I&I-> Jaargangen -> Artikel

De kabel:
de weg naar
een nieuw informatietijdperk

Door H. B. Eenhoorn


In het nieuwe informatietijdperk zal de kabel een belangrijke rol spelen. Breedbandige netwerken, flexibel aan te passen infrastructuren en winstgeoriënteerde organisaties zullen de concurrentie in het aanbod op de telecommunicatiemarkt aangaan. De vraag is alleen: krijgen Nederlandse bedrijven de mogelijkheid om in deze markt te stappen, of is dit alleen voor buitenlandse bedrijven weggelegd?


We zien in de wereld internationale concurrentie toenemen, telecommunicatie is van vitaal belang voor de concurrentiekracht van een economie. Beperkingen in het aanbod en beschermingsconstructies voor traditionele aanbieders van telecommunicatienetwerken en informatiediensten, belemmeren de gezonde ontwikkeling van de telecommunicatiemarkt. Niet alleen de ondersteunende functie van telecommunicatie is van belang, maar ook de bedrijvigheid in de audiovisuele en telecommunicatiesector is in een moderne economie essentieel. De Nederlandse kabelsector heeft zich in de afgelopen twintig jaar ontwikkeld tot een sector die de uitdagingen van het informatietijdperk aan wil en aan kan gaan.

Geschiedenis

Begin jaren zeventig kwam de ontwikkeling van de huidige kabeltelevisienetwerken in Nederland in een stroomversnelling. De kabelsector groeide vanuit initiatieven van particulieren en woningbouwverenigingen, die op grote schaal gemeenschappelijke antenne-inrichtingen aangelegd hadden, naar gemeentelijke bedrijven die voor een gemeente de voorziening van radio- en televisiesignalen verzorgden. De antennewouden op de daken verdwenen en de burgers ontvingen kwalitatief betere signalen dan via de ether. Met de komst van satelliettelevisie werd de kwaliteit en de hoeveelheid van de signalen steeds beter. De huidige consument heeft absoluut niet te klagen over de kwaliteit en het aanbod van de kabelexploitant. Gemiddeld krijgt de consument 22 televisiekanalen en 22 radiokanalen voor ongeveer vijftien gulden per maand in huis. Door de goede kwaliteit/prijsverhouding, heeft de kabel in Nederland een zeer hoge penetratiegraad (ruim 90 procent) bereikt.
De overheid heeft enige malen getracht het initiatief over te nemen door plannen na te streven voor nationalisering van de kabelsector in het staatsbedrijf der PTT (nu KPN). Voorbeelden hiervan zijn het CAS-plan uit begin jaren zeventig en de zogenaamde Zegveld-optie, de 'gedwongen' overname van kabelnetten door PTT in de huidige Wet op de Telecommunicatievoorzieningen.
In 1992 is men bij VECAI en PTT tot de conclusie gekomen dat verder overleg over de integratie van de lokale infrastructuren niet zinvol was. In hetzelfde jaar nam de politiek formeel afstand van de Zegveld-optie, waardoor de ontwikkelingen in de kabelsector in een stroomversnelling terecht zijn gekomen.
VECAI heeft in de loop van 1992 een visie over de toekomst van kabeltelevisie in Nederland ontwikkeld. De branche is tot de conclusie gekomen dat een onafhankelijke kabelbranche bestaansrecht heeft en wezenlijk kan bijdragen aan de ontwikkeling van het telecommunicatie-aanbod in Nederland. De kabelbranche moest drastisch worden gereorganiseerd. VECAI heeft in haar strategische beleidsvisie van 1992 en in het daarop volgende stappenplan de doelen duidelijk geformuleerd. Kabelexploitanten moesten uitgroeien tot sterke regionale commerciële bedrijven die de concurrentie aan kunnen gaan met andere aanbieders van infrastructuur en diensten. Daartoe moest de wetgeving geliberaliseerd worden, regionalisatie in de branche plaatsvinden, de netten technisch opgewaardeerd worden en nieuwe diensten ontwikkeld worden.
Hierdoor is de kabelbranche de laatste jaren veel veranderd. Overnames van kabelnetten, renovatie en nieuwe netten, ontwikkeling van diensten en veel machtigingsaanvragen voor industriegebieden. Dit komt overeen met de in de Beleidsvisie genoemde doelstellingen. De situatie in de Nederlandse kabelwereld kan gekarakteriseerd worden met drie trefwoorden; concentratie, commercialisering en liberalisatie. Naast deze ontwikkelingen is de ontwikkeling van de techniek ook een belangrijke factor.

Techniek

De technische ontwikkelingen die, met het oog op de mogelijkheden in de toekomst, interessant zijn voor de kabel zijn in grote lijnen te verdelen in twee aspecten, glasvezelkabel en het digitale tijdperk. Het gebruik van glasvezelkabel is de laatste jaren exponentieel gegroeid. In een groot aantal kabelnetten wordt momenteel glasvezelkabel toegepast. De introductiefase is daarmee allang gepasseerd. Glasvezelkabel heeft, in vergelijking tot coaxiale kabel, een tweetal in het oog springende voordelen. Gezien de geringe demping van glasvezel zijn grote afstanden te overbruggen, waardoor minder actieve apparatuur, zoals versterkers, nodig zijn. Dit komt de betrouwbaarheid van het kabelnet ten goede, maar ook de variabele kosten zijn een stuk lager. Het tweede voordeel is de schier oneindig grote bandbreedte van glasvezelkabel. Bij de ontwikkeling van video-on-demand-diensten, waarvoor immers enorme bandbreedtes nodig zijn, zal blijken dat een glasvezelinfrastructuur goede diensten kan bewijzen. Glasvezel wordt vooralsnog alleen in de hogere netvlakken toegepast. Toch zal, wellicht onder invloed van de toenemende vraag naar bandbreedte, in steeds lagere netvlakken glasvezel haar intrede gaan doen.
Het digitale tijdperk gaat ook niet aan de kabel voorbij. Gezien het onstuimige enthousiasme waarmee in de European Launching Group DVB gewerkt wordt aan video in digitaal formaat en het gegeven dat digitale radio inmiddels in de kabel is geïntroduceerd, zal het niet lang meer op zich laten wachten voordat veel (alle?) signalen via de kabel gedigitaliseerd zijn.
Ook nu zijn er twee belangrijke aspecten van digitalisering die van belang zijn voor de kabel. Ten eerste maakt digitalisering compressie mogelijk. Het ziet er naar uit dat straks met behoud van beeldkwaliteit vier televisiesignalen in één kanaal kunnen worden ondergebracht. Een winst in benutting van de bandbreedte met een factor vier. Ten tweede kan met digitale signalen worden gerekend, waardoor op vrij betrouwbare wijze individualisering van het aanbod (conditional access) gerealiseerd kan worden. Bij het aanbieden van diverse 'core-business'-diensten als abonneetelevisie, pay-per-view en (near-) video-on-demand zal dit een minimale voorwaarde zijn.
Bij het combineren van bovenstaande twee technische ontwikkelingen (glasvezeltechniek en digitalisering/compressie) zien we een enorme groei in de beschikbare bandbreedte in de distributierichting. Echter, indien de kabel zichzelf een taak als telecommunicatie-aanbieder toedicht, zal ook aandacht moeten worden besteed aan de contributierichting, in de kabelvolksmond 'retourverkeer' genoemd. Ook daar zal gebruik gemaakt worden van digitale technieken. Mede gezien de in het verleden gedane investeringen in de infrastructuur is het vooralsnog onrendabel om glasvezel tot aan de woning aan te leggen. Overigens is dit voor het bedrijven van communicatie ook nog niet noodzakelijk. Bewezen is inmiddels dat via de huidige coaxiale infrastructuur op uitstekende wijze retourverkeer met meer dan voldoende bandbreedte bedreven kan worden.

Concentratie

Een paar jaar geleden was er sprake van een gefragmenteerde kabelmarkt waar het beeld gedomineerd werd door kleinschalige exploitaties op gemeentelijk niveau. (Zie afbeelding 1). Het beeld wordt nu gedomineerd door een drie(-vier)-tal groepen van bedrijven die in hele regio's kabeltelevisie verzorgen. Deze situatie is een voortzetting van het proces waardoor er in Nederland sterke regionale commerci‰le kabelexploitatiemaatschappijen ontstaan.

afbeelding

Kabelexploitanten investeren in de ontwikkeling van de infrastructuur op het gebied van tweewegverkeer en in uitbreiding van de capaciteit van de kabelnetten. Op het gebied van diensten zijn kabelexploitanten actief door middel van participaties in, eigendom van en onderzoek naar de dienstverlening via het kabelnet. Nederlandse kabelbedrijven hebben nu voldoende schaalgrootte en commerciële draagkracht om in Nederland en Europa belangrijke spelers op het gebied van telecommunicatie-dienstverlening te worden.

Commercialisering

Kabel was traditioneel een distributiemedium voor radio- en televisieprogramma's. Kabelexploitanten zelf waren infrastructuurbeheerders die zich niet bemoeiden met de programma's die zij distribueerden. Tegenwoordig verandert de rol van exploitant van distributeur naar ondernemer. Dit houdt in dat er verder gekeken wordt dan alleen het technisch vervoeren van de signalen. Nieuwe technische ontwikkelingen, marketing, verticale integratie, een divers programma-aanbod, kwaliteitszorg en klantgericht werken zijn hierbij belangrijk. Hoewel techniek belangrijk is in de ontwikkeling van nieuwe diensten is het niet de hoofdzaak. Het verkopen, de vraag en het fysieke produkt zijn minstens zo belangrijk. Een dienst kan er op papier nog zo fantastisch uitzien, zonder promotie en vraag van de consument zal deze dienst nooit rendabel worden.
Dienstverlening via de kabel kan onderscheiden worden in traditionele audio- en videodiensten, telecomdiensten en breedbandige telecomdiensten. Kabelexploitanten zouden op al deze gebieden actief moeten worden.

Audio- en videodiensten

Dit jaar heeft adem een digitale abonneeradiodienst gelanceerd die aan kabelexploitanten wordt aangeboden. Tevens is het de verwachting dat binnen afzienbare termijn kabelexploitanten hun eigen zogenaamde 'conditional access-systemen' zullen introduceren. Op basis van deze systemen kunnen pluspakketten (een soort abonneetelevisie), pay-per-view en near-video-on-demand-diensten worden geleverd.
Het is in het belang van alle partijen, programma-aanbieders, kabelexploitanten en de consument, dat de kabel eigen conditional access-systemen ontwikkelt. Tevens dienen kabelexploitanten hun eigen conditional access-systemen open te stellen voor alle programma-aanbieders en moeten toegang verlenen op basis van redelijke voorwaarden. Tenslotte kan worden opgemerkt dat conditional access-systemen, die door anderen dan kabelexploitanten gebruikt worden, de mogelijkheid tot omzetting van het signaal naar een kabel conditional access-systeem moeten hebben. Dit zal resulteren in één kastje bij de consument thuis waar alle programma's en diensten op te ontvangen zijn. Het is duidelijk dat de markt zal bepalen welk systeem uiteindelijk zal winnen.
Op basis van de vraag naar de diensten die door middel van de conditional access-systemen geleverd kunnen worden, zoals pay-per-view en near-video-on-demand (distributieve diensten), kan een inschatting gemaakt worden over de vraag naar echte video-on-demand. Daarnaast zijn de 'gewone' radio- en televisiediensten ook interessant voor kabelexploitanten die zo bijvoorbeeld in samenwerking met andere partijen, invulling kunnen geven aan commerciële televisie en radio ter versterking van het bedrijf.

Traditionele telecomdiensten

Als tweede groep diensten zijn de 'traditionele' telecomdiensten te noemen. Dat wil zeggen de diensten die vroeger alleen door PTT geleverd mochten worden. Deze diensten zijn in te delen in:
  • datacommunicatiehuurlijnen;
    op basis van eerste marktverkenningen en voorzichtige eerste stappen op dit gebied blijkt er vraag te bestaan naar deze dienst. Tevens blijkt dat kabelexploitanten kans zien om, op regionale schaal, gunstiger tarieven dan PTT aan te bieden.
  • geschakelde datacommunicatie en vaste telefonie;
    er moet nog aanzienlijk wat werk verzet worden om dit mogelijk te maken via kabelnetten. Hoewel de techniek het hier ook steeds gemakkelijker maakt om kabelnetten geschikt te maken voor geschakelde communicatie. De investeringen worden geschat op 400 tot 500 gulden per aansluiting. Voor de hele kabelbranche zou dat uitkomen op zo'n drie miljard gulden. Maar voor dit geld is dan wel een echt breedbandig telecommunicatienetwerk gerealiseerd.
  • mobiele telecommunicatiediensten.
    Als voorbeeld van een dienst die met behulp van het kabelnet geleverd kan worden, zijn mobiele Personal Communications Networks te noemen (PCN). PCN is een systeem van mobiele communicatie waarbij gebruik gemaakt wordt van kleine cellen. Door deze kleine cellen hoeven de zenders en ontvangers maar een klein vermogen te hebben en zijn deze dus goedkoper. Uiteindelijk zou deze dienst de concurrentie aan kunnen gaan met de vaste telefoondienst. De combinatie van de kabelinfrastructuur met PCN-netwerken kan de kosten van de exploitatie van deze netwerken aanzienlijk verlagen.

    Geavanceerde breedbandige telecommunicatiediensten

    De geavanceerde breedbandige telecommunicatie- diensten kunnen op basis van een geschakeld breedbandig net verleend worden, bijvoorbeeld het ondersteunen van High Performance Computers and Networks, 3D-virtual reality diensten of video-conferencing met HDTV-kwaliteit.
    Vergeleken met andere infrastructuren is de potentiële waarde van de kabeltelevisie-infrastructuur enorm. Om deze potentie te realiseren zal er flink geïnvesteerd moeten worden. Tevens moet er zekerheid bestaan over de inkomsten gegenereerd door het verkeer over de infrastructuur. Daarom zouden alle telecommunicatiediensten geleverd moeten kunnen worden over de infrastructuur van kabelexploitanten die de vrijheid moeten krijgen alle diensten ook zelf aan te bieden.

    Regelgeving

    De kabel heeft met diverse wetten te maken. De Mediawet voor de programma's die zij distribueren en de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van het kabelnet. Beide wetten hebben aanzienlijke beperkingen in zich, voor de ontplooiing van activiteiten van kabelexploitanten. De Mediawet is gericht op de bescherming van het publieke omroepbestel en de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen is nog steeds gericht op het beschermen van de positie van Koninklijke PTT Nederland.

    Mediawet

    In de Mediawet is opgenomen wat een kabelexploitant mag en moet ten aanzien van de programmadoorgifte. Kabelexploitanten moeten de Nederlandse publieksomroepprogramma's (landelijk, regionaal en lokaal) en de Belgische Nederlandstalige publieke televisie-omroepen onverkort en gelijktijdig doorgeven zonder dat zij daar een vergoeding voor kunnen vragen. Kabelexploitanten mogen buitenlandse programma's en Nederlandse commerciële programma's en abonneeprogramma's doorgeven. Kabelexploitanten mogen zelf geen programma's maken of hierbij betrokken zijn, met uitzondering van een informatiekanaal.
    De bepalingen op het gebied van de Nederlandse commerciële omroep hebben tot nu toe het effect gehad dat geen enkel Nederlands commercieel televisieprogramma wordt uitgezonden en dat een op Nederland gerichte commerciële omroep door buitenlandse ondernemingen wordt verzorgd. Tevens belemmeren de Europese en Nederlandse richtlijnen nieuwe toepassingen van omroep, bijvoorbeeld homeshopping-kanalen, door het stellen van maximaal toegestane reclametijd en bepalingen omtrent de inhoud van programma's.
    In de nabije toekomst zal, zoals eerder gezegd, de capaciteit van de kabelnetten verveelvoudigen. De beperkingen in de Mediawet over wat mag worden uitgezonden via kabelnetten worden dan overbodig. De pluriformiteit van de informatievoorziening wordt eerder belemmerd door deze bepalingen, in plaats van dat deze gewaarborgd zou worden. Ten aanzien van de bepalingen over verplichte doorgifte, kan gezegd worden dat deze voor een deel tot gevolg hebben gehad dat er minder acht geslagen wordt op de kwaliteit van met name regionale en lokale televisieprogramma's, omdat deze toch doorgegeven moeten worden. In de Mediawet zou de mogelijkheid geschapen moeten worden om samenwerkingsverbanden van omroepen, bijvoorbeeld lokale omroepen en regionale omroepen, kabelexploitanten en andere partijen te vormen. Deze samenwerkingsverbanden zouden omroepprogramma's kunnen aanbieden. Als voorbeeld hiervan kan de samenwerking van uitgevers en kabelexploitanten in het verzorgen van een kabelkrant worden genoemd. Samenwerking tussen omroepen en kabelexploitanten in regionale commerciële omroep is ook mogelijk.
    We zien toenemende interesse van Amerikaanse telecom- en kabelbedrijven in de Europese kabelmarkt. Deze bedrijven zijn in staat gesteld zich te ontwikkelen tot verticaal ge‹ntegreerde multinationals met een enorme concurrentiekracht. Nederlandse kabelbedrijven zullen in de toekomst stand moeten houden tegen deze bedrijven en dienen hiertoe ook de wettelijke mogelijkheden te krijgen. In Nederland hebben we een uitstekende uitgangspositie om in de Europese audiovisuele markt een belangrijke plaats in te nemen omdat we over uitstekende omroepproduktiebedrijven beschikken, we een van de dichtst bekabelde landen van Europa zijn en op het gebied van kennis en produktie van consumentenelectronica kunnen wij ons gelukkig prijzen.
    In de nieuwe markt voor audiovisuele diensten (zowel nieuwe als traditionele omroep) kunnen Nederlandse bedrijven zich ontwikkelen tot sterke Europese spelers. Voor de kabelbedrijven geldt echter nog dat de huidige Mediawet een dergelijke ontwikkeling ten aanzien van omroepdiensten in de weg staat. Kabelexploitanten zouden de mogelijkheid moeten krijgen zelf omroepprogramma's te maken, lokale reclame tussen programma's toe te voegen en deel te nemen in omroeporganisaties. Tevens moeten exploitanten op korte termijn de vrijheid krijgen zelf nieuwe diensten zoals pay- per-view, near-video-on-demand of video-on- demand aan te bieden.

    Wet op de Telecommunicatievoorzieningen

    De huidige WTV is geschreven met het oog op de Zegveld-optie, namelijk de integratie van PTT-netwerken en kabelnetten. De bepalingen met betrekking tot kabelnetten komen kort samengevat op het volgende neer:
  • een machtiging voor een kabelnet wordt voor een grondgebied van een gemeente afgegeven;
  • deze gemeentelijke netten mogen alleen door middel van PTT-infrastructuur aan andere kabelnetten gekoppeld worden;
  • kabelnetten mogen gebruikt worden voor doorgifte van radio- en televisieprogramma's;
  • machtiginghouders van een kabelnet kunnen een aanvullende machtiging aanvragen voor interactieve diensten, voor zover deze niet inhouden 'verkeer tussen aangeslotenen op het kabelnet' (hybride-diensten en simpele tweeweg-toepassingen zoals telemeting en bejaardenalarmering).

    Zoals eerder vermeld is in 1992 door de politiek afstand genomen van de Zegveld-optie als grondslag voor beleid ten opzichte van de integratie van de lokale telecommunicatie-infrastructuren. De minister voor Verkeer en Waterstaat heeft in december 1992 een wetswijziging aangekondigd welke het mogelijk zou moeten maken, op grond van een aanvullende machtiging, kabelnetten te gebruiken voor datacommunicatietoepassingen tussen aangeslotenen op het kabelnet. Tevens zouden kabelnetten, zonder gebruik te maken van PTT- infrastructuur, aan elkaar gekoppeld mogen worden.

    Dit aangekondigde beleid is echter vertraagd doordat in de loop van 1993 de regering een bezinning op een totale herziening van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen aankondigde, waarbij de liberalisatie van de dienstverlening met behulp van kabelnetten betrokken zou worden. Het resultaat van deze bezinning is vervat in de Hoofdlijnennotitie Herziening WTV en het definitief kabinetsstandpunt herziening WTV, in maart van dit jaar in de Kamer besproken.
    Kort samengevat komt het beleid, vervat in de Hoofdlijnennotitie, op het volgende neer. In een tussenperiode voordat tot de algehele wijziging van de WTV wordt overgegaan, wil het kabinet op korte termijn, de machtiginghouders van gemachtigde inrichtingen (kabelnetten en interne bedrijfsnetten) de mogelijkheid geven alle diensten, met uitzondering van spraaktelefonie, met behulp van hun infrastructuur te leveren. Tevens wil het kabinet nog voor de algehele wijziging van de WTV, machtiginghouders de mogelijkheid geven hun netten te koppelen aan de netten van de vergunninghouders van mobiele infrastructuur (zoals GSM). Dit zou dienen te geschieden door op zeer korte termijn gedoogbeleid te formuleren en een tussentijdse wijziging van de huidige WTV door te voeren.
    In de algehele herziening van de WTV, die volgens de planning van het kabinet in 1995 van kracht zal worden, zal ruimte ontstaan voor andere aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur en diensten. Deze ruimte wordt gecreëerd door middel van een vergunningsregime voor infrastructuur en diensten. Het bestaande machtigingsregime zal blijven bestaan en dus ook de bestaande machtigingen voor draadomroepinrichtingen.

    Vergunningen/machtigingen

    Vergunning diensten.
    Het kabinet wil een strikte scheiding tussen infrastructuuraanbod en dienstenaanbod hanteren. Voor het aanbieden van zowel infrastructuur als diensten zal apart een vergunning moeten worden aangevraagd. Een kabelexploitant die een dienst wil exploiteren zal hiervoor een vergunning moeten aanvragen en tegen dezelfde voorwaarden als andere dienstenaanbieders toegang tot de eigen infrastructuur dienen te verkrijgen. Pas in 1998 zal de spraaktelefonie- dienst worden geliberaliseerd; er zal een 'tweede aanbieder' voor de telefoniedienst worden toegelaten. Voor die tijd is het echter wel mogelijk spraak te transporteren voor zogenaamde besloten gebruikersgroepen.

    Vergunningen Infrastructuur.
    Het bestaande machtigingsregime voor kabelnetten en interne bedrijfsnetten blijft bestaan. De huidige machtiginghouders kunnen apart vergunningen aanvragen voor het aanbieden van telecommunicatie- diensten en -infrastructuur. De vergunningsverlening voor het aanbieden van infrastructuur zal als volgt geschieden:

  • in principe zullen er twee vergunningen voor landelijke infrastructuur afgegeven worden, één aan KPN en één aan een samenwerkingsverband van machtiginghouders van alternatieve infrastructuren (kabeltelevisienetten, Nederlandse Spoorwegen en energiebedrijven);
  • naast en voorafgaand aan de afgifte van deze twee landelijke vergunningen zullen vergunningen voor het aanbieden van infrastructuur aan bestaande machtiginghouders afgegeven worden. Deze vergunning geldt alleen voor het bestaande machtigingsgebied.
    De samenwerkende machtiginghouders in de tweede aanbieder zullen de eigen (regionale) vergunningen, als zij voldoen aan de criteria van het kabinet, kunnen inruilen voor de landelijke infrastructuurvergunning. De criteria van het kabinet zijn: redelijke geografische dekking; duidelijke juridische/organisatorische structuur van het samenwerkingsverband; technische know-how en middelen. Deze landelijke vergunning zal worden afgegeven aan één organisatie waarbinnen de verschillende machtiginghouders samenwerken.

    Een nieuwe vergunninghouder (landelijk of regionaal) zal moeten voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden. Als voorwaarden worden door het kabinet genoemd de leverings- en interconnectieplicht. Het kabinet stelt dat na een overgangsperiode van asymmetrische regelgeving, de vergunninghouders een leveringsplicht hebben. Deze leveringsplicht geldt uitsluitend voor digitale huurlijnen. De leveringsplicht houdt de plicht in aan een ieder die dat wenst, een (digitale) huurlijn binnen een bepaalde termijn te leveren tegen non-discriminatoire voorwaarden en tarieven.

    De interconnectieplicht houdt de plicht in dat een aanbieder van huurlijnen desgevraagd een fysieke koppeling mogelijk moet maken met huurlijnen van andere aanbieders. Het kabinet heeft tevens aangekondigd in een nieuwe WTV een gedoogplicht voor eigenaren van gronden te regelen voor alle aanbieders van infrastructuur. Dit betekent dat een grondeigenaar verplicht zal worden infrastructuur op zijn eigendom te gedogen.
    Tijdens de bespreking van de Hoofdlijnennotitie in de Kamer werd bovendien nog een gedoogbeleid en een tussentijdse wetswijziging toegezegd. Tevens werd de mogelijkheid van het ontstaan van een 'netwerk van netwerken' onderstreept. In de plannen van het kabinet wordt namelijk sterk de nadruk gelegd op de totstandkoming van de landelijke tweede aanbieder die vanuit de telecommunicatienetwerken van de Nederlandse Spoorwegen en de energiebedrijven, eventueel aangevuld met kabeltelevisienetten, telecommunicatiediensten aan (grote) bedrijven zou moeten aanbieden.
    Hoewel concurrentie op dit gebied goed is voor deze sector van de Nederlandse economie en het aanbod van diensten aan het bedrijfsleven zal stimuleren, wordt geen recht gedaan aan de telecommunicatiebehoefte en het groeipotentieel van de telecommunicatiemarkt voor de consument en de middelgrote en kleinere bedrijven. De introductie van concurrentie op deze gebieden zal een veel grotere positieve invloed op de economie hebben dan de verbetering van de dienstverlening aan de grotere bedrijven in Nederland.
    Tevens beperkt de sterke nadruk op de tweede aanbieder de potentiële concurrentie die in de markt zou kunnen ontstaan. Een marktvorm waarin twee aanbieders het grootste deel van de markt beheersen is niet de meest ideale om de positieve effecten van concurrentie voor de consument tot zijn recht te laten komen. Een 'netwerk van netwerken' configuratie waarbij machtiginghouders van kabelnetten en interne bedrijfsnetten kunnen kiezen voor flexibele samenwerking met andere infrastructuurbeheerders -met PTT voor de ene dienst en met een andere exploitant van infrastructuur voor de andere dienst- lijkt mij een betere omgeving om de effecten van concurrentie tot zijn recht te laten komen.
    De Hoofdlijnennotitie nodigt de kabelexploitanten en machtiginghouders van interne telecommunicatie netwerken dus uit om de concurrentie met PTT Telecom aan te gaan, behalve voor de spraaktelefonie. Dit zou pas mogelijk zijn, afhankelijk van discussies in Europa, vanaf 1998. Nu omvat spraaktelefonie meer dan 90 procent van de omzet in de telecommarkt. De regering nodigt ons dus uit om de concurrentie met PTT aan te gaan en miljarden te investeren voor het veroveren van een deel van nog geen 10 procent van de telecommunicatiemarkt. Wel heeft de regering een toezegging gedaan dat in 1998 ook spraaktelefonie 'vrij' zal worden.

    Conclusie

    Als de regering wil dat er in Nederland een hoogwaardige breedbandige infrastructuur ontstaat die effectief kan concurreren, kabelexploitanten hiervoor miljarden gaan investeren en hiermee de ontwikkeling van een telecommunicatie- en audiovisuele sector met de potentie om binnen Europa toonaangevend te worden, ondersteund wordt,

    geef ons dan de ruimte om ons te ontwikkelen !

    Dit houdt ruimte in om op zeer korte termijn als zelfstandige kabelbranche alle produkten te ontwikkelen en te leveren op audiovisueel en telecommunicatiegebied, alsmede een wettelijke omgeving die de ontwikkeling van een markt waarin echte concurrentie tot stand kan komen stimuleert. In een beginfase zal dit tenminste asymmetrische regelgeving, een echt mededingingsbeleid en de vrijheid van keuze voor infrastructuurbeheerders moeten omvatten.

    Kabelexploitanten willen actief meewerken aan het tot stand komen van een telecommunicatieaanbod dat in de wereld toonaangevend kan worden en hier ook voor investeren. De investeringen moeten terugverdiend kunnen worden. Dit betekent dat vanaf het begin alle dienstverlening, dus ook telefonie, met behulp van en door kabelexploitanten geleverd moet kunnen worden.