|
|
Door J. Bruins
Diepgaande veranderingen in produktieprocessen en snelle ontwikkelingen in de technologie: de noodzaak van een R&D-netwerk van bedrijven en kennisinstellingen wordt steeds duidelijker. Welke activiteiten ontwikkelt Economische Zaken op dit gebied?
De samenleving 'globaliseert'. Achter dit anglicisme gaat een proces van diepgaande veranderingen schuil. Zo worden produktieprocessen opgeknipt in deelhandelingen die verricht worden op de plaats waar dat het goedkoopst is; neemt het aantal concurrerende landen toe die, net zoals Europa, de Verenigde Staten en Japan, produkten en diensten met een hoge toegevoegde waarde leveren. Een ander voorbeeld is dat informatie uit verschillende hoeken van de wereld bijeengegaard kan worden zonder menselijke tussenkomst. Informatie- en communicatietechnologieën spelen daarin een sleutelrol. IT is ook een bron van vernieuwing: nieuwe diensten en produkten worden mogelijk. Mét de snelle ontwikkelingen in de technologie wordt het verwerven van kennis niet alleen een zaak van eigen R&D, maar van 'networking'. In dit artikel wordt ingegaan op het belang van het netwerk van bedrijven en kennisinstellingen; enkele actuele voorbeelden van stimuleringsacties door EZ op IT-gebied worden ter toelichting gegeven.
Waarom bemoeit het ministerie van Economische Zaken zich met informatietechnologie? Ten eerste gebeurt dat omdat economie en technologische ontwikkeling nauw met elkaar verweven zijn. Een aantal jaren is men ervan overtuigd dat technologische vernieuwing ruim de helft van de economische groei bepaalt. Bevorderen van duurzame economische groei betekent dus ook de stimulering van nieuwe technologische ontwikkelingen. Op het gebied van IT en IT-toepassingen gaat het heel hard. Kijkt u maar eens vijf jaar terug, op werk of privé. Een reeks praktische gebruiksvoorwerpen die nu al weer heel gewoon lijken, is in die tijd in gebruik genomen. En dat zijn nog maar de zichtbare veranderingen.
Technologische vernieuwing heeft ten tweede een aantal specifieke kenmerken waardoor betrokkenheid van de overheid legitiem is. Een voor de hand liggende invalshoek is de zorg voor opleiding/scholing en voor wetenschappelijk onderzoek. Kennis is ook zo'n collectief goed, het is ook van belang voor anderen dan degene die het ontwikkelt. Daarom is de overheid daar soms bij betrokken. Ten slotte wil ik hier noemen dat de markt van technologische kennis imperfecties vertoont. Een voorbeeld van zo'n marktimperfectie is gebrekkige informatie, de kennismarkt is ondoorzichtig. Bij IT wordt dat mede veroorzaakt door de snelle ontwikkelingen. Bedrijven zijn veelal niet op de hoogte van de specifieke deskundigheid van bepaalde onderzoekgroepen; onderzoekers kennen vaak de vragen niet waar bedrijven mee zitten. In zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat de diffusie van technologische kennis erg moeilijk is, het loopt vaak langzamer dan technisch mogelijk is.
Er zijn dus volop redenen en argumenten voor betrokkenheid van EZ bij technologische vernieuwing. De veranderingen in de economie, hier samengevat onder de noemer globalisering, maakt die betrokkenheid urgent. Het Platform Globalisering concludeert dat Nederland technologisch in de voorhoede mee moet lopen. Informatietechnologie is daarbij een must, omdat IT een cruciale rol speelt in allerlei vernieuwing bij bedrijven.
Binnen de kennisontwikkeling op het gebied van IT zijn enkele trends te zien. De kosten van R&D stijgen snel, vooral aan het front van de technologische ontwikkelingen. De kosten van de ontwikkeling van nieuwe generaties chips illustreren dat. Tegelijk gaan de ontwikkelingen zeer snel. Als voorbeeld kan dienen dat de software verder achterraakt bij de technologische mogelijkheden van nieuwe generaties computerapparatuur. Kruispunttechnologieën en grensoverschrijding tussen traditioneel strikt gescheiden sectoren dwingen de ondernemers zich op nieuwe terreinen te gaan begeven. Dat betekent dat men met nieuwe technieken wordt geconfronteerd, dat een ander soort kennis en expertise nodig is.
Case: de electronic highway
Het concept 'electronic highway' illustreert deze trends. Door technologische ontwikkeling vervaagt de grens tussen verschillende vormen van informatie. Beeld, geluid en data kunnen langs dezelfde weg getransporteerd worden tussen de betrokken partijen. Doordat de capaciteit en kwaliteit van het transport sterk zal toenemen, worden diensten mogelijk die nu nog niet geleverd worden. Veelgenoemde voorbeelden zijn: video-on-demand, multimedia databases, wereldwijde
e-mail met beeldoptie. Dit vormt potentieel een zeer interessante markt voor zowel dienstverleners, leveranciers van (rand)apparatuur en toepassers. Rondom dit gebied zijn grote investeringen nodig, niet alleen in nieuwe fysieke infrastructuur, maar ook in de ontwikkeling en toepassingen.
Samenwerking en alliantievorming zijn methodes om aan de problemen rondom IT-kennisontwikkeling het hoofd te bieden. Het voorbeeld van de electronic highway laat zien hoe sectoroverschrijdende samenwerking gezocht wordt om de nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden. Op het gebied van R&D zijn er nog andere partners te vinden, daarmee komen we tot de kern van dit betoog. EZ acht het samenwerken tussen bedrijven en onderzoekinstellingen van toenemend belang. Bedrijven krijgen toegang tot hoogwaardige kennis en de onderzoekers ori‘nteren zich op vragen vanuit de markt. Dat is een collectief belang. Er kan een nuttige wisselwerking ontstaan, een netwerk op kennisgebied. Wanneer de samenwerking vaste vorm krijgt, kan dit tot een goede kennisinfrastructuur leiden, kan Nederland zich als kennisland profileren en zich onderscheiden door de voortbrenging van technologisch hoogwaardige produkten en diensten. Dat vormt op zich ook een factor die vestiging of uitbreiding van economische activiteiten bevordert: er is dus een groot economische belang mee gemoeid.
Samenwerking bedrijven - kennisinfrastructuur op IT-gebied
Bedrijven profiteren in Nederland relatief weinig van onze kennisinfrastructuur. Juist voor de high-tech bedrijven, voor de technologische koplopers zijn er te weinig sparring-partners. Daarvoor zijn verschillende redenen te geven: de aard van het onderzoek, te geringe toepassingsperspectieven op korte termijn en versnippering in onderzoekactiviteiten. Bovendien is de marktoriëntatie van de publieke kennisinstellingen over het algemeen onvoldoende. Aan de andere kant geven bedrijven te weinig input voor de prioriteitenstelling van publieke onderzoeksinstellingen.
In de tweede plaats zijn bedrijven - om doorgaans begrijpelijke redenen - niet geneigd de publieke kennisinstellingen te betrekken bij hun kritische R&D. De mobiliteit van onderzoekers tussen bedrijven en de publieke kennisinfrastructuur is in vergelijking tot de ons omringende landen ook veel kleiner. Personele mobiliteit is één van de beste vormen van kennisoverdracht. Bovendien is het bij uitstek een middel om de nog altijd grote cultuurverschillen tussen onderzoekinstellingen en bedrijven te helpen overbruggen.
De grote dynamiek is op het gebied van IT een complicerende factor. Voor bedrijven is het van groot belang op een goede manier gebruik te maken van nieuwe toepassingsmogelijkheden. Daarbij gaat het niet altijd om de laatste stand van de techniek, waarin de wetenschappelijke onderzoekers van hun kant primair geïnteresseerd zijn. Het accent vanuit het bedrijfsleven ligt heel sterk op het speuren naar nieuwe toepassingen. Er is daar weinig sprake van baanbrekende innovaties. De 'kloof' met de publieke kennisinstellingen, die zich vooral richten op fundamenteel en minder op toepassingsgericht onderzoek, wordt daardoor nog moeilijker te overbruggen.
Deze bevindingen worden ook bevestigd door het onderzoek 'Scouting Software Engineering' dat in opdracht van het ministerie van Economische zaken en de FENIT is uitgevoerd door het Software Engineering Research Centre (SERC).1
De studie inventariseert het aanbod van, en de vraag naar kennis op het gebied van software-engineering alsmede de aansluiting tussen vraag en aanbod. De SERC-studie concludeert dat het niet alleen de kloof tussen kennisaanbod en kennisvraag is die een soepele samenwerking in de weg staat. Soms is er eerder sprake van 'muren'. Deze muren zijn in enkele gevallen opgetrokken als gevolg van negatieve ervaringen met samenwerking in het verleden. Maar ook zonder eigen ervaringen zijn beide partijen soms enigszins beducht voor samenwerking.
Een belangrijke muur op het gebied van software-engineering is dat de in bedrijfstermen geformuleerde kennisvraag niet overeenkomt met het wetenschappelijke begrippenkader dat gebruikt wordt door de vakgroepen informatica bij universiteiten. De studie van de SERC speelt hierop in door letterlijk de vertaling te geven waardoor kennisvraag en kennisaanbod op het gebied van software-engineering op elkaar kunnen worden aangesloten.
Naast het ontbreken van een gemeenschappelijke taal wordt, door SERC, nog een aantal cultuurverschillen als belangrijke obstakels voor samenwerking genoemd. In de eerste plaats beschouwen universiteiten zichzelf niet als leveranciers van kennis aan bedrijven. Hun afzetmarkt wordt gevormd door studenten, collega-onderzoekers, subsidiegevers en uitgevers. Onderzoek wordt in eerste instantie uitgevoerd met de bedoeling de resultaten ervan te publiceren. De waardering van de wetenschapper is immers afhankelijk van zijn publikaties. Als gevolg hiervan is het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek veelal een individuele prestatie en wordt het onderwerp zo gekozen dat de onderzoeker het rijk alleen heeft. In het gunstigste geval betekent dat dat hij een gat in de markt ontdekt, en een wetenschappelijke doorbraak forceert. In het ongunstigste geval is het een onderzoek dat weliswaar naar alle objectieve maatstaven wetenschappelijk is, maar waar eigenlijk niemand op zit te wachten. Mede daardoor is in de optiek van het bedrijfsleven wetenschappelijk onderzoek veelal onpraktisch en duurt het te lang. De wetenschapper dient zich namelijk nauwgezet aan een scala van methodologische regels te houden. Zijn werk wordt beoordeeld op nauwkeurigheid en originaliteit en niet op toepasbaarheid.
Ten tweede, samenhangend hiermee, moet het verschil in gerichtheid van onderzoek worden genoemd. Als een bedrijf onderzoek doet is dat heel gericht. De toepassing staat centraal. Er heerst bij die bedrijven dan ook een behoudende instelling, waarbij men het liefst uitgaat van 'proven technology'. De belangrijkste reden hiervoor is dat, gelet op de commerciële risico's, de technologische risico's zo laag mogelijk moeten worden gehouden. Bedrijfmatige onderzoekers kunnen zich geen wetenschappelijk interessante uitstapjes veroorloven. Het risico van een misser als gevolg van een beperkte onderzoeksopzet zal voortdurend afgewogen moeten worden tegen de extra kosten die methodologische zorgvuldigheid met zich mee brengt.
Dit kostenaspect, ten derde, is eigenlijk in zeer belangrijke mate debet aan de verschillen tussen de onderzoeksculturen tussen bedrijven en publieke kenniscentra. De kosten van onderzoek moeten in het bedrijfsleven in principe volledig worden terugverdiend in de vorm van een beter produkt of een betere dienst. Deze marktgerichtheid ontbreekt bij universiteiten. Onderzoek hoeft niet in klinkklare munt te worden omgezet. De opbrengst van publikaties is immers niet uit te drukken in guldens.
Hoewel de resultaten van deze studie natuurlijk niet zo maar gegeneraliseerd mogen worden, geven ze een goede indicatie voor problemen in de samenwerking tussen beide partijen. Ze worden bevestigd in ander onderzoek.2
Duidelijk is dat structurele samenwerking tussen bedrijven en kennisinfrastructuur alleen tot stand kan komen als resultaat van een groeiproces en dat heeft zijn tijd nodig. Dan kunnen verschillen in cultuur en aanpak overbrugd worden en kunnen partijen ontdekken hoeveel het - soms ook uit wetenschappelijk oogpunt - kan opleveren. EZ probeert in zijn stimuleringsbeleid aan de groei daarvan bij te dragen.
Stimulering van samenwerking: de praktijk
In het technologie/industriebeleid van Economische Zaken gericht op R&D kunnen in dit geval twee lijnen worden onderscheiden. De eerste invalshoek is het bevorderen van relevante R&D.
Dat gaat om de technologie, om de inhoud. Dat gebeurt door onderzoekprogramma's op te zetten, door R&D-subsidies, door informatie te verschaffen over nieuwe technologische ontwikkelingen etc. De tweede invalshoek gaat primair over het proces, de inhoud is secundair. Het gaat om de netwerkvorming, om samenwerking en kennisuitwisseling. Wil een onderzoekinstelling een goede partner voor een bedrijf kunnen zijn, dan is topniveau en een zekere schaalgrootte nodig. Op basis daarvan is een wisselwerking tussen het bedrijf of de groep bedrijven en de kennisinstelling mogelijk. Die wisselwerking kan niet vanuit Den Haag worden vormgegeven, zij wordt door de partners gemaakt. EZ kan wel pogingen in het werk stellen zo'n netwerk op te helpen zetten (HPCN) of te stimuleren dat een eerste samenwerking wordt gezocht (IT-programma). Er zouden hier meer initiatieven genoemd kunnen worden, waarbij ook buiten EZ tal van partijen betrokken zijn. Hier treft u twee nieuwe EZ-voorbeelden aan.
HPCN
High Performance Computing & Networking (HPCN) is bij uitstek een onderwerp waar alleen door samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinfrastructuur Nederland technisch-wetenschappelijk en commercieel een internationaal belangrijke toegevoegde waarde heeft. Mede daardoor staat HPCN beleidsmatig hoog op de agenda van het ministerie van Economische Zaken. Onlangs is in opdracht van de ministeries van O&W en EZ een verkennende studie uitgevoerd, waarin de mogelijkheden die in HPCN besloten liggen voor het Nederlandse bedrijfsleven, worden geanalyseerd en waarin wordt aangegeven wat de implicaties zijn voor de wetenschappelijke wereld.
De 'state of the art' van HPCN-technologie is zodanig, dat er enerzijds nog een aantal fundamenteel wetenschappelijke engineeringsvraagstukken zijn op te lossen, terwijl er aan de andere kant al voldoende rijpe basistechnologieën aanwezig zijn om specifieke commerciële toepassingen te realiseren. De diffusie van kennis laat echter ook ten aanzien van HPCN nog te wensen over. Afstemming en samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen zijn derhalve noodzakelijk om te voorkomen dat Nederland straks ten aanzien van HPCN weliswaar wetenschappelijk meedraait, maar de commerci‘le toepassingen in het buitenland gaat kopen. Belangrijke toepassingsgebieden die in de studie worden genoemd zijn: grand engineering, apparaten en systemen, grote gegevensverwerkende organisaties, en beeld en communicatie.
HPCN is eigenlijk een typerend voorbeeld van op welke wijze het ministerie van Economische Zaken de samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinfrastructuur in de toekomst zou kunnen verbeteren. Eerst is door een 'kleine' groep HPCN-experts uit bedrijfsleven en wetenschappelijke wereld in kaart gebracht of, en zo ja, op welke wijze HPCN economisch én wetenschappelijk interessant is voor BV Nederland; bedrijfsleven, wetenschappelijke wereld en overheid. Bovendien is onderzocht op welke terreinen gezamenlijk onderzoek zou kunnen worden opgezet. Daartoe is door deze groep een programma opgesteld.
De tweede stap is het onderkennen dat netwerken van kennisinstellingen en bedrijven voor succesvolle uitvoering van dit programma essentieel zijn. Deze dienen bijelkaar gebracht te worden. Niet op een van boven opgelegde of afgedwongen manier, maar op een meer informele wijze. Het creëren van een breed draagvlak is daarvoor essentieel.
Daartoe is begin april een conferentie in het Evoluon in Eindhoven georganiseerd. Honderdvijftig vertegenwoordigers uit bedrijfsleven, wetenschappelijke kennisinstellingen en intermediaire organisaties zijn een dag lang bij elkaar geweest om zich op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen op het gebied van HPCN en te vernemen wie wie is in HPCN-land. De belangrijkste doelstelling van de conferentie was niet het volledig op de hoogte raken van de laatste ontwikkelingen, maar het zicht krijgen op vragen als: 'betekent HPCN 'business'?' 'waar haal ik kennis vandaan?' en 'met wie zou ik daarvoor het best om de tafel kunnen gaan zitten?' In deze opzet is de conferentie ons inziens geslaagd.
Een derde stap is het opzetten van een organisatie die het programma verder zal uitvoeren. Voor de zomer zal daartoe een programmacommissie worden ingesteld, die projectsubsidies aan samenwerkingverbanden zal toekennen.
IT-R&D-subsidies
Het voorbeeld van HPCN laat zien hoe bedrijven, onderzoekinstellingen en twee ministeries op 'Japanse' wijze samenwerken om HPCN te gaan aanpakken. Dat is een fors programma, waarbij we eigenlijk ook nog aanvullende Europese activiteiten kunnen meetellen. Er zijn natuurlijk ook op kleinere schaal initiatieven om tot samenwerking te komen. Daarbij staat het initiatief van het samenwerkingsverband zelf voorop, dat is de verantwoordelijkheid van de marktpartijen.
Het EZ-beleid dat specifiek gericht is op IT en bedrijven, wordt jaarlijks vastgelegd in het programma Informatietechnologie. Dat voorziet enerzijds in enkele R&D-subsidieprogramma's en anderzijds in flankerend beleid. U kunt bij dit laatste denken aan acties op het gebied van kennisoverdracht, normalisatie & certificatie en verkenningen naar kansrijke technologieën.
Voor 1994 stelt EZ voor het technologieprogramma IT 40 miljoen gulden beschikbaar, waarvan 31 miljoen voor R&D-subsidies. De subsidie bedraagt 50 procent van de kosten van arbeid. De subsidie wordt verleend via een tendersysteem, dat wil zeggen dat de projecten onderling worden vergeleken, waarbij de beste projecten subsidie krijgen. In 1993 kon ruim 40 procent van de ingediende projecten gehonoreerd worden. Bij die beoordeling telde in de afgelopen jaren het element samenwerking met een onderzoekinstituut positief mee.
Het resultaat is dat in 10 tot 20 procent van de projecten op die wijze wordt samengewerkt. Dat is nog altijd weinig. Voor 1994 wordt deze stimulans daarom versterkt. Samen met uitvoeringsorganisatie Senter wordt in contacten met enerzijds bedrijven en hun organisaties en anderzijds met onderzoekinstellingen het pad tussen beide partijen geëffend. De eerste reacties zijn positief.
Voor prille samenwerkingsverbanden is er ook een kans op enige extra materiële ondersteuning. In het programma Informatietechnologie is in 1994 voor bedrijven de mogelijkheid geopend onderzoekprojecten in te dienen op het brede gebied van informatietechnologie, mits een not-for-profit onderzoekinstelling ten minste de helft van het werk verricht. De onderzoekers fungeren dus als onderaannemers, het bedrijf staat aan het roer. Ook met dit experiment wordt naar wij verwachten de kennisuitwisseling tussen bedrijven en kennisinstituten bevorderd.
Tot slot
Netwerkvorming en technologische ontwikkelingen houden niet bij onze landsgrenzen op. In het voorgaande lag de nadruk vooral op acties binnen Nederland. Betoogd is dat voor R&D op het gebied van IT verdere netwerkvorming en vergaande samenwerking nodig is. Zo moet een sterke positie verworven worden om de concurrentie, maar ook verdere samenwerking aan te kunnen.
|
























|