|
|
Door M. Sint
Een overheid die zich op zijn kerntaken concentreert, laat zijn
telematica-infrastructuur over aan de markt. Om dat beheerst en
verantwoord te kunnen doen, is echter een volwassen markt nodig,
met
betrouwbare produkten en diensten, met aanvaardbare voorwaarden
en
tarieven. Liberalisering van de openbare infra-structuur is
daarvoor een
startpunt. Voor een bevrediging van de totale telematicabehoefte
van de
overheid is echter veel meer nodig.
Er is geen deelgebied van de informatietechnologie dat zich zo
snel
ontwikkelt als de telecommunicatie. Dat de
telecommunicatiewetgeving
binnen enkele jaren twee keer aan een grondige herziening wordt
onderworpen, terwijl ze daarvoor tientallen jaren ongewijzigd was
gebleven, is daarvan een sprekende illustratie. De steeds
wisselende
agenda van een toonaangevende jaarlijkse conferentie als het
Nationaal
Overleg Telecommunicatie weerspiegelt die ontwikkelingen op een
treffende wijze.
Misschien wel het meest kenmerkend voor de conferentie van juni
1994 was de ruimte die werd ingeruimd voor de stem van de
gebruiker,
naast de gebruikelijke aandacht voor technologie, standaardisatie
en
(de)regulering. Die verschuiving in aandacht is te beschouwen als
een
signaal dat de markt voor informatietechnologie eindelijk
volwassen
begint te worden, dat wil zeggen niet bepaald wordt alleen door
aanbieders, maar door een samenspel van vraag en aanbod.
Telecommunicatie wordt, met andere woorden, een commodity, een
handelsgoed dat aan de marktwerking is onderworpen, in plaats van
een
schaarstegoed dat onder strikte regulering en nauw toezicht moet
worden
geplaatst van de overheid.
Daarmee is impliciet ook aangegeven dat de rol van de overheid
op
dit terrein divers is en aan verandering onderhevig. Globaal kan
gesproken worden van drie verschillende rollen, die alleen al om
reden
van goed bestuur gescheiden worden gehouden, en ook gescheiden
moeten
worden houden.
De rol van de overheid
Het ministerie van Verkeer en Waterstaat blijft -ook in het
zicht van
de huidige liberalisering van de telecommunicatie- regelgever en
beheerder van de openbare infrastructuur. Omdat het, ook na de
recente
beursgang, tevens grootaandeelhouder is van PTT, is er eigenlijk
al
sprake van een dubbelrol, die een zorgvuldige afweging vereist
van in
zich verschillende en deels conflicterende belangen. Een tweede
rol van
de overheid is die van stimulator van de economische
bedrijvigheid en
medeverantwoordelijke voor de economische infrastructuur.
Telecommunicatie is daar een zeer belangrijk element van geworden
en is
daarom ook voor het ministerie van Economische Zaken een
belangrijk
onderwerp van beleid. In die rol bevordert de overheid de
totstandkoming
van een transparant en volwassen aanbod van produkten en diensten
en
stimuleert ze het gebruik van innovatieve informatietechnologie
in
bedrijfsleven en maatschappij.
De overheid heeft echter nog een derde rol, naast die van
regelgever en stimulator. Ze is zelf ook een belangrijke
telecommunicatiegebruiker, zoals ook andere grote
organisaties als Akzo,
Shell en Unilever dat zijn. Het ministerie van Binnenlandse Zaken
is
verantwoordelijk voor de coördinatie van de informatievoorziening
van
de overheid en daarmee van de overheid als
telecommunicatiegebruiker.
Doordat informatieverwerking het belangrijkste bedrijfsproces
is
van de overheid, is zij ook een van de grootste spelers op de
telecommunicatiemarkt. Daardoor kan ze een belangrijke bijdrage
leveren
aan de noodzakelijke volwassenheid en transparantie van die
complexe en
turbulente markt. Zowel door inzicht te geven in het aanbod aan
concepten, standaarden, produkten en diensten, door aan de
vraagzijde de
krachten te bundelen en te harmoniseren, en door bij te dragen
aan een
optimale klant/afnemer-relatie, dat laatste bijvoorbeeld in de
vorm van
modelcontracten.
Uitgangspunt voor de coördinatie van de
overheidsinformatievoorziening is een optimale en doelmatige
inzet van
informatietechnologie voor het functioneren van de overheid. Het
stimuleren van een goed werkende telecommunicatiemarkt is daar
uiteraard
slechts één, zij het een belangrijk, aspect van.
Daarbij moet
onmiddellijk de kanttekening worden geplaatst dat de overheid
moeilijk
bestempeld kan worden als één organisatie. Elk
van de 13
ministeries,
12 provincies, 150 waterschappen, 650 gemeenten, en 400
zelfstandige
bestuursorganen heeft zijn eigen taken en verantwoordelijkheden
en zijn
eigen autonomie. Dat geldt ook voor de informatievoorziening en
dus ook
voor de verwerving van telecommunicatieprodukten- en diensten.
Van één
overheidsnetwerk of een centrale inkoop is dan ook geen sprake.
Integendeel, door de ontwikkelingen die zich momenteel binnen de
bestuurlijke organisatie van de overheid afspelen, wordt de
zelfstandigheid van individuele overheidsorganisatie alleen maar
groter
en lijkt er van één overheid-gebruiker minder dan
ooit sprake te
zijn.
Verzelfstandiging
Catering, bewaking, bedrijfsgezondheidszorg en andere
ondersteunende
taken die aan de markt overgelaten kunnen worden, worden
geprivatiseerd
of afgestoten. Sprekende voorbeelden daarvan zijn het RCC
(Rijkscomputercentrum) en de SDU (Staatsdrukkerij en Uitgeverij).
Uitvoerende taken zijn of worden gescheiden van de beleidstaken
en in de
vorm van een zelfstandig bestuursorgaan op afstand van het
kerndepartement geplaatst. De verzelfstandiging van de
Informatiebeheergroep (de voormalige Informatiseringsbank),
onderdeel
van Onderwijs en Wetenschappen, is daarvan een recent voorbeeld.
Ook
binnen de kerndepartementen zelf is er sprake van een hoge mate
van
zelfbeheer, waarbij de afzonderlijke directoraten-generaal,
directies of
diensten in meerdere of mindere mate autonoom zijn ten aanzien
van
personeel, financiën, of communicatie. Deze
organisatie-onderdelen
hebben dan meestal ook een in hoge mate autonoom
informatievoorzieningsbeleid, hoewel hier inmiddels een
duidelijke trend
terug naar versterking van de centrale departementale
coördinatie
kan
worden herkend.
Opdeling van de overheid in kleinere, zelfstandige eenheden
kan
gemakkelijk worden aangezien voor versnippering, die bovendien
ten koste
kan gaan van de efficiency en de samenhang in het beleid. Dit
type
bestuurlijk-organisatorische veranderingen wordt dan ook niet in
de
eerste plaats om beheersmatige, maar om bestuurlijke redenen
ingezet.
Doel is om als overheid een antwoord te hebben op een samenleving
die
steeds complexer wordt, in een steeds sneller tempo verandert, en
die
moet presteren op een Europees of mondiaal in plaats van
nationaal
speelveld. De maatschappij vraagt -terecht- dat ook zijn overheid
zich
daaraan aanpast, en stelt andere, hogere eisen aan
dienstverlening, aan
resultaatgerichtheid, aan efficiency, aan reactievermogen en
vooral aan
flexibiliteit.Aan die eisen kan alleen worden voldaan in kleinere
organisaties, met korte lijnen en een snelle besluitvorming. Dat
maakt
het ook mogelijk een speciaal op de specifieke taak en de
specifieke
klanten van die organisatie gerichte dienstverlening te bieden.
In
gevleugelde termen: een sterkere focus op core-business en een
kleinere
span-of-control.
Infrastructuur
Die meer of minder verzelfstandigde overheidsorganisaties dienen
ook de
beleidsruimte te hebben wanneer het gaat om de inrichting van hun
informatievoorzienings-infrastructuur. Informatievoorziening is
voor de
meeste immers het primaire proces. Willen overheidsorganisaties
zich
kunnen richten op een optimale inzet van informatietechnologie
daarvoor,
dan zullen ze daartoe ook de mogelijkheden moeten hebben. De
opsporing
van delicten, de inning van belastingen, de verstrekking van
huursubsidie: elk daarvan stelt zijn, in meer of mindere mate
specifieke
eisen aan de organisatie en de inrichting van de
informatievoorziening.
Het paradoxale is dat een goede focus op het primaire proces
niet
meteen betekent dat de inrichting en het beheer van de
infrastructuur
ook zelf ter hand moet worden genomen. Het tegendeel is het
geval: wie
zich werkelijk op zijn core-business concentreert, wil en mag
zich niet
meer bezighouden met zaken die verantwoord aan anderen (i.e. de
markt)
kunnen worden overgelaten. Nadrukkelijk met het accent op
'verantwoord',
want voorzieningen die van een zo groot belang zijn voor de
bedrijfsvoering, verdragen geen experimenten en compromissen.
Een eerste algemene eis die de overheid dan ook aan de
telecommunicatiemarkt stelt is dat die een infrastructuur biedt
die het
karakter heeft van een volwassen basisvoorziening als het
openbare
telefoonnet, wegennet of elektriciteitsnet. Deze moet, met andere
woorden, state-of-the-art zijn, maar tegelijk betrouwbaar en
voorspelbaar. Bovendien moet deze bij veranderende behoeften
eenvoudig
en snel additionele capaciteit, geografische dekking of
functionaliteit
kunnen leveren.
De dienstverlening moet echter ook betaalbaar, beheersbaar en
controleerbaar zijn. Daarvoor is een open, transparante markt
nodig, met
een volwassen concurrentie, die een goede vergelijking in
kwaliteit en
prijs mogelijk maakt, en diversiteit en
leveranciersonafhankelijkheid
garandeert. De enkele jaren geleden in gang gezette
liberalisering is
daarvoor een noodzakelijke voorwaarde.
Totaaloplossing
Even belangrijk is dat die volwassenheid niet beperkt is tot wat
vaak de
'harde' infrastructuur wordt genoemd, de fysieke openbare
infrastructuur
en de aanvullende transportvoorzieningen op basis daarvan. Een
organisatie die zich wil richten op zijn core-business wil
namelijk een
totaaloplossing voor zijn communicatiebehoeften, in plaats van
deeloplossingen voor deelproblemen.
Er kan gemakkelijk over het hoofd worden gezien dat de op dit
moment zo
sterk in de belangstelling staande 'harde' infrastructuur
(telecommunicatie) maar een onderdeel van die totaaloplossing
(telematica) is. Zo wil de overheid ter ondersteuning van zijn
primaire
processen bijvoorbeeld electronische douane-aangifte mogelijk
maken
middels EDI. Daarvoor wil ze zich echter liefst niet zelf hoeven
bemoeien met de technische realisatie daarvan in de vorm van
huurlijnen,
X.25-switches, EDI-converters of X.400-gateways.
Ondanks dat de telecommunicatiemarkt zich snel ontwikkelt, is
er
van een stabiel evenwicht van vraag en aanbod voorlopig echter
nog
weinig sprake. In de huidige situatie is in het streven naar de
gewenste
totaaloplossing de 'harde' infrastructuur misschien nog wel de
minst
beperkende factor. Want ondanks de huidige turbulentie in de
technologie
-waarbij concepten horen als ISDN, Frame Relay of ATM- en de
snelle
marktontwikkelingen als gevolg van de liberalisering, zal naar
verwachting, onder andere dankzij volwassen en breed gedragen
standaarden, snel een goede afstemming van vraag en aanbod tot
stand
kunnen komen. Een overheidsorganisatie die zich op zijn kerntaken
wil
concentreren, zou zich daarmee op de korte of middellange termijn
dus
niet meer zelf operationeel bezig hoeven houden.
Met de ook politiek zo in de belangstelling staande openbare
infrastructuur is, met andere woorden, maar een klein, hoewel
belangrijk
deel van het probleem opgelost. Generieke
telecommunicatietoepassingen
als electronische post en EDI echter zijn wèl een
beperkende
factor, om
nog maar niet te spreken over de standaardisatie van de gegevens
zelf.
Deze onderdelen zijn veel nauwer verweven met de primaire
bedrijfsvoering. Ze zijn echter technisch en organisatorisch
complexer,
minder goed gestandaardiseerd en vaak onvoldoende in de vorm van
stabiele, volwassen produkten, diensten en expertise op de markt
verkrijgbaar. De markt biedt op dit punt nog slechts
deeloplossingen
voor deelproblemen.
Een volledige, beheerste uitbesteding daarvan is daarom nog
maar
zelden mogelijk. Er moet daarom, buiten de harde infrastructuur,
nog
veel gebeuren aan stroomlijning en volwassenwording van de markt,
voor
er sprake is van de verantwoorde, dat wil zeggen betaalbare en
beheersbare totaaloplossingen voor communicatie die de overheid
als
klant graag zou willen.
Overheid als trendsetter
Voor wat betreft de eisen die de overheid aan de markt stelt,
verschilt
ze weinig van andere informatie-intensieve bedrijven en
organisaties.
Waarin de overheid wél verschilt is dat ze ook bijzondere
verplichtingen en verantwoordelijkheden heeft en niet alleen als
wet- en
regelgever. De overheid is immers als grootste en een van de
meest
informatie-intensieve gebruikers ook een belangrijke
potentiële
initiator en trendsetter van nieuwe technologieën en
concepten.
Nu ze
als regelgever en als protectioneur van nationale belangen
terugtreedt,
is haar invloed als gebruiker des te belangrijker.
Door haar schaalgrootte is de overheid in staat om als
launching
customer te fungeren en zo de kritische massa te leveren die
nodig is
voor testen, bouwen en exploiteren van innovatieve
technologieën.
Bovendien is ze door haar omvang tot op zekere hoogte in staat de
vraag
naar telematica-diensten te bundelen en het aanbod te richten, en
bevordert zo de totstandkoming van een volwassen, transparante
markt.
Binnenlandse Zaken heeft een aantal instrumenten en initiatieven
ontwikkeld dat daaraan bijdraagt.
Zo wordt gewerkt aan een zogeheten
overheidsdatacommunicatieprofiel
(kort: ODCP). Dit beoogt een beperkte verzameling zogeheten open,
leveranciersonafhankelijke standaarden voor electronische
communicatie
binnen en met de overheid. Belangrijkste doel van het ODCP is
ervoor te
zorgen dat tussen twee willekeurige personen of toepassingen
binnen de
openbare sector binnen afzienbare termijn zonder grote en
vermijdbare
problemen electronisch gecommuniceerd kan worden. Een nauwelijks
minder
belangrijk doel is te voorkomen dat er onbedoeld en onnodig
geïnvesteerd
wordt in concepten en technieken die onvoldoende toekomstvast
zijn.
Dit ODCP bestaat deels uit formele, internationale,
zogenaamde de
jure standaarden. De meerwaarde ligt echter voor een belangrijk
deel in
het incorporeren van oplossingen voor de korte tot middellange
termijn
waarin de formele standaarden niet voorzien. Die oplossingen
worden
geboden in de vorm van de facto standaarden. Deze komen buiten de
officiëe standaardisatie-organen tot stand, vaak in nauwe
samenwerking
tussen technische specialisten, IT-industrie en gebruikers, en
genieten
een grote acceptatie in de markt. Ook bij deze standaarden wordt
echter
de eis gesteld dat het gaat om open standaarden, of om een term
te
gebruiken die minder uitnodigt tot misbruik: publiekelijk
beschikbare
specificaties.
ODCP sluit door de combinatie van formele en de facto
standaarden
aan bij een concrete en onmiddellijke behoefte aan betaalbare
produkten
en diensten voor de korte tot middellange termijn. Bij de
verwerving
daarvan fungeert ODCP als een eenduidige referentie naar de
juiste
specificaties, wat vergissingen en misverstanden in het
offertetraject
voorkomt. Op een meer strategisch niveau vervult het bovendien
een
belangrijke functie als een helder signaal in de richting van de
IT-industrie dat gebruikers open standaarden willen.
Telematica-atlas
De Telematica-atlas is een tweede instrument in het
datacommunicatiebeleid. Doel van de atlas is strategisch advies
en
informatie te geven op het brede terrein van de telecommunicatie;
het
hele terrein van de electronische uitwisseling, met inbegrip van
bijvoorbeeld telefonie en gegevensdefinities. Basis voor de atlas
is een
eenduidig denkmodel en begrippenkader, dat aansluit bij de
ontwikkelingen in markt en technologie, zodat ook in de
communicatie
òver datacommunicatie eenduidigheid kan worden bereikt. In
een
aparte
afdeling wordt aan de hand van het gehanteerde model een
beschrijving
gegeven van twintig grote overheidsnetwerken. Voor het overige is
de
opzet van de atlas onderwerpsgewijs, waarbij alleen die
onderwerpen
worden behandeld waarvan kan worden verwacht dat ze op de korte
tot
middellange termijn een strategische keuze verlangen.
Zo wordt aandacht besteed aan nieuwe technologische concepten
als
ISDN en FTAM, waarbij wordt aangegeven wat de
toepassingsmogelijkheden
zijn, hoe het is gesteld met de stabiliteit van de gebruikte
standaarden
en of er sprake is van een volwassen aanbod van produkten en
diensten.
Verder wordt veel aandacht besteed aan standaardisatie, waarbij
onder
andere een aflevering wordt gewijd aan de Europese regelgeving
met
betrekking tot de verwerving van informatietechnologie door
overheidsorganisaties. Aan aspecten van exploitatie en beheer
wordt
onder andere aandacht besteed in een aflevering Uitbesteding van
datacommunicatietaken, waarin onder andere een overzicht wordt
gegeven
van relevante ontwikkelingen in de liberalisering en in het
marktaanbod.
Ook de Telematica-atlas draagt zo bij aan een betere afstemming
van de
vraag naar en het aanbod, niet alleen van produkten en diensten,
maar
ook van deskundigheid en ervaring.
Netwerken
Een belangrijk initiatief is verder gelegen in het streven naar
samenwerking binnen de overheid op het terrein van netwerken en
telematica, zodat de schaalgrootte die binnen de overheid
aanwezig is,
ook daadwerkelijk wordt benut en niet onnodig een beroep op
schaarse
belastinggelden hoeft te worden gedaan.
Dat streven lijkt in de huidige trend naar decentralisatie,
zelfbeheer en toenemende autonomie een contradictie en lijkt
daarom
moeilijk te realiseren. Toch is daarvoor een groeiend draagvlak
te
herkennen. Men realiseert zich dat het beheer en de exploitatie
van een
eigen infrastructuur niet tot de kerntaken van de organisatie
behoort en
de markt het geleidelijk steeds beter mogelijk maakt om deze uit
te
besteden. De omvang van de eigen IT-organisatie dreigt door
uitbesteding
echter kwantitatief en kwalitatief onder het niveau te komen dat
vereist
is voor een adequate aansturing van de dienstverlening. De
schaalgrootte
is onvoldoende om de brede specialistische en snel verouderende
kennis
op peil te houden en goede tarieven te bedingen. Samenwerking bij
de
verwerving van capaciteit en de ontwikkeling van expertise biedt
in die
gevallen een voor de hand liggende oplossing.
Concreet blijkt er een groeiende belangstelling om met name
op het
terrein van datatransport (de 'harde' infrastructuur) de krachten
te
bundelen en gezamenlijk capaciteit te verwerven. Dat kan mede
omdat de
behoeften van de individuele organisaties steeds beter bij elkaar
aansluiten. Die behoefte bestaat, grof gesteld, uit een grote
bandbreedte, op basis van open standaarden, en met de
mogelijkheid het
netwerk flexibel met capaciteit, functionaliteit of geografische
dekking
uit te kunnen breiden. De aanbodzijde van de markt komt aan die
vraag
bovendien duidelijk tegemoet in de vorm van een snelle daling van
de
tarieven als gevolg van toenemende concurrentie -die op zijn
beurt het
gevolg is van de in gang gezette liberalisering- en van een
toenemende
standaardisatie van technologische concepten en aanbiedingsvormen
zoals
contractcondities, tariefstructuren en serviceniveaus.
Een dergelijke samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van
datatransport, kan gestalte krijgen door het afsluiten van een
centrale
zogeheten raamovereenkomst met een of meer grote aanbieders,
waarbij wel
het tarief is vastgelegd, maar er geen sprake is van een
afnamegarantie.
In de huidige marktsituatie is zelfs bij dergelijke eenzijdige
contractvoorwaarden een tarief mogelijk dat tot 50 procent of
meer onder
de huidige markttarieven ligt. Zo kan een belangrijk
efficiencyvoordeel
worden gerealiseerd, waarbij de flexibiliteit gewaarborgd is en
de
gewenste bestuurlijke autonomie van de afzonderlijke
overheidsorganisaties onaangetast blijft (de deelname aan het
contract
is immers vrij).
Een actieve rol van de overheid als launching customer is
door deze
ontwikkelingen paradoxaal genoeg meer binnen handbereik dan in
het
verleden het geval was. Een voldoende massa en een sterke
onderhandelingspositie zijn daarbij, in het huidige krachtenveld
van
mondiaal opererende carriers en meta-ontwikkelingen rond de
electronische snelweg, onmisbaar.
Modelcontracten
Een ander beleidsinstrument zijn de modelcontracten
automatisering. De
bestaande modelcontracten voor automatisering zullen worden
uitgebreid
met een of meer van specifieke contracten voor datacommunicatie.
Daartoe
worden aan de noodzakelijke juridische passages meer specifieke
elementen toegevoegd, zoals verwijzingen naar
telematicastandaarden (bij
voorkeur uit ODCP), en modellen voor Service Level Agreements.
Met de
modelcontracten wordt bijgedragen aan een eenduidiger
uitbestedingsrelatie tussen leverancier en afnemer. Bovendien
wordt door
referenties aan eenduidige standaarden de diversiteit in vraag en
aanbod
op een zinvolle wijze ingeperkt, waardoor een grotere
transparantie in
de markt ontstaat. Niet onbelangrijk is verder dat een
modelcontract het
beroep dat iedere keer opnieuw moet worden gedaan op schaarse
juridische
en technische deskundigheid, aanzienlijk kan beperken.
Uiteraard is de bijdrage die deze instrumenten leveren aan de
totstandkoming van een volwassen markt, secundair. Voorop staat,
zoals
gezegd, de inzet van informatietechnologie ten behoeve van een
optimaal
functioneren van de overheid. De minister van Binnenlandse Zaken
is dan
ook niet alleen verantwoordelijk voor een goede
informatie-uitwisseling
bínnen de overheid, maar vooral ook tussen overheid en
burger en
tussen
overheid en bedrijfsleven.
Zo is het, wanneer standaardisatie ter sprake komt, van even
groot
belang dat de gegevensuitwisseling tussen overheid en
bedrijfsleven
geharmoniseerd plaatsvindt. Het bedrijfsleven levert immers grote
hoeveelheden informatie aan de overheid. Omgekeerd heeft het
behoefte
aan informatie ván de overheid en is het daarvan in
toenemende
mate
afhankelijk, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de analyse van de
internationale marktpositie op basis van statistische
overheidsinformatie of om een snelle afhandeling van
douaneformaliteiten. Zeker wanneer elke (semi-)overheidsinstantie
aan
die uitwisseling andere voorwaarden verbindt, gaat daarmee veel
inspanning en tijd verloren, wat ten koste gaat van de efficiency
en
effectiviteit van zowel bedrijfsleven als overheid zelf. Een
overheidsorganisatie die eenzijdig standaarden afdwingt, past
daarom
niet in de veranderende rol van de overheid.
Technische standaarden zoals bijvoorbeeld ODCP die aanreikt,
zijn
daarvoor overigens niet voldoende. Ook op het procedurele,
juridische en
financiële vlak is een eenduidiger gezicht van de overheid
gewenst om
de gewenste slagvaardigheid en voorspelbaarheid te bereiken. Ook
van het
bedrijfsleven wordt echter een inspanning verwacht om de
onderlinge
informatie-uitwisseling te harmoniseren en te optimaliseren. De
ministeries van Economische Zaken en Binnenlandse Zaken werken
daar,
samen met het RCO, in wat voorlopig een 'Meldpunt Bestuurlijke
Telematica' heet, ook aan.
De burger
Wanneer het om electronische communicatie gaat, heeft de overheid
echter
niet alleen een taak ten opzichte van het bedrijfsleven, maar ook
ten
opzichte van de burger. In de eerste plaats heeft ze de taak
ervoor te
zorgen dat in deze tijd van privatisering en liberalisering van
de
telecommunicatie ook de individuele burger deel heeft aan de
nieuwe
communicatiemogelijkheden, zodat er op dat terrein geen
tweedeling in de
maatschappij tussen de haves en de have-nots ontstaat. Wanneer
voor het
merendeel van de Nederlanders interactieve multimedia even
vanzelfsprekende basisvoorzieningen zijn geworden als de
telefoon- en
televisie-aansluiting dat nu zijn, mag de drempel tot de
electronische
snelweg, hoe die er ook uit moge zien, voor de spreekwoordelijke
weduwe
in Appelscha niet te hoog zijn.
De nieuwe mogelijkheden die de informatietechnologie biedt,
scheppen voor de overheid behalve plichten ook kansen ten
opzichte van
de burger, namelijk om de dienstverlening te verbeteren.
Zo ligt het voor de hand de huidige proeven met het concept van
gemeentelijke servicecentra uit te breiden met de mogelijkheden
die
informatietechnologie en netwerken bieden. In deze 'servicecentra
van de
overheid' werkt Binnenlandse Zaken in samenwerking met enkele
gemeenten
een aantal verschillende concepten uit van de
'een-loket-gedachte'. Doel
is dat de burger voor zijn informatie-uitwisseling met de
overheid
zoveel mogelijk terecht kan bij één instantie,
één loket, of één
vaste
contactpersoon, waardoor de afstand met de overheid wordt
verkleind, de
dienstverlening wordt verbeterd of uitgebreid en wordt bevorderd
dat
elke burger de voorzieningen krijgt waarop hij recht heeft.
Laagdrempelige, gebruikersvriendelijke informatietechnologie
kan
daarbij ondersteunen, bijvoorbeeld in de vorm van interactieve
multimediatechnieken. Op veel plaatsen, met name in de Verenigde
Staten,
wordt daarmee ervaring opgedaan. Daarbij blijkt een electronische
snelweg overigens niet onmiddellijk nodig te zijn. Een
electronische
zuil, waar de burger informatie kan krijgen over zijn recht op
overheidsvoorzieningen, is ook werkbaar. Een lokale CD-ROM en een
touchscreen gebruikersinterface kunnen de basismodules van zo_n
zuil
vormen, terwijl door middel van een simpele telefoonlijn
eventuele
persoonsgebonden gegevens kunnen worden opgevraagd. Dergelijke
zuilen
met toeristische en culturele informatie verschijnen binnenkort
in
Amsterdam, overigens als resultaat van een commercieel
initiatief.
Samenvattend
Een overheid die zich op zijn kerntaken concentreert, laat zijn
informatievoorziening, en dus zijn telematica-infrastructuur, bij
voorkeur over aan de markt. Om dat beheerst en verantwoord te
kunnen
doen, is echter een volwassen markt nodig, met betrouwbare,
welgedefinieerde produkten en diensten, met aanvaardbare
voorwaarden en
tarieven. De politiek zo in de belangstelling staande
liberalisering van
de openbare infrastructuur is daarvoor een startpunt. Voor een
bevrediging van de totale telematicabehoefte van de overheid is
echter
veel meer nodig. Hopelijk kan het beleid van het ministerie van
Binnenlandse Zaken daaraan bijdragen.
|
























|