I&I-> Jaargangen -> Artikel

Dagbladen:
Nederland monopolieland?

Door Piet Bakker & Patrick Hendriks


Ondanks de vorm van zelfregulering die tot stand is gekomen na een jarenlange discussie over een wettelijke regulering van persconcentratie is er in de Nederlandse dagbladmarkt nog steeds sprake van een toenemende concentratie. De voorgenomen wijziging van de Wet Economische Mededinging kan betekenen dat ook de dagbladmarkt te maken krijgt met een op Europese leest geschoeid mededingingsbeleid. Welke mogelijkheden biedt die mededingingswetgeving voor het instandhouden van concurrentie in de dagbladmarkt.


Het aantal uitgevers van dagbladen op de Nederlandse markt is het afgelopen decennium gehalveerd van 24 in 1984 tot 12 in 1994. Thans is bijna 90 procent van markt in handen van de vijf grootste uitgevers (vnu, De Telegraaf, Dagbladunie, Wegener en Perscombinatie). In het verleden is regelmatig getracht de mogelijke nadelige gevolgen van deze ontwikkelingen te beheersen door een regeling te treffen die concentraties die een bepaald marktaandeel te boven gaan, te verbieden of aan strikte voorwaarden te verbinden. Al deze pogingen hebben tenslotte geresulteerd in een vrijwillige zelfregulatie van de NDP die het mogelijk maakt om concentraties die leiden tot een marktaandeel van meer dan eenderde te verbieden.
Waarschijnlijk is deze regeling het eindpunt van een jarenlange strijd rond de beheersing van persfusies. Dat betekent echter niet dat hiermee de ongerustheid over het concentratieproces geheel verdwenen is, onder andere vanwege de ruimhartige ontheffingsregeling en de mogelijkheid om in geval van een niet-toegestane fusie het NDP-lidmaatschap op te zeggen (zie ook:(1)
Daarom achten wij het van belang die machtsposities op de verschillende deelmarkten in kaart te brengen. Daartoe zal een overzicht van concentratie op de Nederlands dagbladmarkt in de afgelopen tien jaar worden gegeven, met name betreffende concernvorming. Daarnaast zal het begrip concentratie nader geoperationaliseerd worden; er is namelijk geen eenduidige definitie van concentratie. Vervolgens zal het begrip 'relevante markt' nader gedefinieerd worden. Ten slotte zullen verschillende concentratiemaatstaven toegepast worden op een aantal geografische deelmarkten om te kunnen vaststellen in hoeverre we op die markten kunnen spreken van een overheersende marktpositie. Concentratie op de dagbladmarkt In 1985 waren er 23 concerns die dagbladen uitgaven, 20 daarvan gaven regionale bladen uit, terwijl er 6 actief waren op de landelijke dagbladmarkt. In 1994 zijn deze aantallen respectievelijk 12, 10 en 5 (zie tabel 1).
Tot de concerns die verdwenen of hun zelfstandigheid verloren, behoren Audet, Damiate, Tijl, Van der Loeff, Kluwer's Dagblad Combinatie, Twentsche Courant, ODC, HDC, Sijthoff en het Rotterdams Dagblad. Niet alleen het aantal concerns nam af, ook verminderde het aantal redactioneel zelfstandige dagbladen. De jaarverslagen van de NDP laten in de periode 1985-1994 een terugloop zien van 51 tot 39. Problematisch hierbij is dat Nederland als één markt wordt gezien waarbij er impliciet van uit wordt gegaan dat bijvoorbeeld het Friesch Dagblad en de Provinciale Zeeuwse Courant elkaar beconcurreren. In de praktijk is daar uiteraard geen sprake van. Het enige dat bovenstaande cijfers duidelijk maken is dat er sprake is van concentratie op de Nederlandse dagbladmarkt. Het is in dit verband van groot belang om het begrip markt nauwkeuriger te defini‰ren. Bovenstaande cijfers hebben nog een ander probleem: namelijk dat een afname van 23 naar 12 op zichzelf weinig zegt; is dat veel of weinig, is het een bedreiging voor de pluriformiteit of niet? Met andere woorden: er is geen duidelijke maatstaf. Voordat we ons daarom gaan bezighouden met definiëring van deelmarkten is het eerst van belang een maatstaf voor concentratie vast te stellen.

Concentratie en marktmacht gemeten

Er worden diverse concentratiemaatstaven gehanteerd bij discussies omtrent dagbladconcentratie. Met name de c-index en de Herfindahl-Hirschmann-Index worden veelvuldig gebruikt, beide met hun typische voor- en nadelen. Aan deze twee maatstaven willen we een derde maatstaf toevoegen, de Linda-index.
De concentratiegraad (c-index) meet het gezamenlijke marktaandeel van de n grootste ondernemingen in een markt. In de regel worden hiervoor de 1, 2, 4, 8 of 12 en 20 grootste ondernemingen genomen (De Jong, 1989:24).(2) Het belangrijkste nadeel van deze index is dat alleen de absolute concentratie gemeten wordt. Het relatieve aspect blijft buiten beschouwing: de ongelijkheid van de verschillende ondernemingen wordt niet tot uiting gebracht. Een markt waarin de grootste onderneming een marktaandeel heeft van 50 procent en de drie volgende ieder van 10 procent, heeft een even grote c4-index als een markt waarop vier even grote ondernemingen opereren met een gezamenlijk marktaandeel van 80 procent. Uit dit voorbeeld blijkt dat de ongelijkheid tussen de ondernemingen niet tot uiting komt in de cn-index, terwijl deze markten aanzienlijk van elkaar verschillen. De dominantie van een onderneming in de eerste markt is duidelijk groter dan die in de tweede markt, waardoor sprake is van een geheel andere rivaliteitssituatie. Ondanks dit nadeel wordt de c-index in praktijk veel gebruikt vanwege de eenvoud en de toepasbaarheid ervan.
Een index die tegemoet komt aan deze bezwaren is de Herfindahl-Hirschmann-Index (HHI). De HHI is de som van de gekwadrateerde marktaandelen van alle ondernemingen in de markt; zij varieert tussen 0 en 1. Bij een monopoliesituatie geldt: HHI = 1, terwijl bij een situatie van oneindig veel ondernemingen met gelijke marktaandelen de HHI nul nadert.(3) Dus: hoe groter de HHI, hoe schever de marktverdeling en, zo is de redenering, hoe sterker de mededinging onder druk staat. Het voordeel van de HHI ten opzichte van de c4 kan ge‹llustreerd worden door twee willekeurige Cebuco-verzorgingsgebieden met elkaar te vergelijken (op uitgever- en titelniveau): gebied 5 (Heerenveen) en gebied 22 (Haarlem/Beverwijk). Tabel 2 toont dat er in deze gebieden sprake is van een nagenoeg gelijke c4 (96 en 100), maar dat de HHI voor Cebuco-gebied 22 hoger is dan die voor Cebuco-gebied 5. Met name op titelniveau zien we dat er in Cebucogebied 22 sprake is van een meer evenwichtige verdeling van de marktaandelen van de verschillende dagbladen.
Hoewel de HHI een goede maatstaf is voor de verdeling van de marktaandelen en de meting van concentratie, is het nog geen goede indicator voor marktmacht in een markt. Linda (1986, p.289) geeft hierbij een voorbeeld: als een markt volledig bediend wordt door vier bedrijven met een evengroot marktaandeel levert dat een c4 van 100 en een HHI van 0.25 op; in een markt waarbij de grootste onderneming 45 procent beheerst en de volgende drie ondernemingen ieder een marktaandeel van 10 procent hebben, neemt de c4 af tot 75 en de HHI tot 0.23 terwijl de macht van de grootste onderneming duidelijk groter is dan in het vorige geval. Remco Linda meent daarom dat zowel de c4-index als de hh-index tekort schieten bij het meten van marktmacht. Hij wijt dit aan de begripsverwarring die er bestaat tussen maatstaven met betrekking tot concentratie en indices gericht op het meten van marktmacht. Marktmacht en concentratie zijn twee fundamenteel verschillende begrippen: 'In our opinion, to assess how a change in a given market structure will affect competition, it is necessary to look not only at the degree of concentration but also at the balance of the market' (Linda, 1986:291).
Met name in een oligopolistische markt is een gebalanceerde verdeling van de markt tussen de verschillende oligopolisten een essentiële voorwaarde voor het in stand houden van rivaliteit. In de Wet Economische Mededinging (WEM) wordt economische machtspositie omschreven als een feitelijke of rechtsverhouding in het bedrijfsleven, die een overwegende invloed op een markt voor goederen en diensten medebrengt. Marktmacht(4) zou dan ook gezien kunnen worden als de mate waarin een onderneming of een groep van ondernemingen in staat is een overwegende invloed uit te oefenen op de werking van de markt.
Linda heeft getracht een index te ontwikkelen die marktmacht meet als een kwantitatieve invloed op de werking van de concurrentie, oftewel de mate waarin de marktstructuur concurrentiebedreigend is. De basis van deze samengestelde index wordt gevormd door vier componenten:
  • een monopolie-maatstaf (macht van de grootste onderneming):
  • een duopolie-maatstaf (macht van de twee grootste ondernemingen);
  • een maatstaf voor oligopolistische dominantie (macht van de drie grootste ondernemingen);
  • een graadmeter voor de onbalans in de markt.

    Op alle vier onderdelen kan een score bereikt worden die varieert tussen 1 (volledige concurrentie) en 4 (marktbedreigende overheersing). Een markt met slechts ‚‚n firma levert een score van 4 maal 4 op. Van de vier scores wordt vervolgens het gemiddelde berekend. Het voordeel is dat er ondanks de ingewikkelde berekening uiteindelijk een relatief eenvoudig te interpreteren index ontstaat; alle marktsituaties met een gemiddelde waarde van 2.5 of hoger moeten als bedreigend voor een gezonde concurrentie worden aangemerkt. (Voor een technische verantwoording van de samengestelde index wordt verwezen naar Linda, 1986.) Het gebruik van de Linda-index sluit overigens het gebruik van de andere maatstaven niet uit.

    De relevante markt

    Eén van de cruciale vragen die beantwoord dient te worden wanneer gesproken wordt over concentratie heeft betrekking op de afbakening van de relevante markt. De relevante markt is een weergave van 'the area of effective competition'(Lacy & Simon, 1993:193). Om tot een afbakening van de relevante dagbladmarkt te komen, is het essentieel aan te geven om welke reden we de relevante markt wensen te definiëren. Hierin wijkt de dagbladmarkt af van 'normale' produktmarkten, aangezien overheersende machtsposities vanuit twee perspectieven beschouwd kunnen worden: enerzijds vanuit een mededingsperspectief waarbij monopolistische marktmacht centraal staat, anderzijds vanuit een pluriformiteitsperspectief waarbij de keuzevrijheid van de consument en de redactionele en economische onafhankelijkheid van de dagbladen centraal staat. Het maximaliseren van het aantal redactioneel en economisch onafhankelijke dagbladen is een beleidsdoelstelling die vanuit een mededingingsperspectief niet relevant hoeft te zijn, zolang er maar sprake blijft van een gezonde mededingingssituatie.
    In mededingingswetgeving wordt de relevante markt over het algemeen gedefinieerd op basis van een tweetal dimensies: het produkt en de geografische markt. De geografische markt is het gebied waarbinnen twee (of meer) ondernemingen invloed kunnen uitoefenen op het marktgedrag van anderen. Probleem hierbij in Nederland is het feit dat er al jarenlang sprake is van een prijskartel, dat wil zeggen dat de prijzen op zowel de advertentie- als oplagemarkt sterk gecoördineerd worden, met als gevolg dat we vrij sterke prijscorrelaties zullen vinden.
    Tot op heden is de geografische markt waarop concentratie gemeten werd veelal gedefinieerd als heel Nederland. Hierbij wordt voorbij gegaan aan de vraag of bijvoorbeeld de Leeuwarder Courant zich in dezelfde markt bevindt als Het Limburgs Dagblad. Toch is het bepalen van de geografische markt essentieel bij het in kaart brengen van economische machtsposities. In mededingingswetgeving wordt de produktmarkt gedefinieerd als de markt die gevormd wordt door produkten die min of meer uitwisselbaar zijn en dus in feite substituten van elkaar zijn. Vragen die gesteld kunnen worden bij het afbakenen van de produktmarkt zijn: is een landelijk dagblad een substituut voor een regionaal dagblad (inhoudelijke dimensie)? Is een ochtendblad een substituut voor een avondblad (tijdsdimensie)?
    We zullen hier de nadruk leggen op een geografische verdeling van de markt, waarbij Nederland opgevat kan worden als één markt (met name voor landelijke dagbladen) maar ook als een verzameling deelmarkten. Deze deelmarkten kunnen van klein naar groot als volgt gedefinieerd worden (tussen haakjes het aantal deelmarkten): Nielsen gebied (5), provincie (12), Cebucogebied (50), nodaal gebied (81), gemeente (646), plaats, wijk. Als het gaat om marktbeheersing lijkt de keuze voor een gebied dat als een economische eenheid kan worden gezien het meest voor de hand te liggen; hierbij zijn de Cebuco-gebieden en vooral de nodale gebieden die gegroepeerd zijn rond een bepaalde economische kern een verdedigbare keuze. Vanuit mededingingsperspectief is een dergelijk gebied van belang, omdat de lokale c.q. regionale adverteerders een keuze moeten maken uit de dagbladen die verschijnen binnen het betreffende verspreidingsgebied. Vanuit pluriformiteitsperspectief is dit een goede marktafbakening omdat lezers voor regionaal georiënteerde informatie (zowel redactioneel als advertentioneel) zijn aangewezen op regionale dagbladen. Naast het geografische aspect is het bij het beoordelen van de concurrentiesituatie van belang onderscheid te maken tussen concurrentie op titelniveau en concurrentie op concern-/aanbiedersniveau.

    Toepassing op de (deel)markten

    Voor we de concurrentiesituatie op deelmarktniveau behandelen zullen we eerst kijken naar heel Nederland. In de marktaandelen die de grootste concerns (landelijk en regionaal) realiseren, zien we tussen 1986 en 1994 aanzienlijke verschuivingen optreden wanneer we uitgaan van de c4- en de c8-maatstaf (zie tabel 3).
    Opmerkelijk is vooral dat het marktaandeel van de grootste acht bijna elk jaar toenam. Het marktaandeel van de grootste vier kent twee grote sprongen, in 1988 als gevolg van de overname van Audet door VNU en in 1993 door de vorming van het nieuwe Wegener-concern (inclusief de ODC) dat het vierde concern van Nederland werd. Het marktaandeel van de grootste aanbieder schiet omhoog in de periode 1992-1993, door de overname van de hdc door De Telegraaf. Indien we de situatie in 1994 op zowel concernniveau als op titelniveau beschouwen levert dat het volgende beeld op (zie tabel 4). In principe wordt hier echter een markt geschetst waarop niet alle aanbieders met elkaar concurreren omdat er ook bedrijven bij zijn die slechts op één bepaalde (geografische) deelmarkt opereren. Een overzicht van de marktverdeling tussen de concerns met uitsluitend hun landelijke bladen geeft een meer realistisch beeld van de marktverhoudingen in Nederland (zie tabel 5). Omdat er minder dan acht concerns actief zijn worden hier de c4, de c2 en de c1 gegeven. Duidelijk is dat er een tamelijke stabiele situatie bestaat met een zeer machtige positie voor de grootste aanbieders.
    De HHI voor de landelijke markt is in deze periode ook nauwelijks veranderd: ze daalde zelfs licht van 0.3174 in 1986 naar 0.3157 in 1994. De score voor Linda's index is voor beide gevallen 2.50, wat duidt op structurele scheve machtsverhoudingen in de markt en een relatief verstorende situatie ten aanzien van de mededinging. Indien we de concurrentiesituatie met betrekking tot regionale dagbladen willen beschouwen is het weinig zinvol heel Nederland als markt te definiëren. Regionale bladen kunnen het beste geanalyseerd worden in de gebieden waar ze verschijnen, omdat er op dat niveau sprake is van daadwerkelijke concurrentie tussen de verschijnende titels. Hiertoe is evenals in het voorbeeld uit tabel 2 gekozen voor de Cebuco-gebieden 5 en 22.
    De c4 en HHI waren al bekend maar als we naar de Linda-index kijken levert dat in drie van de vier gevallen een waarde van 4 op, hetgeen duidt op een zeer sterke overheersing op economisch gebied.

    Discussie

    Er is sprake van toenemende en sterke concentratie op de Nederlandse dagbladmarkt waarbij er op landelijk en regionaal gebied totaal verschillende conclusies getrokken kunnen worden. Landelijk gezien is er weliswaar sprake van enkele grote aanbieders maar er zijn weinig redenen om hier van een marktoverwicht te spreken; een Linda index van 1.75 (concerns) en 1.5 (titels) geeft dat aan. Binnen willekeurige verzorgingsgebieden is er een andere ontwikkeling gaande: sterke overheersing is aangetoond in twee gebieden maar als we weten dat er een sterke ontwikkeling naar one-paper cities is moet duidelijk zijn dat het gevaar dus vooral in de regio schuilt(5).
    Voor het beleid zou dat twee dingen betekenen: op landelijk gebied is er vooralsnog weinig reden tot bezorgdheid. Op regionaal gebied dient er rekening gehouden te worden met mogelijk misbruik van de machtspositie. Een mogelijke toepassing van de WEM moet op dit terrein dan ook niet worden uitgesloten. Als men de concurrentie in de regio door middel van de WEM in stand houdt, schept dat de minimale voorwaarde waaronder pluriformiteit kan bestaan. In de praktijk betekent het streven naar pluriformiteit dat het beleid zich richt op: waar mogelijk de concurrentie in stand houden en het streven naar maximalisering van de hoeveelheid economisch-redactionele onafhankelijke eenheden. Pluriformiteit namelijk is een begrip dat moeilijk te concretiseren is, en moeilijk te bevorderen is. De enige mogelijkheid die overheden rest is het maximaliseren van het aantal onafhankelijke dagbladen. De cruciale vraag die beantwoordt dient te worden is in hoeverre overheidsbeleid ten aanzien van de pers in staat is de aanbodstructuur te sturen in termen van eigendomsverhoudingen, (de-)concentratie op titelniveau en prijsvorming ('rechtvaardige' prijs van dagblad die een zo groot mogelijk aantal consumenten in staat stelt inderdaad een dagblad aan te schaffen). Hierbij lijkt een herziene mededingingswet (van misbruik naar verbodsprincipe) een zinvolle aanvulling te zijn op de overige beleidsinstrumenten die de overheid ter beschikking staan zoals indirecte steunmaatregelen (posttarieven, fiscale voordelen, laag btw-tarief etc.) en directe steunmaatregelen (subsidies, investeringsimpulsen etc.).
    Opgemerkt dient te worden dat mededingingsbeleid primair gericht is op het in stand houden van de concurrentie, en dat het dus niet een 'laisser faire' benadering is. Een dergelijke absolute vrijheid tot concurrentie houdt namelijk ook in dat de mogelijkheid bestaat de concurrentie te elimineren door de uitschakeling van mededingers, met name in stagnerende markten als de dagbladmarkt (De Jong, 1992: 33). Juist in de stagnatiefase zijn mededingingspolitieke regels vereist om een wijd oligopolistische markt in stand te houden.
    Wanneer er in de toekomst mogelijk sprake zal zijn van toepassing van de WEM op de Nederlandse dagbladmarkt, zal naar alle waarschijnlijkheid de relevante markt gedefinieerd worden op basis van de markten waarin de betrokken partijen in de mededingingsrechtelijke kwestie actief zijn. Daarmee bedoelen we dat, in bijvoorbeeld het geval van een overname van een dagblad door een andere uitgever, de mate waarin de verspreidingsgebieden van beide dagbladen elkaar overlappen, bepalend is voor de afbakening van de relevante markt. De Jong (1992:32) bespreekt een beslissing van het Duitse Bundeskartellambt enige jaren geleden, toen de overname van de Schleswig Holsteinische Landeszeitung H. Möller kg door de Flensburger Zeitungsverlag GmbH verboden werd omdat in de beide relevante marktgebieden marktaandelen van respectievelijk 98,1 en 46,1 procent door de combinatie tot stand zouden komen. De relevante marktgebieden zouden daarbij gedefinieerd kunnen worden als de geografische gebieden waarin twee dagbladen elkaar wat betreft verspreiding overlappen, en de dagbladen een substantieel deel (bijvoorbeeld minimaal 80 procent) van hun oplage-omzet realiseren. Een interessant, weliswaar hypothetisch voorbeeld, zou de overname van het Limburgs Dagblad zijn, nu uitgegeven door het Telegraaf-concern, door VNU, uitgever van onder andere de Limburger en het Dagblad van Noord-Limburg.
    In de discussie die zich omtrent een eventuele persfusiecontroleregeling heeft voltrokken, is voorbij gegaan aan een aantal belangrijke kwesties. Allereerst is de definitie van de relevante markt zonder motivering gesteld op de totale Nederlandse dagbladmarkt, terwijl we gezien hebben dat juist deze definiëring van groot belang is bij de beoordeling van de concurrentiesituatie in een markt. De oorzaak hiervan is politiek van aard; aan het begin van de discussie in 1988 was reeds duidelijk dat een wettelijke regulering slechts mogelijk was wanneer gesproken zou worden over de gehele Nederlandse dagbladmarkt. Een eventuele marktafbakening op regionaal niveau zou betekenen dat de persfusiecontroleregeling te laat zou zijn, immers op regionaal niveau was er reeds sprake van een overschrijding van de kritieke grens van 33,3 procent.
    Een tweede punt waaraan voorbij is gegaan in de parlementaire en maatschappelijke discussie is de bedrijfseconomische noodzakelijkheid van fusies. De argumentatie die gevolgd werd om de noodzakelijkheid van schaalvergroting aan te tonen is, met name door tegenstanders van een wettelijke fusieregulering, niet of nauwelijks gestaafd door een grondige analyse van de werkelijkheid, maar is veelal gebaseerd op theoretische assumpties. Een interessante vraag in dit verband is bijvoorbeeld in hoeverre er op regionaal niveau sprake is van een natuurlijk monopolie van dagbladproduktie; is er in regionale markten sprake van een situatie waarbij maar één dagbladonderneming binnen een bepaald geografisch gebied, bijvoorbeeld een Cebucogebied, efficiënt kan opereren?(6)
    Een derde commentaar op de discussie is het ontbreken van alternatieve oplossingen om de oorzaak van het probleem aan te pakken. Hierbij doelen we vooral op (het onderzoeken van) de mogelijkheden die overheden hebben om het concentratieproces tegen te gaan of af te remmen. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld het ontkoppelen van het redactionele en commerciële bedrijf van het technisch bedrijf, of het door overheidsmaatregelen verlagen van de toetredingsbarrières.(7) Voorwaarde voor dergelijke maatregelen is evenwel een grondige analyse van de bedrijfseconomische oorzaken en achtergronden van de concentratieontwikkelingen, een analyse waaraan het vrijwel ontbroken heeft. Het is dan ook zaak dat de overheid het tot nu toe gevoerde beleid gericht op de dagbladmarkt herziet, waarbij het tracht het aangescherpte mededingingsbeleid een plaats toe te kennen binnen het beleidsinstrumentarium die recht doet aan de intentie van de wet. Voor de dagbladmarkt, en communicatiemarkten in het algemeen, betekent dit voor de overheid dat zij tot taak heeft een tweetal fundamentele vrijheden te waarborgen: a) de grondrechtelijke vrijheid om informatie te kunnen garen, uiten en ontvangen, en b) de economische vrijheid om informatie op de markt te kunnen brengen.
    De voorbeelden in de Duitse en Amerikaanse dagbladmarkten mogen aantonen dat een fusiecontrole regeling gebaseerd op mededingingspolitiek eerder een voorwaarde is voor het waarborgen van de pluriformiteit dan dat deze in gevaar wordt gebracht. Een 'laisser faire' beleid, waar de ruimhartige persfusieregeling zoals die momenteel in Nederland bestaat sterk naar neigt, lijkt de werking van de markt te overschatten en lijkt eerder gestoeld op 'geloof in' dan 'kennis van' de werking van de (dagblad)markt.

    Literatuur

    Alsem, K.J., e.a. (1982). De aanbodstructuur van de periodiek verschijnende pers in Nederland. Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage.
    Hendriks, P.C.J. (1994). Onderzoeksresultaten: analyse van dagbladconcentratie in Nederland. Vakgroep Communicatiewetenschap, Universiteit van Amsterdam.
    Jong, H.W. de. (1989). De concentratie in het Nederlandse perswezen. (Commentaar aan regering op Advies van de Media en Rapport van het bedrijfsfonds voor de Pers over een mogelijke persconcentratie-regeling.)
    Jong, H.W. de (1992). Persconcentratie en mededingingsbeleid. in: Poels, A.P. (red.) (1992). Persfusies. Mogelijkheden en onmogelijkheden van een persfusieregeling. Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam.
    Lacey, S. & Simon, T.F. (1993). The economics and regulation of United States newspapers. Ablex Publishing Corporation, Norwood (NJ).
    Linda, R. (1986). Competition policies and measures of dominant power, in: Jong, H.W. de & Shepherd, W.G. (eds.) (1986). Mainstreams in Industrial Organization. Martinus Nijhoff Publishers, Dordrecht. NDP jaarverslagen 1985-1993. NDP: Amsterdam.
    Owen, B.M. (1975). Economics and Freedom of Expression. Media structure and the First Amendment. Ballinger Publishing Company, Cambridge (Mass.).
    Porter, M.E. (1989). Concurrentievoordeel. De beste bedrijfresultaten behalen en behouden. Veen Uitgevers, Utrecht / Antwerpen.
    Scherer, F.M. & Ross, D. (1990). Industrial Market Structure and Economic Performance (third edition). Houghton Mifflin Company, Boston.
    Schmalensee, R. & R.D. Willig (eds.) (1989). Handbook of Industrial Organization, Vol II. North Holland, Amsterdam. Wet Economische Mededinging, in: Schuurmans & Jordens-editie, nr. 12, 1988, Tjeenk Willink, Zwolle.