I&I-> Jaargangen -> Artikel

Telegrafie
als grootschalig
technisch systeem

Door O. de Wit


In juni 1845 kwam de eerste elektrische telegraafverbinding in Nederland tot stand. Een op palen rustende ijzerdraad verbond de seintoestellen op de stations van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij in Amsterdam en Haarlem, een traject van negentien kilometer. Vijfenvijftig jaar later telde Nederland 623 Rijkstelegraafkantoren, was er ruim 20.000 kilometer telegraafdraad gespannen, waren er meer dan 1.100 telegraaftoestellen in gebruik en werden er jaarlijks vijf miljoen telegrammen gewisseld. Een bescheiden begin legde de basis voor een grootschalig communicatienetwerk.1


In de technologie-dynamica in het algemeen en de techniekgeschiedenis in het bijzonder geniet de systeembenadering momenteel een grote belangstelling. Niet in het minst is deze belangstelling te danken aan het in 1983 verschenen boek van de Amerikaanse techniekhistoricus Thom Hughes, Networks of power.2 In dit boek wordt de geschiedenis van de Westerse elektriciteitsvoorzieningen beschreven als de ontplooiing van een grootschalig technisch systeem. Dergelijke systemen zijn opgebouwd uit een groot aantal technische en niet-technische componenten en bezitten zowel in tijd als in ruimte vaak een aanzienlijke reikwijdte. Het functioneren van technische systemen wordt voor een belangrijk deel bepaald door de wisselwerking tussen de technische en organisatorische, economische, politieke, juridische en culturele componenten van het systeem. De ontwikkeling van systemen kan gefaseerd worden, omdat op verschillende momenten een karakteristieke systeemconstellatie ontstaat, waarin bepaalde systeemcomponenten de boventoon voeren. Het is Hughes' stelling dat grootschalige systemen op het gebied van energie, transport en communicatie de essentie vormen van onze huidige technologie en daarmee in belangrijke mate het moderne maatschappelijk leven vormen. Waar Hughes evenwel grote technische systemen als karakteristiek voor de twintigste eeuw ziet, hebben anderen gewezen op het bestaan van dergelijke systemen in de negentiende eeuw en zelfs in pre-industriële tijden. Het belangrijkste elektrische communicatienetwerk in de negentiende eeuw, de telegrafie, kan inderdaad zowel op mondiaal als nationaal niveau als een grootschalig technisch systeem gezien worden. De opbouw en ontwikkeling van de telegrafie in Nederland vergde een succesvolle integratie van technische en niet-technische elementen. Dit proces van integratie werd op verschillende tijdstippen door verschillende groepen belanghebbenden gedragen en vormgegeven.
Globaal kan de ontwikkeling van de telegrafie in Nederland gekenschets worden als een proces met drie fasen. De eerste fase liep van de introductie van de telegraaf in 1845 tot aan de oprichting van de Rijkstelegraaf in 1852. De tweede fase liep tot aan 1877, het jaar waarin de telefoon in Nederland werd geïntroduceerd, terwijl de derde fase de gehele rest van de negentiende eeuw besloeg. Per periode zullen de belangrijkste systeemkarakteristieken aan de orde komen, terwijl tot besluit getracht zal worden de ontwikkeling van de telegrafie te relateren aan meer algemene noties omtrent de dynamiek van grootschalige technische systemen.

Onzekerheid

De eerste elektrische telegraafverbinding in Nederland kwam in 1845 door particulier initiatief tot stand. Initiatiefnemer was de fabrikant van wis- en natuurkundige apparaten Eduard Wenckebach. Samen met F.W. Conrad, ingenieur-directeur van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM), stelde Wenckebach een plan op om als proef een telegraaflijn langs de spoorlijn Amsterdam-Haarlem aan te leggen. Primair bedoeld voor dienstberichten, werd al in een vroeg stadium gedacht aan het verzenden van telegrammen door het publiek. Verzoeken om toestemming hiervoor aan de Rijksoverheid bleven evenwel onbeantwoord, zodat de HIJSM in 1847 besloot op eigen initiatief te handelen. Op 18 maart 1847 werd het eerste openbare telegram verzonden over de inmiddels naar Den Haag verlengde lijn.
Wenckebachs plannen gingen verder dan een telegraaflijn tussen Amsterdam en Haarlem. Tussen 1845 en 1847 vroeg hij bij de Rijksoverheid in totaal drie concessies aan voor verschillende telegraafverbindingen, inclusief een plan voor een algemeen Nederlands telegraafnetwerk. Ook op deze aanvragen werd door de overheid in eerste instantie niet gereageerd. De houding van de overheid in deze jaren ten opzichte van de telegraaf kan als tegelijkertijd afwachtend en wantrouwend worden gekenschets. Angst voor een daling van de opbrengsten van de Staatsposterijen door de concurrentie van het nieuwe communicatiemedium speelde daarbij een rol. De politieke rol die de telegraaf in tijden van onrust zou kunnen vervullen vormde eveneens een bron van zorg. Belangrijker was misschien nog wel, dat allerminst duidelijk was welke betekenis de telegraaf bezat en wat haar rol in het maatschappelijk leven was. Dit maakte het begrijpelijk dat in een in 1847 afgekondigd Koninklijk Besluit de telegrafie vooralsnog werd overgelaten aan het particulier initiatief, maar dat tegelijkertijd de exploitatie en het gebruik van de telegraaf streng werden gereglementeerd.
Het Besluit van 1847 schiep binnen zekere grenzen de mogelijkheid van particuliere telegraafexploitatie. Inderdaad werden na 1847 verschillende maatschappijen opgericht die particulier telegraafverkeer tussen Amsterdam en Den Helder, Rotterdam en Brouwershaven, en Scheveningen en Londen gingen verzorgen. Samen met de telegraaflijn van de HIJSM kwam tussen 1845 en 1854 een viertal telegraaflijnen tot stand. Van een onmiddellijk succes van de telegrafie in Nederland was geen sprake. De telegraaflijn van de HIJSM werd aanvankelijk weinig gebruikt, terwijl de financiering van de andere lijnen de nodige problemen opleverde. Zowel voor de potentiële gebruikers en financiers van de eerste telegraaflijnen als voor de Rijksoverheid vormde de telegraaf een medium waarvan het belang niet bij voorbaat vaststond.

Telegraafwet

In 1850 was de uitzonderingspositie waarin Nederland zich op dat moment op telegrafiegebied bevond, voor de Rijksoverheid reden om haar aandacht intensiever dan voorheen op de telegraaf te richten. Met name de voor de telegraaf verantwoordelijke minister van Binnenlandse Zaken, J.R. Thorbecke, nam hierin het voortouw. Een inmiddels gevormde adviescommissie, bestaande uit Wenckebach, Conrad en de inspecteur van Waterstaat L.J.A. van der Kun, constateerde dat de 83 kilometer Nederlandse telegraaflijn pover afstak tegen de in het buitenland gevormde netten. Bovendien was men inmiddels overtuigd geraakt van de betekenis die de telegraaf kon hebben voor de handel, de nijverheid, het politieke bestuur, de politie en de defensie. Gezien het algemene belang van de telegrafie was het een dringende noodzaak dat er een nationaal netwerk van telegraaflijnen kwam. De Rijksoverheid zou de aanleg en de exploitatie van dat net moeten gaan verzorgen. Het achterliggende idee daarbij was dat particuliere ondernemingen zich toch voornamelijk zouden richten op de lijnen die van zuiver economisch belang waren, en de niet-winstgevende verbindingen zouden verwaarlozen. Om dit te voorkomen diende er een Rijkstelegraafdienst te worden opgericht die zowel de rendabele als de niet-rendabele lijnen ging exploiteren. In tegenstelling tot particuliere exploitatie behoefde rijksexploitatie geen winstonderneming te zijn; het dekken van de kosten werd als voldoende. Wat bij de keuze voor staatsexploitatie ook meespeelde, was het feit dat de Pruisische regering weigerde haar staatslijnen aan te sluiten op een door particulieren geëxploiteerd net. Voor het tot stand komen van verbindingen met Duitsland was de oprichting van een Rijkstelegraaf dus een onverbiddelijke voorwaarde.
Met deze strekking werd op 7 maart 1852 de 'Wet tot regeling der gemeenschap door electro-magnetische Telegrafen' aangenomen.3 Artikel 1 bepaalde dat 'Van Staatswege electro-magnetische telegrafen [worden] aangelegd en onderhouden, tusschen 's-Gravenhage en de voornaamste steden, vestigingen en havens van het Rijk.' De voor een dergelijk net benodigde gelden kwamen ten laste van de Staatsbegroting. De Telegraafwet sloot telegrafie door particuliere ondernemingen niet uit, maar deze vereiste koninklijke goedkeuring en diende, evenals de Rijkstelegraafdienst, uitgevoerd te worden ten behoeve van het publiek en in het algemeen belang. Staatsexploitatie werd daarmee de regel, en particuliere exploitatie uitzondering.
In een periode van zeven jaar tijd was dus het initiatief op telegrafiegebied verschoven van particuliere ondernemingen naar de Rijksoverheid. In samenhang met deze verschuiving was er meer duidelijkheid ontstaan over het belang en de functie van de telegraaf, en was er een wettelijk, institutioneel-organisatorisch en financieel kader geschapen waarbinnen de telegraaf zich kon ontplooien. De onzekerheid die de telegraaf tot dusverre had omringd, was daarmee van de baan.
Vanaf 1852, het jaar van de Telegraafwet en de oprichting van de Rijkstelegraaf, werden systematisch belangrijke telegraafverbindingen aangelegd, met het doel te komen tot een nationaal telegraafnetwerk dat bovendien aansloot op de belangrijkste buitenlandse verbindingen. In december 1852 werd de eerste lijn voor het publiek geopend, van Amsterdam via Den Haag, Rotterdam, Dordrecht en Breda naar de Belgische grens. In de eerste helft van 1853 volgde de openstelling van een lijn van Amsterdam over Utrecht en Arnhem naar de Duitse grens, terwijl in de jaren daarna het netwerk zich in de richting van Zuid- en Noord-Nederland uitbreidde. In 1855 waren de belangrijkste plaatsen in Nederland telegrafisch verbonden.

Uitbreiding

De kosten voor de aanleg van het netwerk dat in 1855 was gevormd waren in 1852 begroot op 400.000 gulden. De jaarlijkse uitgaven werden geschat op 55.000 gulden en de jaarlijkse ontvangsten op 70.000 gulden. Per saldo ontstond er op deze manier elk jaar een winst van 15.000 gulden, en dit terwijl de Rijkstelegraaf slechts kostendekkend diende te zijn. In praktijk bleken de verschillende berekeningen evenwel niet op te gaan. De aanlegkosten waren in 1855 opgelopen tot circa 500.000 gulden, en zowel de kosten van exploitatie en onderhoud als de inkomsten waren jaarlijks belangrijker hoger dan geschat. De verhouding tussen de uitgaven en de opbrengsten was in de eerste vijftien jaar van het bestaan van de Rijkstelegraaf, met uitzondering van de jaren 1852 en 1862, echter nog zodanig dat een positief saldo kon worden geboekt. Deze situatie veranderde in 1867. Vanaf dat jaar leed de Rijkstelegraaf consequent een jaarlijks verlies. Dit was opmerkelijk omdat het aantal verzonden en ontvangen telegrammen voortdurend steeg. In 1853 werden in totaal 45.700 telegrammen verzonden, tegen 1.496.500 in 1868. De toename van het telegraafverkeer werd onder meer veroorzaakt door een tariefsverlaging in 1858. In dat jaar werd het telegramtarief onafhankelijk van de af te leggen afstand. Al naar gelang het aantal woorden betaalde men nu een prijs varierend van 50 cent tot 4,50 gulden.
Het toegenomen gebruik van de telegraaf resulteerde niet in een evenredige stijging van de netto inkomsten. Een verklaring voor deze ontwikkeling kan worden gevonden in de kostenstructuur van het telegraafbedrijf. Een relatief geringe vermeerdering van het aantal telegrammen maakte uitbreiding van het personeel en de apparatuur op de kantoren noodzakelijk en zorgde daarmee voor een disproportionele toename van de exploitatiekosten. Indachtig het idee dat de telegraaf een algemene nutsvoorziening was die voor een zo groot mogelijk deel van de bevolking beschikbaar moest zijn, werd bovendien doorgegaan met het openen van nieuwe kantoren. Daar de grootste provinciesteden al in de jaren 1850 in het telegraafnet waren opgenomen, werden meer en meer kleinere plaatsen telegrafisch verbonden. Veel van de kantoren in deze plaatsen kostten meer dan ze opbrachten: rond 1869 maakte circa de helft van de Rijkstelegraafkantoren verlies.
Op verschillende manieren werd getracht aan deze ongewenste situatie een einde te maken. Ten eerste konden de inkomsten worden verhoogd door het telegraafverkeer te stimuleren. Met dit doel werd per 1 januari 1868 het tarief voor een telegram met minder dan 20 woorden verlaagd van 50 cent naar 30 cent. Inderdaad werd hierdoor het telegraafverkeer andermaal in belangrijke mate gestimuleerd, maar tot een structurele verandering in de kostenstructuur leidde het niet. In samenhang met de tariefsverlaging werd de capaciteit van de lijnen verhoogd door het gebruik van snellere apparatuur. De Rijkstelegraaf was in 1852 van start gegaan met in Duitsland vervaardigde Morse-seintoestellen. Met deze toestellen konden circa 15 woorden per minuut worden overgeseind. In 1868 werden door de Rijkstelegraaf proefnemingen gedaan met het telegraaftoestel van de Amerikaan D.E. Hughes dat het verzonden bericht direct in drukschrift op een papierstrook schreef, in tegenstelling tot de strepen en punten van het Morse-toestel. De Hughes-telegraaf bezat een capaciteit van circa 35 woorden per minuut en bracht dus een verdubbeling van de seinsnelheid. De proefnemingen met het nieuwe toestel waren succesvol en op een aantal drukke lijnen werd het dan ook in gebruik genomen. Een derde toesteltype werd in 1874 ingevoerd. Dit door de Fransman B. Meyer ontworpen toestel maakte het mogelijk meerdere berichten vrijwel gelijktijdig over dezelfde lijn te verzenden. De capaciteit bedroeg bij een bediening door vier telegrafisten circa 60 woorden per minuut.

Post- en telegraafkantoren

Naast het stimuleren van het verkeer werden er ook pogingen ondernomen om de exploitatiekosten te verminderen. Als voorbeeld kon Pruisen dienen, waar vanaf 1849 de Post- en Telegraafdiensten waren samengevoegd en waar in kleinere plaatsen met weinig verkeer beide diensten in één gebouw werden uitgeoefend. Zodoende kon aanzienlijk worden bespaard op de kosten van huisvesting en personeel. In Nederland werd in 1869 besloten tot een soortgelijke vereniging van posterijen en telegrafie. Tot die tijd hadden beide staatsdiensten geheel gescheiden van elkaar gefunctioneerd en ressorteerden ze elk onder een ander departement: de posterijen onder het ministerie van Financiën en de telegraaf onder Binnenlandse Zaken. In maart 1870 werd te Oss het eerste gebouw met een gecombineerde post- en telegraafdienst geopend, en in de daaropvolgende jaren werden geleidelijk over het gehele land verenigde kantoren geopend. In 1881 telde Nederland 132 van dergelijke kantoren. De instelling van verenigde post- en telegraafkantoren vormde een belangrijke bijdrage aan de verdere verspreiding van de telegrafie, omdat nu met minder kosten dan voorheen in kleinere plaatsen Rijkstelegraafkantoren konden worden opgericht. Niettemin werden veel gemeenten weerhouden van de stichting van een verenigd kantoor, omdat ze de kosten moesten dragen van de gebouwen en de huisvesting van de kantoorbeheerders en bovendien de opbrengst van het telegraafkantoor dienden te garanderen voor een bedrag van 800 gulden. Een oplossing voor het structurele tekort van de Rijkstelegraaf boden de post- en telegraafkantoren bovendien niet, daarvoor was de vereniging te halfslachtig. Weliswaar waren de Post en de Telegraaf nu grotendeels bij hetzelfde departement van Financiën ondergebracht, maar er bleven strikt gescheiden ambtenarenkorpsen en administraties bestaan en er werd geen algemeen Hoofdbestuur gevormd. Dit laatste gebeurde pas in 1886, nadat beide diensten in 1877 tot één afdeling waren verenigd onder het nieuwe departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid.
De uitbreiding van het Rijkstelegraafnet na 1855, het jaar waarin de belangrijkste plaatsen van Nederland met behulp van de telegraaf met elkaar waren verbonden, stond dus in het teken van het streven ook de rest van de Nederlandse bevolking tegen zo gering mogelijke kosten de mogelijkheid te bieden tot deelname aan het telegraafverkeer. Tariefsverlagingen en de instelling van post- en telegraafkantoren waren hiertoe de middelen. Aan de basis van dit streven lag de visie waarin de telegraaf als een algemeen belang werd gezien. Of de telegraaf ook daadwerkelijk fungeerde als een algemene nutsvoorziening, is de vraag. Ten eerste bleven ook na de instelling van verenigde post- en telegraafkantoren de kleinere plattelandsgemeenten om financiële redenen verstoken van een telegraafkantoor. Ten tweede bleven de tarieven in vergelijking met een gangbaar weekloon van circa 6 gulden aan de hoge kant. Ten slotte was de werkkring van de telegraaf vanuit sociaal oogpunt beperkt. Zowel in de jaren 1850 en 1860 waren telegrammen met een zakelijke inhoud veruit in de meerderheid. Het waren met name de (effecten)handel, de scheepvaart en het dagbladbedrijf die een druk gebruik van de telegraaf maakten, terwijl de overheid relatief weinig de telegraaf inschakelde. Van betekenis was de telegraaf dus vooral voor een relatief kleine groep van kooplieden, industriëlen en dagbladredacteuren.
Aan het einde van de jaren 1870 was het telegraafbedrijf een omvangrijke hoewel niet algemene voorziening, dat bovendien in haar streven naar een het gehele land omvattend net werd geplaagd door financiële problemen. De technische en organisatorische oplossingen die voor deze situatie werden aangedragen vormden samen het belangrijkste mechanisme dat het telegrafie-systeem een eigen dynamiek gaf. Tegen deze achtergrond van een dynamisch en grootschalig technisch systeem moet de introductie van de telefoon in 1877 gezien worden. De telefoon biedt een interessante mogelijkheid om te onderzoeken hoe een bestaand systeem na een periode van interne dynamiek omgaat met een uitdaging van buitenaf.

De telefoon

De Rijkstelegraaf ondernam eind 1877-begin 1878 de eerste proefnemingen met de telefoon van Bell. Waarschijnlijk andermaal geïnspireerd door het voorbeeld van Duitsland, waar de telefoon al in november 1877 was ingeschakeld in de telegraafdienst, werd ook in Nederland onderzocht wat de betekenis van de telefoon voor het telegraafverkeer kon zijn. De proefnemingen verliepen niet bijzonder gunstig. Met name de inductie afkomstig van telegraafdraden, de onverstaanbaarheid van een deel van de gesprekken en de verzwakking van het geluidssignaal over langere afstanden zorgden ervoor dat de telefoon aanvankelijk geen al te hoge verwachtingen opriep. Niettemin werd de telefoon als een belofte voor de toekomst gezien, vooral met het oog op de gemakkelijke bediening en de - in vergelijking met een telegraaftoestel - lage prijs. Het werd daarom niet uitgesloten dat op termijn de telefoon een rol zou kunnen gaan vervullen op kleine en rustige telegraafkantoren waar per dag slechts enkele telegrammen werden behandeld. Vooralsnog werd de telefoon evenwel uitsluitend gebruikt door de technische dienst van de Rijkstelegraaf.
In 1879 kwam hierin verandering. Over een telegraafkabel van het telegraafkantoor op Vlieland naar het in aanbouw zijnde kantoor op Terschelling werd door de chef van het Technisch Beheer van de Rijkstelegraaf, J.M. Collette, intensief getelefoneerd. Tot aan de opening van het kantoor op Terschelling bleef deze telefonische verbinding bestaan. De berichten werden behandeld als telegrammen, terwijl de goedwerkende telefoontoestellen - afkomstig uit de Berlijnse fabriek van Siemens & Halske - werden bediend door telegraafbeambten. In 1880 leidde een ten bate van de postdienst aangelegde telefoonverbinding tussen de Texelse plaatsjes Den Burg en De Cocksdorp tot het verzoek van de eilandbewoners, deze verbinding voor het publiek open te stellen. De minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid willigde dit verzoek in. Uit de vermeldde restrictie, namelijk dat de Rijkstelegraaf zich niet verantwoordelijk achtte voor de nauwkeurigheid van de berichtgeving, bleek evenwel dat men nog steeds niet geheel overtuigd was van de technische kwaliteiten van de telefoon.
Het Texelse verzoek was voor de minister aanleiding om een ontwerp-besluit bij de Koning in te dienen betreffende het overbrengen van berichten door middel van de telefoon. De door de minister met de Raad van State over dit ontwerp-besluit gevoerde discussie vormde de opmaat tot de juridische en organisatorische regeling van het gebruik van de telefoon door de telegraafdienst. In twee instanties keerde de Raad van State zich tegen de plannen van de minister. Aanvankelijk was ze het principieel oneens met het per Koninklijk Besluit regelen van het gebruik van de telefoon door de Rijkstelegraafdienst. Dat gebruik impliceerde de oprichting van een nieuwe Rijksdienst, en diende dus wettelijk te worden geregeld. In zijn aan de Koning gerichte repliek bestreed de minister het idee dat de telefoon iets anders was dan een telegraaf, en dus nieuwe wetgeving vereiste. De telefoon was louter een nieuw soort telegraaftoestel, een spreektelegraaftoestel, waarvan het gebruik per Koninklijk Besluit kon worden geregeld. De Koning volgde hierin de minister en het ontwerp-besluit werd voor de tweede keer bij de Raad van State ingediend. De Raad bracht nu op inhoudelijke gronden een negatief advies uit. Wanneer de telefoon een soort telegraaf was, en telefonische berichtgeving gezien moest worden als een vorm van telegraafverkeer, dan was een regeling overbodig. Het bestaande Rijkstelegraafreglement kon, met enige uitzonderingen, per Koninklijk Besluit op de telefoon van toepassing worden verklaard. Impliciet werd hiermee de telefoon onder de Telegraafwet van 1852 gebracht. Een dergelijk Besluit werd inderdaad op 21 januari 1881 van kracht, en daarmee werd impliciet de telefoon onder de Telegraafwet van 1852 gebracht. De minister kreeg de bevoegdheid vergunningen voor op te richten telefoonverbindingen te verlenen. Deze bevoegdheid was tevens van toepassing op de verzoeken van gemeenten als Den Burg en De Cocksdorp om de vestiging van een telegraafkantoor met telefoonverbinding. Op 25 april 1881 werd per Koninklijk Besluit de vestiging van dergelijke kantoren nader geregeld. Op 15 februari was echter al het eerste Rijkstelegraafkantoor 'met vereenvoudigde telegraphische inrigting, door middel van telefonen of andere toestellen' te De Cocksdorp voor het publiek geopend. Aan de balie van het kantoor werden de berichten genoteerd en vervolgens doorgebeld naar het dichtsbijzijnde reguliere telegraafkantoor. De verdere behandeling verschilde in niets van dat van een gewoon telegram.
Het Koninklijk Besluit van april 1881 bepaalde dat het Rijk de telefoontoestellen leverde, terwijl de gemeenten zorg droegen voor een geschikte lokaliteit en een kantoorhouder. Bovendien was bepaald dat de vestiging van een telefoonkantoor alleen kon plaatsvinden als de betreffende gemeente niet verder dan 5 kilometer van een Rijkstelegraaflijn en niet verder dan 15 kilometer van een Rijkstelegraafkantoor was verwijderd. Deze bepaling werd vrij snel versoepeld in de zin dat gemeenten de aanlegkosten van de lijn over afstanden langer dan 5 kilometer voor eigen rekening konden nemen. In 1897 verviel ook deze bepaling en betaalde het Rijk alle aanlegkosten.
Mede als gevolg van de versoepeling van de voorwaarden voor de vestiging van telegraafkantoren met vereenvoudigde inrichting (vanaf 1886 werd gesproken van Rijkstelefoonkantoren) steeg hun aantal in de loop der jaren explosief. Tegen het einde van 1881 waren er vijf van deze kantoren geopend. Tien jaar later waren het er 193 en in 1900 telde Nederland 373 telegraafkantoren met een telefoon- in plaats van een telegraaftoestel. Het belang van de oprichting van Rijkstelefoonkantoren was nauwelijks te overschatten. Voor de Rijkstelegraaf was de telefoon dé oplossing van het probleem hoe met zo gering mogelijke kosten het telegraafverkeer kon worden uitgebreid, wat overigens niet betekende dat het exploitatie-resultaat van de Rijkstelegraaf werd omgebogen in een positief saldo. Daaraan had de telefoon echter geen schuld. In 1885 werd berekend dat elk Rijkstelefoonkantoor jaarlijks gemiddeld een voordelig saldo van 71 gulden opleverde, terwijl in 1887 werd geconstateerd dat ongeveer 80% van de inkomsten van de Rijkstelegraaf was terug te voeren op het verkeer van en met Rijkstelefoonkantoren. Het aantal kantoren van dit type bedroeg daarentegen in dat jaar minder dan de helft van het totale kantorenbestand. Vanaf 1894 overtrof evenwel het aantal Rijkstelefoonkantoren het aantal reguliere telegraafkantoren.
Voor veel kleine gemeenten ontstond nu voor het eerst de mogelijkheid aansluiting op het landelijke telegraafnet te verkrijgen. De kosten van een Rijkstelefoonkantoor lagen aanzienlijk lager dan die van een gewoon telegraafkantoor, zowel als gevolg van de lage prijs van een telefoontoestel (ongeveer ééiende van een telegraaftoestel), als vanwege de besparing op een dure telegraafbeambte. In principe kon iedereen een telefoon bedienen, terwijl het werk als telegrafist een gedegen opleiding vergde. In veel gevallen oefende de kantoorhouder de telefoondienst als nevenfunctie uit. Dat daarbij niet al te nauw werd gekeken mag blijken uit het voorbeeld van Haamstede, waar de bediener van de telefoon in dezelfde ruimte tevens een drankwinkel exploiteerde.

In de periode 1880-1900 verwierf de telefoon zich een vaste plaats in het bestaande telegrafie-systeem. In juridisch opzicht was de telefoon ondergebracht bij de Telegraafwet. Vanuit een financieel-economisch perspectief leverde ze een belangrijke bijdrage aan de opbrengst van de Rijkstelegraaf. En in technisch opzicht was ze een welkom alternatief voor een slechts door geschoolden te bedienen telegraaftoestel. De telefoon gaf daarmee een krachtige impuls aan de verdere ontwikkeling van de telegrafie. Na een voorzichtige en onzekere start van de telegrafie in 1845 en een periode van sterke groei in de jaren 1850 volgde een periode van beperkte en moeizame groei in de jaren zestig en zeventig. Met behulp van de telefoon vond vanaf het begin van de jaren tachtig een verdere infrastructurele uitbreiding en economische optimalisering plaats van de telegrafie. Een nieuwe periode van sterke groei was ingezet.

Besluit

De integratie van de telefoon in het telegrafie-systeem vormt één aspect van de introductie van de telefonie in Nederland. Een ander aspect betreft de constatering dat met de oprichting van het eerste openbare telefoonnet te Amsterdam in 1881 en de openstelling van de eerste interlokale telefoonverbinding in 1888, de telefonie zich gaandeweg tot een systeem met een eigen dynamiek ontwikkelde. Die dynamiek werd in belangrijke mate bepaald en ook beperkt door het op dat moment dominante systeem. Van concurrentie met de telegrafie was, althans in de negentiende eeuw, vrijwel geen sprake. Dit wijst op de kracht en de flexibiliteit van het telegrafie-systeem. Tegelijkertijd maakt het voorbeeld van de telefoon duidelijk dat grootschalige technische systemen, wanneer ze op een gegeven moment een bepaalde groeisnelheid en groeirichting hebben gekregen, moeilijk van koers zijn te veranderen. Uit het feit evenwel dat in de twintigste eeuw de telefonie zich tot een serieuze concurrent van de telegrafie ontwikkelde, mag worden geconcludeerd dat ook technische systemen geen autonome en niet-beïnvloedbare verschijnselen zijn; elke techniek is uiteindelijk mensenwerk.

Benschop, W.J.M. (1947), Eduard Wenckebach en de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij als baanbrekers voor de openbare telegrafie in Nederland. 's-Gravenhage.
Ten Brink, E.A.B.J. (1952), De Rotterdamsche Telegraaf Maatschappij 1854-1884. Een episode uit de begintijd van de electrische telegrafie in Nederland. 's-Gravenhage.
Ten Brink, E.A.B.J., C.W.L. Schell (1954), Geschiedenis van de Rijkstelegraaf 1852-1952. 's-Gravenhage.
Ten Brink, E.A.B.J. (1965), 'De Nederlandsche Telegraafmaatschappij 1851-1864'. In Economisch-historisch Jaarboek, xxx, 118-169.
Geerke, J.H. (1892) 'Het veertigjarig jubilaeum van de Rijkstelegraaf'. In Eigen Haard, 776-779.
Hissink, A.C. (1876), 'Het Rijkstelegraafkantoor te Amsterdam'. In Eigen Haard, 380-400.
Hogesteeger, G. (1976), 'De introductie van het fenomeen telefoon in Nederland'. In Het ptt-bedrijf, xx, nr. 3, 177-190.
Hogesteeger, G. (1984), Concentratie en centralisatie bij de openbare telefonie in Nederland 1881-1940. Den Haag.
Hogesteeger, G. (1986), 'Der Einflu§ Preu§ens auf die Entwicklung der Telegrafie in den Niederlanden'. In Archiv für deutsche Postgeschichte, nr. 1, 84-87.
Hogesteeger, G. (1986), 'De samenvoeging van Posterijen en Rijkstelegraaf per 1 januari 1886'. In Het ptt-bedrijf, xxiv, nr. 1-4, 4-10.
Hogesteeger, G. (1989) Van lopende bode tot telematica. Groningen.
(1986) Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij 1839-1889 Heruitgave Groningen.
Van Kerkwijk, J.J. (1870), Het Koninklijk Besluit van 26 December 1869, No.9, tot overbrenging der administratie van den Rijkstelegraaf naar het departement van Financiën, beschouwd in verband met de vereeniging van de Rijkstelegraaf met de posterijën. 's-Gravenhage.
Van Kerkwijk, J.J. (1870), 'Kort overzigt van de exploitatie van den Rijkstelegraaf sedert 1852, met eenige financieele beschouwingen'. In De Economist, i, 573-588.
Van Kerkwijk, J.J. (1870), 'Geschiedenis van de invoering der electromagnetische telegrafie in Nederland in verband met haren tegenwoordigen toestand'. In Nieuwe Verhandelingen van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, tweede reeks: tweede deel, eerste stuk, 1-94. Rotterdam.
Van Kerkwijk, J.J. (1878), 'Kort overzigt van de geschiedenis der telegraphie in Nederland'. In Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje, 15-22.
Meijer Drees, H. (1949), 'De Rijkstelefoon'. In Telegraaf en Telefoon, 62-82.
Otto, W. (1912), 'Het ontstaan en de ontwikkeling van het telegraafnet in Nederland'. In Tijdschrift voor economische geographie, 213-223.
Ringnalda, W. (1902), De Rijkstelegraaf in Nederland. Hare opkomst en ontwikkeling 1852-1902. Geïllustreerd gedenkboek ter herinnering aan haar vijftig-jarig bestaan. Amsterdam.
Straatman, Z.W. (1881), 'De Telephoonquaestie'. In Vragen des Tijds, i, 47-56.
Verkerk, G.C.J. (1883), De Rijkstelegraaf en de tegenwoordige exploitatie der telephonie. Nijmegen.
(1854-1900), Jaarverslagen Rijkstelegraaf. 's-Gravenhage, onder afwijkende titels.
(1908) Verslag der Commissie voor de post- en telegraafkantoren ten platten lande ingesteld bij beschikking van Zijne Excellentie den Minister van Waterstaat dd. 17 januari no. 230. Z.p.
Wit, O. de (1993), 'Telegrafie en telefonie'. In Lintsen, H.W. (hoofdred.), M.S.C. Bakker, E. Homburg, D. van Lente, J.W. Schot, G.P.J. Verbong (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890, iv, 272-298. Zutphen.