|
|
Door A. Graafland
Bij geo-informatie wordt informatie over het ruimtelijke component digitaal opgeslagen zodat allerlei organisaties, ook die tot nu toe weinig met vastgoedinformatie te maken hebben potentë‘le gebruikers worden. De invoering van deze systenen verloopt langzaam, te langzaam voor velen. Technologische problemen zijn er niet veel meer. Waar wachten de gemeenten dan nog op?
De situatie van de geo-informatievoorziening in gemeenten is door schrijver dezes onderzocht en gepubliceerd in zijn proefschrift Geo-informatievoorziening in Nederlandse Gemeenten.1 Het onderzoek had de vorm van een tweetrapsraket. De eerste trap, een enquète onder 428 gemeenten, was breed van opzet en niet alleen gericht op de geo-informatievoorziening maar ook op de algehele gemeentelijke automatiseringservaring. Als resultaat van het onderzoek kon een aanzet worden gegeven tot een modelmatige beschrijving van de situatie en ontwikkeling van de geo-informatievoorziening. Dit model is nader onderzocht in de tweede trap, waarbij het onderzoek de diepte inging. In acht middelgrote tot grote gemeenten,2 alle met ervaring met grafisch/geometrische automatisering, werd bij 45 afdelingen met interviews en enquètes gezocht naar de mechanismen die de ontwikkeling bepalen. In dit gemeentelijk onderzoek, waarbij elke onderzochte gemeente een groottegroep representeert (oplopend van 38.000 tot 250.000 inwoners) zijn de onderzoeksresultaten, gezien de beperkte steekproef, niet representatief voor alle gemeenten. Wel geven ze een beeld van wat we bij alle gemeenten mogen verwachten. Als resultaat van het gemeentelijk onderzoek is het beschrijvend model aangepast.
Voordat de situatie van de geo-informatievoorziening in de gemeenten aan de orde komt, wordt eerst stilgestaan bij het begrip geo-informatie, een betrekkelijk nieuw begrip in Nederland. De beschrijving van de situatie hierna richt zich in het eerste deel op de gemeentelijke ervaringen met de algehele automatiseringservaring en verdiept zich daarna in de ervaringen met de grafische (geo-)automatisering. Slechts enkele aspecten van de situatie worden aangestipt. Het artikel wordt afgerond met een modelmatige beschrijving van de variabelen en mechanismen die een belangrijke rol spelen bij de gemeentelijke geo-automatisering. De theorievorming rondom dit onderwerp en een toegepaste interpretatie van de onderzoeksresultaten, resulterend in een visie op de ontwikkelingen in de toekomst, laat ik hier rusten. Daarvoor verwijs ik naar mijn boek.
Geo-informatievoorziening
Geo-informatie is dus in Nederland een betrekkelijk nieuw begrip. Waren inmiddels meer en meer gebruikers bekend met het begrip vastgoedinformatie, momenteel zien we een tendens dat dit woord vervangen wordt door geo-informatie.
Niet alleen is het woord geo-information (-engineering) beter bruikbaar in het buitenland, ook dekt het beter de lading dan vastgoedinformatie. Behalve verwarring met de makelaardij die gemakkelijk wordt veroorzaakt, suggereert het woord vastgoedinformatie voor de buitenstaander dat het om informatie gaat over zaken die zich permanent en vast op een bepaalde plek op of onder het aardoppervlak bevinden. De goedwillende buitenstaander wil de woorden permanent en vast dan nog wel flexibel interpreteren, nu hij inmiddels weet dat ook huizen tegenwoordig soms verplaatst worden en dat een riolering in veenachtige grond wel eens meer dan een meter opzij gedrukt wordt. Deze enge interpretatie van de vastgoed is correct als het gaat om het traditionele object van de vastgoedinformatie. Voorheen beperkte men zich vooral tot deze statische of onroerende goederen. Centraal stonden de registraties van de situatie en het gebruik van bouwwerken, terreinen, leidingnetwerken en virtuele objecten zoals percelen en gebiedsindelingen. Deze registraties werden administratief of grafisch gepresenteerd, op bijvoorbeeld topografische kaarten. Meer en meer werden echter ook minder statische zaken object van de vastgoedinformatie, zoals bodemverontreiniging, luchtvervuiling,scheeps- en autonavigatie. Hoewel het hier om bewegende zaken gaat, staat voor de vastgoedinformatie de plaatsbepaling en ruimtelijke weergave centraal.
Niet alleen door de trend naar het dynamische vastgoedobject was het woord vastgoedinformatie aan verbreding toe. Er is ook de trend van de toenemende gebruiksmogelijkheden van de vastgoedinformatie. Zo is er de ontwikkeling van pure registratie naar beslissingsondersteuning, door middel van berekeningsmodellen in beheerssystemen. Ook zijn er ontwikkelingen naar toenemende technische mogelijkheden om diverse administratieve, van oorsprong niet-vastgoedgegevens, geografisch te presenteren, met bijvoorbeeld GIS3. Als gevolg hiervan worden allerlei organisatiedelen die niets of weinig met vastgoedinformatie van doen hebben, potentiële gebruikers van geo-informatie.
Geo-informatie kan worden opgevat als informatie over statische en dynamische objecten, reëel of virtueel, die ruimtelijk zijn te positioneren en te beschrijven. Deze definitie laat discussie open over wat dan wel en wat niet tot de geo-informatie moet worden gerekend. Immers, alles is op de een of andere wijze ruimtelijk te positioneren. De grens tussen wat dan wel of niet tot het object van geo-informatie moet worden gerekend, zit in het woord 'informatie'. Pas als de ruimtelijke beschrijving of positionering informatie oplevert, in casu relevant is voor een persoon voor de uitoefening van één van z'n werkzaamheden, dan kan het object tot de geo-informatie worden gerekend. Bij geo-informatie staat de problematiek van de ruimtelijke component centraal.
Bij het begrip geo-informatie is het nuttig om onderscheid te maken tussen het grafisch/geometrische deel en het administratieve deel. Het grafisch/geometrische deel, in casu de grafische geo-informatievoorziening, betreft de kaarten met al dan niet een topografische ondergrond. Het administratieve deel wordt gepresenteerd met cijfers of letters, al dan niet voorzien van de mogelijkheid om grafieken te maken. Voor een deel maken de administratieve en grafische geo-informatievoorziening verschillende ontwikkelingen door bij de automatisering - met name veroorzaakt door de structurele schaarste van digitale topografische data, de complexiteit en de hoge kosten van de grafisch/geometrische hard- en software. Voor een ander deel ontwikkelen ze zich naar elkaar toe door bijvoorbeeld het aanbod van nieuwe technologieën in de vorm van GIS, waarin administratieve en grafisch/geometrische gegevens aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Hoewel er verschillen zijn tussen het administratieve en grafisch/geometrische deel, laten beide voor een deel dezelfde ontwikkelingslijn zien.
Behalve over het onderscheid tussen grafische geo-automatisering en administratieve wordt in de tekst ook gesproken over grafische automatisering. Hiermee wordt de automatisering zonder geometrische grondslag bedoeld, zoals het ontwerpen van gebouwen en bruggen met CAD-systemen.
Stand van zaken bij de automatisering
Het onderzoek onder 428 gemeenten heeft vooral de verschillen tussen grote en kleine gemeenten blootgelegd. Grotere gemeenten hebben meer geautomatiseerde informatiesystemen dan de kleinere en hebben meer ervaring met allerlei typen automatiseringswerkzaamheden dan de kleinere.
Met name op het gebied van financiën en bevolkingsregistratie zijn veel informatiesystemen bij gemeenten geautomatiseerd. Geautomatiseerde geo-informatiesystemen komen in veel mindere mate voor en geautomatiseerde grafische informatiesystemen zijn slechts in zeer geringe mate aanwezig. De situatie weerspiegelt de ontwikkeling van de gemeentelijke automatisering. De meeste gemeenten begonnen hun automatisering met informatiesystemen voor financiën en overige administratieve toepassingen, zoals bibliotheek- en postregistratie. Geo-informatiesystemen en overige informatiesystemen, zoals voor berekeningen en werkplanning, werden pas later aangepakt. Grafische automatisering sluit de rij. Momenteel komt grafische automatisering dan ook alleen bij de grotere gemeenten voor.
Ook blijkt dat de automatisering begint met grootschalige registraties voor operationele processen, zoals de bevolkingsadministratie, uitkeringenregistratie, financiële administraties, de registratie van belastingobjecten en de salarisadministratie. De eerste automatisering van informatiesystemen op tactisch niveau (management-beheersingssystemen) en op strategisch niveau (strategische planningsystemen) volgt nadat jaren ervaring is opgedaan met de automatisering van andere systemen.
Hetzelfde beeld laat de automatisering zien van gegevensbanken die door meer dan één afdeling worden gebruikt. Deze gegevensbanken of basisbestanden zijn belangrijk omdat zij een sleutelrol kunnen vervullen in de verdere ontwikkeling van de automatisering. Zij vormen de basis bij de standaardisatie van gegevens in de organisatie. Maar pas als een gemeente veel automatiseringservaring heeft, zal zij deze onvoldoende standaardisatie als een belangrijk probleem ervaren.
Bij kleinere gemeenten komen geen of weinig meervoudig gebruikte geautomatiseerde gegevensbanken of basisbestanden voor; bij grotere gemeenten zijn deze wel aanwezig, zij het in zeer bescheiden aantallen. Geautomatiseerde gegevensbanken die bij alle gemeenten voorkomen, hebben betrekking op de bevolkingsgegevens. Middelgrote gemeenten beschikken ook over databanken met financi‘le gegevens en persoonsinformatie. Alleen de grootste gemeenten hebben relatief veel gegevensbanken met geo-gegevens.
Kleine gemeenten hebben doorgaans geen aparte afdeling die de informatievoorziening voor de gemeente behartigt. De automatisering wordt dan vaak ondergebracht bij de afdeling Financiën. Grotere gemeenten kennen vaak wel een afdeling automatisering/informatie(voorziening). In sommige gevallen wordt informatievoorziening wel gecombineerd met organisatie, beleid en bestuur.
Diensten of bedrijven die in de praktijk autonoom werken bedienen vaak zichzelf, zoals bij kleinere gemeenten openbare werken en bij grotere gemeenten de brandweer, politie en de gemeentelijke sociale dienst.
In bijna alle gemeenten is een coördinator aangewezen die zich bezig houdt met het afstemmen van de automatiseringsactiviteiten tussen de verschillende afdelingen en diensten (horizontale coördinatie). Vaak geeft de coördinator ook leiding aan de automatiseringsactiviteiten binnen de gemeente. De coördinatie is als gevolg daarvan vooral gericht op de automatisering. Een coördinator die zich ook interesseert voor het niet geautomatiseerde deel, komt nog weinig voor. Alleen bij grotere gemeenten is de coördinator full time aangesteld, bij kleinere gemeenten is het coördinatorschap veelal een nevenfunctie van een ambtenaar, vaak bij Financiën.
De meeste gemeenten hebben ook een stuurgroep voor de automatisering. De stuurgroep heeft doorgaans tot taak begeleiding, ondersteuning en stimulering van de automatisering, voorbereiding van het automatiseringsbeleid of het informatiebeleid en het opstellen van automatiseringsplannen of informatieplannen. Gemeenten met een stuurgroep hebben daarom ook bijna altijd een informatieplan. Ook blijkt de prioriteitsstelling tussen automatiseringsprojecten bij hen meer geformaliseerd te zijn dan bij gemeenten zonder stuurgroep.
Alleen bij grotere gemeenten is de informatievoorziening bijna altijd een neventaak van een portefeuillehouder in het college van Burgemeester en Wethouders. Ook kennen kleine gemeenten nauwelijks raadscommissies die zich bezig houden met de informatievoorziening.
Gezien het bovenstaande wekt het geen verwondering dat de kosten van de automatisering exponentieel toenemen met de gemeentegrootte. Niet alleen is het aantal geautomatiseerde informatiesystemen groter, zij zijn ook omvangrijker. Interessanter zijn de automatiseringskosten per bestuurd object, bijvoorbeeld per inwoner en de kosten per bestuurd object per geautomatiseerd informatiesysteem, zie figuur 1. Het zijn vooral de burgers die direct of indirect voor de kosten opdraaien.
De gemiddelde totale kosten per geautomatiseerde toepassing per inwoner blijken dus globaal omgekeerd evenredig te zijn met de gemeentegrootte. Voor kleine gemeenten is de geautomatiseerde verwerking van een gegeven dus relatief duur. Opvallend is dat de kosten bij de grote gemeenten weer toeneemt. Deze tendens is nog sterker zichtbaar als de gemiddelde automatiseringskosten alleen per inwoner wordt uitgedrukt. Hier manifesteert zich het economisch principe waarbij kostenreductie door schaalvergroting en specialisatie te niet wordt gedaan door hogere kosten voor coördinatie en complexiteit waarvoor meer deskundigheid nodig is. Omdat de automatisering zich nog steeds verder ontwikkelt zijn de absolute bedragen uit figuur 1 momenteel uiteraard hoger, maar de karakteristiek van de lijn zoals die is getekend, blijft van toepassing.
Grafische automatisering
De grafische automatisering ontwikkelt zich volgens het onderzoek in grote lijnen via dezelfde mechanismen als die van de administratieve automatisering. Ook bij de grafische informatievoorziening hebben grotere gemeenten een gemiddeld hogere automatiseringsgraad dan de kleinere. De grotere gemeenten zijn eerder met de grafische automatisering gestart en zijn geleidelijk aan verder gaan automatiseren.
Opvallend is wel dat dit mechanisme zich momenteel niet vertaalt naar afdelingsniveau. Worden gelijksoortige afdelingen van verschillende gemeentegrootte onderling met elkaar vergeleken dan is niet altijd een oplopende automatiseringsgraad te zien bij oplopende gemeentegrootte. Dit wijst eerder op de initiële fase waarin de grafische automatisering zich nog bevindt - en waarbij vooral enthousiasme en ook externe factoren een belangrijke rol spelen - dan op een structureel ander gedrag van de grafische automatisering. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van succesvolle invoering van GIS-applicaties. Dit blijkt niet direct gerelateerd te zijn aan de gemeentegrootte en aan de startdatum. Kleinere gemeenten met veel ambitie en gemeenten die relatief laat zijn gestart, kunnen snel doorgroeien, zij het dat deze snelle ontwikkeling kwetsbaar is.
In het algemeen begint de ontwikkeling van de grafische automatisering enkele jaren nadat men is begonnen met de administratieve automatisering. Alleen bij afdelingen die uitsluitend grafisch werken, zoals bij landmeetkunde en stedebouwkunde/stadsontwikkeling, blijkt de grafische automatisering snel te volgen op die van de administratieve automatisering.
Net als bij de administratieve automatisering zijn de omvangrijkste grafische gegevensverzamelingen als eerste geautomatiseerd. De verbetering van de effici‘ntie van de gegevensverwerking en het gegevensbeheer is hiervoor de reden.
Analoog aan de administratieve automatisering, kan ook voor de grafische automatisering worden opgemaakt dat gaandeweg steeds complexere functies zullen worden gerealiseerd. Meer dan de helft van de grafische gegevensverzamelingen, zowel de handmatige als de geautomatiseerde, heeft een registratiefunctie. Alleen een klein deel is bedoeld voor analyse en voor planning.
In de onderzochte gemeenten draaien nog slechts weinig GIS-applicaties van betekenis. In de eerste periode van de grafische geo-automatisering ligt de nadruk op het aanmaken van een digitale topografie, met later daaraan toegevoegd registratieve mogelijkheden. Momenteel wordt in geen van de acht onderzochte gemeenten GIS gebruikt op het niveau van beslissingsondersteuning voor managementbeheersing of strategische planning. In die zin is GIS nog een belofte voor de toekomst.
Hoewel de redenen om te kiezen voor grafische automatisering kostenbesparing en kwaliteitsverbetering zijn, blijkt achteraf dat het geautomatiseerd bijhouden van de grafische bestanden geen duidelijk kostenvoordeel geeft ten opzichte van het handmatig bijhouden en dat de kosten zelfs toenemen naarmate men langer met automatisering bezig is. Wel zien we een kwaliteitsverbetering van het produkt; er kunnen meer analyses worden uitgevoerd en beter worden gepresenteerd. Dit leidt tot meer werk, wat niet altijd door de betrokkenen als een verbetering wordt gevoeld. Dit geldt ook voor de toenemende opleidingsbehoefte, wat kan leiden tot conflicten met oudere medewerkers.
Ondanks de hogere kosten laat men zich niet ontmoedigen. Het belangrijkste motief om ook de nog niet geautomatiseerde grafische gegevensverzamelingen te automatiseren richt zich dan ook veel meer op de verwachte kwaliteitsverbetering. Vooral in de beheerstaken van de openbare ruimte zit volgens de onderzochte gemeenten de potentiële kwaliteitsverbetering.
Net zoals de reden tot grafische automatisering verschuift ook de problematiek van de grafische automatisering. Afdelingen die de grafische automatisering willen invoeren, zien dit vooral als een technologisch probleem. Later, na de introductie van de grafische automatisering, denkt men aan complexere functies of aan een integraal systeem en blijkt het probleem zich te verschuiven naar de organisatorische kant. Bij deze 'opgeloste' technische problemen dient in ogenschouw te worden genomen dat in een later stadium, als de gemeenten gaan denken aan volledige integratie van de geometrische en administratieve bestanden - in plaats van koppeling zoals nu gebeurt - de technische problemen weer van belang worden.
Bij de ontwikkeling en groei van de grafische geo-informatievoorziening blijkt een voortdurende organisatieverandering nodig te zijn. Zo is organisatieverandering volgens de respondenten een voorwaarde voor introductie van de grafische geo-automatisering, het gevolg van de invoering van deze automatisering en vervolgens ook de oplossing van de huidige problemen bij deze automatisering.
Een succesvolle invoering blijkt samen te hangen met de aanwezigheid van een coördinerende afdeling die invloed heeft, hetzij via een sterke positie met voldoende bevoegdheden binnen de organisatiestructuur, hetzij via het aanbod van een goed produkt. Voor een succesvolle bottom-up coördinatie via het aanbod van een goed produkt is een financiering van de investering nodig en een goed ondernemerschap.
In de gemeenten waar de coördinerende afdelingen van de grafische geo-automatisering een sterke positie hebben, is de ontwikkeling van de grafische geo-automatisering sneller verlopen dan in de gemeenten die deze niet of niet op voldoende hi‘rarchisch niveau hebben. Daarnaast blijken de 'snelle groeiers' ook een sterke, maar niet afhankelijke band te hebben met een systeemleverancier of softwarehouse.
Met uitzondering van incidentele externe omstandigheden hebben externe factoren de ontwikkeling van de grafische geo-informatievoorziening in de onderzochte gemeenten weinig beïnvloed. De grotere gemeenten maken veelal hun eigen digitale basiskaart overeenkomstig hun eigen eisen en zijn hierdoor niet afhankelijk van andere partijen. De gemeenten hebben zich doorgaans slechts in beperkte mate laten leiden door uniformeringsprincipes van de VNG.
Daar waar echter externe factoren zich manifesteren, zoals de aanwezigheid van een digitale topografie gemaakt door derden of de beschikking over extra gelden in verband met een status als groeistad, hebben deze een substantiële invloed gehad op de ontwikkeling van de grafische geo-automatisering.
De grafisch/geometrische automatisering wordt geconditioneerd door de gemeentegrootte, in casu de omvang van gegevensverwerkende processen en door externe factoren, zie figuur 2. Besluit men eenmaal tot de invoering van een nieuwe technologie leidt toenemende ervaring tot verdere ontwikkeling van de technologie in de organisatie.
De omvang van de gegevensverwerkende processen bepaalt zowel de mate waarin computers rendabel kunnen worden ingezet als de mate van coördinatie en specialisatie. Dit laatste heeft gevolgen voor de mate waarin deskundigheid kan worden verkregen binnen de organisatie. Externe factoren hebben in het algemeen een conditionerend effect via het aanbod van nieuwe technologieën, het goedkoper worden van technologieën, de toename van kennis en wetenschap, de wetgeving en dergelijke op het gebied van de informatievoorziening, maar kunnen dat ook in specifieke gevallen hebben in de vorm van de beschikbaarheid van extra gelden, pilot projecten en dergelijke.
Is eenmaal de nieuwe technologie geïntroduceerd, dan leidt de toenemende ervaring tot een toename of verandering van de (informatie-)behoeften, uitmondend in een verdere groei van deze nieuwe technologie en/of aftakeling van de oude. Deze ontwikkeling van de technologie is in het model in het rechterblok weergegeven; de cirkel laat het continue karakter van deze ontwikkeling zien. Een opeenstapeling van cirkels zou het beeld kunnen aannemen van een spiraal (zoals Bemelmans, 1991, p. 17)5 of van een aaneenschakeling van s-krommen (zoals Nolan, 1979).6
De stand van zaken, in casu de automatiseringservaring op dat moment, kan uitgedrukt worden in variabelen die volgens het onderzoek een groei blijken te vertonen, afhankelijk van de conditionerende variabelen, te weten:
automatiseringskosten, die vervolgens weer worden bepaald door onder andere de aanwezige hard- en software en de tijd die aan automatiserings wordt besteed;
opleidingsniveau;
complexiteitsniveau automatisering (ondersteuning beslissingsniveau en uitvoeringsniveau, mate van integratie, communicatie, gegevensbanken);
hi‘rarchisch niveau coördinerende organisatie;
automatiseringsgraad;
houding ten opzichte van automatisering door personeel, management en bestuur.
Gekoppeld aan de automatiseringssituatie stimuleren de push- en pullfactoren (informatieproblemen of informatiewensen) een voortgaande ontwikkeling. Deze problemen en wensen leiden in de beginfase van de automatisering vooral tot technologische ontwikkeling - meer automatisering en meer complexiteit - en later vooral tot organisatorische ontwikkelingen zoals reorganisatie, de verandering van het hiërarchisch niveau van de coördinerende organisatie.
Deze ontwikkeling gaat door totdat stabiliteit ontstaat tussen de conditionerende factoren (aanbod) en de interne factoren (vraag). Volgens dit model zal de automatisering van kleine gemeenten blijvend verschillen van de automatisering van grote gemeenten, met daartussen allerlei overgangen. Kleine gemeenten zullen blijvend een kleinere hoeveelheid gegevensverwerking automatiseren en daardoor niet beginnen aan bepaalde technologieën of deze slechts in beperkte mate benutten. Als er al bestuurlijke aandacht zou zijn voor automatisering in de kleine gemeenten, wordt deze voornamelijk gecreëerd door externe factoren.
Behalve de dynamiek tussen aanbod en vraag van en naar technologie, die zich vooral afspeelt tussen gebruikers op afdelingsniveau en leveranciers, is vooral ook de dynamiek tussen bottom-up ontwikkeling en top-down sturing essentieel voor de ontwikkeling van de automatisering op de langere termijn. Deze laatste dynamiek speelt zich af tussen enerzijds het lager management en anderzijds het hoger management en bestuur. Van nature is de ontwikkeling van de automatisering in gemeenten bottom-up van karakter. Initiatieven worden veelal in eerste instantie op afdelingsniveau ontplooid. Pas geleidelijk aan neemt tijdens het automatiseringsproces de betrokkenheid van het hoger management en bestuur toeneemt. De houding en kracht van het gemeentelijk hoger management en -bestuur bepaalt of de ontwikkeling van de (geo-)automatisering vooral bottom-up van karakter blijft, waardoor de ontwikkeling en invoering van een gemeentebrede en een algemeen geaccepteerde informatie-in frastructuur7 zal worden geblokkeerd, of dat de sturing van de ontwikkeling top-down gericht zal worden.
Deze beide hoofdstuurmechanismen die zich ontwikkelen van bottom-up naar top-down en van aanbod gestuurd naar vraag gestuurd grijpen op elkaar in en vormen met elkaar een matrix, zie figuur 3.
De ontwikkeling van de gemeentelijke (geo-)automatisering tot nu toe is in bijna alle gevallen te beschrijven als een bottom-up ontwikkeling (ad 1 en ad 2). De aanwezige stuurgroepen richten zich vooral (nog) op afdelingsbelangen en de onderlinge afstemming daarvan, zonder dat daaraan een concreet gemaakte visie op de informatie-in frastructuur ten grondslag ligt die met kracht ter hand wordt genomen. Hierin ligt een belangrijke reden waarom het nieuwe aanbod, zoals de GFO's en de zogenoemde geïntegreerde vastgoed-informatiesystemen, die beide een top-down sturing in de gemeentelijke organisatie vereisen, (nog) weinig ingang vindt in de gemeenten.
In hoeverre de geo-informatievoorziening zich kan en zal ontwikkelen tot een geïntegreerde informatievoorziening, daarmee de grote belofte die het al jaren zou zijn, realiserend, hangt af van het vermogen van het hoger management en het bestuur sturing te geven aan de ontwikkeling naar een gemeentebrede informatie-in frastructuur en vervolgens van de mate waarin deze integratie werkelijk tegemoet komt aan de informatiebehoefte van de gebruikers.
|
























|