|
|
Door Hans Hendriks en Marcel Staring
Hetzelfde bericht dat iemand per electronische post verzendt,
moet hij vaak ook versturen op papier, omdat de juridische
status, zoals autorisatie en authenticiteit van berichten (nog)
niet is geregeld. De aard van de informatie dient echter bepalend
te zijn voor de te volgen procedure en niet de informatiedrager
of het transportmedium. Hier wordt een reeds toegepast model
toegelicht (het EUROSI-model) waarmee een ruimer
communicatiestelsel binnen organisaties ingericht kan worden,
ongeacht de media die gebruikt worden.
Op dit moment zijn diverse opslag- en communicatietechnieken
beschikbaar voor de verwerking van berichten. Voor de opslag van
informatie wordt gebruik gemaakt van papier en electronische
media. Het transport kan plaatsvinden via een koerier, PTT,
telex, fax en electronische post. Elke techniek kent zijn voor-
en nadelen.
Zo is electronische post bijzonder geschikt bij
berichtenuitwisseling over grote afstand, met een bijzondere
tijdsdruk, indien de informatie opnieuw bewerkt moet worden of
als zender en ontvanger verschillende werktijden hebben.
Het toenemend gebruik van verschillende dragers en
transportmedia heeft nog steeds vaak tot gevolg dat bij
organisaties per techniek aparte procedures worden opgesteld.
Hierbij moet gedacht worden aan zaken als rechtsgeldigheid van
berichten, archivering, beveiliging, adressering, distributie,
urgentie, kostenverrekening, beheer, logistiek van het transport
en taakverdeling.
Zo kunnen de procedures voor het opstellen en verzenden van
een papieren bericht via de binnenpost of de PTT aanzienlijk
verschillen van die van een bericht via electronische post. Ook
fax en telex hebben ieder zo hun eigen spelregels. Daarbij zijn
de verschillende technieken onderling in de praktijk meestal nog
weinig geïntegreerd en kent ieder organisatie-onderdeel zijn
eigen invulling van de procedures. Ook de organisatorische
inbedding van de verschillende technieken verschilt vaak.
Papieren opslag is een zaak van het archief, electronische opslag
en transport wordt meestal beheerd door
automatiseringsmedewerkers. Fax, telex en koerierspost worden
vaak geregeld door een dienst interne zaken. Ook bij gebruik van
hetzelfde medium kunnen de procedures aanmerkelijk
verschillen.
De gebruiker
Voor de gebruiker betekent de eilandvorming in opslag- en
transportmedia al snel verwarring, vergissing en ergernis. Hij
wordt geacht een stortvloed aan procedurele bepalingen te kennen
die per drager, transportmedium en communicatietraject geleerd
moeten worden.
Helaas sorteren al die regels weinig effect. Het aantal
regels zal dermate groot zijn dat nooit verwacht kan worden dat
de gebruiker deze daadwerkelijk kan beheersen. Ook zou een
veelheid van regels leiden tot een overtreding daarvan. Bovendien
verschilt de formele status van dragers en transportmiddelen
sterk. Wettelijk is immers alleen de autorisatie, authenticiteit
en archivering van papieren berichten geregeld. Telex en fax
hebben hun formele status op basis van gewoonterecht verworven.
Electronische post daarentegen heeft nog geen formele status. In
de praktijk betekent dit dat functionarissen een electronische
postberichtje zenden en er voor de zekerheid nog een 'echte'
versie op papier, telex of fax achteraan sturen. Hierdoor wordt
de ontvanger belast met allerlei parallelstromen van hetzelfde
bericht maar langs verschillende weg. Dit probleem doet zich ook
voor bij de archivering. De archivering van papieren berichten is
wettelijk geregeld. Betekent dit dat fax-, telex- en
electronische postberichten gearchiveerd moeten worden? Kunnen
telex- en electronische postberichten ook electronisch
gearchiveerd worden of moeten ze worden afgedrukt?
EUROSI-model voor berichtenverkeer
Berichtenverkeer kan alleen doeltreffend en doelmatig verlopen
indien het aantal en de ingewikkeldheid van procedures beperkt
worden gehouden. Dit kan alleen bewerkstelligd worden door ze
onafhankelijk van de informatiedragers en transportmedia op te
stellen. De noodzaak neemt toe, naarmate de technologie van
communicatie steeds meer geïntegreerd wordt.
Daarnaast mogen regels niet op zichzelf staan; ze moeten
samenhang vertonen en aansluiten bij wat een mens als logisch,
begrijpelijk en werkbaar ervaart. Ook moeten ze zo weinig
mogelijk afwijken van reeds bestaande procedures voor papieren
opslag en communicatie. Met deze procedures zijn de gebruikers
immers reeds bekend. Tot slot moet de verantwoordelijkheid voor
het verloop van het berichtenverkeer zoveel mogelijk direct aan
de kant van de zender en de ontvanger worden gelegd. Te denken is
aan opstellen, typen, adresseren, verzenden, ontvangen,
kopieverlenen, doorzenden, behandelen, archiveren, registreren,
enzovoort. Slechts indien hoogst noodzakelijk moeten daarin
tusseninstanties, met hun onvermijdelijke aanvullende regels en
procedures, een rol krijgen.
Op basis van deze uitgangspunten wordt hier een model
toegelicht (het zogenaamde EUROSI-model) waarmee een ruimer
communicatiestelsel binnen en tussen organisaties ingericht kan
worden, ongeacht de media die gebruikt worden.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het model slechts een
heuristische waarde heeft, het is een manier naast andere om
procedures onderling op een geordende wijze te presenteren en in
te vullen. Het gaat immers niet om de procedures op zich, maar om
het bewerkstelligen van eenduidig, voorspelbaar en begrijpelijk
handelen zodat werkelijke communicatie tot stand kan komen. Het
model is een aanvulling op van het voor datacommunicatie
internationaal gehanteerde OSI-model, waarin reeds procedures
zijn vastgelegd in zeven lagen. Deze hebben echter alleen
betrekking op de zuiver technische overdracht van
computersignalen. Dat dekt maar een beperkt deel van het
communicatieproces. Daarom zou aan dit model nog een aantal
onmisbare lagen kunnen worden toegevoegd, die het model
toepasbaar maken voor andere opslag- en transportmiddelen.
Aangezien berichtenuitwisseling steeds meer in Europees verband
plaatsvindt hebben wij het model EUROSI gedoopt.
De te onderscheiden niveaus zijn in figuur 1 weergegeven. De
afzonderlijke aspecten zullen in het vervolg van dit artikel
worden uitgewerkt.
Materieel aspect
Op dit meest fysieke niveau wordt het transport van een boodschap
van zender naar ontvanger daadwerkelijk gerealiseerd. Bij
gegevensoverdracht tussen verschillende informatiedragers en
transportmedia ('transformaties') moet gezorgd worden dat
verzonden gegevens onverminkt en op de beoogde tijd overkomen.
Dat is vaak complex aangezien communicatie-instrumenten steeds
meer gecombineerd en geïntegreerd kunnen worden.
Zo kan telexverkeer over landlijnen of over radio plaatsvinden,
kan electronische post geïntegreerd functioneren met telex en
kunnen faxsignalen per satelliet worden overgebracht. Veel
fundamentele afspraken liggen reeds vast in de produkten van
leveranciers, normen van de PTT en internationale normen. De
afspraken die hier gemaakt moeten worden betreffen de
informatiedrager en het transportmedium:
systemen en voorzieningen zoals: lokale netwerken (LAN) en
interlokale netwerken (WAN), computers, systeem- en
applicatieprogrammatuur, telex- en faxapparaten, koeriersauto's;
diensten: mensen die het transport in gang kunnen zetten en
houden zoals systeembeheerders, applicatiebeheerders,
netwerkbeheerders, postbusbeheerders, telexisten, koeriers;
Bij electronische datacommunicatie betreft dit de lagen 1-3 van
het OSI-model (zie in figuur 2).
Syntactisch aspect
De volgende manieren van berichtentransport zijn momenteel
mogelijk: PTT-postdienst, koerier, telex, fax, radio en
electronische post.
Per informatiedrager en transportmiddel moeten afspraken
gemaakt worden over een correcte wijze van transport van de
berichten (zie figuur 3). In het huidige gebruik betreft het
vooral boodschappen die gesteld zijn in tekst. In de nabije
toekomst kan het ook om de electronische uitwisseling van
gesproken boodschappen of EDI-berichten gaan. Naarmate de media
meer van technische aard zijn, gaat het ook meer om technische
syntaxis. Die moeten zorgen dat allerlei
communicatie-instrumenten, zoals electronische postprogrammatuur,
converters en gateways, elkaars technische systeemtalen en
coderingsstelsels kunnen interpreteren, ook al zijn die van
totaal verschillende origine. Veel van die afspraken zijn al
geheel of gedeeltelijk in produkten ingebouwd (X.400, X.25, en
dergelijke). Nog noodzakelijke afspraken hebben vooral betrekking
op de wijze van adresseren en de indeling van berichten.
Bij gebruik van electronische post moeten dan afspraken
gemaakt worden binnen de OSI-standaardisatienormen (lagen 4-7).
Dit zijn technische normen, waaraan organisaties zich moeten
conformeren. Vaak zijn nog tal van nadere afspraken nodig, vaak
naar aanleiding van praktische proefnemingen.
Juridisch aspect
Berichten moeten een bepaalde overeengekomen rechtsgeldigheid
hebben. Dit houdt in dat er afgesproken waarmerken moeten zijn
die een garantie bieden dat het bericht bij aankomst identiek is
aan het verzonden exemplaar (integriteit), dat het werkelijk
afkomstig is van de vermelde afzender (authenticiteit) en dat
deze bevoegd is tot het zenden van het bericht (autorisatie).
Bij papieren post geldt een handtekening of paraaf als
waarmerk van rechtsgeldigheid. Bij telexverkeer ligt die
geldigheid min of meer besloten in de vermelding op het bericht
van het verzendende telexapparaat en de organisatorische regeling
dat dat apparaat alleen door bevoegden wordt bediend. Ook voor
electronische berichten moet binnen en tussen organisaties worden
afgesproken wat als de officiële electronische equivalent van een
handtekening wordt beschouwd.
Formeel berichtenverkeer vindt, in ieder geval bij de
overheid, zelden plaats van persoon naar persoon, maar tussen
functionarissen of diensteenheden. Papierpost is daarop al
ingericht: in eerste instantie hebben organisaties en hun
diensteenheden een in- en uitbak, hetzij voor PTT-post, hetzij
voor de binnenpost. Ook voor telex gold zoiets al. Het is daarom
logisch deze parallel door te trekken naar de electronische post
en ook hier 'functiepostbussen' in te stellen, naast de
persoonspostbussen. Voor een functiepostbus geldt dat deze onder
verantwoordelijkheid van de desbetreffende leidinggevende valt
(eigenaar), gegarandeerd beheerd moet worden (dagelijks legen en
vullen) door een aangewezen beheerder (bijvoorbeeld het
secretariaat van de eigenaar) en altijd operationeel en
bereikbaar moet zijn en een voor iedere aanschrijver herkenbare
naam (electronisch adres) moet dragen die verband houdt met de
organisatorische naam van de diensteenheid of functionaris. Het
zal duidelijk zijn dat de naamgeving per medium zoveel mogelijk
dezelfde moet zijn.
Meestal maakt de rechtsgeldigheid van een bericht uit of en
welk gevolg aan het bericht wordt gegeven door de ontvanger. Als
men tussen verschillende organisaties daarover iets afspreekt,
moet er wederzijds voldoende grond voor vertrouwen zijn dat alle
partijen volgens de overeengekomen norm handelen. Wie
bijvoorbeeld zijn beveiliging laat sloffen tornt in feite aan
zijn eigen legitimiteit en die van zijn communicatiepartners.
De rechtsgeldigheid van berichten of juist het ontbreken daarvan
kan zo, naast bedrijfsmatige, ook beleidsmatige, bestuurlijke en
juridische consequenties hebben. Zie ook figuur 4.
Institutioneel aspect
Succesvolle communicatie is verder afhankelijk van de
beleidsmatige ontvankelijkheid van functionarissen of instanties
voor berichten. Zender en ontvanger moeten met elkaar zijn
overeengekomen over welke zaken zij van elkaar boodschappen
accepteren en welk gevolg zij daaraan geven. Meestal vloeit dit
voort uit een samenwerkings- of hiërarchische relatie van die
partijen. Wanneer men een electronisch communicatietraject start,
vooral als men met die communicatiepartner nog weinig berichten
heeft uitgewisseld, is het van belang op dit vlak duidelijke
afspraken te maken.
Aan de andere kant moet er ook een bedrijfsmatige
ontvankelijkheid zijn. Zender en ontvanger moeten beiden als
abonnee bekend en erkend zijn in het gehele communicatiestelsel
en de diensten die dat beheren (bestaanbaarheid). Institutionele
verhoudingen geven al veel aan van de onderlinge ontvankelijkheid
die er is of zou moeten zijn. Op dit vlak is het belangrijk af te
spreken op welk niveau men electronische postbussen aanbrengt in
de organisatie en welke logica er in de naamgeving daarvan
schuilt (figuur 5).
Bestuurlijk aspect
Vooral in ambtelijk verkeer is het essentieel dat de inhoud van
berichten bestuurlijk verantwoord is. Zeker in het verkeer met
internationale organisaties is het van groot belang dat een
internationale organisatie niet wordt geconfronteerd met
berichten waarvan de inhoud niet eerst nationaal - in casu
(inter)departementaal - volledig is afgestemd.
In omgekeerde richting moet een bericht van een
internationale organisatie in Nederland bij de juiste
overheidsinstelling terecht komen. Bekend zijn de verwarring en
competentiestrijd tussen ambtelijke diensten die ontstaan als
gevolg van een verkeerd gestuurd bericht. De introductie van
nieuwe technieken verandert daar op zich niets aan, maar bij
toename van het berichtenverkeer via electronische post, zou dit
verschijnsel ongewenst kunnen toenemen. Daarom zijn ook op
bestuurlijk gebied duidelijke afspraken tussen de communicerende
deelnemers nodig. Vaak zijn die er overigens al, omdat er immers
al via andere media wordt gecommuniceerd. Daarop kan dan met
electronische post worden aangesloten. Met name gaat het om
afspraken tussen zender en ontvanger(s) over
verantwoordelijkheden voor de inhoud van een bericht,
conceptgang, vaststellings- en tekenbevoegdheid, medeparafen en
over doorgeleiding/kopieverlening aan andere belanghebbenden. Het
bestuurlijke aspect is in figuur 6 weergegeven.
Semantisch aspect
Met communicatie wordt gestreefd naar volledige
informatieoverdracht op zo'n wijze dat de ontvanger daaraan een
betekenis hecht die zo dicht mogelijk bij de bedoeling van de
zender komt (semantiek). Daarmee wordt een bepaald effect bij de
ontvanger te weeg gebracht, bijvoorbeeld dat deze tot actie
overgaat of een antwoord stuurt, (pragmatiek). Een volledige
overdracht van oorspronkelijke bedoelingen wordt vrijwel nooit
bereikt, aangezien een ontvanger nooit exact de omringende
gevoelens en gedachten van de zender via zijn boodschap
overgebracht krijgt maar alleen de codering daarvan in taal,
tekens en beelden (informatie).
De communicatie komt daardoor meestal niet veel verder dan de
overbrenging van feitenkennis die voor de ontvanger min of meer
te begrijpen is (cognitief). Daarnaast zijn er grenzen aan het
absorptievermogen van de ontvanger, zal hij ook handelen vanuit
zijn eigen leefwereld en zijn zijn handelingsmogelijkheden
doorgaans beperkt, afhankelijkheid van techniek, regels, en
instanties.
Op semantisch gebied kan daarom al snel iets fout gaan in de
communicatie. Hoewel semantiek nauwelijks met procedures is te
regelen, zijn er toch aandachtspunten die kunnen helpen de
'codering' van bedoelingen tot informatie te verbeteren. Hierbij
kan men denken aan afstemming van veelgebruikte begrippen,
eenduidigheid in taal en stijl, conventies in de opbouw van
boodschappen. Daarmee kan het decoderen door de ontvanger
aanzienlijk vergemakkelijkt worden en neemt de kans op verkeerde
interpretatie af.
Tot slot
Het EUROSI-model is de ontwerpfase reeds ontgroeid en wordt met
succes toegepast in het project Internationaal Berichtenverkeer
Rijksdienst (IBR).1 In dit project maken Nederlandse ministeries
gebruik van opslag- en transportmiddelen van het ministerie van
Buitenlandse Zaken voor hun berichtenuitwisseling met Nederlandse
ambassades in het buitenland en met internationale organisaties,
waaronder instellingen van de Europese Gemeenschappen. Wij hopen
dat het model ook zijn waarde kan bewijzen bij andere vormen van
berichtenuitwisseling binnen en tussen Nederlandse
(overheids-)organisaties en met het buitenland.
Hendriks, H & M. Staring (1992), 'Electronische post: van
speelgoed tot werktuig - e-mail met het buitenland', Binnenlands
Bestuur Management, nr 7/8:52-55.
Ministerie van Buitenlandse Zaken (1991), Rapport 'Langs lijnen
van geleidelijkheid - een model voor internationaal
berichtenverkeer bij de rijksdienst'.
Ministerie van Buitenlandse Zaken (1992), Rapport ''Geregeld aan
de lijn - een aanzet voor procedures in het internationaal
berichtenverkeer bij de rijksdienst'.
Ministerie van Buitenlandse Zaken i.s.m. ministerie van
Binnenlandse Zaken (1992), Brochure 'Internationaal
Berichtenverkeer Rijksdienst - afspraken voor deelnemers'.
|
























|