|
|
Door Jan Wieten
Eind jaren twintig kondigde de komst van de televisie zich al
aan. Maar
wat was televisie? En waarom moest het daarna nog een kwart eeuw
duren
voordat verbreiding op grote schaal plaatsvond? De sociale
geschiedenis
van de televisie en de Nederlandse omroepstrijd.
De televisie, thans beschouwd als het meest succesvolle
massamedium van
de moderne tijd, heeft er merkwaardig lang over gedaan tot die
status te
geraken. In tegenstelling tot haar technische leeftijdgenoot de
radio
was de televisie allerminst een onmiddellijk succes. De vraag
rijst
waarom de algemene verbreiding van een medium, dat als concept al
in de
vorige eeuw bestond en waarvoor de meeste technische voorwaarden
rond de
eeuwwisseling waren vervuld, tot de jaren vijftig en zestig op
zich
heeft laten wachten. Zeker bij wie bedenkt dat al eind jaren
twintig in
brede kring een doorbraak van het vèr-zien werd verwacht.
Bij de
beantwoording van deze vraag gaat het om de mechanismen die een
rol
spelen bij de invoering van informatietechnologieën in het
algemeen en
bij de introductie van deze in het bijzonder. Een andere, zeker
even
intrigerende vraag is waarom de televisie zich heeft ontwikkeld
tot het
ons bekende allocutieve massamedium, dat net als de radio een
plaats
kreeg in miljoenen individuele huiskamers en dat ook de
institutionele
vorm van de radio overnam. Hierbij gaat het om de factoren die
bepalend
zijn voor de maatschappelijke definitie en toepassing van nieuwe
informatietechnologieën.
Officieel begon de televisie in Nederland op 2 oktober 1951.
Maar
die datum vormt behalve een begin tot op zeker hoogte ook een
einde, een
voorlopige afsluiting van een lange periode van gedachtevorming
en van
besluitvorming over het nieuwe medium. De aandacht in dit artikel
richt
zich op het einde van de jaren twintig en het begin van de jaren
dertig,
een tijd die wel wordt aangeduid als de eerste televisie-boom.
Die keuze is niet willekeurig, omdat de verwachting is dat
tijdens
een boom -dat wil zeggen een periode van tijdelijk
verhoogde
activiteit
en gespannen verwachtingen-, potentiële belanghebbenden zich
gedwongen
zien positie te kiezen. De afwegingen die zij hierbij maken
zullen in
een prille fase van de ontwikkeling van een nieuwe technologie
niet
anders dan voorlopig of zelfs puur speculatief kunnen zijn,
terwijl de
gedane keuzen toch de ontwikkeling in een bepaalde richting
kunnen
sturen of vastleggen. Geconfronteerd met talloze onzekerheden in
de
situatie zullen de actoren proberen die complexiteit tot
hanteerbare
proporties terug te brengen door middel van een
interpretatiekader dat
zij ontlenen aan bekende, ogenschijnlijk analoge situaties en
structuren
(March & Simon, 1958; Mosco, 1979). Tegelijkertijd zullen zij,
althans
voor zichzelf, zoveel en zo lang mogelijk verschillende opties
proberen
open te houden (vgl. Winston, 1986). Innovatie is een
maatschappelijk
proces en hoe een nieuwe informatietechnologie zich uiteindelijk
ontwikkelt en in welke institutionele vormgeving, is het
resultaat van
een samenspel van sociale en economische krachten, van
onderhandelingen
en coalitievorming tussen actoren en van de specifieke
constellatie op
een bepaald moment (Syvertsen, 1992).
Potentiële belanghebbenden bij televisiebeleid waren er
ook
al in
de jaren twintig in overvloed. In de eerste plaats de Staat, in
het
bijzonder het ministerie waaronder het telecommunicatie- en
omroepbeleid
ressorteerden, en het staatsbedrijf der PTT, alsmede
officiële
adviesorganen van de overheid, in Nederland bijvoorbeeld de
Radioraad,
voorts het parlement en de politieke partijen, de zakenwereld, in
casu
het advertentiewezen, de producenten van zend- en
ontvangstapparatuur en
de omroepen, de radio-amateurs, het publiek, zowel als burger als
in de
hoedanigheid van afnemer van mediaprodukten, andere massamedia
(met name
de pers, de film en het theater), kerken en onderwijsinstellingen
en ten
slotte de vakbeweging (in het bijzonder de bonden van
toneelspelers en
musici). Potentieel belang is evenwel niet hetzelfde als
daadwerkelijk
gepercipieerd belang. Een betrokkene hoeft zich van zijn belang
niet
bewust te zijn. Ook is er verschil in macht tussen de actoren
waardoor
de een een grotere invloed op de ontwikkeling kan uitoefenen dan
de
ander. In het geval van de televisie is er aanleiding om in het
bijzonder aandacht te besteden aan de rol van de
omroeporganisaties.
In het midden van de jaren twintig was nog allerminst
duidelijk wat
onder televisie moest worden verstaan. Een vrij veel voorkomende
opvatting was die van een op afstand bediend middel waarmee men
waar ook
ter wereld zelf een kijkje kon nemen (Smulders, 1993). De
succesvolle
proefnemingen met televisie in Engeland, Duitsland en de
Verenigde
Staten tussen 1925 en 1928 wezen in een andere richting, maar
lieten
toch nog verschillende toepassingsmogelijkheden open. En toen,
tien jaar
later, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland vrijwel tezelfdertijd
met
reguliere televisie begonnen, richtte de een zich op een publiek
van
individuele kijkers, terwijl de ander koos voor collectieve
ontvangst
van de uitzendingen in een bioscoopachtige setting.
De term televisie werd al wel alom gebruikt in de
jaren
twintig, al
hadden ook andere benamingen als radio-visie, beeldradio
en
tele-kino
(de huisbioscoop) hun verdedigers. Wat de gebruiker bedoelde was
soms
onduidelijk. In de opvattingen van sommigen behoorde ook de
beeldtelefoon tot de televisie, terwijl voor weer anderen al of
niet
draadloze facsimiletransmissie (meestal beeldtelegrafie
genoemd)
ertoe
gerekend moest worden.
Opvallend is dat met het tot omroepmedium worden van de
radio in
het begin van de jaren twintig ook de technische realisatie van
televisie in een stroomversnelling komt (Williams, 1990). De
meest
logische veronderstelling was toen dat televisie de vervolmaking
van het
onvolkomen audiomedium radio met een visuele component betekende.
F.J.
Camm (1934:15), de schrijver van een handboek over televisie,
noemde het
in 1934 'inevitable that very soon television would relegate our
present
programmes to a position analogous to silent films'. Vijftien
jaar later
betitelde William Haley (1951:236), de director-general van de
BBC, de
visie dat televisie 'will kill sound broadcasting' als inmiddels
achterhaald, maar volgens hem was dit tot na de Tweede
Wereldoorlog wel
de gangbare opvatting geweest. In een notitie van zijn hand die
door de
BBC als haar standpunt werd voorgelegd aan de Britse Broadcasting
Committee onder leiding van Lord Beveridge, duidde Haley
(1951:237)
'sound and television broadcasting' aan als 'complementary
expressions
within the same medium'. Hij bepleitte toen een geïntegreerde
vorm van
radio en televisie.
De laatste opvatting moge minder bedreigend zijn geweest voor
de
radio dan de eerste, beide geven aan dat er een opinieklimaat
bestond
dat omroepen de ontwikkelingen op het terrein van de televisie
met een
meer dan normale belangstelling deed volgen.
Omroep in Nederland
Bij het ontstaan van 'broadcasting' uit de radiotelefonie
speelden de
omroepen nog geen rol. De voornaamste betrokken partijen waren
net als
elders de Staat en het staatsbedrijf der PTT die om deels
militaire
redenen de uiteindelijke zeggenschap wensten te behouden. Voorts
de
radio-industrie die aan het einde van de Eerste Wereldoorlog op
zoek was
naar nieuwe toepassingen en markten voor de radiotechnologie. En
ten
slotte de talloze radio-amateurs uit die tijd, in Nederland
merendeels
verenigd in de Nederlandsche Vereeniging voor Radiotelegrafie
(NVVR).
Het gebruik van draadloze radiotelefonie en -telegrafie voor
omroepdoeleinden was overeenkomstig de Telegraaf- en Telefoonwet
1904
slechts mogelijk met toestemming van de overheid. Deze verleende
de
eerste vergunningen aan producenten van zend- en
ontvangstapparatuur. Om
de afzet van apparatuur te bevorderen begon in 1923 een van deze
producenten, de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF)(1) te
Hilversum, uitzendtijd ter beschikking te stellen,
respectievelijk te
verhuren aan organisaties van luisteraars. Dit vormt het begin
van het
Nederlandse omroepbestel. Twee van deze organisaties, NCRV en
KRO,
kunnen worden beschouwd als drijvende krachten achter de
verzuiling van
dit bestel. De omroepwetgeving van 1928-1930 bevestigde de door
hen
gewenste en gedeeltelijk al in de praktijk gegroeide situatie.
Van de
vier grote omroeporganisaties van dat moment, AVRO, NCRV, KRO en
VARA,
profiteerde de laatste het meest van deze regeling. Zij had tot
dan toe
slechts een klein deel van de zendtijd op een van de twee
beschikbare
radiozenders gehad en kreeg nu een aandeel dat gelijk was aan dat
van de
drie andere. Bovendien betekende de opneming als
gelijkberechtigde in
het omroepbestel ook een de facto erkenning van het
sociaal-democratische volksdeel. Voor de AVRO daarentegen waren
de
radioregelingen een gevoelige nederlaag. Zij was voorstander van
een
nationale omroep, waarvan zij zelf overigens reeds de belichaming
meende
te zijn, en meende op grond van die positie, van haar
eerstgeboorterecht
en van het ruime aandeel in de zendtijd waarover zij tot dan toe
had
beschikt, tenminste aanspraak te mogen maken op de meest
vooraanstaande
plaats in het bestel. Een en ander resulteerde tot het midden van
de
jaren dertig in een gespannen verhouding tussen de AVRO en de
andere
drie grote omroeporganisaties en tussen de AVRO en de
overheid.
De televisie kondigt zich aan
De met veel publiciteit omgeven televisie-experimenten van
onderzoekers
als Charles Francis Jenkins en Herbert E. Ives in de Verenigde
Staten,
van Dénes von Mihály en August Karolus in Duitsland
en bovenal
van John
Logie Baird in Groot-Brittannië (alsmede de meer bescheiden
proeven van
iemand als Freek Kerkhof in Nederland) deden in de tweede helft
van de
jaren twintig ook in Nederland de vraag rijzen of een nieuwe
doorbraak
op communicatiegebied voor de deur stond. In het buitenland
vertaalde
dit zich al in een druk op de met het telecommunicatie- en
radiobeleid
belaste autoriteiten om faciliteiten voor meer geregelde
uitzendingen.
Zo werd het werk van de Amerikaanse Federal Radio Commission
(FRC) vanaf
het begin bemoeilijkt door aanvragen voor het doen van
televisieuitzendingen via de voor radio beschikbare golflengten.
In 1928
maakte de FRC al de eerste frequenties vrij voor de televisie. In
1931
waren er in de Verenigde Staten eenentwintig visual
broadcasting
stations in gebruik.(2) In
Duitsland kreeg Von Mihály actieve steun
van de
Deutsche Reichspost voor zijn experimenten. In 1929 werd
daar
begonnen
met regelmatige experimentele televisieuitzendingen via de zender
Berlin-Witzleben. Baird werd in Engeland echter geconfronteerd
met de
nodige tegenstand. Weliswaar had hij de enthousiaste steun van
een groot
deel van de populaire pers, maar de voor PTT-zaken
verantwoordelijke
minister, de Postmaster-General, en meer nog de BBC
stonden
uiterst
sceptisch tegenover de televisie. Baird en de Baird-welgezinde
pers
oefenden in de jaren 1927-1929 grote druk uit op de Britse
autoriteiten
om de voorwaarden te scheppen voor een begin van experimentele
televisie
in Engeland. Uiteindelijk met succes, in 1929 ging eerst de
minister en
vervolgens de BBC, die haar omroepmonopolie bedreigd zag als zij
niet
meewerkte, door de bocht.(3)
De twijfel van de autoriteiten en de deskundigen had veel te
maken
met de nog onvolkomen technologie en de dubieuze resultaten van
de
experimenten. De meeste onderzoekers in de jaren twintig werkten
aan
televisie op basis van optisch-mechanische beeldaftasting,
variaties op
het principe van de Nipkowschijf, waarbij beelden werden ontleed
door
middel van een draaiende geperforeerde schijf gekoppeld aan een
lichtgevoelige cel. Dat was een betrekkelijk simpele en relatief
goedkope maar ook beperkte techniek waarmee, naar later bleek,
geen hoge
beelddefinitie kon worden bereikt. Pas tegen het midden van de
jaren
dertig, het einde van de hier behandelde periode, waren de
technisch
meer geavanceerde, maar ook veel kostbaarder electronische
systemen zo
ver ontwikkeld dat zij het laboratorium konden verlaten. De
mechanische
systemen speelden daarna geen rol van betekenis meer.
Televisie in Nederland?
Blijkbaar waren ook in Nederland in de tweede helft van de jaren
twintig
de voortekenen van de komst van het nieuwe audiovisuele medium al
zo
duidelijk dat de overheid zich daar rekenschap van ging geven.
Bij de
indiening in juni 1927 van het voorstel tot wijziging van de
Telegraaf-
en Telefoonwet ter definitieve regeling van de omroep werd
aangekondigd
dat onder omroep 'ook de reeds hier en daar zich aanmeldende
toepassing
der zoogenaamde televisie' zou worden begrepen(4) en in het
Radioreglement, het uitvoeringsbesluit uit 1930, werd in de
omschrijving
van omroep als uitzending van 'mededeelingen van woord-, toon- of
beeldinhoud' de televisie expliciet onder het voor de omroep
geldende
regime gebracht.(5)
De herziene T&T-wet werd door Tweede Kamer in februari en
door de
Eerste Kamer in mei 1928 aanvaard. Tegen die tijd was de
televisie ook
in Nederland volop in de belangstelling gekomen. Vooral de stunts
van
Baird baarden veel opzien, al deden zij sommigen ook twijfelen
aan de
ernst van diens ondernemingen. De aankondiging dat de Britse
uitvinder
in de zomer van dat jaar op de Rotterdamse
nijverheidstentoonstelling
Nenijto een demonstratie zou geven met het eerste kant-en-klare
televisietoestel, de Baird-televisor kreeg veel
publiciteit
(Wieten,
1993a). Op de grote radiotentoonstellingen van Londen en Berlijn
in
datzelfde jaar was de televisie de grote attractie. Nederland
werd
daarover uitvoerig geïnformeerd door de kranten, de
omroepbladen
en de
organen van de radio-amateurs. De primeur van de televisor
ontging
Rotterdam echter en de aangekondigde televisiedemonstratie werd
steeds
weer uitgesteld. Uiteindelijk vond op de sluitingsdag, 30
september,
toch de beloofde demonstratie plaats, maar dit schijnt veel
waarnemers
te zijn ontgaan(6)
Intussen had Lord Ampthill, de voorzitter van de raad van
bestuur
van Baird International Television Ltd. enkele dagen daarvoor
aangekondigd dat onderhandelingen met de Nederlandse overheid
over het
gebruik van een zender met succes waren bekroond. 'Television in
Holland
will make rapid progress', had hij eraan toegevoegd (Burns,
1986:122).
Een maand later maakte Baird zelf bekend dat hij vanuit
Scheveningen zou
gaan uitzenden. Het bericht werd prompt tegengesproken door de
PTT, maar
ten onrechte, naar De Maasbode op 7 november 'uit de beste
bron'
wist te
melden.7 Het katholieke dagblad interpreteerde Bairds bedoelingen
correct als passend in diens strategie om koste wat kost
televisie in
Groot-Brittannië van de grond te krijgen en het BBC-monopolie
te
doorbreken, desnoods door middel van een u-bochtconstructie.(8) De
plannen
bleven uiteindelijk plannen, maar zij werden door de Britse
omroep wel
serieus genomen en droegen vermoedelijk bij aan de bereidheid tot
het
doen van concessies (Burns, 1986; McArthur & Waddell,
1986).
Verschillende Nederlandse televisie-initiatieven uit die tijd
stonden er vermoedelijk evenmin los van. In november 1928
verzocht de
AVRO de minister van Waterstaat om aanvulling van de eigen
zendmachtiging met beeldoverbrenging.(9) Eveneens in november 1928
kreeg
het radio-amateurblad Radio Wereld een 'vaste'
televisierubriek '
'Radio-Visie' geheten ' en werd de vorming van een Nederlandse
televisievereniging, in navolging van de Britse Television
Society,
aangekondigd.(10) In het voorjaar van
1929 waren
televisiedemonstraties
(nu van Telefunken) de grote trekpleister op de door de NVVR
georganiseerde Scheveningse Radio-Salon. Philips ten slotte begon
eind
1928 met eigen demonstraties met televisie en ook dat was geen
toeval(11)
Niet dat het Eindhovense bedrijf zelf concrete televisieplannen
had,
maar het wilde insiders er wel van overtuigen dat het niet
achterliep
bij de ontwikkeling van dit nieuwe medium. Tevens wilde Philips
duidelijk maken dat het met de televisie voorlopig nog niets zou
worden
en zeker niet met een systeem als dat van Baird.
De omroepen en de televisie
Uit de bestuursnotulen van de vier grote omroepverenigingen
spreekt
slechts een matige belangstelling voor het fenomeen televisie.(12)
Bij de
AVRO is de vermelding van de ministeriële reactie op de
aanvraag
inzake
beeldoverbrenging meteen de laatste keer, althans tot 1937, dat
televisie in een verslag van een bestuursvergadering wordt
genoemd.(13)
Alleen de VARA wijkt af van dit patroon. De televisie kwam in het
VARA-hoofdbestuur op twee vergaderingen in 1930 en een in 1931
ter
sprake en eveneens op een vergadering in 1934 en twee in 1935.(14)
Naar
buiten toe toonden de omroepen zich meer betrokken. De lezers van
hun
radiogidsen werden met grote regelmaat geïnformeerd over de
nieuwste
ontwikkelingen, al liepen de visies van de verschillende omroepen
op het
nieuwe medium nogal uiteen. Tussen 1929 en 1931 was het niettemin
de
VARA-gids die het meest uitvoerig aandacht besteedde aan de
televisie.
Halverwege 1931 was dat echter vrij plotseling voorbij. Eenzelfde
trend
werd ook in de door ons onderzochte bladen van de radio-amateurs
en in
andere persorganen aangetroffen.
In de zomer van 1930 bereikte de belangstelling voor
televisie mede
door toedoen van de VARA een nieuw hoogtepunt. De
inwerkingtreding van
het Radioreglement en het Zendtijdenbesluit stelde de VARA voor
de
noodzaak plotseling een veel groter aantal radiozenduren te
verzorgen
dan voordien het geval was geweest. Op zoek naar
studio-apparatuur en
buitenlandse voorbeelden kwam een op onderzoek uitgestuurde
commissie in
Engeland en Duitsland in contact met Baird en Von Mihály.
Vooral
van de
vorderingen op televisiegebied in Duitsland raakte men diep onder
de
indruk. Na terugkomst nodigde de socialistische omroep de
collega's van
NCRV en KRO (maar niet de AVRO) officieel uit om samen met haar
in
Nederland te beginnen met 'in de radio-programma's televisie op
te
nemen'.(15) Met deze beide omroepen had
de VARA eerder het Comité
van
Omroepvereenigingen gevormd, een bondgenootschap dat tot die tijd
voornamelijk bijeen was gehouden door een gedeelde afkeer van de
aspiraties van de AVRO en de vrees voor een nationale omroep. Van
de NRC
(22 juli 1930), dat wil zeggen uit in die tijd nogal onverwachte
hoek,
kreeg de VARA een pluim voor het initiatief, maar NCRV en KRO
committeerden zich voorzover bekend niet. Hun gebrek aan
enthousiasme
had waarschijnlijk omroeppolitieke achtergronden(16) maar had
vermoedelijk
ook te maken met een pessimistischer kijk op de toekomst van het
medium.
Uit artikelen in de Katholieke Radiogids en in de
Omroepgids van
de NCRV
blijkt dat men bij deze omroepen de tijd nog niet rijp vond voor
televisie, al liet de Omroepgids (9 augustus 1930) nog
enige
ruimte voor
twijfel.
Het VARA-plan genereerde niettemin de nodige nerveuze
activiteit op
televisiegebied. Zo kondigde De Telegraaf, door de jaren
heen een
voorname pleitbezorger voor de AVRO, op 26 juli aan dat de
bevriende
omroep vastomlijnde televisieplannen had. Die aankondiging moet
de
AVRO-leden onder de lezers hebben verbaasd, aangezien
AVRO-directeur
Willem Vogt er in de Radiobode van de AVRO geen geheim van
maakte
buitengewoon sceptisch te staan ten opzichte van de mechanische
televisie van die tijd. Uitgesloten is het echter niet, aangezien
ook de
VARA-delegatie bij het bezoek aan Duitsland de indruk had
gekregen dat
de AVRO zich eveneens op televisiegebied aan het oriënteren
was.(17)
De VARA zette de onderhandelingen met de firma Telehor van
Von
Mihály alleen voort. Met Telefunken vonden besprekingen
plaats
over de
bouw van een televisiezender. Vier maanden later, eind januari
1931,
resulteerde een en ander in een serie televisiedemonstraties in
Amsterdam. Volgens de enigszins bombastische publiciteit in de
Radiogids
en de verwante sociaal-democratische pers was hiermee aangetoond
dat de
VARA een voortrekkersrol vervulde en bereid was in het algemeen
belang
grote risico's te nemen, waar andere omroepen die daartoe beter
in staat
zouden zijn geweest nalieten dit te doen.(18) De VARA had de hele
toenmalige top van de omroep- en telecommunicatiewereld
uitgenodigd voor
de proefuitzending die voorafging aan de demonstraties voor het
grote
publiek op 23 en 24 januari. Belangstelling was er volop,(19) maar
de
demonstraties waren, zelfs volgens de VARA welgezinde
commentatoren
allesbehalve een succes. Technisch was het experiment zo
ingericht dat
de tv-zender in Amsterdam via de gewone telefoonkabel was
aangesloten op
de radiozender in Huizen. Vanuit Huizen werd het beeld vervolgens
de
ether in gestuurd. Volgens de VARA vormde dit de verklaring dat
het
succes toch 'niet zoo groot was als het anders wellicht had
kunnen
zijn'(21) Het
artikel markeert, met de weinig
geslaagde proefnemingen van januari, het einde van de
televisie-boom in
Nederland. Ook in VARA-kring werd het hierna opvallend stil,
hoewel de
VARA had verkondigd voorstander van 'krachtige ontwikkeling der
televisie' te zijn en ook bereid en in staat om alleen deze taak
te
vervullen.(22)
Philips
Dat niet Philips maar buitenlandse firma's waren benaderd door de
VARA
behoeft niet al te zeer te verbazen. Misschien speelden de niet
al te
goede relaties tussen Philips en een deel van de
omroepverenigingen
hierin mede een rol, maar belangrijker zal zijn geweest dat
Philips nog
geen vooraanstaande plaats in de televisie-ontwikkelingen innam.
Wanneer
de samenstellers van de omroepbladen het nieuwste op
televisiegebied
toegelicht wensten te zien door een deskundige van buiten, dan
kozen zij
daarvoor zelden een employé van Philips maar liever een van
de
buitenlandse coryfeeën als Baird, Karolus of Von
Mihály,
mensen die
veelal in dienst waren van directe concurrenten van Philips.
Philips
deed niet mee aan de euforie van de profeten die een glanzende
toekomst
voor de televisie voorspelden (Blanken, 1992; cf. De Gooijer,
1976),
maar reageerde wel alert op de gebeurtenissen. Sommige critici
uit
omroep- en amateurkringen meenden dat Philips de ontwikkeling van
de
technologie bewust als minder ontwikkeld voorstelde dan zij in
werkelijkheid was(23) De leiding van
het NatLab van Philips was er lange
tijd van overtuigd dat echte televisie-omroep er nooit zou komen.
In een
interview met de financiële redacteur van De Zakenwereld
in de zomer
van 1930 verklaarde dr A.F. Philips, in antwoord op een vraag
naar de
toekomstmogelijkheden van televisie: 'De heeren van onze
laboratoria
zijn voorloopig nog zeer sceptisch gestemd te dien aanzien. Wij
hebben
geen plan ons op de productie van deze toestellen toe te leggen;
o.i.
zijn zij nog geen attractie voor het publiek'.(24)
De radio-amateurs
In de ontwikkeling van de radio tot een allocutief massamedium en
het
proces van verzuiling van de omroep waren de radio-amateurs veel
van hun
invloed kwijtgeraakt. De voornaamste organisatie van amateurs, de
door
AVRO-bestuurder J. Corver geleide NVVR, had min of meer openlijk
partij
gekozen voor de AVRO, de verliezende partij in de omroepstrijd,
en zich
daardoor weinig populair gemaakt bij de zuilen. Geleidelijk waren
de
amateurs zich meer gaan richten op typische belangenbehartiging.
Dat was
ook hun voornaamste inzet in de benadering van televisie. In het
begin
was het enthousiasme voor het nieuwe medium groot. Amateurbladen
als
Radio Expres, Radio Nieuws en Radio Wereld
besteedden in de jaren
1928-1931 ruime aandacht aan televisieontwikkelingen. In juli
1931, net
over het hoogtepunt van de boom, verscheen
Televisie, het eerste
uitsluitend aan televisie gewijde blad in Nederland, een uitgave
van het
Nederlandsch Televisie Instituut (NTI), de bescheiden Nederlandse
afdeling van het in Brussel gevestigde Institut International
de
Télévision.
Vanuit kringen van de radio-amateurs werd herhaaldelijk
aangedrongen op opneming van televisie in de radioprogramma's ten
behoeve van de amateurs die met televisie experimenteerden. In de
zomer
van 1930, na het bekend worden van het VARA-initiatief, wendde
het
weekblad Radio Wereld zich tot de minister met het verzoek
om de
niet-gebruikte kortegolfzender voor Indië van Philips ter
beschikking
te stellen van de amateurs voor experimentele tv-uitzendingen.(25)
Een
jaar later evenwel was blijkbaar niet alleen de VARA maar waren
ook de
amateurs hun vertrouwen in de toekomst van het medium
kwijtgeraakt. In
de Radio Expres van 8 januari 1932 deed Corver een
vertwijfelde oproep
aan zijn lezers: 'Televisie-amateurs! Wij moeten iets DOEN'. De
amateurs
kampten daarbij nog met het probleem dat de tijd en de technische
ontwikkeling van de televisie in hun nadeel werkten, onder meer
door de
snelle veroudering van apparatuur en de geleidelijke overgang van
de nog
betrekkelijk ongecompliceerde en goedkope en daardoor
amateurvriendelijke mechanische beeldaftasting naar volledig
electronische systemen.
De terugkeer van de televisie
Omstreeks 1935 kwam er een einde aan drie jaar van vrijwel
volledig
stilzwijgen rondom de televisie. De electronische televisie leek
gereed
om de plaats van de optisch-mechanische systemen in te nemen. In
Groot-Brittannië had de Selsdon Committee positief
geadviseerd over de
invoering van een reguliere televisiedienst. In Duitsland werd
daar in
maart 1935 zelfs al mee begonnen. In Nederland bogen overheid,
industrie, omroepen en amateurs zich opnieuw over het
televisievraagstuk. In maart dienden VARA, NCRV en KRO
gezamenlijk bij
de minister van Binnenlandse Zaken een verzoek in om toestemming
voor de
exploitatie van een gemeenschappelijke televisiezender. De AVRO
was er
buiten gehouden. Ook de amateurs verenigd in het zieltogende
Nederlandsch Televisie Instituut, uitgever van het met steeds
groter
tussenpozen verschijnende blad Televisie, kwamen met
televisieplannen
naar buiten. De NVVR richtte intussen een Algemeen Televisie
Genootschap
op en drong aan op een officiële studie naar het
televisievraagstuk.(26)
Het NVVR-plan kon rekenen op de sympathie van AVRO-directeur
Vogt, maar
het verzoek van de drie omroepverenigingen stond voor hem gelijk
aan het
aanvragen van een concessie 'voor het uitzenden van den
Doodenden
Straal'.(27) Het lag volgens hem veel
meer in de rede dat de radio- en de
filmindustrie de televisie tot ontwikkeling zouden brengen.
De radio-industrie, in casu Philips, begon in deze jaren
inderdaad
meer in de ontwikkeling van de televisie te investeren, maar
legde zich
nog niet vast op de vorm van televisie die wij nu kennen.
Niettemin
haalde Philips de achterstand snel in. In 1936 werden al
bijzonderheden
gepubliceerd over een door Philips ontwikkeld geavanceerd
electronisch
systeem met 405 beeldlijnen. Wellicht kwam de echte geestelijke
doorbraak voor Philips pas met de befaamde bekering tot de
televisie van
de directeur van de Hoofdindustriegroep Apparaten, ir J.A.J.
Bouman, bij
diens bezoek aan de Verenigde Staten in 1948 (Beunders,
1991).
De Nederlandse film- en bioscoopwereld kreeg ook pas in deze
tijd
oog voor de betekenis van televisie. Aanvankelijk had men zich
vermoedelijk gerustgesteld gevoeld door de lage kwaliteit van de
uitgezonden beelden,(28) maar omstreeks
1935 begon men te betreuren dat
men de televisie zo lang als behorend tot het typische terrein
van de
radio had beschouwd.(29) In mei 1936
benoemde de regering een officiële
Televisiecommissie. Bij de installatie maakte de minister van
Binnenlandse Zaken duidelijk dat wat de regering betrof televisie
nog
steeds moest worden beschouwd als een uitbreiding van de radio.
In mei
1937 rapporteerde de commissie dat de televisie technisch rijp
was om te
worden ingevoerd, maar dat de kosten invoering van het medium,
anders
dan in experimentele vorm, vooralsnog onmogelijk maakten.(30)
Zelfs dat ging de omroepen blijkbaar wel wat ver. Vogt had
zich in
1935 dan ook vergist in de bedoelingen van de drie omroepen. Hun
aanvraag diende in de eerste plaats om de claim van de omroepen
op de
televisie veilig te stellen, niet om er zelf spoedig mee te
beginnen.
Ook de VARA, beter gezegd, juist de VARA, was inmiddels tot dit
standpunt bekeerd. Daarmee kon ook Vogt weinig moeite hebben,
zodat twee
jaar later alle grote omroepen, met inbegrip van de AVRO, op een
lijn
zaten. Na de bespreking van het eerste deel van het rapport van
de
Televisiecommissie in het Centraal Bureau voor den Omroep, het
nieuwe
overlegorgaan van alle grote omroepen, vatte VARA-bestuurder
Lebon hun
gezamenlijke standpunt ten aanzien van de televisie als volgt
samen: 'de
Omroepen voelen er weinig voor. Zij achten de
televisie-experimenten een
bodemloze put en willen dan ook slechts zoveel doen, dat de
touwtjes in
hun handen blijven. Televisie is omroep'.(31)
Discussie
Voor de eerste televisie-boom zijn verschillende min of meer
plausibele
verklaringen gegeven. De ontwikkeling van de omroep kan worden
gezien
als onderdeel van een veel breder moderniseringsproces in de
ontwikkelde
kapitalistische wereld dat na de Eerste Wereldoorlog in een
stroomversnelling kwam. De snelle vooruitgang op het gebied van
de
radiotechnologie, van de film (de geluidsfilm), van de
facsimiletransmissie en het commerciële succes van de
radioindustrie
hadden een klimaat geschapen, waarin het publiek de kans op de
spoedige
komst van een nog geavanceerder massamedium, dat geluid en beeld
zou
combineren, gemakkelijk kon overschatten. De duizenden
radio-amateurs
waren al weer op zoek naar een nieuwe interactieve uitdaging. Het
toenemende aantal grote en kleine uitvinders en vernieuwers dat
zich op
de televisietechnologie stortte had dringend behoefte aan
kapitaal en
een even grote behoefte om verworven octrooien te gelde te maken
en
investeringen terug te verdienen. Daarvoor was veel publiciteit
nodig,
publiciteit waarin de vorderingen die het nieuwe medium maakte,
zacht
gezegd, niet werden onderschat. Het effect van deze
public-relationsactiviteit op tamelijk speculatieve grondslag
werd
verder versterkt door de massapers, waardoor er een hype
ontstond.
Na enige tijd verdween de televisierage weer. Zowel de grote
radioindustrieën als de omroepen stelden zich terughoudend
op.
Technisch bleek het medium op het verkeerde spoor te zitten. De
mechanische televisie van die dagen moest eerst terug naar het
laboratorium alvorens in verbeterde maar meer gecompliceerde en
duurdere
electronische vorm terug te keren. Aan het begin van de jaren
dertig was
het medium nog te onvolkomen: met een zeer lage beeldkwaliteit,
gevoegd
bij het vrijwel volledig ontbreken van programma's, was het
moeilijk om
de interesse van het publiek vast te houden. Temidden van
langzamerhand
sterk geperfectioneerde andere massamedia moest de televisie het
publiek
onvermijdelijk teleurstellen, nadat de eerste nieuwsgierigheid
was
bevredigd.
De boom werd aanvankelijk door de economische crisis
eerder
versterkt dan verzwakt. Televisie werd, met de radio, gezien als
een van
de weinige lichtpuntjes aan de zwaarbewolkte economische hemel.
Maar
toen de depressie aanhield verdween dat perspectief. De kleine
producenten gingen ten onder of werden overgenomen en zelfs de
grote
zagen zich genoodzaakt te bezuinigen op research en development.
Ook in
Nederland ontstond tussen 1928 en 1931 allerwegen het gevoel dat
de
televisie eraan kwam. Het optreden van Baird in 1928 en het
VARA-initiatief uit 1930 brachten verschillende actoren tot
activiteit.
'Televisierage' lijkt echter een wat groot woord voor wat zich in
ons
land afspeelde.
Ogenschijnlijk verschilden de omstandigheden hier weinig van
die in
andere landen. De pers, met inbegrip van de vakpers, besteedde
aandacht
aan de ontwikkelingen op televisiegebied en ook is er een
duidelijke
piek in de belangstelling in de periode tot 1931. Over het geheel
genomen gaf de pers echter geen voedsel aan al te overdreven
verwachtingen en evenmin voerde zij campagne voor een spoedige
introductie van de televisie. Wellicht vormde de verzuiling een
belemmering voor brede verspreiding van al te optimistische
ideeën over
het medium. De opvattingen in een deel van de pers vormden een
getrouwe
afspiegeling van de visies van de verwante omroepzuilen. Anders
dan in
Engeland en Duitsland speelde het veronderstelde nationale belang
verbonden aan het veroveren van een vooraanstaande positie op
televisiegebied hier nauwelijks een rol. Philips, de
belangrijkste
industriële geïnteresseerde, beklemtoonde dat van de
televisie
vooralsnog weinig verwacht moest worden, maar toonde zich juist
voldoende betrokken om dit met enige overtuigingskracht te kunnen
volhouden zonder dat tegelijkertijd het vertrouwen in de
innovatieve rol
van het concern op het spel werd gezet.
De omroepverenigingen hielden, zoals mocht worden verwacht,
een
nauwlettend oog op de ontwikkelingen. Nog voordat de discussie
over de
aard en de toepassingen van de nieuwe technologie feitelijk kon
worden
gevoerd, had de overheid de uiteindelijke zeggenschap naar zich
toegetrokken en voor een voorlopige closure gezorgd door
televisie te
definiëren als een vorm van radio. De omroeporganisaties
verwierven
zich daarmee al in een vroeg stadium een bevoorrechte positie,
maar
afgezien van mogelijke verschillen in taxatie tussen de omroepen,
was
hun onderlinge rivaliteit in de onderzochte periode zo sterk dat
dit
niet tot een gemeenschappelijke strategie leidde.
Institutionalisering
analoog aan de radio betekende voor de AVRO dat de onderschikking
aan de
verzuilde omroepen op televisiegebied zou worden herhaald. Maar
ook de
andere drie grote omroepen hadden in deze tijd grote moeite met
hun
autonomie bedreigende vormen van samenwerking.(32) Alleen de VARA meende
winst te kunnen boeken in termen van status en erkenning door een
pioniersrol op zich te nemen. Erg realistisch was die optie om
politieke, technische, financiële en programmatische redenen
al in 1930
niet. Bovendien trof de economische crisis de VARA en haar
achterban
sterker dan de andere omroepen. Tegen 1935 hadden drie van de
vier
omroepen een negatieve coalitie gevormd, gebaseerd op het
gemeenschappelijke belang van bevestiging van hun
omroepmonopolie. Weer
twee jaar later, toen spoedige invoering van televisie een nog
serieuzer
punt van discussie was geworden, wisten alle grote omroepen zich
te
verenigen met de expliciete strategie televisie voorlopig op
afstand te
houden, zonder het medium uit handen te geven.
Met name deze laatste ontwikkelingen lijken
innovatietheorieën van
auteurs als Mosco (1975, 1979) en Winston (1986) te bevestigen.
Het
gedrag van de omroepen voor 1937 maakt echter een zeer
irrationele
indruk, althans wanneer men het beoordeelt vanuit een algemeen
omroepbelang. Anderzijds worden houding en gedrag van de
afzonderlijke
omroepen veel begrijpelijker, wanneer men ze probeert te
verklaren
vanuit een nagestreefd eigenbelang in een zeer onzekere situatie.
Een
onbedoeld gevolg van deze houding van de omroepen was overigens
wel dat
omstreeks het midden van de jaren dertig, ondanks de vroegtijdige
closure door de overheid, toch weer andere toepassingen dan de
'extension of broadcasting' en andere opties dan exploitatie door
de
omroepen zich opdrongen.
De grondslagen voor de institutionalisering van de
Nederlandse
televisie in de jaren vijftig werden aan het eind van de jaren
twintig
al gelegd. Televisie was omroep. Hoewel de omroepen af en toe
alles in
het werk leken te stellen om hun eerstgeboorterecht ongedaan te
maken,
wisten zij zich uiteindelijk te verenigen op een strategie die
hen in
staat stelde de touwtjes in handen te houden.
Literatuur
Abramson, Albert (1987), The History of Television, 1880 to 1941.
Jefferson and London: McFarland & Company.
Beunders, Henri (1991), De Prehistorie van de Televisie. In: nrc
Handelsblad 28 september 1991.
Blanken, I.J. (1992), De Ontwikkeling van de n.v. Philips'
Gloeilampenfabrieken tot Elektrotechnisch Concern
(Geschiedenis van Philips Electronics n.v.; vol.3). Leiden:
Martinus Nijhoff.
Briggs, Asa (1965), The History of Broadcasting in the United
Kingdom, Vol. ii. The Golden Age of Wireless. London:
Oxford University Press.
Burns, R.W. (1986), British Television. The Formative Years.
London: Peregrinus.
Camm, F.J. (1934), Newnes Television and Short-Wave Handbook.
London: George Newnes.
Dibbets, Karel (1993), Sprekende Films. De Komst van de
Geluidsfilm in Nederland 1928-1933. Amsterdam: Otto
Cramwinckel
Elsner, Monika, Thomas Mller & Peter M. Spangenberg (1990), 'The
Early History of German Television: The Slow
Movement of a Fast Medium'. In: Historical Journal of Film, Radio
and Television, vol. 10, nr. 2, pp. 193-219.
Ende, Jan van den, Wim Ravesteijn and Dirk de Wit (1993), 'Waarom
Geen Nipkowschijf in Elke Huiskamer? De Sociale
Constructie van Televisie'. In: Jaarboek Mediageschiedenis 5, pp.
131-61. Amsterdam: Stichting Mediageschiedenis.
Gooijer, W.J. de (1976), Beheersing van de Technologische
Vernieuwing. Een beschouwing over de
Beheersingsmogelijkheden van Technologische Innovaties met de
Invoering van Televisie als Voorbeeld van
Beleidsvorming. Samsom: Alphen aan den Rijn.
Haley, William (1949), 'An Extension of Broadcasting', as
reprinted in: Report of the Broadcasting Committee, 1949.
Appendix H: Memoranda Submitted to the Committee (1951), pp.
236-41. London: hmso Cmd. 8117.
Lerg, Winfried B. (1980), Rundfunkpolitik in der Weimarer
Republik (Band 1, serie 'Rundfunk in Deutschland', Hrsg.
Hans Bausch). Mnchen: Deutscher Taschenbuch Verlag.
March, J.G. en H.A. Simon (1958), Organizations. New York: Wiley
& Sons.
McArthur, Tom en Peter Waddell (1986), The Secret Life of John
Logie Baird.
London/Melbourne/Auckland/Johannesburg: Hutchinson.
Mosco, Vincent (1975), The Regulation of Broadcasting in the
United States: A Comparative Analysis (thesis). Harvard
University.
Mosco, Vincent (1979), Broadcasting in the United States.
Innovative Challenge and Organizational Control. Norwood:
Ablex Publishing Corporation.
Rempt, J.D. and Ch.J.J. Stamm'ler (1949), Televisie.
Wordingsgeschiedenis en Toekomst. Leiden: Nederlandsche
Uitgevers Maatschappij.
Sluyser, Meyer (1965), Een Klein Mannetje met een Klein
Potloodje. Impressies van 40 Jaar VARA. Amsterdam:
Arbeiderspers.
Smulders, Eric (1993), Het Wonder van Morgen. De Televisierage in
Nederland 1928-1931. Scriptie
Maatschappijgeschiedenis Erasmus Universiteit Rotterdam.
Syvertsen, Trine (1992), Public Television in Transition. Oslo:
Norges Allmennvitenskapelige Forskningsrd.
Udelson, Joseph H. (1982), The Great Television Race. A History
of the American Television Industry 1925-1941.
University, Alabama: University of Alabama Press.
Uricchio, William (1992), 'Television as History. Representations
of German Television Broadcasting 1935-1944'. In:
Murray, Bruce A. and Christopher J. Wickham, Framing the Past.
The Historiography of German Cinema and Television.
Carbondale and Edwardsville: Southern Illinois University
Press.
Wieten , J. (1993a), 'Mijlpaal of
Mystificatie. Televisie op de
Nenijto'. In: Aether, October 1993, pp. 4-7.
Wieten , J. (1993b), ''Vuistslagen op
Peluws'. De Valse Start van
de Televisie in Nederland', in Jaarboek
Mediageschiedenis 5, pp. 163-97. Amsterdam: Stichting
Mediageschiedenis.
Williams, Raymond (1990), Television. Technology and Cultural
Form. London: Routledge. (1e druk 1975)
Winston, Brian (1986), Misunderstanding Media. Cambridge Mass.:
Harvard University Press.
|
























|