I&I-> Jaargangen -> Artikel

De inrichting
van informatiemanagement
bij integrale bedrijfsvoering

Door Frans van den Hurk en Michiel Louweret


Integrale bedrijfsvoering is een managementconcept dat een toenemend aantal organisaties hanteert als leidraad voor de ontwikkeling van hun managementsysteem en hun organisatiestructuur. Afhankelijk van de organisatiekarakteristieken zal bij introductie van integrale bedrijfsvoering een passende structuur voor de I&A-afdeling moeten worden gekozen (contingentiebenadering). Dit artikel presenteert hiervoor een analysemodel, waarbij de samenwerkingsmogelijkheden (synergie) tussen de autonome units centraal staan.


Introductie van integrale bedrijfsvoering (IBV) zal verstrekkende gevolgen hebben voor de informatievoorziening- en automatiseringsfunctie (I&A-functie). Dit geldt vooral voor organisaties die van oudsher een gecentraliseerde I&A-functie kennen. Maar ook in organisaties waar het lijnmanagement reeds bij het informatiebeleid is betrokken, zal invoering van IBV de positie en inrichting van de I&A-functie doen veranderen. In deze veranderingen kunnen twee trends worden onderkend: de relatie tussen de operationele units en de I&A-functie verzakelijkt of de operationele unit gaat zelfstandig taken uitvoeren met betrekking tot de informatievoorziening.
In de volgende paragraaf schetsen wij de achtergrond en kenmerken van IBV. Duidelijk wordt dat dit concept aanzienlijke gevolgen heeft voor de I&A-functie. Dit wordt toegelicht aan de hand van een referentiemodel. Dit model beschrijft de taakvelden van de I&A-functie. Vervolgens worden vier modellen ontwikkeld voor de inrichting van de I&A-functie bij IBV. De strategische keuze tussen deze modellen is vooral afhankelijk van de samenwerkingsmogelijkheden tussen de units. Tot slot behandelen wij kort de samenhang tussen de I&A-functie en de overige middelenfuncties.
Dit artikel is enerzijds gebaseerd op onze adviespraktijk, waarin wij I&A-afdelingen van overheidsorganisaties hebben begeleid bij de invoering van IBV, en anderzijds op de eerste resultaten van onderzoek naar de effecten van IBV. Naar onze mening zijn de ideeën die in dit artikel worden gepresenteerd ook relevant voor private en not-for-profit organisaties.

Achtergrond en kenmerken IBV

Traditioneel zijn veel organisaties ingericht volgens het principe van functionele concentratie: bedrijfsfuncties1 zijn georganiseerd in afzonderlijke afdelingen, zoals de afdelingen planning, ontwikkeling en onderhoud. De managementfunctie coördineert bedrijfsfuncties vooral via regels en hiërarchie, soms aangevuld met mechanismen als horizontale werkverbanden en 'liaison functies'. Functionele organisatievormen zijn vooral geschikt in een stabiele en eenvoudige omgeving, waarbij met name een hoge doelmatigheid van bedrijfsprocessen centraal staat (Mintzberg, 1979).
Volgens De Ruijter e.a. (1992) kennen veel functionele organisaties de volgende twee problemen: 'verkokering' en 'management by staff'. Deze problemen manifesteren zich nu de interactie tussen de omgeving en organisaties steeds meer dynamiek en complexiteit kent.

Verkokering

Verkokering is een gevolg van de autonomie van bedrijfsfuncties. Doorewaard en De Nijs (1992) omschrijven verkokering als 'een verschijnsel waarbij managers problemen definiëren vanuit de optiek van hun eigen functionele beleidsgebied.' Zij stellen dat strijd kan ontstaan over het juiste gezichtspunt. Een strijd die meestal op macht en niet op inzicht wordt beslist. Verkokering kan tot gevolg hebben dat:

  • organisatie-eenheden fragmentarisch reageren op interne en externe ontwikkelingen;
  • oplossingen worden binnen de bedrijfsfunctie gezocht, zonder de samenhang tussen bedrijfsfuncties in ogenschouw te nemen, 'de linkerhand weet niet wat de rechter doet';
  • besluitvorming over bedrijfsfunctie-overstijgende vraagstukken op het hoogste hiërarchische niveau moet geschieden, alleen hier kan integrale afweging tussen bedrijfsfuncties plaatsvinden; dit heeft ruis in communicatie en vertraging in besluitvorming tot gevolg.


    Bij de informatievoorziening is het verkokeringsverschijnsel ook zichtbaar. Zo zien wij regelmatig dat de breed samengestelde stuurgroep I&A overbelast raakt door operationele vraagstukken.

    Het is duidelijk dat functioneel organiseren zich slecht verhoudt tot de turbulentie in de omgeving. Turbulentie vereist anticiperend, slagvaardig en doelmatig handelen, waarbij op basis van een heldere visie een integrale afweging tussen bedrijfsfuncties plaatsvindt. Verkokering leidt juist tot trage besluitvorming en fragmentarisch handelen.

    Management by staff

    Het tweede probleem van functioneel management is volgens De Ruijter e.a. dat het lijnmanagement nauwelijks verantwoordelijk is of zich verantwoordelijk voelt voor ondersteunende bedrijfsfuncties. Ondersteunende bedrijfsfuncties faciliteren de besturing en uitvoering van de primaire bedrijfsfuncties. Voorbeelden zijn financieel beheer, personeelsbeheer en gebouwenbeheer.
    Het gebrek aan verantwoordelijkheid(sgevoel) voor ondersteunende bedrijfsfuncties leidt volgens De Ruijter e.a. tot 'management by staff': de ondersteuningsfunctie bepaalt een belangrijk deel van het bedrijfsbeleid. Soms kan deze functie zelfs bepalen hoe en wanneerhet lijnmanagement bedrijfsmiddelen moet inzetten. Kastelein (1990) spreekt in dit verband over multi-centrale aspectspecificatie (MCA). MCA is een besturingssituatie waarbij de regels en procedures van de staf bepalend en beperkend zijn voor het besturingsvermogen van het lijnmanagement.
    'Management by staff' manifesteert zich ook als I&A-managers de prioriteitstelling van I&A-projecten bepalen. Hoewel management by staff goede mogelijkheden biedt om de eenheid tussen units te bewaken, kan lijnmanagement bij MCA meestal niet adequaat anticiperen op (externe) turbulentie. Anticipatie vereist immers een strategische visie op de unit en voldoende besturingsvermogen.

    Integrale bedrijfsvoering

    In het beleid van veel organisaties zijn als doelstellingen effectiviteit, produktiviteit, flexibiliteit en innovatievermogen benoemd. Elke organisatie probeert deze doelstellingen op eigen wijze te realiseren. Een bruikbaar concept kan integrale bedrijfsvoering zijn (Van den Hurk en Louweret, 1993). Wij definiëren integrale bedrijfsvoering als 'een managementconcept waarbij het unit-management binnen generieke spelregels verantwoordelijk is voor en bevoegd is tot het ontwikkelen, effectueren en realiseren van bepaalde produkt/marktcombinaties, voor het inrichten van de unit en de bedrijfsprocessen en voor bepaling en inzet van bedrijfsmiddelen.'
    Integrale bedrijfsvoering (IBV) is een managementconcept dat een toenemend aantal organisaties hanteert als leidraad voor de inrichting van taak- en verantwoordelijkheidsstructuren, voor het ontwerp van plannings- en controlsystemen en voor de inrichting van bedrijfsprocessen. IBV heeft met name waarde als de mogelijkheden van strategische en operationele samenwerking tussen de verschillende bedrijfsonderdelen beperkt zijn. Verwante begrippen zijn integraal management, unit-management en contractmanagement. Kenmerkend voor de organisatievorm bij IBV is de vorming van relatief autonome organisatie-eenheden (units). Het management van deze units is (binnen spelregels) verantwoordelijk voor het leveren van vastgestelde prestaties. Operationele units zijn verantwoordelijk voor produkten/diensten, ondersteuningsunits voor de facilitering hiervan. De concern-unit coördineert de samenhang tussen deze units.

    Een nieuwe organisatievorm door integrale bedrijfsvoering: de netwerkorganisatie

    Een organisatie wordt volgens IBV op grond van produkt/marktkarakteristieken zodanig ingericht dat de samenhang tussen de units minimaal is. Veranderingen en verstoringen kunnen dan grotendeels binnen één unit worden opgevangen. Dit verkleint de kans dat binnen units verkokeringsverschijnselen optreden en vergroot de flexibiliteit van de totale organisatie. Een risico van IBV is dat tussen de operationele units weer verkokeringsverschijnselen ontstaan met betrekking tot beleidsontwikkeling en produktinnovaties. De concern-unit stelt derhalve spelregels op waarbinnen de operationele en ondersteunende units zich kunnen bewegen.
    Kenmerken van een netwerk organisatie zijn:


  • Binnen één unit is sprake van integrale verantwoordelijkheid voor beleid en uitvoering. De verantwoordelijkheid omvat ten minste beleidsontwikkeling, structurering van de unit en sturing van bedrijfsprocessen.2 De concern-unit bepaalt de spelregels.
  • Het unit-management heeft binnen spelregels zeggenschap over de keuze, inzet en het beheer van bedrijfsmiddelen. Spelregels zijn noodzakelijk om (de gewenste en/of noodzakelijke) samenhang tussen de autonome units te behouden en aldus verkokering met betrekking tot beleidsontwikkeling en produktinnovaties te voorkomen.
  • De concern-unit kent twee belangrijke verantwoordelijkheden: ten eerste draagt de concern-unit zorg voor de ontwikkeling van de 'corporate strategy'. Dit is het lange termijn raamwerk, waaraan de operationele units bij de ontwikkeling van produkt-marktplannen zijn gebonden. Ten tweede draagt de concern-unit zorg voor de facilitering en ondersteuning van de operationele units.
  • De afhankelijkheid tussen operationele en ondersteuningsunits wordt geregeld door duidelijke afspraken over de dienstverlening. Tussen beide typen units ontstaat een zakelijke relatie. Indien (op termijn) wordt besloten het beginsel van gedwongen winkelnering af te schaffen, dient de ondersteunings-unit zelfs te concurreren met externe dienstverleners.

    In figuur 2 zijn de verschillen tussen een functionele en een netwerk organisatievorm weergegeven.

    Unitvorming en synergie

    Zoals in de inleiding tot dit artikel beschreven bepalen vooral de samenwerkingsmogelijkheden tussen de units in een netwerk organisatie op welke wijze de I&A-functie effectief en efficiënt kan worden ingericht. De toegevoegde waarde door samenwerking is de synergie. Synergie betekent dat het geheel meer oplevert dan de som van de afzonderlijke delen. Synergie ontstaat bijvoorbeeld als autonome units (op vrijwillige basis) één of meer van de taakvelden van de informatiehuishouding beleidsmatig cošrdineren en/of gezamenlijk uitvoeren om schaal-, kennis-, coördinatie- of kostenvoordelen te realiseren (Blokdijk, 1992). Synergie kan ontstaan op twee niveaus: beleid en uitvoering.

    Doelsynergie en verantwoordelijkheidsverdeling

    Er is sprake van doelsynergie als een unit voor het realiseren van zijn doelen afhankelijk is van de prestaties van een andere unit of als units door samenwerking hun doelen eenvoudiger kunnen realiseren. Een voorbeeld van doelsynergie uit de sfeer van de overheid betreft het milieubeleid. Milieubeleid is afhankelijk van de prestaties uit onder andere het onderwijs-, het mobiliteits- en het industriebeleid. Doelsynergie vereist onderlinge afstemming van onder andere beleidsplannen en -prestaties. Bij een hoge mate van doelsynergie is het noodzakelijk dat de I&A-coördinatie over (een deel van) de netwerkorganisatie krachtig wordt georganiseerd. Dit kan gestalte krijgen door onder andere het benoemen van eenduidige resultaat- en procesindicatoren en door het formuleren van heldere doelstellingen. Uiteindelijk kan de noodzaak tot doelsynergie leiden tot de keuze voor centralisatie van verantwoordelijkheden voor bepaalde taakvelden.

    Functionele synergie en taakspreiding

    Functionele synergie betreft de voordelen die mogelijk zijn door gezamenlijke uitvoering van taakvelden. Deze voordelen kunnen onder andere doelmatigheid, bundeling van kennis en kritieke massa betreffen. Een voorbeeld van functionele synergie uit de sfeer van de lokale overheid betreft de basisadministratie Personen. Dankzij deze registratie kan meervoudige vastlegging van persoonsgegevens aanzienlijk worden beperkt, hetgeen tot een forse doelmatigheidswinst kan leiden. Naarmate meer functionele synergie mogelijk is, zullen taakvelden vaker gezamenlijk worden uitgevoerd. Dit wordt concentratie genoemd.
    De mate van (de)concentratie vertoont vaak hetzelfde profiel als de mate van (de)centralisatie. Dit is echter niet noodzakelijk. Een gedecentraliseerde en geconcentreerde organisatievorm is door 'poolvorming' mogelijk. Met poolvorming bedoelen wij dat de beleidsverantwoordelijkheid bij de operationele units is belegd, terwijl de taakuitvoering bij de ondersteunende I&A-unit is geconcentreerd. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Bij één van onze relaties is gekozen voor een organisatiemodel waarin het unit-management verantwoordelijk is voor de eigen informatiehuishouding. Voor de ondersteuning van de units is een pool van O&I consultants gecreëerd. Deze consultants werken in beginsel in opdracht van de operationele units.
    Naarmate meer duidelijkheid bestaat over gemeenschappelijke belangen van units is de bereidheid om naar synergie te streven hoger. Dit begint veelal met de beheer- en ondersteunende taakvelden. Vooral om schaal- en kennisvoordelen te realiseren besteden operationele units bijvoorbeeld het beheer van infrastructuur en opleidingen uit. Deze uitbesteding kan intern (aan de ondersteunings-unit) of extern geschieden.
    Bij de omslag van een functionele organisatievorm naar een netwerk organisatie zal onder andere sprake zijn van herschikking van taken en verantwoordelijkheden tussen de I&A-functie en operationele units. In de volgende paragrafen wordt vastgesteld welke I&A-taken en -verantwoordelijkheden dit kan betreffen. Hiervoor gebruiken wij een referentiemodel.

    De informatie- en automatiseringsfunctie

    Elk samenwerkingsverband van mensen is afhankelijk van informatievoorziening. Informatievoorziening wordt niet voor niets omschreven als het 'zenuwstelsel' van organisaties. De I&A-functie draagt zorg voor de formele informatievoorziening. Wij spreken hier bewust van de I&A-functie en niet van de I&A-afdeling. De I&A-afdeling is een organisatie-eenheid die zorgdraagt voor een deel van de I&A-functie. De I&A-functie wordt modelmatig onderverdeeld in taakvelden. Een taakveld bestaat uit een aantal activiteiten die een gemeenschappelijk doel kennen. We onderscheiden beleids-, ontwikkeling-, beheer- en gebruikstaakvelden. Navolgend zijn de taakvelden kort beschreven. In de beschrijving is geabstraheerd van de wijze waarop de taakvelden zijn ingericht. De feitelijke inrichting van de I&A-taakvelden is o.m. afhankelijk van het systeemontwikkelingsbeleid van een organisatie, de fase van ontwikkeling met betrekking tot I&A, de samenwerkingsmogelijkheden en het strategische belang van de informatievoorziening voor de bedrijfsvoering.

    Beleid

    Beleid omvat het geheel aan taakvelden gericht op het afstemmen van de informatiehuishouding op het strategisch beleid, op het bewaken van de samenhang tussen de bedrijfsmiddelen, op het alloceren van bedrijfsmiddelen over de I&A-functie en gericht op de 'control' van de uitvoering van het beleid.

    Ontwikkeling

    Onder ontwikkeling wordt verstaan het geheel van taakvelden gericht op de totstandkoming of vernieuwing van de informatiehuishouding. Dit omvat zowel de organisatorische, de functionele, gegevens als de technische aspecten van de informatiehuishouding.

    Beheer of exploitatie

    Beheer of exploitatie omvat het geheel van taakvelden gericht op 'het in een zodanige toestand houden van de informatievoorziening dat deze blijft voldoen aan de vastgelegde (functionele en prestatie) eisen en vanzelfsprekende behoeften van de gebruikers' (Delen en Looijen, 1992). Dit omvat onder andere de beveiliging en bedrijfszekerheid van de informatiehuishouding, de doelmatigheid van de gegevensverwerking en de kwaliteit van de bedrijfsgegevens.

    Gebruik

    Onder gebruik tot slot wordt verstaan het geheel aan taakvelden gericht op het adequaat functioneren van de informatievoorziening binnen de gebruikersorganisatie, zoals het functioneel en het applicatiebeheer. In figuur 3 zijn de taakvelden samengevat.

    Integrale bedrijfsvoering en de I&A-functie

    In de voorgaande paragrafen hebben wij eerst de kenmerken van het managementconcept integrale bedrijfsvoering en vervolgens de taakvelden van de I&A-functie beschreven. Invoering van IBV zal leiden tot het ontstaan van (vorm van) een netwerkorganisatie. De verdeling van taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatievoorziening en automatisering over de verschillende units is vooral afhankelijk van de mogelijkheden tot beleids- en functionele synergie. In deze paragraaf ontwikkelen wij op basis van het voorgaande vier modellen voor de inrichting van de I&A-functie: het autonomiemodel, het samenwerkingsmodel, het uitbestedingsmodel en het integratiemodel. Deze modellen worden kort beschreven. Alvorens deze modellen te behandelen lichten wij eerst nog een aantal algemene uitgangspunten toe.

    Algemene uitgangspunten voor de inrichting van de I&A-functie bij IBV

    Op basis van de beginselen voor IBV hebben wij de volgende uitgangspunten geformuleerd voor de verdeling en inrichting van I&A-taken en -verantwoordelijkheden en voor het ontwerp van plannings- en controlsystemen binnen een netwerkorganisatie:

  • De operationele units zijn in beginsel binnen de spelregels van het gemeenschappelijke informatiebeleid verantwoordelijk voor de eigen informatiehuishouding (decentralisatie). Hiervoor zal de concern-unit de beleidsruimte formuleren en in periodieke onderhandelingen taakstellende budgetten beschikbaar stellen. Elke unit zal periodiek verantwoording afleggen over de besteding hiervan. De concern-unit zal terzake de (beleidsmatige) controlfunctie vervullen.
  • De voorbereiding van en toetsing op het informatie- en automatiseringsbeleid voor de totale netwerkorganisatie berust bij een ondersteunings-unit. Deze unit kan ge•ntegreerd zijn in de concern-unit. De operationele units zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van het informatiebeleid. Het beleid dient de gewenste synergie te faciliteren. Naar mate meer synergie mogelijk is, zijn meer gerichte spelregels noodzakelijk.

    De uitvoering van I&A-taakvelden wordt gedeconcentreerd naar operationele units, tenzij dit uit het oogpunt van functionele synergie onwenselijk is. Dit betekent concentratie van taakvelden binnen een ondersteunings-unit indien:
  • hierdoor schaalvoordelen ('economies of scale') worden bereikt. Deze synergetische effecten waren lange tijd vooral bij technisch beheer en gegevensverwerking mogelijk. Momenteel zien we een tendens (down-sizing) waarbij grote organisaties ook deze taakvelden deconcentreren. In een kleinere organisaties is echter een tegengestelde ontwikkeling zichtbaar. Dit indiceert dat schaalvoordelen kritisch moeten worden geanalyseerd en vastgesteld;
  • hiermee noodzakelijke back up-voorzieningen worden getroffen. Dit geldt vooral voor taakvelden die kritisch zijn voor de primaire bedrijfsvoering ('economies of continuity');
  • hierdoor bundeling van schaarse deskundigheid ('economies of skill') wordt bereikt. Modellen voor de I&A-functie In de praktijk is het wenselijk voor elk I&A-taakveld vast te stellen wat de mogelijkheid tot en wenselijkheid van uitvoerings- en doelsynergie is. In dit artikel beperken wij ons tot vier modellen. Binnen deze modellen zijn nog verschillende varianten en tussenvormen mogelijk.

    Op basis van het synergie-concept onderkennen wij vier modellen voor de I&A-functie. In figuur 4 zijn deze modellen weergegeven. Hierbij veronderstellen wij dat doelsynergie vooral de verantwoordelijkheidsverdeling beïnvloedt en de functionele synergie de spreiding van taakvelden. De figuur maakt tevens duidelijk dat bij een hoge mate van doelsynergie IBV geen geschikt managementconcept is. Vanwege de benodigde doel-, produkt- en procescoördinatie zal unitvorming in dit geval niet effectief zijn. Hoewel het niet eenvoudig is terzake algemene maatstaven te formuleren, blijken in de praktijk onder andere de noodzakelijke beleidscoördinatie en de mate waarin verschillende onderdelen bij de voortbrenging van een type produkt zijn betrokken, waardevolle criteria.

    Lage functionele synergie, lage doelsynergie: het autonomiemodel

    Het autonomiemodel is met name passend als de beleidsmatige samenhang tussen de operationele units beperkt is en er weinig tot geen mogelijkheden zijn tot het realiseren van functionele synergie. Het feit dat de mogelijkheden tot functionele synergie beperkt zijn, is vaak een gevolg van diversiteit in doelen, produkten, activiteiten of de schaalgrootte van units. Een lage functionele synergie maakt het wenselijk dat de uitvoering van taakvelden bij de operationele units is belegd.
    Het autonomiemodel impliceert dat de units zowel beleidsmatig als beheersmatig een aanzienlijke vrijheid bezitten. Binnen de operationele units wordt op basis van eigen informatiebeleid een eigen I&A-functie ingericht. Er bestaat weinig noodzaak om gemeenschappelijk spelregels af te spreken met betrekking tot de informatiehuishouding. Deze spelregels leiden immers alleen tot een onnodige beperking van het besturingsvermogen van het lijnmanagement.
    Indien informatiesystemen gemeenschappelijk worden ontwikkeld geschiedt dit op basis van vrijwilligheid. Op basis van het hergebruik van software-modules zijn hier in bepaalde gevallen schaalvoordelen haalbaar. Soms stelt de concern-unit bij de keuze van de informatiesystemen wel eisen met betrekking tot de uitwisselbaarheid van rapportagegegevens. Deze taak van de concern-unit noemen wij 'interface-management': er dienen voldoende interface-condities te zijn ingevuld voor de communicatie tussen de units.
    Binnen het autonomiemodel zal meestal niet of nauwelijks sprake zijn van een afzonderlijke ondersteunings-unit voor de informatievoorziening en automatisering.

    Lage functionele synergie, hoge doelsynergie: het samenwerkingsmodel

    Het samenwerkingsmodel verdient de voorkeur als de beleidsmatige samenhang tussen de operationele units hecht is doch de mogelijkheid tot het gezamenlijk uitvoeren van de (I&A-) bedrijfsprocessen beperkt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de uitvoering van activiteiten gedeconcentreerd is of (bij de overheid) als verschillende units verantwoordelijk zijn voor verschillende beleidsinstrumenten die één gezamenlijk doel dienen.
    In dit model is het beheer van architecturen voor organisatie, informatiesystemen, gegevens en technische infrastructuur van essentieel belang. Architecturen zijn een belangrijk instrument voor de onderlinge afstemming tussen de units door het interface-management. De ondersteunings-unit is hiervoor verantwoordelijk. Een belangrijke taak is het semantisch beheer van bedrijfsgegevens.
    De operationele units blijven binnen de context van de architecturen verantwoordelijk voor de uitvoering van het informatiebeleid en informatieplan. Zij zullen bijvoorbeeld zelf bepalen of en op welke wijze zij van de bedrijfsgegevens gebruik maken. Het semantisch beheer hiervan is zoals gezegd gemeenschappelijk geregeld.
    Vanwege de beperkte mogelijkheid tot functionele synergie zal de uitvoering van de taakvelden worden gedeconcentreerd. Binnen de operationele units worden bijvoorbeeld het beheer en de gebruiksondersteuning naar eigen inzicht en behoefte ingericht. De ondersteunings-unit kan wel functioneel verantwoordelijk voor deze taakvelden. Dit betekent bijvoorbeeld dat de ondersteunings-unit standaards en methoden voorschrijft met betrekking tot met name het beheer.

    Hoge functionele synergie, lage doelsynergie: het uitbestedingsmodel

    Het uitbestedingsmodel is zinvol als operationele units een hoge diversiteit en autonomie in doelen en activiteiten kennen, maar daarbij wel op gemeenschappelijke wijze bedrijfsmiddelen kunnen inzetten. In dit model worden de I&A-taakvelden overwegend geconcentreerd in een ondersteunings-unit. Dit betreft bijvoorbeeld een pool van breed inzetbare I&A-adviseurs, de systeemontwikkelingsorganisatie en de meer traditionele rekencentrumfuncties, zoals de verwerking van bulkprocessen. Vanwege het feit dat de doelsynergie laag is, zullen de eisen die de operationele units stellen aan de management-informatievoorziening uiteenlopen. Dit kan tot gevolg hebben dat besloten wordt om op unit-niveau eigen administraties in te richten.
    De relatie tussen ondersteunings-unit en operationele units wordt gestructureerd door dienstverleningsovereenkomsten. Deze overeenkomsten regelen de inzet en prestaties die de ondersteunings-unit in een bepaalde periode moet leveren aan operationele units. Dit veronderstelt wel dat de operationele units in staat zijn deze behoefte door middel van informatie- en automatiseringsplannen te ramen. In bepaalde situaties kan de dienstverlening van de ondersteunende unit ook aan de externe markt worden aangeboden. Andersom kan de operationele unit de dienstverlening bij externen betrekken. Een alternatief voor concentratie in een ondersteunings-unit is uitbesteding van taakvelden aan externe dienstverleners.

    Hoge functionele synergie, hoge doelsynergie: het integratiemodel

    Dit model is waardevol als zowel naar doelen als naar middelen een hechte samenhang bestaat tussen operationele units. Deze situatie zien we vooral als units gevormd zijn naar bedrijfsfuncties in plaats van produkt/marktkarakteristiek. De I&A-taakvelden zijn geconcentreerd en gecentraliseerd.
    In dit model speelt de ondersteunings-unit een belangrijke rol. Zo is deze unit verantwoordelijk voor de voorbereiding van het informatiebeleidsplan en voor het (semantisch) beheer van de bedrijfsgegevens. Bovendien zal de unit een belangrijke stempel drukken op het standaardisatie- en communicatiebeleid van de netwerkorganisatie. De ondersteunings-unit ontwikkelt en beheert ook de gemeenschappelijke informatiesystemen.
    Het integratiemodel kent het risico dat het machtsevenwicht tussen ondersteunings-unit en operationele units uit balans raakt. Hoewel de I&A-taakvelden tamelijk gecentraliseerd en geconcentreerd zijn in de ondersteunings-unit, werkt deze unit uiteindelijk als dienstverlenende instelling ten behoeve van de operationele units. Het evenwicht kan gehandhaafd blijven door bijvoorbeeld gebruik te maken van duidelijke dienstverleningsovereenkomsten en door afschaffing van het principe van 'gedwongen winkelnering'.
    In figuur 5 zijn de vier modellen samengevat.

    Tot slot: samenhang tussen middelenfuncties

    In dit artikel hebben wij vier modellen geschetst voor de inrichting van de I&A-functie. Deze modellen zijn in overheidsorganisaties gehanteerd als basis voor het organisatiebeleid bij invoering van IBV. Het is onze ervaring dat de geschiktheid van een concrete strategie voor een belangrijk deel wordt bepaald door de mate waarin voor de middelenfuncties gelijksoortige inrichtingscriteria zijn gekozen. Het is, met ander woorden, noodzakelijk voor alle middelenfuncties vergelijkbare uitgangspunten te benoemen (zie de vorige paragraaf).
    IBV is bedoeld om multi-aspect coördinatie te verminderen. Effectieve inzet van informatietechnologie (IT) vereist dat unit-management bevoegd en competent is om de inzet van it in samenhang met organisatorische, personele en bedrijfseconomische vraagstukken te bepalen. Het is dus niet reëel om de oplossing van besturingsvraagstukken rondom 'verkokering' en 'management by staff' alleen te zoeken in een herschikking van de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling met betrekking tot de I&A-functie.

    Blokdijk P. (1992), 'Het conflict tussen autonomie en synergie'. Informatiemanagement, juli 1992.
    Delen, G.P.J.A. en M. Looijen (1992), Beheer van informatievoorziening. Rijswijk, Cap Gemini Publishing.
    Doorewaard , J.A.C.M. & W.F. de Nijs (1992), Integraal management. Leiden/Antwerpen, Stenfert Kroese.
    Hurk, F.J.J.G van den & M.B. Louweret (1993), 'Integraal management: oude de wijn in nieuwe zakken of daadwerkelijk een nieuw management-concept? bmi, maart 1993.
    Kastelein, J. (1990), Modulair organiseren. Groningen, Wolters-Noordhoff.
    Keuning, D. & D.J. Eppink (1982), Management en organisatie. Leiden/Antwerpen, Stenfert Kroese.
    Mintzberg, H. (1979), The structuring of organisations. Engelwood Cliffs, Prentice Hall.
    Ruijter, H. de, F.A.J. Veerman, M.A.T. Weegen & G. de Leeuw (1992), Integrerend leiding geven en unit-vorming. Zeist, Kerkebosch.