I&I-> Jaargangen -> Artikel

De onzichtbare produktiviteit van informatiediensten

Door Theo Timman & Paul Slaa


'Overal in de dienstensector zie je computers, alleen niet in de produktiviteits-statistieken.'


In de loop der tijd zijn de mensen steeds meer machines -kapitaalgoederen- gaan gebruiken. Daardoor zijn ze steeds meer gaan produceren. Ook zijn ze het produktieproces steeds slimmer gaan organiseren: minder mensen aan de machines, een betere logistiek. Daardoor kan dezelfde hoeveelheid produkten met minder arbeidsuren worden gerealiseerd. Met andere woorden, de arbeidsproduktiviteit kan stijgen.
Uit de statistieken blijkt dat dit in de landbouw en in de industrie inderdaad is gelukt. In de dienstensector lijkt de arbeidsproduktiviteit echter veel minder te zijn gestegen, althans, als we de offici'le statistieken moeten geloven. Deze achterblijvende produktiviteitsgroei is gepaard gegaan met een toename van het aandeel van de werkgelegenheid in de dienstensector in de totale werkgelegenheid. Bovendien zijn de relatieve kosten van diensten ten opzichte van die van landbouwprodukten en industriële goederen toegenomen.
Ter verklaring van dit verschijnsel stelde Baumol in 1967 dat sommige vormen van dienstverlening zich per definitie niet lenen voor produktiviteitsstijging (Baumol, 1967). Hij illustreerde dit met een beroemd geworden voorbeeld. De uitvoering van een hoornconcert voor vijf blazers dat een uur duurt, vergt in totaal vijf arbeidsuren. Elke poging om door steeds sneller te spelen de produktiviteit op te voeren, zal door publiek en muziekcritici met ontsteltenis worden aangehoord (Baumol, 1967, p. 416). Omdat de arbeidsproduktiviteit in bepaalde vormen van dienstverlening niet kán stijgen, worden deze diensten relatief steeds duurder ten opzichte van goederen, waar de produktiviteit wél kan toenemen, aldus Baumol: 'Inherent in the technical structure of each of these activities are forces working almost unavoidably for progressive and cumulative increases in the real costs incurred in supplying them' (Baumol, 1967, p. 415). Het feit dat in de dienstensector sprake is van inherente grenzen aan de stijging van de produktiviteit staat bekend als de Wet van Baumol.1
De vraag rijst in hoeverre de Wet van Baumol vijfentwintig jaar na dato nog steeds opgaat. Immers, sinds 1967 zijn er enorme vorderingen gemaakt op het gebied van computers en informatietechnologie. Aan het begin van de jaren tachtig werd onder andere door de commissie Rathenau een enorme produktiviteitsgroei verwacht, met name ook in de dienstensector, als gevolg van de opmars van de micro-electronica (commissie Rathenau, 1980). Toch lijkt van een dergelijke produktiviteitsstijging nog steeds geen sprake, of, zoals Pruym het uitdrukt: 'Overal in de dienstensector zie je computers, alleen niet in de produktiviteitsstatistieken' (Pruym, 1992). We zouden in dit verband kunnen spreken van een produktiviteitsparadox. Voor de promotoren van online-informatiediensten is deze situatie niet erg bemoedigend. Ook de documentatie- en informatie-afdelingen van bedrijven en instellingen zullen niet erg blij zijn met dit gegeven. Het zal hen wellicht moeilijk vallen extra uitgaven voor online-informatiediensten te verkopen bij hun directies.2
Maar we moeten natuurlijk wel oppassen dat we niet het kind met het badwater weggooien. Het is belangrijk vast te stellen dat informatietechnologie in veel gevallen wel degelijk heeft bijgedragen aan de verhoging van de produktiviteit van bepaalde vormen van de (commerciële en publieke) dienstverlening. Vaak is deze bijdrage gelegen in het verbeteren van de kwaliteit van geleverde diensten, ook al gaat dat soms ten koste van de efficiëntie. Maar dat vind je in de statistieken niet terug!
In deze bijdrage willen we nader op de vermeende produktiviteitsparadox ingaan. Geldt de Wet van Baumol nog steeds? De centrale vraag die we ons stellen, luidt dan ook als volgt:
In hoeverre kunnen online-informatiediensten een bijdrage leveren aan het verbeteren van de produktiviteit van de dienstensector? Drie centrale begrippen in deze vraagstelling verdienen nadere toelichting: online-informatiediensten, produktiviteit en dienstensector. Onder online-informatiediensten zullen we verstaan: diensten waarmee gebruikers op afstand, via telecommunicatieverbindingen, informatie kunnen raadplegen, informatie kunnen manipuleren en informatie kunnen overbrengen. Onder produktiviteit zullen we verstaan:

produktiviteit=(kwaliteit x kwantiteit)/arbeidsinzet

Deze definitie wijkt nogal af van hetgeen in de economische wetenschap gebruikelijk is. Meestal worden de kwalitatieve aspecten van produktiviteitsverbetering niet meegenomen. We zullen later zien dat deze juist bij het gebruik van online-informatiediensten een belangrijke rol spelen. Onder de dienstensector zullen we verstaan: de sector van de economie die niet-fysieke produkten voortbrengt. Om onze centrale vraagstelling hanteerbaar te maken, leggen we hem uiteen in vier deelvragen:
  • In hoeverre is de Wet van Baumol nog geldig en is er sprake van een produktiviteitsparadox?
  • Welke verklaringen zijn mogelijk voor het feit dat de produktiviteitsgroei in de dienstensector (schijnbaar) achterblijft bij die in de landbouw en de industrie?
  • In hoeverre is het karakter van dienstverlening de oorzaak van dit verschijnsel en waar zijn in principe produktiviteitsverbeteringen denkbaar?
  • Welke aanwijzingen zijn er dat de online-informatiediensten die op dit moment beschikbaar zij wel degelijk kunnen bijdragen aan een hogere produktiviteit van de dienstensector?
    In het volgende zal achtereenvolgens op deze vier vragen een antwoord worden gezocht. Hierna zullen we een conclusie trekken ten aanzien van onze centrale vraagstelling.

    Geldt de Wet van Baumol nog steeds?

    In hoeverre is de Wet van Baumol nog geldig en is er sprake van een produktiviteitsparadox? De laatste jaren hebben bedrijven en instellingen vele miljoenen ge•nvesteerd in informatietechnologie. Desondanks vertoont de groei van de arbeidsproduktiviteit, althans volgens de officiële statistieken en gemeten op het niveau van de dienstensector als geheel, een teruggang. Is het nu zo dat computers en telecommunicatie tot dusver geen positieve invloed hebben gehad op de produktiviteit? Wordt hierdoor de raison d'étre van de automatisering teniet gedaan? Heeft automatisering eigenlijk wel zin?
    Er is sprake van twee verwante, maar hier te onderscheiden verschijnselen. In de eerste plaats is het zo dat de toename van de arbeidsproduktiviteit in alle sectoren daalt (zie figuur 1). In de Europese Unie steeg de arbeidsproduktiviteit in de jaren zestig met gemiddeld 4,5 procent per jaar; in de jaren tachtig bedroeg deze stijging slechts gemiddeld 1,7 procent per jaar. Ook in de Verenigde Staten en in Japan was van een daling van de groei van de produktiviteit sprake.3
    In de tweede plaats blijkt de stijging van de arbeidsproduktiviteit in de dienstensector veel lager te zijn geweest dan die in de landbouw en de industrie (figuur 2). Deze achterblijvende produktiviteitsgroei wordt dan ook als de belangrijkste oorzaak gezien van het alsmaar stijgende aandeel van deze sector in de totale werkgelegenheid. Dit aandeel steeg van 50 procent in de jaren zestig tot 66 procent aan het einde van de jaren tachtig (zie figuur 3). Niet alle diensten, maar wel een groot deel, de stagenerende diensten lijden aan een relatief sterke kostenstijging: de cost disease.
    Voordat we nader ingaan op de mogelijke verklaring voor deze verschijnselen, is het echter goed om wat dieper in te gaan op de relatie tussen produktiviteitsontwikkeling en informatietechnologie. Immers, de bovenstaande gegevens hebben betrekking op de economie als geheel of op één van de drie sectoren landbouw, industrie of dienstverlening. Bij nader inzien blijkt echter dat de paradox niet voor alle segmenten van de commerciële en publieke dienstverlening opgaat.
    Op basis van een omvangrijke internationaal vergelijkende studie constateerde McKinsey in 1992 dat er grote nationale verschillen bestaan tussen de produktiviteit van de dienstensector in landen als Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Japan en de Verenigde Staten (De Jong, 1993, p. 28). Niet alleen werd in de Verenigde Staten een hogere produktiviteit aangetroffen dan in Duitsland of Japan, maar tevens werd geconcludeerd dat de verschillen voornamelijk worden verklaard door de mate van marktvrijheid in de dienstensector in de onderzochte landen. Concurrentie op wereldschaal is volgens McKinsey de belangrijkste voorwaarde voor produktiviteitsstijging in deze sector.
    In grote delen van de dienstensector was tot voor kort nauwelijks sprake van internationale concurrentie.4 Pas de laatste tijd, mede onder invloed van de beweging naar een open Europese markt, zijn dienstverlenende bedrijven zich gaan internationaliseren. Het valt te verwachten dat de internationale concurrentie in de toekomst verder zal toenemen.5 Dit zou kunnen betekenen dat pas in de komende tijd een prikkel ontstaat om efficiënter te gaan produceren en dus de arbeidsproduktiviteit in de dienstensector te gaan verhogen.

    Telecommunicatie

    Een glimp van zo'n ontwikkeling zien we in de telecommunicatiesector. Op basis van recente cijfers van de OECD (zie figuur 4) zou men voorzichtig kunnen concluderen dat de produktiviteit van een telecomoperator positief samenhangt met de liberaliseringsgraad van haar thuismarkt. Overigens kan ook hier worden verwacht dat de grootste effecten nog zullen optreden, gezien de recente aankondigingen van massa-ontslagen bij onder andere AT&T, Bell Atlantic en British Telecom.
    Telecommunicatiediensten vormen een belangrijk onderdeel van de dienstensector. Investeringen in telecommunicatie kunnen op twee manieren effect hebben op de produktiviteit van de dienstensector:
  • direct kan de produktiviteit van telecommunicatiediensten worden verbeterd; hiervan profiteren met name de operators, zoals KPN;
  • indirect kan de beschikbaarheid van moderne telecommunicatiediensten bij de gebruikende bedrijven leiden tot een meer efficiënte produktie (denk aan de grotere bereikbaarheid van medewerkers door gebruik te maken van mobiele telecommunicatie) of tot kwalitatief betere dienstverlening (denk aan de betere service die mogelijk is met behulp van 06-diensten).6
    Naar de potentiële bijdrage van telecommunicatie aan de produktiviteit van de economie is met name vanuit de International Telecommunication Union het nodige onderzoek gedaan, niet in de laatste plaats omdat telecommunicatie als een belangrijk vehikel van economische ontwikkeling wordt gezien.7 Op basis van een statistische tijdreeks-analyse van investeringen in telecommunicatie en de produktiviteitsontwikkeling in sectoren van de Amerikaanse industrie in de periode 1958-1990, constateren Cronin et al. (1993, p. 677) dat er een positieve relatie bestaat tussen investeringen in de telecommunicatie-infrastructuur enerzijds en produktiviteitsgroei anderzijds. Ze stellen dat maar liefst zo'n 25 procent van de totale produktiviteitsgroei die in de Verenigde Staten in de periode 1958-1990 werd gerealiseerd, te herleiden is tot de beschikbaarheid van telecommunicatievoorzieningen (p. 688).8 Voorwaar een appél aan de overheid en telecombedrijven om toch vooral te (blijven) investeren in een geavanceerde openbare infrastructuur!
    Een opmerkelijk resultaat van de analyse van Cronin et al. (1993, p. 89) is dat met name de dienstensector met telecommunicatie haar voordeel kan doen. Hoewel de gemiddelde produktiviteitsstijging van de dienstensector in de onderzochte periode lager was dan die van de landbouw en de industrie - hetgeen gezien het voorgaande niet verwonderlijk is -, blijkt de bijdrage van telecommunicatie aan die stijging gemiddeld hoger te zijn dan voor de andere twee sectoren het geval is (figuur 5).
    Overigens zijn er redenen te veronderstellen dat de hedendaagse innovaties op het gebied van de telecommunicatie sneller tot een aantoonbaar positief produktiviteitseffect zullen leiden. Men denke in dit geval met name aan de ontwikkelingen op het gebied van mobiele communicatie en intelligente netten.9 Men zou kunnen zeggen dat de computertechnologie in de jaren tachtig de mogelijkheid gaf om tijdsbarriéres te overbruggen de computer als kunstgeheugen (Van Kaam, 1991, p. 81), terwijl de telecommunicatie in de jaren negentig daaraan de mogelijkheid toevoegt om ook afstandbarriéres te overbruggen.
    Het antwoord op onze eerste deelvraag kan dan ook zijn dat er volgens de statistieken nog steeds sprake is van de Wet van Baumol en van een produktiviteitsparadox, maar dat er aanwijzingen zijn dat met de hedendaagse koppeling van computertechnologie en telecommunicatie nieuwe mogelijkheden beschikbaar komen om de produktiviteit van diensten te vergroten.

    Verklaringen van de Wet van Baumol

    Welke verklaringen zijn mogelijk voor het feit dat de produktiviteitsgroei in de dienstensector (schijnbaar) achterblijft bij die in de landbouw en de industrie? Baumol stelde dat de produktiviteitsgroei in de dienstensector achterblijft bij die van de andere sectoren van de economie vanwege het inherente karakter van dienstverlening. Laten we met deze verklaring nu eens geen genoegen nemen en nagaan of er niet andere oorzaken zijn. We noemen er drie:
  • definitie- en registratieproblemen;
  • de computer wordt ouderwets gebruikt;
  • concurrentiemijdend gedrag van ondernemingen;

    Definitie- en registratieproblemen

    In de economische wetenschap is de standaardmaat van produktiviteit: de hoeveelheid geproduceerde produkten gedeeld door het aantal arbeidsjaren dat voor die produktie nodig is. In de praktijk doen zich bij het meten van de produktiviteit van diensten echter vier problemen voor.
    In de eerste plaats is de kwantiteit van de produktie in de dienstverlening vaak niet goed meetbaar. Hoe meet je de produktiviteit van een ambtenaar? Het aantal nota's dat hij schrijft? Men moet in dergelijke situaties zijn toevlucht nemen tot een erg globale maat, bijvoorbeeld de loonsom gedeeld door het aantal arbeidsjaren. Efficiëntieverbeteringen komen hierin niet goed tot uiting; kwaliteitsverbeteringen al helemaal niet.
    In de tweede plaats levert het meten van de arbeidsproduktiviteit op een hoger aggregatieniveau problemen op. Wil men de arbeidsproduktiviteit meten op het niveau van een sector, zoals de dienstensector, of op het niveau van de economie als geheel, dan moet men volstaan met een wel hele grove meetlat. De produktiviteit wordt in dat geval uitgedrukt in toegevoegde waarde gedeeld door arbeidsjaren.
    In de derde plaats worden in de gangbare definities kwaliteitsverbeteringen niet gemeten. Zo wordt bij de bepaling van de produktiviteitstijging in de produktie van weegschalen voorbijgegaan aan de superieure kwaliteit van de electronische weegschaal, geen rekening gehouden met het feit dat hij in milligrammen weegt, dat de ontwikkeling van het gewicht in de tijd gevolgd kan worden en dat er weegschalen bestaan die na gebruik boos uitroepen: Foei vreetzak, tanden nu even op elkaar! De gebruikte meetlat voor produktiviteit levert geen informatie over kwaliteitsverbeteringen.
    Een ander voorbeeld is de snelheidsmeter voor fietsen.10 Mechanische snelheidsmeters bestaan al tientallen jaren. Het zijn altijd curiositeiten gebleven. Je ziet ze nog wel eens bij een oude dame op een antieke fiets. Dan de fietscomputer: razendsnel worden weergegeven: snelheid, topsnelheid, gemiddelde snelheid, afstand, gebruikte tijd - wat een kwaliteitsverbetering. Iedere wielrenner heeft een fietscomputer - soms in combinatie met een electronische hartslagmeter.
    Tenslotte is er een probleem met betrekking tot het definiëren van de dienstensector. Die wordt gewoonlijk gedefinieerd als datgene wat overblijft na aftrek van landbouw en industrie. Als je er niet dik van wordt en je het niet op je tenen kunt laten vallen, is het een dienst, aldus een bekende omschrijving in The Economist. We zien echter dat de grens tussen de produktie van fysieke goederen en die van niet-materiële diensten steeds moeilijker te trekken is. En met name bij informatieprodukten is vaak sprake van een gecombineerd aanbod: een krant is een fysiek produkt, maar de informatie die erin staat is immaterieel. Produktiviteitswinst wordt vaak eenzijdig toegeschreven aan de produktie van de materiële component van dienstverlening.
    Om dergelijke demarcatieproblemen te omzeilen, zijn allerlei pogingen gedaan om andere classificaties te bedenken. Bekend zijn de pogingen van Machlup en Porat om een onderscheid te maken tussen informatiewerk en overige arbeid. Het probleem hierbij is dat de grens vaak zeer arbitrair moet worden getrokken. Zo wordt een procescontroleur bij Hoogovens dan tot de informatiewerkers gerekend omdat hij de hele dag naar een beeldscherm kijkt.
    Kortom, de gebruikte definities van produktiviteit en van de dienstensector bemoeilijken het zicht op wat zich in die sector werkelijk afspeelt. De onmacht van de economische wetenschap kan - een beetje gechargeerd - als volgt worden beschreven: bij produkten kan men de kwaliteit niet meten, bij diensten de kwantiteit niet.

    De computer wordt ouderwets gebruikt

    Het standaardvoorbeeld van ouderwets gebruik van de computer is natuurlijk tekstverwerking, het meest voorkomende zakelijke gebruik van computers. Een administratief medewerker tikt maar een beperkt deel van zijn tijd. De tijd waarin zijn produktiviteit kan stijgen is dus ook beperkt. Er bestaat zelf een gevaar dat zijn produktiviteit daalt!11
    Wat de tekstverwerker echt snel kan - lijsten en indexen maken - beslaat maar een klein deel van het gebruik. De machine leidt tot slordiger werken - je verbetert immers zoveel makkelijker. De manager gebruikt meer varianten van zijn rapport, hij laat het vaker omwerken en iedere keer opnieuw printen. De papierconsumptie blijft maar stijgen. Iedere versie leest hij. Wat een tijd kost dat niet! Maar: de waarde van het geproduceerde kan voor de manager wel veel groter zijn dan die van de kladpapiertjes die hij vroeger onder ogen kreeg. Immers, bij informatie geldt dat de waarde ervan sterk afhankelijk is van de gebruiker die ervan kennis neemt. Produktiviteit is dus nauwelijks meetbaar zonder het perspectief van de ontvanger in ogenschouw te nemen.
    Opnieuw levert de fietscomputer een voorbeeld van hoe informatietechnologie wél innovatief kan worden gebruikt. Een fietscomputer kan wel degelijk een gereedschap zijn voor produktiviteitsverbetering. Daarvoor moet de renner hem op een nieuwe manier gebruiken. Hij kan bij voorbeeld zeer gericht 'intervaltrainen'. Hij neemt zich dan dingen voor als: de volgende 5 kilometer rij ik met een verzet van 52x15 niet beneden de 45 kilometer per uur. De fietscomputer maakt het hem mogelijk dat heel nauwkeurig in de gaten te houden. Hij gebruikt hem in combinatie met de hartslagmeter, die zijn inspanningspotentie aangeeft. En zo wordt onze innovateur een betere wielrenner. Op renners die de fietscomputer 'ouderwets' gebruiken - alleen voor de cijfertjes - heeft hij een concurrentievoordeel. De Italianen hebben de gewoonte veel 'computergestuurder' te trainen dan de rest van de wielerwereld. Ze zijn ook daadwerkelijk beter geworden, ze winnen meer koersen en over een breder front - er zijn meer Italiaanse winnaars. De informatietechnologie - de 'front office' van hartslagmeters en fietscomputers en de 'back office' met de meet- en regelapparatuur van de begeleiding - heeft ze produktiever gemaakt en een concurrentievoorsprong gegeven. De renner overdenkt de paradigma's van zijn bedrijvigheid. Hij traint niet langer door per dag 200 kilometer zo hard mogelijk te fietsen, maar door precies zo hard te fietsen dat zijn hartslag iets onder het maximum blijft. Het doel is niet: zo hard mogelijk fietsen, maar: zijn recuperatietijd met 25 procent verminderen. Al met al heeft de renner inmiddels zijn bedrijfsproces geheel opnieuw gedefinieerd.
    Net als onze fietser zien ook veel bedrijven zich genoodzaakt hun bedrijfsprocessen opnieuw te definiëren. Lang geleden waren banken instellingen die het geld van hun cliënten in bewaring hadden en het door deze cliënten niet direct benodigde geld tegen rente aan andere cliënten uitleenden. Wat zijn ze nu, nadat iedereen klant is geworden en na globalisatie en automatisering? Het blijkt niet zo makkelijk te zeggen. Ze zijn een soort intermediairs, natuurlijk. Zij bezitten expertise. Maar wat is de juiste kijk daarop, zijn ze experts in kredietverlening, of in risicomanagement? Wat is het bijzondere van de bank tegenover al die andere financiële instellingen? Wat is een transactie precies? Wat is de procesgang - waar blijft een ingelegde gulden? Die gulden is immers zonder identiteit, het is geen onderdeel van een auto, waarvan nauwkeurig bekend blijft waar het verwerkt is.

    Concurrentiemijdend gedrag van ondernemingen

    De dienstensector stelt bepaalde beperkingen aan de produktiviteitsgroei die kan worden gerealiseerd, zie het eerdergenoemde voorbeeld van het hoornconcert. Een andere beperking is dat er soms sprake is van een soort 'natuurlijk monopolie'. Een taalgebied is hiervan een goed voorbeeld. Je kunt in Finland wel een schip verkopen zonder Fins te kennen, maar geen typisten les geven in WordPerfect. Een mens laat zich liever adviseren door iemand die hij al sinds zijn kinderjaren kent, door zijn zwager, of door een dispuutgenoot. Deze loyaliteit bevordert niet altijd de efficiëntie.
    Er zijn ook concurrentiebeperkingen die bewust worden gezocht. Zo trachten veel bedrijven de concurrentie van zich af te houden door bepaalde leverancier-gebonden informatiesystemen te gebruiken. De klant is dan via het gebruikte systeem gebonden aan zijn leverancier. Wil de klant overstappen naar een concurrent, dan moet hij in zo'n geval een nieuw systeem installeren, hetgeen veel ellende en hoge kosten met zich meebrengt. Deze situatie doet zich nogal eens voor bij Electronic Data Interchange (EDI) tussen marktpartijen. Economen spreken in zo'n geval van hoge 'transactie-' en 'overstap'-kosten.
    Ook de 'zoekkosten' kunnen kunstmatig hoog gehouden worden. Wil een klant zich op het aanbod van bepaalde diensten of goederen oriënteren, dan moet hij vaak verschillende systemen raaplegen, met elk andere technische specificaties, tarieven en gebruiksvoorwaarden. Het kunstmatig instandhouden van een 'closed shop' drukt de produktiviteit.
    Veel van dergelijke kunstmatige belemmeringen kunnen worden opgeheven door bedrijven te dwingen gebruik te maken van 'open' standaarden die de electronische netten en diensten toegankelijk maken voor alle gebruikers, ongeacht de bij hen gebruikte apparatuur. De overheid kan hierbij een belangrijke rol spelen.
    Eˇn en ander overziende kunnen we, ter beantwoording van onze tweede deelvraag, constateren dat er drie mogelijke verklaringen zijn voor de (schijnbare) vertraging van de produktiviteit in de dienstensector:
  • De gangbare maten van produktiviteit zijn niet geschikt om produktiviteitsverbeteringen in de dienstensector ten gevolge van informatietechnologie te meten.
  • Op dit moment staan we waarschijnlijk nog pas aan het begin van een leercurve in het profijtelijk gebruik van informatietechnologie in de dienstensector.
  • Het marktmechanisme in de dienstensector functioneert nog zo gebrekkig, dat allerlei vormen van machtsmisbruik een efficiënt en effectief gebruik van informatietechnologie in de weg staan.
    Het is evenwel voorbarig om uit het voorgaande de conclusie te trekken dat we na een leerperiode en met voldoende competitie in de dienstensector wél een toename van de produktiviteit zullen zien. Immers, in het voorgaande is een aantal malen naar voren gekomen dat de dienstensector niet goed vergelijkbaar is met de landbouw en de industrie. Het wordt derhalve tijd om de black box van de dienstensector te openen.

    Het unieke karakter van dienstverlening

    In hoeverre is het karakter van dienstverlening de oorzaak van een (schijnbaar) achterblijvende produktiviteitsgroei, en waar zijn in principe produktiviteitsverbeteringen denkbaar?
    Bij veel vormen van dienstverlening zijn er 'natuurlijke' remmen op de potentiële stijging van de arbeidsproduktiviteit. Een doktervisite is nauwelijks beter te organiseren, een terraskelner kan niet nog harder lopen, een kok niet nog sneller koken, het Concertgebouworkest kan Mahler niet sneller spelen. Alhoewel, alhoewel... Het eigen gezelschap van William Shakespeare kon King Lear in anderhalf uur in plaats van drieëneenhalf uur spelen, het Wilhelmus kan veel sneller worden gezongen dan nu in de stadions gebeurt en Dickens schreef zijn nog dikkere romans sneller dan Mulisch de zijne. En die kok kan met behulp van een combimagnetron misschien toch wel sneller koken.
    Adviezen hebben een intrinsieke eigenschap - eigen aan de omgang tussen mensen: de behoefte aan persoonlijke dienstverlening is niet eindeloos, maar wel grenzeloos. Het verzadigingspunt is onbepaald en verschuift nogal eens tijdens het verschaffen van de dienst. Een reep chocola stilt meestal de trek in chocola. Maar een gesprek van vijf minuten met de dokter kan, zonder tegenzin van de patiënt, een gesprek van dertig minuten worden.
    Dienstverlening blijkt al met al in een belangrijk aantal opzichten te verschillen van het verbouwen van groenten en het produceren van schoenen. Laten we hierop wat dieper ingaan.
    Diensten onderscheiden zich op vier punten van fysieke produkten zoals bananen en auto's (Pride & Ferrell, 1991, 714):

  • ontastbaarheid, onstoffelijkheid; ze kunnen niet of nauwelijks worden opgeslagen; ze kunnen slecht beschermd worden;
  • onscheidbaarheid; een dienst bestaat pas bij gratie van de consument; de consument maakt onderdeel uit van de produktie;
  • vergankelijkheid; aan bederf onderhevig; diensten kunnen niet in inventaris worden gehouden;
  • heterogeniteit; standaardisatie is moeilijk, kwaliteitsbeoordeling is niet eenvoudig.

    Deze eigenschappen van diensten, en met name ook van informatiediensten, creëren speciale marketingproblemen. Het voornaamste probleem is wel dat de prijs van de dienst zeer sterk afhankelijk is van het vertrouwen van de consument, de afnemer, in de producent, de aanbieder van de dienst.

    Figuur 6 is een simpele weergave van het produktieproces van een dienst.12 Hierin komt de onscheidbaarheid van een dienst duidelijk naar voren. De produktie van een dienst vindt voor een deel back office, achter de toonbank, plaats, door de eigen werknemers, met behulp van hulpbronnen, maar ze wordt pas afgerond op het moment dat front office, over de toonbank, een transactie met de klant plaatsvindt. Hierbij is het personeel dat in directe interactie staat met de consument direct verantwoordelijk voor de 'kwaliteitservaring' van die consument.
    Denk aan de kapper: de dienst knippen wordt gerealiseerd op het moment dat u wordt gekapt, niet later, maar zeker ook niet eerder. Auto's kun je maanden tevoren klaarzetten, geknipte hoofden niet. De klant speelt dus een belangrijke rol in het produktieproces van diensten. Men spreekt dan ook wel van de klant als 'prosumer'.
    De Jong (1993, p. 30) trekt uit deze onscheidbaarheid van dienstverlening twee voor ons onderwerp belangrijke conclusies. In de eerste plaats betekent het dat er beperkingen zijn aan de mate van efficiëntieverbetering die front office mogelijk is: zij mag niet ten koste gaan van de kwaliteitsbeleving van de klant, tenzij de voordelen van de betere efficiëntie direct worden 'doorgegeven' aan de klant in de vorm van lagere prijzen. Meet men produktiviteit in termen van toegevoegde waarde gedeeld door arbeidsinzet, dan is een efficiëntieverbetering in dit geval niet terug te vinden in de statistieken.
    In de tweede plaats kan door een betere kwaliteit van dienstverlening een grotere opbrengst worden verkregen, ook al gaat dat soms ten koste van de efficiëntie van het verkoopproces (het front-officedeel van de produktie). De opkomst van speciale winkels met een exquise collectie parfums of kleding vormen hiervan het bewijs. Daar worden, al dan niet met behulp van informatietechnologie, hoge marges gerealiseerd. Om op kwaliteit te kunnen concurreren, is vaak inzet van meer of hoger gekwalificeerd personeel nodig. Meet men arbeidsproduktiviteit in termen van hoeveelheid verkochte artikelen gedeeld door arbeidsinzet, dan geven de statistieken een daling van de produktiviteit te zien.
    Voor de mogelijkheden die informatiediensten bieden ter verbetering van de produktiviteit van de dienstverlening betekent dit dat in principe drie wegen open staan:

  • het verbeteren van de efficiëntie van de back-office-activiteiten;
  • het verbeteren van de efficiëntie van de front-office-activiteiten;
  • het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening, waardoor hogere marges kunnen worden gerealiseerd.

    Het is met name in dit laatste domein dat nieuwe vormen van electronische informatiediensten een uitkomst kunnen bieden. Met behulp van diensten zoals electronische post en videotex kan bijvoorbeeld de plaatsgebondenheid van de dienstverlening worden doorbroken, een verbetering waar menig consument een extra cent voor over zal hebben. Ook kan het bestelproces voor de klant worden vergemakkelijkt (24 uurs openstelling, bestellen vanuit de inmiddels spreekwoordelijke luie stoel), waarmee tevens de logistieke afhandeling van bestellingen kan worden gestroomlijnd.13

    De bijdrage van online-informatiediensten

    Welke aanwijzingen zijn er dat de online-informatiediensten die op dit moment beschikbaar zijn wel degelijk kunnen bijdragen aan een hogere produktiviteit van de dienstensector? Laten we eens wat nader ingaan op de bijdrage die electronische informatiediensten kunnen leveren aan verbetering van de efficiëntie en de kwaliteit van de dienstverlening. Daartoe maken we gebruik van een schema dat is opgesteld door Hammer & Mangurian (1987) en in een rapport van het Amerikaanse Office of Technology Assessment nader wordt uitgewerkt (OTA, 1990, 107-142) (figuur 7). Uit dit figuur komt naar voren dat het gebruik van nieuwe diensten kan leiden tot drie typen verbeteringen:

  • efficiëntie: kwantitatieve verbeteringen van het produktieproces;
  • effectiviteit: kwalitatieve verbeteringen van het produktieproces;
  • innovatie: verbeterde of geheel nieuwe produkten.

    De verbeteringen kunnen betrekking hebben op het tijdsaspect (snellere, betere of aanvullende, in casu nieuwe informatieoverdracht), op het aspect afstand (verdere informatieoverdracht, betere beheersbaarheid van verspreide processen, informatie aanbieden op nieuwe markten) of op de relaties tussen communicatiepartners (meer directe communicatie, betere beschikbaarheid van schaarse kennis of het aangaan van nieuwe allianties).

    Met behulp van online-informatiediensten zoals electronische post en videotex kan men tijd besparen, afstanden overbruggen en relaties vernieuwen. Dat kan leiden tot hogere efficiëntie, een betere kwaliteit en tot betere of zelfs geheel nieuwe vormen van dienstverlening. Ik noem een aantal voorbeelden.

    Electronische post

    Het meest directe voordeel dat electronische post biedt, is dat beperkingen van tijd en afstand kunnen worden opgeheven. Ik kan een bericht sturen naar iemand, ook al is die ander op dat moment niet aanwezig en ongeacht de plaats waar hij of zij zich bevindt. Tijdzones spelen geen rol meer. Zodoende kan ik als zender berichten sturen wanneer mij dat uitkomt, en als ontvanger lezen wanneer mij dat uitkomt. Dit biedt een belangrijk voordeel boven de telefoon. Bovendien kan ik electronische berichten electronisch bewerken en bijvoorbeeld opnemen in mijn document. Dit biedt een belangrijk voordeel boven de fax.
    Met electronische post kan ik snel de mensen (binnen mijn organisatie of daarbuiten) bereiken als ik hun expertise nodig heb. Ook kan ik per E-mail contacten leggen met mensen elders in de organisatie die ik normaliter niet zo gauw tegenkom: je kunt er in een organisatie nieuwe dwarsverbanden mee creëren (Van den Hooff, 1994).
    Uit onderzoek blijkt dat electronische post niet alleen voor het interne bedrijfsgemak kan worden gebruikt, maar dat er ook een betere dienstverlening mee kan worden gerealiseerd (Nouwens, 1994). Voorwaarde is evenwel dat men daar van meet af aan op gericht is. Zo kan men de after sales met de klant via E-mail doen verlopen en het eigen E-mail-systeem voor klanten en partners openstellen. Dit vereist enige durf, want de klant kan zo wel erg diep in de 'keuken' van het bedrijf kijken!
    Opmerkelijk is dat bedrijven die E-mail louter voor het interne gemak installeren vaak dergelijke verbeteringen in de externe dienstverlening niet realiseren, waarmee een belangrijke bron van competitive advantage ongebruikt blijft.

    Videotex en andere online-informatiediensten

    Ook met het beschikbaarstellen van informatie via een electronische dienst als videotex kunnen belangrijke voordelen worden behaald, niet alleen in de interne bedrijfsvoering, maar juist ook in de externe dienstverlening aan de klant (Steinfield & Caby, 1990). Een klant kan via videotex nagaan of een bepaald artikel of een bioscoopplaats in voorraad is, vervolgens de bestelling plaatsen, aangeven waar en wanneer het produkt afgeleverd moet worden en het bestelde electronisch betalen.
    De universele beschikbaarheid van dergelijke electronische diensten is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van de bovengenoemde potentiële voordelen ervan. Zeker als het om publieksdiensten gaat, is het van het grootste belang dat de toegang wijd verspreid, transparant en gestandaardiseerd is, zodat het vinden van de juiste electronische 'leverancier' en het afnemen van de geboden dienst geen problemen oplevert.14 Het Franse Minitel lijkt vanwege zijn brede beschikbaarheid en zijn bedieningsgemak een goed voorbeeld. Dit voorbeeld duidt eveneens aan dat het de nodige coördinatie, of zelfs dwang, op nationaal niveau vergt om een dergelijk uniform electronisch systeem te realiseren.

    De electronische snelweg

    Veel wordt er vandaag de dag gesproken over het nut van een electronische snelweg. In de Verenigde Staten past de aanleg van een National Information Infrastructure in het streven van de overheid om openbare informatie, bijvoorbeeld wetenschappelijke informatie en overheidsinformatie, beter toegankelijk te maken voor wetenschappers, respectievelijk voor het grote publiek (Van Trier, 1993). Bij het NII-plan gaat het om:

  • een alom beschikbare infrastructuur;
  • met een grote capaciteit;
  • waarover diensten van allerlei soort aangeboden worden, zowel conversatiediensten als consultatie- en allocutiediensten.

    Zou zo'n NII daadwerkelijk gerealiseerd worden, dan kan hiervan een positieve impuls uitgaan naar zowel een efficiënter als een effectiever optredende dienstensector:

  • allerlei beperking van bestaande electronische diensten, zoals videotex, kunnen door een technisch superieure NII worden weggenomen; denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om interactieve videodiensten te gebruiken;
  • met name de mogelijkheid die zo'n NII biedt om diensten individueel en naar ratio van het gebruik af te rekenen, zou tot een enorme uitbreiding kunnen leiden van informatie- en entertainment-diensten (pay-per-view, video-on-demand, video-dialtone).

    Met name het beoogde brede bereik van zo'n electronic highway biedt kansen voor het succesvol aanbieden van onlinediensten. Immers, als iedereen op zo'n netwerk is aangesloten, is een belangrijke barri¸re die de aanbieders tot nu parten speelde, namelijk dat potentiële gebruikers niet of slechts gebrekkig konden worden bereikt, overwonnen. De kans dat de 'kritieke massa' die nodig is om een communicatiedienst tot een succes te maken, wordt daarmee aanzienlijk vergroot.

    De opwinding rond het verschijnsel multimedia is voor een groot deel veroorzaakt door het perspectief van zo'n 'breedbandige', interactieve infrastructuur (Bouwman & Pröpper, 1993). Met name lijkt er in toenemende mate behoefte te zijn aan individuele video-entertainment-op-aanvraag, ter gedeeltelijke vervanging van massamedia als krant en omroep.15 Vrijwel alle bedrijven die in de meest ruime zin in de communicatiesector actief zijn, hebben het gevoel dat dáár de Heilige Graal te vinden is.
    Overigens is er ook een keerzijde van de medaille. De econoom Soete wijst erop dat het beschikbaar komen van transparante, internationaal vertakte superhighways het voor dienstenprodukten mogelijk maakt delen van hun produktieproces electronisch uit te besteden naar lage-lonenlanden.16 Nu al worden veel administratieve processen in landen als Mexico, Birma en Indonesië uitgevoerd.17 Naarmate fysieke verplaatsing van bestanden en dergelijke kan worden vervangen door electronisch transport ervan, zal het 'weglekken' van werk uit Nederland (uit de EU) grotere vormen aannemen.
    Voor de werkgelegenheid in de dienstensector is dit geen wenkend perspectief. Het zou echter wel betekenen dat de 'Ban' van Baumol tenslotte is doorbroken, en dat ook in de dienstensector informatiediensten eindelijk zichtbaar worden in de produktiviteitsstatistieken.
    Een visie op wat in de toekomst denkbaar is, wordt ons geboden door Sheth en Sisodia (1993) in een recent artikel in Telecommunications Policy. Naar analogie van de huidige 'shopping malls' zien zij een 'information mall' ontstaan, een soort electronisch Hoog-Catharijne, waar de bezoeker kan winkelen in warenhuizen met goedkoper standaardprodukten (zelfbediening), maar ook terecht kan in speciaalzaken voor exclusieve artikelen die met persoonlijk advies aan de (electronische) man/vrouw worden gebracht. In zo'n information mall is een mix ontstaan van op efficiëntie gerichte dienstverlening en op kwaliteit georiënteerde dienstverlening, beiden uiteraard met behulp van geavanceerde zoekstructuren, interfaces, electronic mail en electronisch betalen. Voorwaarde voor het totstandkomen van een dergelijk virtual shopping centre is dat er een transparante electronische infrastructuur tot in de huiskamer totstand is gebracht waarin conversatie- en consultatiediensten in een seamless web zijn geïntegreerd. Elementen van zo'n electronic mall zijn reeds voorhanden (zie figuur 8):

  • Minitel voor transacties tussen vele aanbieders van produkten en diensten en het grote publiek;
  • CompuServe en Nexis Lexis voor het aanbieden en uitwisselen van informatie en nieuws.

    Zo'n information mall zal er niet vanzelf, door marktwerking alleen, komen. De overheid kan helpen om vier bottlenecks te verwijderen:

  • zij kan aanbieders van telecommunicatienetten verplichten een bepaalde (volledige?) dekking te realiseren;
  • zij kan het bedrijfsleven dwingen open standaards te gebruiken, zodat de transactie- en zoekkosten zo laag mogelijk worden;
  • zij kan eraan bijdragen het publiek en het bedrijfsleven vertrouwd te maken met de techniek en mogelijkheden van de information mall;
  • ten slotte kan zij door het 'op punt stellen' van een visie op een dergelijke ontwikkeling bedrijven en instellingen aansporen in de gewenste richting initiatieven te ontwikkelen.

    Slot

    In deze inleiding stond de volgende vraag centraal: in hoeverre kunnen online-informatiediensten een bijdrage leveren aan het verbeteren van de produktiviteit van de dienstensector?

  • Volgens de statistieken is er nog steeds sprake van een achterblijvende produktiviteitsontwikkeling in de dienstensector (de Wet van Baumol). Er zijn echter aanwijzingen dat met de hedendaagse koppeling van computertechnologie en telecommunicatie nieuwe mogelijkheden beschikbaar komen om de produktiviteit van diensten te vergroten. Een belangrijke stimulans is de steeds grotere internationale concurrentie tussen dienstenaanbieders.
  • Er zijn drie mogelijke verklaringen voor de (schijnbare) vertraging van de produktiviteit in de dienstensector:

    De gangbare maten van produktiviteit zijn niet geschikt om produktiviteitsverbeteringen in de dienstensector ten gevolge van het gebruik van informatietechnologie te meten.
    Op dit moment staan we waarschijnlijk nog pas aan het begin van een leercurve in het profijtelijk gebruik van informatietechnologie in de dienstensector.
    Het marktmechanisme in de dienstensector functioneert nog zo gebrekkig, dat allerlei vormen van machtsmisbruik een efficiënt en effectief gebruik van informatietechnologie in de weg staan.

  • Dienstverlening kenmerkt zich door het feit dat de consument onderdeel uitmaakt van de produktie. Voor de mogelijkheden die informatiediensten bieden ter verbetering van de produktiviteit van dienstverlening betekent dit dat in principe drie wegen open staan:

    a het verbeteren van de efficiëntie van de back-office-activiteiten;
    b het verbeteren van de efficiëntie van de front-office-activiteiten;
    c het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening, waardoor hogere marges kunnen worden gerealiseerd.

  • Met behulp van online-informatiediensten zoals electronische post en videotex kan men tijd besparen, afstanden overbruggen en relaties vernieuwen. Dat kan leiden tot hogere efficiëntie, een betere kwaliteit en tot betere of zelfs geheel nieuwe vormen van dienstverlening. Hiervan zijn enkele voorbeelden gegeven.

    Al met al kunnen we concluderen dat een aantal belemmeringen die tot nu toe een efficiënt, effectief en innovatief gebruik van online-informatiediensten in de dienstensector in de weg hebben gestaan, in de toekomst lijken te worden opgeheven:

  • meer stimulans tot een dergelijk gebruik, vanwege toenemende internationale concurrentie;
  • het beschikbaar komen van een meer geavanceerde telecommunicatie-infrastructuur, die breedbandige en individuele, interactieve communicatie en informatieverschaffing en -uitwisseling mogelijk maakt;
  • een toenemende vraag van het grote publiek naar dergelijke diensten, met name ten behoeve van entertainment;
  • een toename van het aanbod van dergelijke diensten, vanwege de schaalvergroting en verwevenheid van aanbieders van dergelijke diensten.

    Met name voor de bibliotheekwereld brengt deze ontwikkeling nieuwe uitdagingen met zich mee. Informatiezoekers zullen steeds minder 'op bezoek' komen en steeds minder uit de 'eigen kring' komen. Bibliotheken zullen in toenemende mate de rol van intermediair tussen vraag en aanbod gaan spelen, en dat niet zozeer fysiek, als wel langs electronische weg. De virtual library leidt hopelijk niet tot virtual librarians!

    Deze tekst is een bewerking door Paul Slaa van een ruwe eerste versie van de openingslezing die Theo Timman voorbereidde voor de Online Informatie Konferentie. Op 10 februari 1994 is Theo Timman onverwacht overleden. Op 19 april is deze rede uitgesproken door Paul Slaa in de Doelen in Rotterdam. Met dank aan prof. dr A. Bosman en aan Harry Bouwman, Jan van Cuilenburg, Patrick Hendriks en Mirjam Nijhof voor hun waardevolle suggesties

    Barras, R. (1986), 'Towards a theory of innovation in services.' Research Policy 15:161-73.
    Baumol, W.J. (1967), 'Macroeconomics of unbalanced growth: the autonomy of the urban crisis.' American Economic Review 57:415-26.
    Bouwman, H. (1992), 'Marketing van videotex en videotexdiensten: procesinnovatie versus markt.' Informatie & Informatiebeleid 10 nr. 2, 43-51.
    Bouwman, H. & S. Pröpper (red) (1993), Multimedia tussen hope en hype. Amsterdam, Cramwinckel.
    Commissie Rathenau (1980), Maatschappelijke gevolgen van de micro-elektronica. Den Haag, Staatsuitgeverij.
    Cronin, F.J., E.K. Colleran, P.L. Herbert & S. Lewitzky (1993), 'Telecommunications and growth. The contribution of telecommunications infrastructure investment to aggregate and sectoral productivity.' Telecommunications Policy 17:677-90.
    Cuilenburg, J.J. van (1987), 'The information society.' European Journal of Communication 2:105-121.
    Hammer, M. & Mangurian, G.E. (1987), 'The changing value of communications technology.' Sloan Management Review, winter 1987, 65-71.
    Hardy, A. & H. Hudson (1983), The role of the telephone in economic development. An empirical analysis. Geneva, itu, June, 1983. Background study no.7 of the itu/oecd-project 'Telecommunications for development', 19 p.
    Herget, J. (1992), Information and economic performance. Paper presented at a workshop of the Commission of the European Communicaties' impact Program, November 1992. Luxembourg, cec dg xiii, 19 p.
    Hooff, B. van den (1994), Het gebruik van elektronische post bij het Ministerie van vrom. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam/Vakgroep Communicatiewetenschap, 40 p.
    Jong, M. de (1993), 'De produktiviteitsparadox in de dienstensector.' Management & Informatie 1 nr. 3, 25-34.
    Jonscher, Ch. (1983), 'Information resources and economic productivity.' Information Economics & Policy 1:13-35.
    Kaam, B. van (1991), Het taaie leven van de dode letter. Amsterdam, Cramwinckel.
    Kam, F. de & F. Nypels (1990), Harde Lessen. Verval en opbloei van de Nederlandse economie. Amsterdam, Contact.
    Lamberton, D.M, S. Macdonald & T.D. Mandeville (1982), 'Productivity and technological change: towards an alternative to the Myers' hypothesis.' Canberra Bulletin of Public Administration ix, nr. 2, 23-30.
    Nouwens, J. (1994), 'Hey You, get out of my cloud!' edi & E-mail: van technische netwerken naar netwerk-organisaties. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam/Vakgroep Communicatiewetenschap, 94 p.
    Office of Technology Assessment (1990), Critical connections. Washington, Congress/Office of Technology Assessment.
    Pride, W.M. & O.C. Ferrall (1991), Marketing. Boston, Houghton Mifflin Comp.
    Pruym, R.A.M./ (1992), 'De toegevoegde waarde van informatietechnologie.' Informatie & Informatiebeleid 10 nr. 4, 51-9.
    Schaffers, H. (1994), 'Concurrentie in de telecommunicatiemarkt; van fictie naar feit.' Informatie & Informatiebeleid 11nr. 1, 41-51.
    Sheth, J.N. & R.S. Sisodia (1993), 'The information mall.' Telecommunications Policy 17:376-89.
    Steinfield, Ch. & L. Caby (1990), 'Strategic organizational applications of videotex amoung varying network infrastructures.' Paper presented at the Second World Congress of the International Telecommunications Society, Venice, April 1990.
    Trier, G. van (1993), 'De markt voor wetenschappelijke en technische informatie in de vs'. Informatie & Informatiebeleid 10, nr. 4, 8-17.