|
|
Door: A.H.G. Rinnooy Kan
De nationale brainstorm van het afgelopen jaar over de
electronic
highway hoort nu toch zo ongeveer afgelopen te zijn. De
onzekerheidsrelatie van Heisenberg vanuit de quantummechanica
naar de
beleidspraktijk doortrekkend, blijkt dat het heel nuttig is om de
plaats
in de beleidsruimte zo af en toe eens zo nauwkeurig mogelijk te
bepalen;
maar tegelijk blijkt ook dat de onzekerheid bij de ondernemers
die de
economische impuls in stand moeten houden, té groot wordt als men
hun
positie te nauwkeurig wil vastleggen. Hoofdzaak is ook op dit
gebied,
naar we inmiddels weten, om de randvoorwaarden te verbeteren. We
moeten
aan het werk.
In formele zin is er de afgelopen twee jaar weinig veranderd aan
de
randvoorwaarden waarbinnen ondernemingen hun telecommunicatie
moeten
bedrijven. De telecomwetgeving van 1989 bestaat nog steeds. Wel
worden
er wijzigingsvoorstellen inzake mobiele communicatie in september
van
kracht en is er een tiental ministeriële regelingen bij wijze van
plakbandwetgeving in de Staatscourant gepubliceerd. Maar
de volgende
ronde liberalisatie komt pas met de geheel vernieuwde telecomwet
die
mogelijk in 1996 gereed is. Ook in Europa, binnen de Unie en de
diverse
lidstaten, valt het tempo waarin in formeel-juridische zin aan
verandering en verdere liberalisatie gewerkt wordt tegen.
De praktijk is echter sterker dan de leer. Zowel in Nederland
als
in onze buurlanden wisselen steeds meer ondernemers steeds
grotere
hoeveelheden gegevens uit via telecom. Daarbij valt waar te nemen
dat,
nu allerlei zaken technisch mogelijk worden, de concurrentie,
hoewel die
nog niet op àlle gebieden is toegestaan, welhaast sluipend de
grenzen
van de formele wetgeving doet vervagen. De geleidelijk oprukkende
gesloten gebruikersgroepen en diverse praktische pogingen tot
nieuwe
vormen van dienstverlening op de grens van kabelgebruik en
mediawetgeving zijn illustraties van de glijdende overgangen in
de
praktijk van het telecommuniceren.
De electronische snelweg
De discussie over voortgaande liberalisatie is het afgelopen half
jaar
in een stroomversnelling geraakt. Delors bracht het fameuze
witboek uit,
waarin een groot aantal nuttige kanten van de inzet van
informatietechnieken en telecommunicatie wordt beschreven.
Gelijktijdig
kwam het debat in de Verenigde Staten over een 'national
information
infrastructure' breed in de belangstelling te staan. Vooral door
dat
laatste debat konden insiders dagelijks hun werkterrein in de
gewone
landelijke dagbladpers besproken zien.
Die brede publieke belangstelling is de stuwende kracht
achter de
discussie over het te voeren beleid. Veel meer mensen dan tot nu
toe,
zowel consumenten als ondernemers, worden zich nu immers bewust
van het
feit dat hun gebruik -en om dat gebruik gaat het- van
telematicadiensten op niet al te lange termijn geheel anders kan
worden.
De gebruiker ziet dat er iets in de praktijk gaat veranderen en
op grond
van die waarneming verwacht hij dat ondernemers op telecomgebied
en de
beleidsambtenaren die veranderingen mogelijk zullen
maken.
Deze belangstelling van gebruikers zal in beginsel blijvend
zijn.
De essentie van het electronic-highway-denken zal gèèn 'hype'
blijken.
Dat betekent dus dat de komende -stel- vijf jaar in Nederland
zo'n
500.000 ondernemers welbewust zullen nagaan wat inzet van
telematica
voor hun onderneming kan betekenen, net zoals dat de afgelopen 5
tot 10
jaar voor de inzet van informatietechnieken het geval is geweest.
Dat
betekent een bredere en deels ook breedband-markt.
De vraag is natuurlijk hoe anders die markt zal zijn en welke
verbeteringen er in randvoorwaarden en anderszins nodig zijn om
de
verandering tot stand te brengen. Op het aspect dat
telecommunicatie een
multiplier voor de economie is wordt hier niet verder ingegaan.
Wat dat
betreft kan verwezen worden naar het Witboek Delors, met zijn
onderbouwing van nieuwe markten en bijbehorende
werkgelegenheidseffecten. Daarnaast valt de discussie in de
economische
vakpers inzake de produktiviteitsbijdrage van IT-invoering ook
naar het
telematica-terrein door te trekken: na aanvankelijke berichten
over zeer
geringe positieve effecten, soms zelfs een negatieve
produktiviteitsontwikkeling, blijkt de laatste jaren duidelijk
het nut
van deze investeringen. De leercurve op microniveau blijkt
overigens
nogal lang en daardoor duur te zijn. Het gaat in het navolgende
vooral
om verkenning van de richtingen waarin we kunnen werken om die
multiplier te vergroten. Hóe groot hij kan worden, weet niemand.
Dat
wisten we overigens bij de brede verspreiding van de
elektriciteit, de
stoommachine, de weg volgens MacAdam en de spoorweg ook niet;
terugkijkend naar die belangrijke andere innovatietrajecten in de
geschiedenis, moeten we ons vooral bewust zijn van de zéér
beperkte
bijstuur-mogelijkheden die met name overheden hier hebben. De
techniek
verandert de maatschappij op dit soort momenten; veel meer dan
randvoorwaarden vanuit onze visie van het 'nu' kunnen we dan ook
niet
geven.
In dit verband zijn enkele primaire wensen van
ondernemingszijde te
formuleren: Willen ondernemingen, consumenten en
overheidsdiensten in de
komende jaren de vruchten plukken van een versterkte
informatie-infrastructuur, dan zijn op twee punten acties nodig,
zowel
in Europa als in Nederland.
Meer concurrentie
Allereerst zal de concurrentie-omgeving moeten verbeteren.
Keuzevrijheid
qua infrastructuur en qua dienstenaanbod blijkt de primaire
kracht
achter het realiseren van betere en goedkopere
telecommunicatievoorzieningen. Bewijsmateriaal vanuit de oecd
laat hier
geen ruimte voor twijfel en biedt talloze voorbeelden van elders
beproefde methodes. Europa dient ondubbelzinnig en snel voor
volledige
concurrentie te kiezen, ook bij het aanbieden van infrastructuur.
De neiging in een aantal zuidelijke lidstaten om
staatsmonopolies
in stand te houden, remt de ontplooiing van de
telecomdienstverlening.
In eigen land lijkt dit proces redelijk op dreef. De Tweede Kamer
heeft
op 21 maart 1994 de zogenoemde Hoofdlijnennotitie aangenomen en
gelukkig
was men in de Kamer zelfs geneigd nog iets meer vrijheden toe te
staan
dan in de plannen van de overheid was voorzien. Toch een paar
kanttekeningen.
Eén van de meest verbazende staaltjes van zowel
technologische
kracht als Europese invloed is dat we in dit land nog in 1989 een
telecomwet konden invoeren, waarvan we al in 1993 met zijn allen
zouden
zeggen: hoe konden we koud vier jaar geleden ons land zò onder
een
kaasstolp zetten en afschermen van Europa; en hoe konden we -
terwijl we
ook in '89 probeerden een technologie-onafhankelijke wet te maken
- zò
slecht inschatten dat talloze nieuwe technische mogelijkheden het
oude
recht geheel 'krom' zouden verklaren. Ook bij de telecomwet van
1989
heeft het bedrijfsleven immers redelijk zijn mening kunnen geven
over de
zaken die het qua infrastructuur gerealiseerd wilde zien en qua
diensten
en randapparatuur vrij wilde kunnen gebruiken. Blijkbaar is ons
voorstellingsvermogen maar nauwelijks groot genoeg om het tempo
van de
marktvraag en het technisch kunnen bij te houden.
Laten we dan ook proberen ditmaal die fout niet te maken.
Vanuit de
centrale organisaties samen mèt de leden zullen we dan ook
nauwlettend
toezien en suggesties blijven formuleren om te zorgen dat de
regelingen,
die er nù op papier bijzonder liberaal uitzien, ook echt zo
uitpakken.
We willen er ook op kunnen letten dat zaken als uitvoering van de
nieuwe
wet, toezicht, scheidsrechterfunctie, kortom àl die aspecten die
maar
al te gemakkelijk via de achterdeur een nieuwe bureaucratie
oproepen, in
zeer ruime mate via zelfregulering door de marktsector zelf
gestuurd
zullen worden. Wij zijn bezorgd dat de liberalisatie van de
telecommunicatie, zoals die momenteel qua minimumniveau door
Brussel
wordt voorgeschreven, in de praktijk tot allerhande nieuwe regels
zal
leiden, per land verschillend soms. Regels die opnieuw
techniek-afhankelijk zijn, maar dan nu vanuit bijvoorbeeld een te
star
en eenzijdig consumentgericht privacyconcept. Of bedacht vanuit
een
techniek-afhankelijk streven naar veiligheid, zoals bij de dwaze
discussie van enkele maanden geleden om versleuteling van
telecomberichten te verbieden. Of door een overheidsdienst die
het eigen
takenpakket poogt zeker te stellen. Hier past waakzaamheid. Dit
aldus
ruwweg geformuleerde pakket-van-eisen vanuit de Raad van de
Centrale
Ondernemingsorganisaties (RCO) ligt inmiddels bij de
departementen in
uitgewerkter vorm.
Betere randvoorwaarden
Een tweede wens vanuit de rco betreft verbetering van
randvoorwaarden
aanpalend aan de directe omgeving van het informatiegebied. Dat
is
moeilijk, want vaak speelt Brussel een belangrijke rol. Zo zal de
wetgeving -en vooral de praktische invulling- inzake het
intellectueel
eigendom moeten veranderen. De Berner conventie heeft zich de
afgelopen
decennia van allerlei per land verschillende satellietwetgeving
rond het
aloude auteursrecht voorzien. Men denke aan chips, muziek,
foto's,
fotokopieën, databanken. Het blijkt echter nogal onpraktisch om
echt
multimediawerk te willen gaan brengen en daarbij voor een
relatief
eenvoudig iets als een CD-I op allerlei verschillende soorten
eigendomsrechten van muziek, beeld, woord en beeldplaat zelf te
stuiten.
Mede gezien de niet onaanzienlijke positie die Nederland heeft in
de
audiovisuele sector via vaak kleinere ondernemingen, zou het niet
verstandig zijn te wachten tot de markt voor multimediale
consumentenprodukten zich echt begint te ontwikkelen, om dan
vervolgens
met spijt te constateren dat het met de verschillende
intellectuele
rechten een rommeltje wordt en dan pas aan wetswijziging te gaan
werken.
Ook privacywetgeving, beveiligingsconcepten en
standaardisatieprocedures zullen gestroomlijnd (of ten minste aan
de
steeds veranderende technische mogelijkheden en marktwensen
aangepast)
moeten worden. Een commissie onder de bezielende leiding van
professor
Franken rapporteerde al drie jaar geleden welke wetgeving onder
invloed
van de oprukkende telematica op de helling moet. Maar de groep
die aan
de uitvoering hiervan werkt is helaas pas drie maanden geleden
van start
gegaan. Als Nederland mee wil doen in de Europese discussie op
dit punt,
moeten dergelijke thema's aan overheidszijde meer aandacht
krijgen.
Zèlf doen
Uiteraard zijn er ook punten waarmee ondernemers zèlf aan de slag
moeten. De aanval is hier de beste leerschool. Voor alles gaat
het er om
kansen te creëren door te doen, te oefenen. Steeds opnieuw zullen
ondernemingen, branches en ook overheidsdiensten leercurves
moeten
blijven ingaan. Informatietechnologie en telecommunicatie hebben
de
afgelopen twintig jaar weliswaar een redelijke effectiviteits- en
efficiencyverbetering gebracht, maar de organisatiestructuur is
in vele
ondernemingen nog maar nauwelijks aan de nieuwe mogelijkheden
aangepast.
Vaak nog is de kern van de IT-inzet gelegen in het gewoon
automatiseren
van de al decennia bestaande interne bedrijfsprocessen. Nieuwe
werkwijzen om nieuwe markten of bestaande klanten beter te
bedienen zijn
nog pas in zeer beperkte mate beproefd. Vaak is de electronische
snelweg overigens nog helemaal niet nodig voor zo'n
strategie-opbouw; de
huidige telecominfrastructuur en de nu al beschikbare
dienstverlening is
voor vele ondernemingen voldoende.
Dit oppakken op microniveau is nauwelijks door overheid,
branche-organisaties of regionale afdelingen van
ondernemingsorganisaties te beïnvloeden. Heldere voorlichting en
brochures over wat mag en wat kan helpt uiteraard om de maar al
te vaak
in jargon geschreven produktinformatie bij gewone ondernemers
over het
voetlicht te krijgen. Gebruik van telematica in het onderwijs kan
helpen
bij de introductie in de praktijk op de wat langere termijn.
Goede
betrokkenheid van gebruikers bij R&D-projecten is ook zo'n voor
de hand
liggend punt dat nog maar al te vaak vergeten wordt. En
tenslotte: net
zoals, nu zo'n vijf jaar geleden, de voorbeelden van geslaagde
toepassing van automatisering in de gewone
managementtijdschriften
begonnen te verschijnen, zullen ook - op de golf van de
electronic
highway-publiciteit - de voorbeelden van telematicatoepassing
vaker in
de branchebladen en managementliteratuur verschijnen. Het
oppakken van
nieuwe technieken in de bedrijfsvoering blijkt in de praktijk
toch in
ruime mate een soort jaloezie-effect te zijn: als een
collega-ondernemer
het gebruikt, is het misschien ook voor de eigen onderneming
nuttig.
Er dient echter meer te gebeuren wil telematicatoepassing een
krachtiger rol in onze economie gaan spelen. Met name de wat
ingewikkelder projecten, waarin diverse ondernemingen samenwerken
en
waarin soms ook overheidsdiensten een rol spelen, eisen een
kritische
massa en een organisatievermogen die de visie en de beschikbare
tijd van
individuele ondernemers gemakkelijk te boven gaan. Daar kan aan
gewerkt
worden door gebruik te maken van een merkwaardige eigenschap van
infrastructuren, namelijk dat je er nieuwe infrastructuren op
kunt
bouwen. Voorbeelden daarvan bestaan al volop: het electronisch
betaalcircuit, Ediforum als verzorger van de afspraken inzake
electronic
data interchange, systemen van gegevensuitwisseling tussen
ondernemer en
douane of sociale zekerheid. Bij dergelijke voorbeelden worden
voor
gezamenlijke rekening gedragen nieuwe infrastructuren gestapeld
op de
telecominfrastructuur. Recente voorbeelden als surfnet in de
universitaire sfeer en het netwerk van het rdc (het vroegere Rai
Data
Centrum) in de sfeer van 'alles wat wielen heeft' geven aan dat
die
groei doorgaat.
In dergelijke projecten ligt een goede mogelijkheid om tot
versnelling en vooral verdieping van telematicatoepassing te
komen. Het
zou dan ook bijzonder nuttig zijn na te gaan of met de
beschikbare
middelen voor structuurversterking, de zogenoemde ices-gelden,
projecten
van deze soort uit te lokken zijn. 'Breedband' mag voor deze
bijzondere
projecten een criterium zijn. Projecten zouden bij voorkeur in de
marktsector (inclusief gezondheidszorg) gevonden moeten worden,
maar ook
het betrekken van het onderwijs & wetenschapsterrein is van
belang. Het
criterium 'infrastructuur' zou wat breder moeten worden
gedefinieerd dan
in het normale spraakgebruik.
Zo'n aanpak gericht op nieuwe gebruikersinfrastructuren sluit
trouwens goed aan bij het huidige Europese programma van 850
miljoen ecu
voor telematicatoepassingen. Pilot-projecten die gebruikers en
aanbieders in dat kader samen uitvoeren kunnen een belangrijke
aanzet
zijn om tot afspraken van infrastructureel karakter voor branches
en
sectoren te komen.
Omroep- en informatiediensten
Omroep en mediawetgeving ontbraken zoëven in het rijtje van aan
te
passen wetgeving en randvoorwaarden. Niet omdat daar niets hoeft
te
veranderen, integendeel. Gezien de toch gevoelige discussie in
ons land
inzake de positie van de publieke omroep past wel een aparte
vermelding,
geen aparte behandeling. Vanuit de optiek van informatiebeleid en
telecommunicatie zal op de middellange termijn immers geen enkel
wezenlijk onderscheid meer aan te geven zijn tussen omroep en
informatiediensten. Het subtiele onderscheid tussen
punt-punt-verbindingen en punt-multipunt-verbindingen is ook nu
al geen
echt onderscheidend criterium meer, zoals de discussies inzake
kabelkrant, frequentiegebruik en regionale omroep aangeven. De
kabeltelevisie-infrastructuur hoort bovendien beschikbaar te zijn
voor
veelsoortig informatieverkeer. Frequenties zijn alom schaars,
niet
alleen in omroepland. Het zou dan ook nuttig zijn in eigen land
de net
aangenomen mediawet af te schaffen, tegelijk met het aannemen van
de
nieuwe telecommunicatiewet in 1996. Voor de publieke omroep kan
dan
ongetwijfeld wat programmering en inhoud betreft een goed apart
charter
opgesteld worden; de overige omroepactiviteiten kunnen vervolgens
ongestoord hun integratiepad met de informatiediensten vervolgen
conform
de Europese trend. Ook deze verandering zou trouwens door de
Europese
Commissie begeleid horen te worden; het krijgt in de follow-up
van het
Witboek Delors door de zogenoemde Bangemann-groep maar weinig
aandacht.
De rechtsstaat
Temidden van de wensen uit de marktsector en de aspecten waar
ondernemingen zelf aan de slag kunnen en moeten met telematica,
zullen
ondernemers zich, ook in de informatiemaatschappij, dienen te
onderwerpen aan de regels van de rechtsstaat.
Bijvoorbeeld aan controles inzake publikatie van gegevens voor de
(eenvoudige) vergunningen die verstrekt gaan worden. Aan het
mededingingstoezicht dat een veel belangrijker sturingsinstrument
moet
worden voor de controle van de aanbodzijde. Ondernemingen dienen
zich te
onderwerpen aan privacyrichtlijnen. Maar ze zullen ook hun best
blijven
doen om de huidige, te zeer knellende plannen van de Commissie
tot
bescheidener proporties terug te brengen. Medio juni maakte het
Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM)
bekend dat,
als de Europese Unie zijn nieuwe privacyplannen zou uitvoeren,
dat ruim
1 miljard invoeringskosten aan banken en verzekeraars in ons
land zou
kunnen kosten. De effecten voor sectoren als direct marketing
zijn
eveneens zeer groot. Naar onze indruk geeft de huidige
Nederlandse
privacywet al ruim voldoende bescherming aan de consument. De eu
kan
zich beter bepalen tot het leggen van een eenvoudige
geharmoniseerde
basis in Europa, dan aan een uitputtende overregulering die in
iedere
lidstaat anders wordt geïnterpreteerd.
Ook veiligheid en misdaadbestijding rekenen ondernemers mede tot
hun
zorg. Aan alle voorstellen die bijdragen aan bestrijding van de
georganiseerde misdaad werken wij zeer graag mee. Met één
kanttekening:
alle voorstellen die in dat kader encryptie verbieden zijn
voor ons
volstrekt onacceptabel. Het hele buitenland laat ons dan links
liggen.
Conclusie
Concluderend en nog eens dwars over het toekomstig telecombeleid
kruisend, zie ik de volgende punten naar voren springen:
veel kan al met het huidige netwerk. Zowel voor
bedrijfsmatige als
voor consumententoepassing. Scheidt deze beide punten niet. Juist
de
'doordeweekse' toepassingen verdienen ondersteuning door goede
randvoorwaarden;
de wetgeving moet worden aangepast. Techniek-onafhankelijk,
en met de
blik op Europa. Dat betreft niet alleen de telecomwet, maar ook
de
privacywet, de auteurswetgeving, het wetboek van koophandel (om
papier
gelijk aan electronische gegevens te maken) en de mediawet;
sommige infrastructurele projecten met een
breedbandtoepassingsmogelijkheid kunnen vermoedelijk een duwtje
in de
rug, ook financieel, van overheid en bedrijven samen krijgen. Via
dit
soort ingewikkelder projecten zullen we ook de verkeersregels en
omgangsvormen voor de nieuwe informatie-infrastructuur leren
kennen;
Tot slot valt dit te koppelen aan de vraag: wat doen we met de
Bangemann-resultaten. Op grond van de bescheiden gegevens die ons
daarover nu net na de Korfoe-top bereikt hebben, kijk ik niet
bijzonder
enthousiast vooruit naar de 'Europese' meerwaarde in termen van
concurrentievermogen die de follow-up van de Bangemann-rapportage
zal
opleveren.
Wel bijzonder nuttig is, dat de wetgeving die geharmoniseerd
moet
worden om dienstenaanbod uit te lokken, helder benoemd wordt.
Maar daar
hoort een tijdschema bij, zeker wat betreft verdere
liberalisering op
telecommunicatiegebied.
Er bestaat bovendien een sterke wens tot sturen in Brussel.
Zo
worden er drie nieuwe coördinerende instanties voorgelegd,
inclusief
een 'permanent coördinatie-instrument' dat zijn kracht ontleend
aan een
per lidstaat te benoemen coördinerend minister voor dit domein.
Creativiteit in de marktsector moet inderdaad voorop staan, maar
creativiteit ontstaat zelden in comités.
Ook bestaat er weinig vertrouwen in subsidiariteit. Denk
bijvoorbeeld aan electronische gegevensuitwisseling tussen
overheid en
marktsector. Dit is primair een nationaal proces; de
internationale
uitwisseling tussen overheden, die de EU aangrijpt om dit proces
te
sturen, bestaat slechts uit een minieme fractie van de nationale
bitstroom. Daar zou de Commissie dus weinig meer hoeven te doen
dan een
vergaderzaal met koffie ter beschikking te stellen om de
nationale
overheden te doen besluiten inderdaad de al lang afgesproken
internationale edifact-standaard toe te passen.
Tenslotte: de tien projecten die genoemd worden zijn nu niet
direct
nieuw te noemen. Nogal veel geld zou daarin besteed kunnen worden
aan
tastbare, fysieke infrastructuren zonder dat de gebruiker
betrokken
wordt bij de invoering. De gebruiker wil geen infrastructuur, de
gebruiker wil diensten.
Geen misverstand: het Bangemann-rapport is een goed rapport,
en het
signaal 'doorgaan' uit Korfoe moeten we in de marktsector direct
oppakken. Maar de daadkracht waarmee men in de Verenigde Staten
hieraan
werkt, ook nu het visionaire van de oproepen van Al Gore wat
verbleekt
is, blijft iets waar we met enige jaloezie naar blijven kijken.
|
























|