Multimedia
actueel

Door Harry Bouwman


Er verschijnen de laatste tijd nogal wat boeken over multimedia. In deze bespreking willen we de aandacht vestigen op enkele publikaties waarin verschillende aspecten van multimedia aan bod komen. Achtereenvolgens zullen we aandacht besteden aan een boek over multimediatechniek (Nakajima & Ogawa, 1992), een boek over het ontwikkelen van multimedia-applicaties, een boek waarin applicaties binnen organisaties centraal staan (Hoogeveen, 1993) en een boek dat een overzicht geeft van de resultaten van een multimedia-project van het MIT (Hodges & Sasnett, 1993).
Het boek over compact disctechnologie van Nakajima & Ogawa (1992) begint met de ontwikkeling van de fonograaf in 1877. Grote nadruk ligt in dit boek op de ontwikkeling van de techniek voor de audio-CD, met name op digitalisering en lasertechnologie. Veel aandacht gaat uit naar de technische voorwaarden voor de ontwikkeling van de laserdisc. De ontwikkeling van het CD-schijfje zelf, het omzetten van het signaal in digitale tekens en de ontwikkeling van de speler zelf worden uitgebreid behandeld. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in multimedia is vooral het laatste hoofdstuk van belang. Daar wordt beschreven hoe op basis van de audio-CD, CD-ROM, CD-I en foto-CD zijn ontwikkeld. Het boek van Nakajima en Ogawa is vooral interessant voor diegene die geïnteresseerd zijn in de technische achtergronden van CD-technologie.
Veel Amerikaanse boeken op het gebied van multimedia hebben een 'how-to'-karakter. Dit is ook het geval bij de Multimedia Bible van Burger (1993). Het betreft een boek waarin in afzonderlijke delen aandacht wordt besteed aan computers, computergraphics, audio en video en hun belang voor multimedia. Daarbij kennen de delen telkens een indeling in drie hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt basisinformatie over de technologie geboden, in het tweede hoofdstuk worden de 'tools' van de technologie beschreven en in het derde hoofdstuk wordt ingegaan op toepassingen, waarbij creatief en efficiënt gebruik centraal staan. Ook in het laatste deel, waarin pas de feitelijke multimedia aan bod komen, wordt deze benadering gehanteerd. Deze opbouw maakt het boek niet alleen goed leesbaar, maar vooral ook bruikbaar als naslagwerk. Met recht, ook qua omvang, een bible.
Wat in de tot nu toe genoemde literatuur weinig aan bod komt, zijn concrete beschrijvingen en analyses van ontwikkelingen op het gebied van standaarden, convergentie van multimedia en telecommunicatie, en de toepassingen van multimedia en telecommunicatie in bedrijfsprocessen. Juist deze onderwerpen spelen een rol in discussies rond het concept van de electronic highway. Het boek van Hoogeveen (1993) waarin de relatie tussen multimedia, info
rmatievoorziening en bedrijfsprocessen wel centraal zou staan, lijkt daarom veelbelovend. Het zou volgens de tekst op de omslag gaan om 'een complete opsomming van de mogelijkheden en beperkingen van de momenteel beschikbare middelen, zonder zich in technische details te verliezen. Voor wie een helder beeld wil hebben van de stand van zaken is dit boek onontbeerlijk.' Helaas wordt dit niet waar gemaakt in de publikatie zelf. De opsomming van toepassingen is niet volledig, technische details komen te uitgebreid aan bod en het boek is niet helder. Het boek kent een onduidelijke structuur: de centrale betooglijn en de samenhang tussen de verschillende hoofdstukken laten zich raden. Het boek behandelt multimediale informatievoorziening, multimedia- en hypermediasystemen, integratie van information retrieval en database management, en multimediale infrastructuur. De samenhang tussen deze onderwerpen wordt nauwelijks toegelicht.
Analyses van mogelijke multimediatoepassingen in bedrijfsprocessen zijn uitermate beperkt. Er worden enkele opmerkingen gemaakt over mogelijke gevolgen op macro-, meso- en microniveau. Er is echter geen aandacht voor de rijke literatuur die bestaat op het gebied van organisationele communicatie en informatietechnologie, noch voor literatuur over group decision support systems, computer mediated communication en computer supported cooperative work. Hoogeveen besteedt ook geen aandacht aan de economische voordelen die te behalen zijn door procesinnovatie met behulp van multimediasystemen en integratie daarvan in (telecommunicatie-)netwerken. De keuze om bepaalde applicaties wel en andere niet te behandelen is uitermate selectief: onderwijs, bibliotheken, onderzoek en ontwikkeling en amusement worden kort aangestipt.
Hoogeveen besteedt veel aandacht aan ontwikkelmethoden, information storage en retrieval, en database-managementsystemen. De relatie tot multimediale database managementsystemen bestaat er uit dat de behandelde case (Octopus een recherche-informatiesysteem) een multimedia-database managementsystem zou zijn. Echter, in het betoog wordt niet duidelijk waaruit het multimediale karakter van Octopus bestaat.
Overigens is dit typerend voor het boek. Stellingen worden nauwelijks onderbouwd. Zo wordt zonder meer gesteld dat multimedia aansluiten 'bij behoefte van consumenten aan een rijker en veelzijdiger communiceren en ervaren van informatie', zonder dat daar empirisch bewijs voor wordt aangedragen. Potentiële mogelijkheden worden beschreven zonder dat duidelijk wordt wat de reële kenmerken van het systeem zijn. Het is onduidelijk wat reeds mogelijk en wat nog in ontwikkeling is. Zo wordt bijvoorbeeld marginaal gerefereerd aan het ontwikkelen van MIAS, een desktopvideo-systeem van PTT Telecom. Reeds bestaande systemen van Olivetti (Pandora), IBM (Person-to-Person/2) en Bellcore (Cruiser) worden niet vermeld, terwijl juist naar het gebruik van enkele van deze systemen al onderzoek gedaan is. Evenzo wordt bij datacommunicatie slechts vermeld dat videoconferentie een van de mogelijke applicaties is. Daarnaast staan er in het boek wat slordigheden. De beschrijving van de ontwikkelingen rond HDTV in de Verenigde Staten is feitelijk onjuist.
In vergelijking met het boek van Hoogeveen is Multimedia Computing van Hodges en Sasnett (1993) bijzonder helder en gestructureerd. In het eerste hoofdstuk worden historische achtergronden geschetst en wordt vooral aandacht besteed aan veranderingsgebieden, zowel waar het techniek betreft (display, transmissie en opslag), als de omgang van de mens met techniek (authoring, informatie retrieval en distributie). Vervolgens komen multimedia-applicaties aan de orde zoals ontwikkeld voor het bedrijfsleven (vooral gericht op het verbeteren van communicatieprocessen) en voor het onderwijs (waar sprake is van een verschuiving in applicaties van passief uitleggen en toepassen naar meer actieve en creatieve leervormen: student as creator). De benadering is daarbij nuchter en realistisch. Op voorhand wordt gesteld dat voor geen enkele applicatie nu al een (grote) markt bestaat. Van concrete applicaties wordt steeds aangegeven in hoeverre het prototypes zijn of reeds ge•mplementeerde applicaties.
Na deze schetst van mogelijke toepassingen volgen twee inleidende hoofdstukken over het ontwerpen van multimediale interfaces en 'authoring systemen'. In het hoofdstuk over interface design wordt op basis van concepten uit de filmtheorie, met name 'mise-en-scéne' en 'montage' een aantal centrale ideeën voor interfaces gepresenteerd. De auteurs stellen dat ze hiermee geen norm willen introduceren. Immers centraal dient te staan dat een interface zowel functioneel moet zijn voor de gebruiker als voor het systeem. De noodzaak van onderzoek tijdens het ontwikkelen van interfaces wordt benadrukt. In het hoofdstuk over authoring systemen wordt vooral aandacht besteed aan de mogelijkheden en beperkingen van verschillende systemen. Er wordt een lans gebroken voor systemen die een gelaagde structuur kennen. AthenaMuse, een authoringsysteem dat binnen het MIT gebruikt wordt, kent zo'n structuur en voldoet aan de vereisten, die men mag stellen. Deze vereisten worden expliciet behandeld, evenals de uiteindelijke functionaliteit die het authoring system moet bewerkstelligen.
Na het inleidende deel worden de verschillende onderwerpen nader uitgediept in de andere twee delen van het boek. In het tweede deel staan bijvoorbeeld de verschillende applicaties, specifieke ontwerpproblemen en de vaak zeer ingenieuze oplossingen daarvoor centraal. Zo worden bepaalde ontwerpen bepaald door een tijdsdimensie (The Chronoscope: een point-of-information applicatie waarin het werk van impressionisten wordt gepresenteerd), anderen door een combinatie van de tijd en ruimte dimensies (Navigation, een educatieve toepassing) of door een combinatie van hiërarchische, netwerk of associatieve structuren (Dans le Quartier St Gevais).
In het derde deel gaat de aandacht uit naar het gebruik van editors en sjablonen (templates) bij het ontwikkelen van applicaties, en naar het afstemmen van verschillende document formats en de integratie daarvan in een samengesteld model. Daarnaast wordt aandacht besteed aan het synchronisatie- en timingprobleem. Tevens worden enkele vernieuwingen zoals die geïmplementeerd zijn in het AthenaMuse-authoring systeem behandeld evenals de koppeling met andere software voor het leveren van videodiensten met behulp van een videoserver. Het één na laatste hoofdstuk is gezien de huidige discussies over de electronic high- way bijzonder interessant en behandelt de technische vereisten voor de integratie van multimedia in breedbandnetwerken. Duidelijk wordt dat, gezien de technische obstakels die nog overwonnen moeten worden, de electronic highway op korte termijn geen realiteit zal worden. De laatste twee hoofdstukken hebben betrekking op de twee specifieke elementen die ten grondslag liggen aan het AthenaMuse model: PackAgeSpec, de data specificatie format, en EventScript, de object georiënteerde scripting language.
Het boek van Hodges en Sasnett heeft iets te bieden voor zowel personen die primair geïnteresseerd zijn in de mogelijkheden van multimedia, als voor personen die geïnteresseerd zijn in auteurstalen en programmering van multimedia-applicaties.

Burger, J. (1992). The Multimedia Bible. Reading: Addison Westley. isbn 0-201-58112-4.
Hodges, M. E., & R. M. Sasnett (1993). Multimedia Computing. Casestudies from MIT project Athena. Reading: Addison Westley. isbn 0-201-52029-x.
Hoogeveen, M. (1993). Multimedia, infrastructuur voor tekst, beeld en geluid. Rijswijk: Lansa Publishing bv. isbn 90-71996-68-9.
Nakajima, H. & Ogawa, H. (1992). Compact Disc Technology. Tokyo: Ohmsha; Amsterdam: ios Press. isbn 90-5199-066-9.