|
|
Door H. B. Eenhoorn
In het nieuwe informatietijdperk zal de kabel een belangrijke
rol
spelen. Breedbandige netwerken, flexibel aan te passen
infrastructuren
en winstgeoriënteerde organisaties zullen de concurrentie in het
aanbod
op de telecommunicatiemarkt aangaan. De vraag is alleen: krijgen
Nederlandse bedrijven de mogelijkheid om in deze markt te
stappen, of is
dit alleen voor buitenlandse bedrijven weggelegd?
We zien in de wereld internationale concurrentie toenemen,
telecommunicatie is van vitaal belang voor de concurrentiekracht
van een
economie. Beperkingen in het aanbod en beschermingsconstructies
voor
traditionele aanbieders van telecommunicatienetwerken en
informatiediensten, belemmeren de gezonde ontwikkeling van de
telecommunicatiemarkt. Niet alleen de ondersteunende functie van
telecommunicatie is van belang, maar ook de bedrijvigheid in de
audiovisuele en telecommunicatiesector is in een moderne economie
essentieel. De Nederlandse kabelsector heeft zich in de afgelopen
twintig jaar ontwikkeld tot een sector die de uitdagingen van het
informatietijdperk aan wil en aan kan gaan.
Geschiedenis
Begin jaren zeventig kwam de ontwikkeling van de huidige
kabeltelevisienetwerken in Nederland in een stroomversnelling. De
kabelsector groeide vanuit initiatieven van particulieren en
woningbouwverenigingen, die op grote schaal gemeenschappelijke
antenne-inrichtingen aangelegd hadden, naar gemeentelijke
bedrijven die
voor een gemeente de voorziening van radio- en televisiesignalen
verzorgden. De antennewouden op de daken verdwenen en de burgers
ontvingen kwalitatief betere signalen dan via de ether. Met de
komst van
satelliettelevisie werd de kwaliteit en de hoeveelheid van de
signalen
steeds beter. De huidige consument heeft absoluut niet te klagen
over de
kwaliteit en het aanbod van de kabelexploitant. Gemiddeld krijgt
de
consument 22 televisiekanalen en 22 radiokanalen voor ongeveer
vijftien
gulden per maand in huis. Door de goede
kwaliteit/prijsverhouding, heeft
de kabel in Nederland een zeer hoge penetratiegraad (ruim 90
procent)
bereikt.
De overheid heeft enige malen getracht het initiatief over te
nemen
door plannen na te streven voor nationalisering van de
kabelsector in
het staatsbedrijf der PTT (nu KPN). Voorbeelden hiervan zijn het
CAS-plan uit begin jaren zeventig en de zogenaamde Zegveld-optie,
de
'gedwongen' overname van kabelnetten door PTT in de huidige Wet
op de
Telecommunicatievoorzieningen.
In 1992 is men bij VECAI en PTT tot de conclusie gekomen dat
verder
overleg over de integratie van de lokale infrastructuren niet
zinvol
was. In hetzelfde jaar nam de politiek formeel afstand van de
Zegveld-optie, waardoor de ontwikkelingen in de kabelsector in
een
stroomversnelling terecht zijn gekomen.
VECAI heeft in de loop van 1992 een visie over de toekomst
van
kabeltelevisie in Nederland ontwikkeld. De branche is tot de
conclusie
gekomen dat een onafhankelijke kabelbranche bestaansrecht heeft
en
wezenlijk kan bijdragen aan de ontwikkeling van het
telecommunicatie-aanbod in Nederland. De kabelbranche moest
drastisch
worden gereorganiseerd. VECAI heeft in haar strategische
beleidsvisie
van 1992 en in het daarop volgende stappenplan de doelen
duidelijk
geformuleerd. Kabelexploitanten moesten uitgroeien tot sterke
regionale
commerciële bedrijven die de concurrentie aan kunnen gaan met
andere
aanbieders van infrastructuur en diensten. Daartoe moest de
wetgeving
geliberaliseerd worden, regionalisatie in de branche
plaatsvinden, de
netten technisch opgewaardeerd worden en nieuwe diensten
ontwikkeld
worden.
Hierdoor is de kabelbranche de laatste jaren veel veranderd.
Overnames van kabelnetten, renovatie en nieuwe netten,
ontwikkeling van
diensten en veel machtigingsaanvragen voor industriegebieden. Dit
komt
overeen met de in de Beleidsvisie genoemde doelstellingen. De
situatie
in de Nederlandse kabelwereld kan gekarakteriseerd worden met
drie
trefwoorden; concentratie, commercialisering en liberalisatie.
Naast
deze ontwikkelingen is de ontwikkeling van de techniek ook een
belangrijke factor.
Techniek
De technische ontwikkelingen die, met het oog op de mogelijkheden
in de
toekomst, interessant zijn voor de kabel zijn in grote lijnen te
verdelen in twee aspecten, glasvezelkabel en het
digitale tijdperk.
Het gebruik van glasvezelkabel is de laatste jaren exponentieel
gegroeid. In een groot aantal kabelnetten wordt momenteel
glasvezelkabel
toegepast. De introductiefase is daarmee allang gepasseerd.
Glasvezelkabel heeft, in vergelijking tot coaxiale kabel, een
tweetal in
het oog springende voordelen. Gezien de geringe demping van
glasvezel
zijn grote afstanden te overbruggen, waardoor minder actieve
apparatuur,
zoals versterkers, nodig zijn. Dit komt de betrouwbaarheid van
het
kabelnet ten goede, maar ook de variabele kosten zijn een stuk
lager.
Het tweede voordeel is de schier oneindig grote bandbreedte van
glasvezelkabel. Bij de ontwikkeling van video-on-demand-diensten,
waarvoor immers enorme bandbreedtes nodig zijn, zal blijken dat
een
glasvezelinfrastructuur goede diensten kan bewijzen. Glasvezel
wordt
vooralsnog alleen in de hogere netvlakken toegepast. Toch zal,
wellicht
onder invloed van de toenemende vraag naar bandbreedte, in steeds
lagere
netvlakken glasvezel haar intrede gaan doen.
Het digitale tijdperk gaat ook niet aan de kabel voorbij.
Gezien
het onstuimige enthousiasme waarmee in de European Launching
Group DVB
gewerkt wordt aan video in digitaal formaat en het gegeven dat
digitale
radio inmiddels in de kabel is geïntroduceerd, zal het niet lang
meer op
zich laten wachten voordat veel (alle?) signalen via de kabel
gedigitaliseerd zijn.
Ook nu zijn er twee belangrijke aspecten van digitalisering
die van
belang zijn voor de kabel. Ten eerste maakt digitalisering
compressie
mogelijk. Het ziet er naar uit dat straks met behoud van
beeldkwaliteit
vier televisiesignalen in één kanaal kunnen worden ondergebracht.
Een
winst in benutting van de bandbreedte met een factor vier. Ten
tweede
kan met digitale signalen worden gerekend, waardoor op vrij
betrouwbare
wijze individualisering van het aanbod (conditional access)
gerealiseerd
kan worden. Bij het aanbieden van diverse
'core-business'-diensten als
abonneetelevisie, pay-per-view en (near-) video-on-demand zal dit
een
minimale voorwaarde zijn.
Bij het combineren van bovenstaande twee technische
ontwikkelingen
(glasvezeltechniek en digitalisering/compressie) zien we een
enorme
groei in de beschikbare bandbreedte in de distributierichting.
Echter,
indien de kabel zichzelf een taak als telecommunicatie-aanbieder
toedicht, zal ook aandacht moeten worden besteed aan de
contributierichting, in de kabelvolksmond 'retourverkeer'
genoemd. Ook
daar zal gebruik gemaakt worden van digitale technieken. Mede
gezien de
in het verleden gedane investeringen in de infrastructuur is het
vooralsnog onrendabel om glasvezel tot aan de woning aan te
leggen.
Overigens is dit voor het bedrijven van communicatie ook nog niet
noodzakelijk. Bewezen is inmiddels dat via de huidige coaxiale
infrastructuur op uitstekende wijze retourverkeer met meer dan
voldoende
bandbreedte bedreven kan worden.
Concentratie
Een paar jaar geleden was er sprake van een gefragmenteerde
kabelmarkt
waar het beeld gedomineerd werd door kleinschalige exploitaties
op
gemeentelijk niveau. (Zie afbeelding 1). Het beeld wordt nu
gedomineerd
door een drie(-vier)-tal groepen van bedrijven die in hele
regio's
kabeltelevisie verzorgen. Deze situatie is een voortzetting van
het
proces waardoor er in Nederland sterke regionale commerci‰le
kabelexploitatiemaatschappijen ontstaan.
afbeelding
Kabelexploitanten investeren in de ontwikkeling van de
infrastructuur op het gebied van tweewegverkeer en in uitbreiding
van de
capaciteit van de kabelnetten. Op het gebied van diensten zijn
kabelexploitanten actief door middel van participaties in,
eigendom van
en onderzoek naar de dienstverlening via het kabelnet.
Nederlandse kabelbedrijven hebben nu voldoende schaalgrootte en
commerciële draagkracht om in Nederland en Europa belangrijke
spelers
op het gebied van telecommunicatie-dienstverlening te worden.
Commercialisering
Kabel was traditioneel een distributiemedium voor radio- en
televisieprogramma's. Kabelexploitanten zelf waren
infrastructuurbeheerders die zich niet bemoeiden met de
programma's die
zij distribueerden. Tegenwoordig verandert de rol van exploitant
van
distributeur naar ondernemer. Dit houdt in dat er verder gekeken
wordt
dan alleen het technisch vervoeren van de signalen. Nieuwe
technische
ontwikkelingen, marketing, verticale integratie, een divers
programma-aanbod, kwaliteitszorg en klantgericht werken zijn
hierbij
belangrijk. Hoewel techniek belangrijk is in de ontwikkeling van
nieuwe
diensten is het niet de hoofdzaak. Het verkopen, de vraag en het
fysieke
produkt zijn minstens zo belangrijk. Een dienst kan er op papier
nog zo
fantastisch uitzien, zonder promotie en vraag van de consument
zal deze
dienst nooit rendabel worden.
Dienstverlening via de kabel kan onderscheiden worden in
traditionele
audio- en videodiensten, telecomdiensten en breedbandige
telecomdiensten. Kabelexploitanten zouden op al deze gebieden
actief
moeten worden.
Audio- en videodiensten
Dit jaar heeft adem een digitale abonneeradiodienst gelanceerd
die aan
kabelexploitanten wordt aangeboden. Tevens is het de verwachting
dat
binnen afzienbare termijn kabelexploitanten hun eigen zogenaamde
'conditional access-systemen' zullen introduceren. Op basis van
deze
systemen kunnen pluspakketten (een soort abonneetelevisie),
pay-per-view
en near-video-on-demand-diensten worden geleverd.
Het is in het belang van alle partijen, programma-aanbieders,
kabelexploitanten en de consument, dat de kabel eigen conditional
access-systemen ontwikkelt. Tevens dienen kabelexploitanten hun
eigen
conditional access-systemen open te stellen voor alle
programma-aanbieders en moeten toegang verlenen op basis van
redelijke
voorwaarden. Tenslotte kan worden opgemerkt dat conditional
access-systemen, die door anderen dan kabelexploitanten gebruikt
worden,
de mogelijkheid tot omzetting van het signaal naar een kabel
conditional
access-systeem moeten hebben. Dit zal resulteren in één kastje
bij de
consument thuis waar alle programma's en diensten op te ontvangen
zijn.
Het is duidelijk dat de markt zal bepalen welk systeem
uiteindelijk zal
winnen.
Op basis van de vraag naar de diensten die door middel van de
conditional access-systemen geleverd kunnen worden, zoals
pay-per-view
en near-video-on-demand (distributieve diensten), kan een
inschatting
gemaakt worden over de vraag naar echte video-on-demand.
Daarnaast zijn
de 'gewone' radio- en televisiediensten ook interessant voor
kabelexploitanten die zo bijvoorbeeld in samenwerking met andere
partijen, invulling kunnen geven aan commerciële televisie en
radio ter
versterking van het bedrijf.
Traditionele telecomdiensten
Als tweede groep diensten zijn de 'traditionele' telecomdiensten
te
noemen. Dat wil zeggen de diensten die vroeger alleen door PTT
geleverd
mochten worden. Deze diensten zijn in te delen in:
datacommunicatiehuurlijnen;
op basis van eerste marktverkenningen en
voorzichtige eerste stappen op dit gebied blijkt er vraag te
bestaan
naar deze dienst. Tevens blijkt dat kabelexploitanten kans zien
om, op
regionale schaal, gunstiger tarieven dan PTT aan te bieden.
geschakelde datacommunicatie en vaste telefonie;
er moet nog aanzienlijk wat werk verzet worden om dit mogelijk te
maken
via kabelnetten. Hoewel de techniek het hier ook steeds
gemakkelijker
maakt om kabelnetten geschikt te maken voor geschakelde
communicatie. De
investeringen worden geschat op 400 tot 500 gulden per
aansluiting. Voor
de hele kabelbranche zou dat uitkomen op zo'n drie miljard
gulden. Maar
voor dit geld is dan wel een echt breedbandig
telecommunicatienetwerk
gerealiseerd.
mobiele telecommunicatiediensten.
Als voorbeeld van een dienst die met
behulp van het kabelnet geleverd kan worden, zijn mobiele
Personal
Communications Networks te noemen (PCN). PCN is een systeem van
mobiele
communicatie waarbij gebruik gemaakt wordt van kleine cellen.
Door deze
kleine cellen hoeven de zenders en ontvangers maar een klein
vermogen te
hebben en zijn deze dus goedkoper. Uiteindelijk zou deze dienst
de
concurrentie aan kunnen gaan met de vaste telefoondienst. De
combinatie
van de kabelinfrastructuur met PCN-netwerken kan de kosten van de
exploitatie van deze netwerken aanzienlijk verlagen.
Geavanceerde breedbandige
telecommunicatiediensten
De geavanceerde breedbandige telecommunicatie- diensten kunnen op
basis
van een geschakeld breedbandig net verleend worden, bijvoorbeeld
het
ondersteunen van High Performance Computers and Networks,
3D-virtual
reality diensten of video-conferencing met HDTV-kwaliteit.
Vergeleken met andere infrastructuren is de potentiële waarde
van
de kabeltelevisie-infrastructuur enorm. Om deze potentie te
realiseren
zal er flink geïnvesteerd moeten worden. Tevens moet er zekerheid
bestaan over de inkomsten gegenereerd door het verkeer over de
infrastructuur. Daarom zouden alle telecommunicatiediensten
geleverd
moeten kunnen worden over de infrastructuur van kabelexploitanten
die de
vrijheid moeten krijgen alle diensten ook zelf aan te bieden.
Regelgeving
De kabel heeft met diverse wetten te maken. De Mediawet voor de
programma's die zij distribueren en de Wet op de
Telecommunicatievoorzieningen voor de aanleg, instandhouding en
exploitatie van het kabelnet. Beide wetten hebben aanzienlijke
beperkingen in zich, voor de ontplooiing van activiteiten van
kabelexploitanten. De Mediawet is gericht op de bescherming van
het
publieke omroepbestel en de Wet op de
Telecommunicatievoorzieningen is
nog steeds gericht op het beschermen van de positie van
Koninklijke PTT
Nederland.
Mediawet
In de Mediawet is opgenomen wat een kabelexploitant mag en moet
ten
aanzien van de programmadoorgifte. Kabelexploitanten moeten de
Nederlandse publieksomroepprogramma's (landelijk, regionaal en
lokaal)
en de Belgische Nederlandstalige publieke televisie-omroepen
onverkort
en gelijktijdig doorgeven zonder dat zij daar een vergoeding voor
kunnen
vragen. Kabelexploitanten mogen buitenlandse programma's en
Nederlandse
commerciële programma's en abonneeprogramma's doorgeven.
Kabelexploitanten mogen zelf geen programma's maken of hierbij
betrokken
zijn, met uitzondering van een informatiekanaal.
De bepalingen op het gebied van de Nederlandse commerciële
omroep
hebben tot nu toe het effect gehad dat geen enkel Nederlands
commercieel
televisieprogramma wordt uitgezonden en dat een op Nederland
gerichte
commerciële omroep door buitenlandse ondernemingen wordt
verzorgd.
Tevens belemmeren de Europese en Nederlandse richtlijnen nieuwe
toepassingen van omroep, bijvoorbeeld homeshopping-kanalen, door
het
stellen van maximaal toegestane reclametijd en bepalingen omtrent
de
inhoud van programma's.
In de nabije toekomst zal, zoals eerder gezegd, de capaciteit van
de
kabelnetten verveelvoudigen. De beperkingen in de Mediawet over
wat mag
worden uitgezonden via kabelnetten worden dan overbodig. De
pluriformiteit van de informatievoorziening wordt eerder
belemmerd door
deze bepalingen, in plaats van dat deze gewaarborgd zou worden.
Ten
aanzien van de bepalingen over verplichte doorgifte, kan gezegd
worden
dat deze voor een deel tot gevolg hebben gehad dat er minder acht
geslagen wordt op de kwaliteit van met name regionale en lokale
televisieprogramma's, omdat deze toch doorgegeven moeten worden.
In de
Mediawet zou de mogelijkheid geschapen moeten worden om
samenwerkingsverbanden van omroepen, bijvoorbeeld lokale omroepen
en
regionale omroepen, kabelexploitanten en andere partijen te
vormen. Deze
samenwerkingsverbanden zouden omroepprogramma's kunnen aanbieden.
Als
voorbeeld hiervan kan de samenwerking van uitgevers en
kabelexploitanten
in het verzorgen van een kabelkrant worden genoemd. Samenwerking
tussen
omroepen en kabelexploitanten in regionale commerciële omroep is
ook
mogelijk.
We zien toenemende interesse van Amerikaanse telecom- en
kabelbedrijven in de Europese kabelmarkt. Deze bedrijven zijn in
staat
gesteld zich te ontwikkelen tot verticaal ge‹ntegreerde
multinationals
met een enorme concurrentiekracht. Nederlandse kabelbedrijven
zullen in
de toekomst stand moeten houden tegen deze bedrijven en dienen
hiertoe
ook de wettelijke mogelijkheden te krijgen. In Nederland hebben
we een
uitstekende uitgangspositie om in de Europese audiovisuele markt
een
belangrijke plaats in te nemen omdat we over uitstekende
omroepproduktiebedrijven beschikken, we een van de dichtst
bekabelde
landen van Europa zijn en op het gebied van kennis en produktie
van
consumentenelectronica kunnen wij ons gelukkig prijzen.
In de nieuwe markt voor audiovisuele diensten (zowel nieuwe
als
traditionele omroep) kunnen Nederlandse bedrijven zich
ontwikkelen tot
sterke Europese spelers. Voor de kabelbedrijven geldt echter nog
dat de
huidige Mediawet een dergelijke ontwikkeling ten aanzien van
omroepdiensten in de weg staat. Kabelexploitanten zouden de
mogelijkheid
moeten krijgen zelf omroepprogramma's te maken, lokale reclame
tussen
programma's toe te voegen en deel te nemen in omroeporganisaties.
Tevens
moeten exploitanten op korte termijn de vrijheid krijgen zelf
nieuwe
diensten zoals pay- per-view, near-video-on-demand of video-on-
demand
aan te bieden.
Wet op de Telecommunicatievoorzieningen
De huidige WTV is geschreven met het oog op de Zegveld-optie,
namelijk
de integratie van PTT-netwerken en kabelnetten. De bepalingen met
betrekking tot kabelnetten komen kort samengevat op het volgende
neer:
een machtiging voor een kabelnet wordt voor een grondgebied
van een
gemeente afgegeven;
deze gemeentelijke netten mogen alleen door middel van
PTT-infrastructuur aan andere kabelnetten gekoppeld worden;
kabelnetten mogen gebruikt worden voor doorgifte van radio-
en
televisieprogramma's;
machtiginghouders van een kabelnet kunnen een aanvullende
machtiging
aanvragen voor interactieve diensten, voor zover deze niet
inhouden
'verkeer tussen aangeslotenen op het kabelnet' (hybride-diensten
en
simpele tweeweg-toepassingen zoals telemeting en
bejaardenalarmering).
Zoals eerder vermeld is in 1992 door de politiek afstand genomen
van de
Zegveld-optie als grondslag voor beleid ten opzichte van de
integratie
van de lokale telecommunicatie-infrastructuren. De minister voor
Verkeer
en Waterstaat heeft in december 1992 een wetswijziging
aangekondigd
welke het mogelijk zou moeten maken, op grond van een aanvullende
machtiging, kabelnetten te gebruiken voor
datacommunicatietoepassingen
tussen aangeslotenen op het kabelnet. Tevens zouden kabelnetten,
zonder
gebruik te maken van PTT- infrastructuur, aan elkaar gekoppeld
mogen
worden.
Dit aangekondigde beleid is echter vertraagd doordat in de
loop van
1993 de regering een bezinning op een totale herziening van de
Wet op de
Telecommunicatievoorzieningen aankondigde, waarbij de
liberalisatie van
de dienstverlening met behulp van kabelnetten betrokken zou
worden. Het
resultaat van deze bezinning is vervat in de Hoofdlijnennotitie
Herziening WTV en het definitief kabinetsstandpunt herziening
WTV, in
maart van dit jaar in de Kamer besproken.
Kort samengevat komt het beleid, vervat in de
Hoofdlijnennotitie,
op het volgende neer. In een tussenperiode voordat tot de
algehele
wijziging van de WTV wordt overgegaan, wil het kabinet op korte
termijn,
de machtiginghouders van gemachtigde inrichtingen (kabelnetten en
interne bedrijfsnetten) de mogelijkheid geven alle diensten, met
uitzondering van spraaktelefonie, met behulp van hun
infrastructuur te
leveren. Tevens wil het kabinet nog voor de algehele wijziging
van de
WTV, machtiginghouders de mogelijkheid geven hun netten te
koppelen aan
de netten van de vergunninghouders van mobiele infrastructuur
(zoals
GSM). Dit zou dienen te geschieden door op zeer korte termijn
gedoogbeleid te formuleren en een tussentijdse wijziging van de
huidige
WTV door te voeren.
In de algehele herziening van de WTV, die volgens de planning
van
het kabinet in 1995 van kracht zal worden, zal ruimte ontstaan
voor
andere aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur en
diensten. Deze
ruimte wordt gecreëerd door middel van een vergunningsregime voor
infrastructuur en diensten. Het bestaande machtigingsregime zal
blijven
bestaan en dus ook de bestaande machtigingen voor
draadomroepinrichtingen.
Vergunningen/machtigingen
Vergunning diensten.
Het kabinet wil een strikte scheiding tussen
infrastructuuraanbod en dienstenaanbod hanteren. Voor het
aanbieden van
zowel infrastructuur als diensten zal apart een vergunning moeten
worden
aangevraagd. Een kabelexploitant die een dienst wil exploiteren
zal
hiervoor een vergunning moeten aanvragen en tegen dezelfde
voorwaarden
als andere dienstenaanbieders toegang tot de eigen infrastructuur
dienen
te verkrijgen. Pas in 1998 zal de spraaktelefonie- dienst worden
geliberaliseerd; er zal een 'tweede aanbieder' voor de
telefoniedienst
worden toegelaten. Voor die tijd is het echter wel mogelijk
spraak te
transporteren voor zogenaamde besloten gebruikersgroepen.
Vergunningen Infrastructuur.
Het bestaande machtigingsregime voor
kabelnetten en interne bedrijfsnetten blijft bestaan. De huidige
machtiginghouders kunnen apart vergunningen aanvragen voor het
aanbieden
van telecommunicatie- diensten en -infrastructuur. De
vergunningsverlening voor het aanbieden van infrastructuur zal
als volgt
geschieden:
in principe zullen er twee vergunningen voor landelijke
infrastructuur
afgegeven worden, één aan KPN en één aan een samenwerkingsverband
van
machtiginghouders van alternatieve infrastructuren
(kabeltelevisienetten, Nederlandse Spoorwegen en
energiebedrijven);
naast en voorafgaand aan de afgifte van deze twee landelijke
vergunningen zullen vergunningen voor het aanbieden van
infrastructuur
aan bestaande machtiginghouders afgegeven worden. Deze vergunning
geldt
alleen voor het bestaande machtigingsgebied.
De samenwerkende machtiginghouders in de tweede aanbieder zullen
de
eigen (regionale) vergunningen, als zij voldoen aan de criteria
van het
kabinet, kunnen inruilen voor de landelijke
infrastructuurvergunning. De
criteria van het kabinet zijn: redelijke geografische dekking;
duidelijke juridische/organisatorische structuur van het
samenwerkingsverband; technische know-how en middelen. Deze
landelijke
vergunning zal worden afgegeven aan één organisatie waarbinnen de
verschillende machtiginghouders samenwerken.
Een nieuwe vergunninghouder (landelijk of regionaal) zal moeten
voldoen
aan de voorwaarden die gesteld worden. Als voorwaarden worden
door het
kabinet genoemd de leverings- en interconnectieplicht. Het
kabinet stelt
dat na een overgangsperiode van asymmetrische regelgeving, de
vergunninghouders een leveringsplicht hebben. Deze
leveringsplicht geldt
uitsluitend voor digitale huurlijnen. De leveringsplicht houdt de
plicht
in aan een ieder die dat wenst, een (digitale) huurlijn binnen
een
bepaalde termijn te leveren tegen non-discriminatoire voorwaarden
en
tarieven.
De interconnectieplicht houdt de plicht in dat een aanbieder van
huurlijnen desgevraagd een fysieke koppeling mogelijk moet maken
met
huurlijnen van andere aanbieders. Het kabinet heeft tevens
aangekondigd
in een nieuwe WTV een gedoogplicht voor eigenaren van gronden te
regelen
voor alle aanbieders van infrastructuur. Dit betekent dat een
grondeigenaar verplicht zal worden infrastructuur op zijn
eigendom te
gedogen.
Tijdens de bespreking van de Hoofdlijnennotitie in de Kamer
werd
bovendien nog een gedoogbeleid en een tussentijdse wetswijziging
toegezegd. Tevens werd de mogelijkheid van het ontstaan van een
'netwerk
van netwerken' onderstreept. In de plannen van het kabinet wordt
namelijk sterk de nadruk gelegd op de totstandkoming van de
landelijke
tweede aanbieder die vanuit de telecommunicatienetwerken van de
Nederlandse Spoorwegen en de energiebedrijven, eventueel
aangevuld met
kabeltelevisienetten, telecommunicatiediensten aan (grote)
bedrijven zou
moeten aanbieden.
Hoewel concurrentie op dit gebied goed is voor deze sector
van de
Nederlandse economie en het aanbod van diensten aan het
bedrijfsleven
zal stimuleren, wordt geen recht gedaan aan de
telecommunicatiebehoefte
en het groeipotentieel van de telecommunicatiemarkt voor de
consument en
de middelgrote en kleinere bedrijven. De introductie van
concurrentie op
deze gebieden zal een veel grotere positieve invloed op de
economie
hebben dan de verbetering van de dienstverlening aan de grotere
bedrijven in Nederland.
Tevens beperkt de sterke nadruk op de tweede aanbieder de
potentiële concurrentie die in de markt zou kunnen ontstaan. Een
marktvorm waarin twee aanbieders het grootste deel van de markt
beheersen is niet de meest ideale om de positieve effecten van
concurrentie voor de consument tot zijn recht te laten komen. Een
'netwerk van netwerken' configuratie waarbij machtiginghouders
van
kabelnetten en interne bedrijfsnetten kunnen kiezen voor
flexibele
samenwerking met andere infrastructuurbeheerders -met PTT voor
de ene
dienst en met een andere exploitant van infrastructuur voor de
andere
dienst- lijkt mij een betere omgeving om de effecten van
concurrentie
tot zijn recht te laten komen.
De Hoofdlijnennotitie nodigt de kabelexploitanten en
machtiginghouders van interne telecommunicatie netwerken dus uit
om de
concurrentie met PTT Telecom aan te gaan, behalve voor de
spraaktelefonie. Dit zou pas mogelijk zijn, afhankelijk van
discussies
in Europa, vanaf 1998. Nu omvat spraaktelefonie meer dan 90
procent van
de omzet in de telecommarkt. De regering nodigt ons dus uit om de
concurrentie met PTT aan te gaan en miljarden te investeren voor
het
veroveren van een deel van nog geen 10 procent van de
telecommunicatiemarkt. Wel heeft de regering een toezegging
gedaan dat
in 1998 ook spraaktelefonie 'vrij' zal worden.
Conclusie
Als de regering wil dat er in Nederland een hoogwaardige
breedbandige
infrastructuur ontstaat die effectief kan concurreren,
kabelexploitanten
hiervoor miljarden gaan investeren en hiermee de ontwikkeling van
een
telecommunicatie- en audiovisuele sector met de potentie om
binnen
Europa toonaangevend te worden, ondersteund wordt,
geef ons dan de ruimte om ons te ontwikkelen !
Dit houdt ruimte in om op zeer korte termijn als zelfstandige
kabelbranche alle produkten te ontwikkelen en te leveren op
audiovisueel
en telecommunicatiegebied, alsmede een wettelijke omgeving die de
ontwikkeling van een markt waarin echte concurrentie tot stand
kan komen
stimuleert. In een beginfase zal dit tenminste asymmetrische
regelgeving, een echt mededingingsbeleid en de vrijheid van keuze
voor
infrastructuurbeheerders moeten omvatten.
Kabelexploitanten willen actief meewerken aan het tot stand
komen
van een telecommunicatieaanbod dat in de wereld toonaangevend kan
worden
en hier ook voor investeren. De investeringen moeten
terugverdiend
kunnen worden. Dit betekent dat vanaf het begin alle
dienstverlening,
dus ook telefonie, met behulp van en door kabelexploitanten
geleverd
moet kunnen worden.
|








 |