden uiterst sceptisch tegenover de televisie. Baird en de Baird-welgezinde pers oefenden in de jaren 1927-1929 grote druk uit op de Britse autoriteiten om de voorwaarden te scheppen voor een begin van experimentele televisie in Engeland. Uiteindelijk met succes, in 1929 ging eerst de minister en vervolgens de BBC, die haar omroepmonopolie bedreigd zag als zij niet meewerkte, door de bocht.(3)
De twijfel van de autoriteiten en de deskundigen had veel te maken met de nog onvolkomen technologie en de dubieuze resultaten van de experimenten. De meeste onderzoekers in de jaren twintig werkten aan televisie op basis van optisch-mechanische beeldaftasting, variaties op het principe van de Nipkowschijf, waarbij beelden werden ontleed door middel van een draaiende geperforeerde schijf gekoppeld aan een lichtgevoelige cel. Dat was een betrekkelijk simpele en relatief goedkope maar ook beperkte techniek waarmee, naar later bleek, geen hoge beelddefinitie kon worden bereikt. Pas tegen het midden van de jaren dertig, het einde van de hier behandelde periode, waren de technisch meer geavanceerde, maar ook veel kostbaarder electronische systemen zo ver ontwikkeld dat zij het laboratorium konden verlaten. De mechanische systemen speelden daarna geen rol van betekenis meer.

Televisie in Nederland?

Blijkbaar waren ook in Nederland in de tweede helft van de jaren twintig de voortekenen van de komst van het nieuwe audiovisuele medium al zo duidelijk dat de overheid zich daar rekenschap van ging geven. Bij de indiening in juni 1927 van het voorstel tot wijziging van de Telegraaf- en Telefoonwet ter definitieve regeling van de omroep werd aangekondigd dat onder omroep 'ook de reeds hier en daar zich aanmeldende toepassing der zoogenaamde televisie' zou worden begrepen(4) en in het Radioreglement, het uitvoeringsbesluit uit 1930, werd in de omschrijving van omroep als uitzending van 'mededeelingen van woord-, toon- of beeldinhoud' de televisie expliciet onder het voor de omroep geldende regime gebracht.(5)
De herziene T&T-wet werd door Tweede Kamer in februari en door de Eerste Kamer in mei 1928 aanvaard. Tegen die tijd was de televisie ook in Nederland volop in de belangstelling gekomen. Vooral de stunts van Baird baarden veel opzien, al deden zij sommigen ook twijfelen aan de ernst van diens ondernemingen. De aankondiging dat de Britse uitvinder in de zomer van dat jaar op de Rotterdamse nijverheidstentoonstelling Nenijto een demonstratie zou geven met het eerste kant-en-klare televisietoestel, de Baird-televisor kreeg veel publiciteit (Wieten, 1993a). Op de grote radiotentoonstellingen van Londen en Berlijn in datzelfde jaar was de televisie de grote attractie. Nederland werd daarover uitvoerig geïnformeerd door de kranten, de omroepbladen en de organen van de radio-amateurs. De primeur van de televisor ontging Rotterdam echter en de aangekondigde televisiedemonstratie werd steeds weer uitgesteld. Uiteindelijk vond op de sluitingsdag, 30 september, toch de beloofde demonstratie plaats, maar dit schijnt veel waarnemers te zijn ontgaan(6)
Intussen had Lord Ampthill, de voorzitter van de raad van bestuur van Baird International Television Ltd. enkele dagen daarvoor aangekondigd dat onderhandelingen met de Nederlandse overheid over het gebruik van een zender met succes waren bekroond. 'Television in Holland will make rapid progress', had hij eraan toegevoegd (Burns, 1986:122). Een maand later maakte Baird zelf bekend dat hij vanuit Scheveningen zou gaan uitzenden. Het bericht werd prompt tegengesproken door de PTT, maar ten onrechte, naar De Maasbode op 7 november 'uit de beste bron' wist te melden.7 Het katholieke dagblad interpreteerde Bairds bedoelingen correct als passend in diens strategie om koste wat kost televisie in Groot-Brittannië van de grond te krijgen en het BBC-monopolie te doorbreken, desnoods door middel van een u-bochtconstructie.(8) De plannen bleven uiteindelijk plannen, maar zij werden door de Britse omroep wel serieus genomen en droegen vermoedelijk bij aan de bereidheid tot het doen van concessies (Burns, 1986; McArthur & Waddell, 1986).
Verschillende Nederlandse televisie-initiatieven uit die tijd stonden er vermoedelijk evenmin los van. In november 1928 verzocht de AVRO de minister van Waterstaat om aanvulling van de eigen zendmachtiging met beeldoverbrenging.(9) Eveneens in november 1928 kreeg het radio-amateurblad Radio Wereld een 'vaste' televisierubriek ' 'Radio-Visie' geheten ' en werd de vorming van een Nederlandse televisievereniging, in navolging van de Britse Television Society, aangekondigd.(10) In het voorjaar van 1929 waren televisiedemonstraties (nu van Telefunken) de grote trekpleister op de door de NVVR georganiseerde Scheveningse Radio-Salon. Philips ten slotte begon eind 1928 met eigen demonstraties met televisie en ook dat was geen toeval(11) Niet dat het Eindhovense bedrijf zelf concrete televisieplannen had, maar het wilde insiders er wel van overtuigen dat het niet achterliep bij de ontwikkeling van dit nieuwe medium. Tevens wilde Philips duidelijk maken dat het met de televisie voorlopig nog niets zou worden en zeker niet met een systeem als dat van Baird.

De omroepen en de televisie

Uit de bestuursnotulen van de vier grote omroepverenigingen spreekt slechts een matige belangstelling voor het fenomeen televisie.(12) Bij de AVRO is de vermelding van de ministeriële reactie op de aanvraag inzake beeldoverbrenging meteen de laatste keer, althans tot 1937, dat televisie in een verslag van een bestuursvergadering wordt genoemd.(13) Alleen de VARA wijkt af van dit patroon. De televisie kwam in het VARA-hoofdbestuur op twee vergaderingen in 1930 en een in 1931 ter sprake en eveneens op een vergadering in 1934 en twee in 1935.(14) Naar buiten toe toonden de omroepen zich meer betrokken. De lezers van hun radiogidsen werden met grote regelmaat geïnformeerd over de nieuwste ontwikkelingen, al liepen de visies van de verschillende omroepen op het nieuwe medium nogal uiteen. Tussen 1929 en 1931 was het niettemin de VARA-gids die het meest uitvoerig aandacht besteedde aan de televisie. Halverwege 1931 was dat echter vrij plotseling voorbij. Eenzelfde trend werd ook in de door ons onderzochte bladen van de radio-amateurs en in andere persorganen aangetroffen.
In de zomer van 1930 bereikte de belangstelling voor televisie mede door toedoen van de VARA een nieuw hoogtepunt. De inwerkingtreding van het Radioreglement en het Zendtijdenbesluit stelde de VARA voor de noodzaak plotseling een veel groter aantal radiozenduren te verzorgen dan voordien het geval was geweest. Op zoek naar studio-apparatuur en buitenlandse voorbeelden kwam een op onderzoek uitgestuurde commissie in Engeland en Duitsland in contact met Baird en Von Mihály. Vooral van de vorderingen op televisiegebied in Duitsland raakte men diep onder de indruk. Na terugkomst nodigde de socialistische omroep de collega's van NCRV en KRO (maar niet de AVRO) officieel uit om samen met haar in Nederland te beginnen met 'in de radio-programma's televisie op te nemen'.(15) Met deze beide omroepen had de VARA eerder het Comité van Omroepvereenigingen gevormd, een bondgenootschap dat tot die tijd voornamelijk bijeen was gehouden door een gedeelde afkeer van de aspiraties van de AVRO en de vrees voor een nationale omroep. Van de NRC (22 juli 1930), dat wil zeggen uit in die tijd nogal onverwachte hoek, kreeg de VARA een pluim voor het initiatief, maar NCRV en KRO committeerden zich voorzover bekend niet. Hun gebrek aan enthousiasme had waarschijnlijk omroeppolitieke achtergronden(16) maar had vermoedelijk ook te maken met een pessimistischer kijk op de toekomst van het medium. Uit artikelen in de Katholieke Radiogids en in de Omroepgids van de NCRV blijkt dat men bij deze omroepen de tijd nog niet rijp vond voor televisie, al liet de Omroepgids (9 augustus 1930) nog enige ruimte voor twijfel.
Het VARA-plan genereerde niettemin de nodige nerveuze activiteit op televisiegebied. Zo kondigde De Telegraaf, door de jaren heen een voorname pleitbezorger voor de AVRO, op 26 juli aan dat de bevriende omroep vastomlijnde televisieplannen had. Die aankondiging moet de AVRO-leden onder de lezers hebben verbaasd, aangezien AVRO-directeur Willem Vogt er in de Radiobode van de AVRO geen geheim van maakte buitengewoon sceptisch te staan ten opzichte van de mechanische televisie van die tijd. Uitgesloten is het echter niet, aangezien ook de VARA-delegatie bij het bezoek aan Duitsland de indruk had gekregen dat de AVRO zich eveneens op televisiegebied aan het oriënteren was.(17)
De VARA zette de onderhandelingen met de firma Telehor van Von Mihály alleen voort. Met Telefunken vonden besprekingen plaats over de bouw van een televisiezender. Vier maanden later, eind januari 1931, resulteerde een en ander in een serie televisiedemonstraties in Amsterdam. Volgens de enigszins bombastische publiciteit in de Radiogids en de verwante sociaal-democratische pers was hiermee aangetoond dat de VARA een voortrekkersrol vervulde en bereid was in het algemeen belang grote risico's te nemen, waar andere omroepen die daartoe beter in staat zouden zijn geweest nalieten dit te doen.(18) De VARA had de hele toenmalige top van de omroep- en telecommunicatiewereld uitgenodigd voor de proefuitzending die voorafging aan de demonstraties voor het grote publiek op 23 en 24 januari. Belangstelling was er volop,(19) maar de demonstraties waren, zelfs volgens de VARA welgezinde commentatoren allesbehalve een succes. Technisch was het experiment zo ingericht dat de tv-zender in Amsterdam via de gewone telefoonkabel was aangesloten op de radiozender in Huizen. Vanuit Huizen werd het beeld vervolgens de ether in gestuurd. Volgens de VARA vormde dit de verklaring dat het succes toch 'niet zoo groot was als het anders wellicht had kunnen zijn'(21) Het artikel markeert, met de weinig geslaagde proefnemingen van januari, het einde van de televisie-boom in Nederland. Ook in VARA-kring werd het hierna opvallend stil, hoewel de VARA had verkondigd voorstander van 'krachtige ontwikkeling der televisie' te zijn en ook bereid en in staat om alleen deze taak te vervullen.(22)

Philips

Dat niet Philips maar buitenlandse firma's waren benaderd door de VARA behoeft niet al te zeer te verbazen. Misschien speelden de niet al te goede relaties tussen Philips en een deel van de omroepverenigingen hierin mede een rol, maar belangrijker zal zijn geweest dat Philips nog geen vooraanstaande plaats in de televisie-ontwikkelingen innam. Wanneer de samenstellers van de omroepbladen het nieuwste op televisiegebied toegelicht wensten te zien door een deskundige van buiten, dan kozen zij daarvoor zelden een employé van Philips maar liever een van de buitenlandse coryfeeën als Baird, Karolus of Von Mihály, mensen die veelal in dienst waren van directe concurrenten van Philips. Philips deed niet mee aan de euforie van de profeten die een glanzende toekomst voor de televisie voorspelden (Blanken, 1992; cf. De Gooijer, 1976), maar reageerde wel alert op de gebeurtenissen. Sommige critici uit omroep- en amateurkringen meenden dat Philips de ontwikkeling van de technologie bewust als minder ontwikkeld voorstelde dan zij in werkelijkheid was(23) De leiding van het NatLab van Philips was er lange tijd van overtuigd dat echte televisie-omroep er nooit zou komen. In een interview met de financiële redacteur van De Zakenwereld in de zomer van 1930 verklaarde dr A.F. Philips, in antwoord op een vraag naar de toekomstmogelijkheden van televisie: 'De heeren van onze laboratoria zijn voorloopig nog zeer sceptisch gestemd te dien aanzien. Wij hebben geen plan ons op de productie van deze toestellen toe te leggen; o.i. zijn zij nog geen attractie voor het publiek'.(24)

De radio-amateurs

In de ontwikkeling van de radio tot een allocutief massamedium en het proces van verzuiling van de omroep waren de radio-amateurs veel van hun invloed kwijtgeraakt. De voornaamste organisatie van amateurs, de door AVRO-bestuurder J. Corver geleide NVVR, had min of meer openlijk partij gekozen voor de AVRO, de verliezende partij in de omroepstrijd, en zich daardoor weinig populair gemaakt bij de zuilen. Geleidelijk waren de amateurs zich meer gaan richten op typische belangenbehartiging. Dat was ook hun voornaamste inzet in de benadering van televisie. In het begin was het enthousiasme voor het nieuwe medium groot. Amateurbladen als Radio Expres, Radio Nieuws en Radio Wereld besteedden in de jaren 1928-1931 ruime aandacht aan televisieontwikkelingen. In juli 1931, net over het hoogtepunt van de boom, verscheen Televisie, het eerste uitsluitend aan televisie gewijde blad in Nederland, een uitgave van het Nederlandsch Televisie Instituut (NTI), de bescheiden Nederlandse afdeling van het in Brussel gevestigde Institut International de Télévision.
Vanuit kringen van de radio-amateurs werd herhaaldelijk aangedrongen op opneming van televisie in de radioprogramma's ten behoeve van de amateurs die met televisie experimenteerden. In de zomer van 1930, na het bekend worden van het VARA-initiatief, wendde het weekblad Radio Wereld zich tot de minister met het verzoek om de niet-gebruikte kortegolfzender voor Indië van Philips ter beschikking te stellen van de amateurs voor experimentele tv-uitzendingen.(25) Een jaar later evenwel was blijkbaar niet alleen de VARA maar waren ook de amateurs hun vertrouwen in de toekomst van het medium kwijtgeraakt. In de Radio Expres van 8 januari 1932 deed Corver een vertwijfelde oproep aan zijn lezers: 'Televisie-amateurs! Wij moeten iets DOEN'. De amateurs kampten daarbij nog met het probleem dat de tijd en de technische ontwikkeling van de televisie in hun nadeel werkten, onder meer door de snelle veroudering van apparatuur en de geleidelijke overgang van de nog betrekkelijk ongecompliceerde en goedkope en daardoor amateurvriendelijke mechanische beeldaftasting naar volledig electronische systemen.

De terugkeer van de televisie

Omstreeks 1935 kwam er een einde aan drie jaar van vrijwel volledig stilzwijgen rondom de televisie. De electronische televisie leek gereed om de plaats van de optisch-mechanische systemen in te nemen. In Groot-Brittannië had de Selsdon Committee positief geadviseerd over de invoering van een reguliere televisiedienst. In Duitsland werd daar in maart 1935 zelfs al mee begonnen. In Nederland bogen overheid, industrie, omroepen en amateurs zich opnieuw over het televisievraagstuk. In maart dienden VARA, NCRV en KRO gezamenlijk bij de minister van Binnenlandse Zaken een verzoek in om toestemming voor de exploitatie van een gemeenschappelijke televisiezender. De AVRO was er buiten gehouden. Ook de amateurs verenigd in het zieltogende Nederlandsch Televisie Instituut, uitgever van het met steeds groter tussenpozen verschijnende blad Televisie, kwamen met televisieplannen naar buiten. De NVVR richtte intussen een Algemeen Televisie Genootschap op en drong aan op een officiële studie naar het televisievraagstuk.(26) Het NVVR-plan kon rekenen op de sympathie van AVRO-directeur Vogt, maar het verzoek van de drie omroepverenigingen stond voor hem gelijk aan het aanvragen van een concessie 'voor het uitzenden van den Doodenden Straal'.(27) Het lag volgens hem veel meer in de rede dat de radio- en de filmindustrie de televisie tot ontwikkeling zouden brengen.
De radio-industrie, in casu Philips, begon in deze jaren inderdaad meer in de ontwikkeling van de televisie te investeren, maar legde zich nog niet vast op de vorm van televisie die wij nu kennen. Niettemin haalde Philips de achterstand snel in. In 1936 werden al bijzonderheden gepubliceerd over een door Philips ontwikkeld geavanceerd electronisch systeem met 405 beeldlijnen. Wellicht kwam de echte geestelijke doorbraak voor Philips pas met de befaamde bekering tot de televisie van de directeur van de Hoofdindustriegroep Apparaten, ir J.A.J. Bouman, bij diens bezoek aan de Verenigde Staten in 1948 (Beunders, 1991).
De Nederlandse film- en bioscoopwereld kreeg ook pas in deze tijd oog voor de betekenis van televisie. Aanvankelijk had men zich vermoedelijk gerustgesteld gevoeld door de lage kwaliteit van de uitgezonden beelden,(28) maar omstreeks 1935 begon men te betreuren dat men de televisie zo lang als behorend tot het typische terrein van de radio had beschouwd.(29) In mei 1936 benoemde de regering een officiële Televisiecommissie. Bij de installatie maakte de minister van Binnenlandse Zaken duidelijk dat wat de regering betrof televisie nog steeds moest worden beschouwd als een uitbreiding van de radio. In mei 1937 rapporteerde de commissie dat de televisie technisch rijp was om te worden ingevoerd, maar dat de kosten invoering van het medium, anders dan in experimentele vorm, vooralsnog onmogelijk maakten.(30)
Zelfs dat ging de omroepen blijkbaar wel wat ver. Vogt had zich in 1935 dan ook vergist in de bedoelingen van de drie omroepen. Hun aanvraag diende in de eerste plaats om de claim van de omroepen op de televisie veilig te stellen, niet om er zelf spoedig mee te beginnen. Ook de VARA, beter gezegd, juist de VARA, was inmiddels tot dit standpunt bekeerd. Daarmee kon ook Vogt weinig moeite hebben, zodat twee jaar later alle grote omroepen, met inbegrip van de AVRO, op een lijn zaten. Na de bespreking van het eerste deel van het rapport van de Televisiecommissie in het Centraal Bureau voor den Omroep, het nieuwe overlegorgaan van alle grote omroepen, vatte VARA-bestuurder Lebon hun gezamenlijke standpunt ten aanzien van de televisie als volgt samen: 'de Omroepen voelen er weinig voor. Zij achten de televisie-experimenten een bodemloze put en willen dan ook slechts zoveel doen, dat de touwtjes in hun handen blijven. Televisie is omroep'.(31)

Discussie

Voor de eerste televisie-boom zijn verschillende min of meer plausibele verklaringen gegeven. De ontwikkeling van de omroep kan worden gezien als onderdeel van een veel breder moderniseringsproces in de ontwikkelde kapitalistische wereld dat na de Eerste Wereldoorlog in een stroomversnelling kwam. De snelle vooruitgang op het gebied van de radiotechnologie, van de film (de geluidsfilm), van de facsimiletransmissie en het commerciële succes van de radioindustrie hadden een klimaat geschapen, waarin het publiek de kans op de spoedige komst van een nog geavanceerder massamedium, dat geluid en beeld zou combineren, gemakkelijk kon overschatten. De duizenden radio-amateurs waren al weer op zoek naar een nieuwe interactieve uitdaging. Het toenemende aantal grote en kleine uitvinders en vernieuwers dat zich op de televisietechnologie stortte had dringend behoefte aan kapitaal en een even grote behoefte om verworven octrooien te gelde te maken en investeringen terug te verdienen. Daarvoor was veel publiciteit nodig, publiciteit waarin de vorderingen die het nieuwe medium maakte, zacht gezegd, niet werden onderschat. Het effect van deze public-relationsactiviteit op tamelijk speculatieve grondslag werd verder versterkt door de massapers, waardoor er een hype ontstond.
Na enige tijd verdween de televisierage weer. Zowel de grote radioindustrieën als de omroepen stelden zich terughoudend op. Technisch bleek het medium op het verkeerde spoor te zitten. De mechanische televisie van die dagen moest eerst terug naar het laboratorium alvorens in verbeterde maar meer gecompliceerde en duurdere electronische vorm terug te keren. Aan het begin van de jaren dertig was het medium nog te onvolkomen: met een zeer lage beeldkwaliteit, gevoegd bij het vrijwel volledig ontbreken van programma's, was het moeilijk om de interesse van het publiek vast te houden. Temidden van langzamerhand sterk geperfectioneerde andere massamedia moest de televisie het publiek onvermijdelijk teleurstellen, nadat de eerste nieuwsgierigheid was bevredigd.
De boom werd aanvankelijk door de economische crisis eerder versterkt dan verzwakt. Televisie werd, met de radio, gezien als een van de weinige lichtpuntjes aan de zwaarbewolkte economische hemel. Maar toen de depressie aanhield verdween dat perspectief. De kleine producenten gingen ten onder of werden overgenomen en zelfs de grote zagen zich genoodzaakt te bezuinigen op research en development. Ook in Nederland ontstond tussen 1928 en 1931 allerwegen het gevoel dat de televisie eraan kwam. Het optreden van Baird in 1928 en het VARA-initiatief uit 1930 brachten verschillende actoren tot activiteit. 'Televisierage' lijkt echter een wat groot woord voor wat zich in ons land afspeelde.
Ogenschijnlijk verschilden de omstandigheden hier weinig van die in andere landen. De pers, met inbegrip van de vakpers, besteedde aandacht aan de ontwikkelingen op televisiegebied en ook is er een duidelijke piek in de belangstelling in de periode tot 1931. Over het geheel genomen gaf de pers echter geen voedsel aan al te overdreven verwachtingen en evenmin voerde zij campagne voor een spoedige introductie van de televisie. Wellicht vormde de verzuiling een belemmering voor brede verspreiding van al te optimistische ideeën over het medium. De opvattingen in een deel van de pers vormden een getrouwe afspiegeling van de visies van de verwante omroepzuilen. Anders dan in Engeland en Duitsland speelde het veronderstelde nationale belang verbonden aan het veroveren van een vooraanstaande positie op televisiegebied hier nauwelijks een rol. Philips, de belangrijkste industriële geïnteresseerde, beklemtoonde dat van de televisie vooralsnog weinig verwacht moest worden, maar toonde zich juist voldoende betrokken om dit met enige overtuigingskracht te kunnen volhouden zonder dat tegelijkertijd het vertrouwen in de innovatieve rol van het concern op het spel werd gezet.
De omroepverenigingen hielden, zoals mocht worden verwacht, een nauwlettend oog op de ontwikkelingen. Nog voordat de discussie over de aard en de toepassingen van de nieuwe technologie feitelijk kon worden gevoerd, had de overheid de uiteindelijke zeggenschap naar zich toegetrokken en voor een voorlopige closure gezorgd door televisie te definiëren als een vorm van radio. De omroeporganisaties verwierven zich daarmee al in een vroeg stadium een bevoorrechte positie, maar afgezien van mogelijke verschillen in taxatie tussen de omroepen, was hun onderlinge rivaliteit in de onderzochte periode zo sterk dat dit niet tot een gemeenschappelijke strategie leidde. Institutionalisering analoog aan de radio betekende voor de AVRO dat de onderschikking aan de verzuilde omroepen op televisiegebied zou worden herhaald. Maar ook de andere drie grote omroepen hadden in deze tijd grote moeite met hun autonomie bedreigende vormen van samenwerking.(32) Alleen de VARA meende winst te kunnen boeken in termen van status en erkenning door een pioniersrol op zich te nemen. Erg realistisch was die optie om politieke, technische, financiële en programmatische redenen al in 1930 niet. Bovendien trof de economische crisis de VARA en haar achterban sterker dan de andere omroepen. Tegen 1935 hadden drie van de vier omroepen een negatieve coalitie gevormd, gebaseerd op het gemeenschappelijke belang van bevestiging van hun omroepmonopolie. Weer twee jaar later, toen spoedige invoering van televisie een nog serieuzer punt van discussie was geworden, wisten alle grote omroepen zich te verenigen met de expliciete strategie televisie voorlopig op afstand te houden, zonder het medium uit handen te geven.
Met name deze laatste ontwikkelingen lijken innovatietheorieën van auteurs als Mosco (1975, 1979) en Winston (1986) te bevestigen. Het gedrag van de omroepen voor 1937 maakt echter een zeer irrationele indruk, althans wanneer men het beoordeelt vanuit een algemeen omroepbelang. Anderzijds worden houding en gedrag van de afzonderlijke omroepen veel begrijpelijker, wanneer men ze probeert te verklaren vanuit een nagestreefd eigenbelang in een zeer onzekere situatie. Een onbedoeld gevolg van deze houding van de omroepen was overigens wel dat omstreeks het midden van de jaren dertig, ondanks de vroegtijdige closure door de overheid, toch weer andere toepassingen dan de 'extension of broadcasting' en andere opties dan exploitatie door de omroepen zich opdrongen.
De grondslagen voor de institutionalisering van de Nederlandse televisie in de jaren vijftig werden aan het eind van de jaren twintig al gelegd. Televisie was omroep. Hoewel de omroepen af en toe alles in het werk leken te stellen om hun eerstgeboorterecht ongedaan te maken, wisten zij zich uiteindelijk te verenigen op een strategie die hen in staat stelde de touwtjes in handen te houden.

Literatuur


Abramson, Albert (1987), The History of Television, 1880 to 1941. Jefferson and London: McFarland & Company.
Beunders, Henri (1991), De Prehistorie van de Televisie. In: nrc Handelsblad 28 september 1991.
Blanken, I.J. (1992), De Ontwikkeling van de n.v. Philips' Gloeilampenfabrieken tot Elektrotechnisch Concern (Geschiedenis van Philips Electronics n.v.; vol.3). Leiden: Martinus Nijhoff.
Briggs, Asa (1965), The History of Broadcasting in the United Kingdom, Vol. ii. The Golden Age of Wireless. London: Oxford University Press.
Burns, R.W. (1986), British Television. The Formative Years. London: Peregrinus. Camm, F.J. (1934), Newnes Television and Short-Wave Handbook. London: George Newnes.
Dibbets, Karel (1993), Sprekende Films. De Komst van de Geluidsfilm in Nederland 1928-1933. Amsterdam: Otto Cramwinckel
Elsner, Monika, Thomas Mller & Peter M. Spangenberg (1990), 'The Early History of German Television: The Slow Movement of a Fast Medium'. In: Historical Journal of Film, Radio and Television, vol. 10, nr. 2, pp. 193-219.
Ende, Jan van den, Wim Ravesteijn and Dirk de Wit (1993), 'Waarom Geen Nipkowschijf in Elke Huiskamer? De Sociale Constructie van Televisie'. In: Jaarboek Mediageschiedenis 5, pp. 131-61. Amsterdam: Stichting Mediageschiedenis.
Gooijer, W.J. de (1976), Beheersing van de Technologische Vernieuwing. Een beschouwing over de Beheersingsmogelijkheden van Technologische Innovaties met de Invoering van Televisie als Voorbeeld van Beleidsvorming. Samsom: Alphen aan den Rijn.
Haley, William (1949), 'An Extension of Broadcasting', as reprinted in: Report of the Broadcasting Committee, 1949. Appendix H: Memoranda Submitted to the Committee (1951), pp. 236-41. London: hmso Cmd. 8117.
Lerg, Winfried B. (1980), Rundfunkpolitik in der Weimarer Republik (Band 1, serie 'Rundfunk in Deutschland', Hrsg. Hans Bausch). Mnchen: Deutscher Taschenbuch Verlag.
March, J.G. en H.A. Simon (1958), Organizations. New York: Wiley & Sons.
McArthur, Tom en Peter Waddell (1986), The Secret Life of John Logie Baird. London/Melbourne/Auckland/Johannesburg: Hutchinson.
Mosco, Vincent (1975), The Regulation of Broadcasting in the United States: A Comparative Analysis (thesis). Harvard University.
Mosco, Vincent (1979), Broadcasting in the United States. Innovative Challenge and Organizational Control. Norwood: Ablex Publishing Corporation.
Rempt, J.D. and Ch.J.J. Stamm'ler (1949), Televisie. Wordingsgeschiedenis en Toekomst. Leiden: Nederlandsche Uitgevers Maatschappij.
Sluyser, Meyer (1965), Een Klein Mannetje met een Klein Potloodje. Impressies van 40 Jaar VARA. Amsterdam: Arbeiderspers.
Smulders, Eric (1993), Het Wonder van Morgen. De Televisierage in Nederland 1928-1931. Scriptie Maatschappijgeschiedenis Erasmus Universiteit Rotterdam.
Syvertsen, Trine (1992), Public Television in Transition. Oslo: Norges Allmennvitenskapelige Forskningsrd.
Udelson, Joseph H. (1982), The Great Television Race. A History of the American Television Industry 1925-1941. University, Alabama: University of Alabama Press.
Uricchio, William (1992), 'Television as History. Representations of German Television Broadcasting 1935-1944'. In: Murray, Bruce A. and Christopher J. Wickham, Framing the Past. The Historiography of German Cinema and Television. Carbondale and Edwardsville: Southern Illinois University Press.
Wieten , J. (1993a), 'Mijlpaal of Mystificatie. Televisie op de Nenijto'. In: Aether, October 1993, pp. 4-7.
Wieten , J. (1993b), ''Vuistslagen op Peluws'. De Valse Start van de Televisie in Nederland', in Jaarboek Mediageschiedenis 5, pp. 163-97. Amsterdam: Stichting Mediageschiedenis.
Williams, Raymond (1990), Television. Technology and Cultural Form. London: Routledge. (1e druk 1975)
Winston, Brian (1986), Misunderstanding Media. Cambridge Mass.: Harvard University Press.