I&I-> Jaargangen -> Artikel

Concurrentie
in de telecommunicatiemarkt:
van fictie naar feit

Door Hans Schaffers

Concurrentie is een noodzakelijke voorwaarde om tot een sterke ontwikkeling van de telecommunicatiemarkt te komen. Liberalisering creëert 'groeikansen', die vervolgens nog wel moeten worden waargemaakt. Industriebeleid en regelgeving zijn van groot belang voor het handhaven van de concurrentiepositie van de Nederlandse en ook de Europese telecommunicatiesector.

De Europese Commissie heeft in 1993 besloten om in de EU concurrentie op de telefoniedienst toe te staan vanaf 1998. Internationaal behoren landen als Zweden, Nieuw Zeeland, het Verenigd Koninkrijk, Japan en de Verenigde Staten tot de voorlopers en kennen reeds, overigens sterk verschillende, vormen van infrastructuur concurrentie. Dergelijke competitie waarbij ook telefonie mag worden aangeboden en wel op basis van eigen infrastructuren vormt in het EU-traject van liberalisering dat met het Groenboek uit 1987 is begonnen, de laatste maar nog onduidelijke halte. Een Groenboek over concurrentie op basis van telecommunicatie-infrastructuren is gepland voor 1995, en in de tussentijd wil de Commissie eigenlijk alleen stimuleren dat van bestaande infrastructuren zoals die van nutsbedrijven beter gebruik wordt gemaakt. Van belang voor het creëren van meer concurrentie is echter zeker ook het EU-beleid op het gebied van toepassing van open netwerkvoorzieningen (Open Network Provisions, ONP) op onder meer de local loop en netwerkinterconnectie. Het Nederlandse regeringsstandpunt is dat netwerkconcurrentie kan worden toegestaan vanaf 1995, maar de telefoniedienst tot 1998 is uitgezonderd teneinde KPN niet te zeer te benadelen.
De nog komende besluitvormingstrajecten zijn voor Nederland zowel als voor de EU van groot belang gezien de te verwachten economische effecten. Telecommunicatie is in tal van bedrijfsprocessen in communicatie-intensieve sectoren als logistiek, handel en financiële dienstverlening eenvoudig onontbeerlijk geworden voor de concurrentiepositie en zelfs voor de levensvatbaarheid van de betreffende bedrijfstak. Modernisering van telecommunicatie-infrastructuur, maar ook van de ondersteunende dienstverlening en de kennisinfrastructuur moeten als kritische succesfactoren op nationaal niveau worden beschouwd. Het economische belang van de telecommunicatiesector in Nederland is in figuur 1 aangegeven.
Qua omvang kan de telecommunicatiesector goed worden vergeleken met sectoren als voeding, electrotechniek en nutsbedrijven (zie Schaffers e.a. 1993). Maatgevend voor economisch belang is echter de toegevoegde waarde. De bruto toegevoegde waarde die de gehele produktieketen (equipmentdiensten, services) jaarlijks creëert kan op ruim 10 miljard worden geschat, ongeveer 2 procent van het Nederlandse Bruto Binnenlands Produkt (BBP). Veruit het grootste aandeel (80 procent) daarvan wordt geleverd door de diensten, met name door ptt Telecom (omzet 1992 11,1 miljard). De Nederlandse markt voor telecommunicatiediensten heeft een omvang van ongeveer 12,5 miljard (1,6 procent BBP), die voor apparatuur (centrales, transmissie, randapparatuur) en kabel ongeveer 3,5 miljard (0,5 procent BBP) terwijl de produktie een omvang van 2,6 miljard bedraagt. De handelsbalans voor telecommunicatie-apparatuur vertoont met een export van 1,3 miljard en een import van 2,1 miljard een tekort van 0,8 miljard. De markt voor telecommunicatiediensten zal gemiddeld naar verwachting met tussen de 5 en 7 procent op jaarbasis groeien. Groeisegmenten zijn met name datacommunicatie, mobiele communicatie en value added diensten maar de betreffende markten zijn nog erg klein. Onder redelijke groei- en concurrentiescenario's zal gegeven de verwachte macro-economische ontwikkelingen de Nederlandse telecommunicatiesector in 2000 zo'n 2,5 à 3 procent van het BBP omvatten.
De positie van Nederland vertoont, in internationaal perspectief gezien, overigens wel enkele zwakke plekken zoals de kwetsbaarheid van de equipmentproduktie, de beperkte rol van het midden- en kleinbedrijf als toeleverancier en producent, de negatieve handelsbalans, de kwetsbaarheid bij internationale ontwikkelingen in bijvoorbeeld tarieven, en de nog onvoldoende ontwikkelde markt voor value added diensten als 'groeimotor'. Deze bepaalt waar uiteindelijk de winst terecht komt, in Nederland of daarbuiten. Wel kan men constateren dat belangrijke infrastructuren zoals van de kabeltelevisie- en nutsbedrijven en de NS (de 'tweede aanbieder') en de private netwerken kansen voor betere benutting en daarmee versterking van de marktontwikkeling bieden. Daar zal dan wel flink in moeten worden geïnvesteerd - voor de 'tweede aanbieder' wordt een bedrag van 3 miljard genoemd - waarbij het de vraag is of deze investeringen zonder veel zicht op diensten die in een marktbehoefte voorzien te financieren en rendabel zullen zijn.


Figuur 1 (39 Kb)

De economie van concurrentie in marktontwikkeling

Enkele studies die de Europese Commissie in het kader van evaluatie van de telecommunicatie dienstensector heeft laten uitvoeren, spreken over een groei van de EU-telecommunicatiemarkt met een factor 3.5 tot 2010 onder een scenario van 'liberalisering', vergeleken met een marktgroei met een factor 2.1 onder een 'basisscenario'. Het netto effect van concurrentie in de markt voor telecommunicatiediensten zou dan in 2010 neerkomen op een extra markt van liefst 134 miljard Ecu gegeven een markt in 1990 van 90 miljard Ecu. Voor Nederland zouden we uitkomen op een extra markt van rond 14 miljard gulden in 2010. Uit het gepubliceerde materiaal wordt duidelijk dat de belangrijkste effecten pas na vele jaren (na 1996) zijn te verwachten. Minder duidelijk is hoe gevoelig de uitkomsten zijn voor bepaalde veronderstellingen zoals het effect van tariefveranderingen op de vraag, terwijl die veronderstellingen juist voor latere jaren steeds minder betrouwbaar zijn. Zonder de risico's, onzekerheden en de tijdshorizon in de uitkomsten te verdisconteren ontstaat een misleidend beeld. Uiteindelijk is natuurlijk niet de marktomvang bepalend maar de voor risico's gecorrigeerde toegevoegde waarde.
Dergelijke studies vormen vooral de neerslag van verwachtingen van marktonderzoekers en de hoop van beleidsmakers. Beleidsmakers moeten daarnaast bedenken dat een dergelijke groei, als deze al als reëel kan worden beschouwd, eerst nog waargemaakt moet worden. Voor het realiseren van de 'groeikansen' is méér nodig: een industriële structuur, samenwerking binnen het telecommunicatie-cluster om goede en duurzame projecten op te sporen waarin telecommunicatie en telematica wordt toegepast, investeren in kennis en kennistransfer, voortdurende innovaties in diensten, een actief concurrentiebeleid en goed getimede en anticiperende (her-)regulering van de markt (denk aan interconnectie). Daarom verdienen ook ontwikkelingen zoals het intitiatief tot een National Information Infrastructure in de Verenigde Staten en het witboek Delors serieuze Nederlandse navolging en public-private partnership initiatieven op een breed vlak.
Ten grondslag aan inschattingen van het effect van het introduceren van concurrentie in de telecommunicatie liggen structurele veranderingen in de technologische en economische karakteristieken van de voortbrenging van telecommunicatiediensten. Zo zullen kosten van lokale transmissie en switching voortdurend afnemen door toepassing van technologieën zoals glasvezel, breedband-ISDN, PCN, ATM, SDH, ISDN over koper en ADSL/HDSL (een betere benutting van koperkabel). Mede hierdoor is de betekenis van economies of scale sterk verminderd. De toetreding van nieuwe partijen op specifieke segmenten wordt vergemakkelijkt door lagere instapkosten en nieuwe regelgeving, hetgeen blijkt uit de opkomst van value added resellers of competitive access providers in de Verenigde Staten en in Engeland. Ook blijkt dit uit het streven naar integratie van kabeltelevisiebedrijven met telecommunicatie-operators in de Verenigde Staten. Steeds meer zicht is ontstaan, en door technologische ontwikkelingen ook versterkt, op de verschillende activiteiten in het voorbrengingsproces van telecommunicatiediensten die verschillende economische karakteristieken vertonen en waar dan ook een verschillende graad van concurrentie op mogelijk is. Dit ontbundelingsproces is zover voortgeschreden dat zelfs lokale netwerkconcurrentie langzamerhand onder bepaalde condities economisch zin heeft, hetgeen intussen uit een aantal voorbeelden blijkt. De economie van het lokale access network en van nieuwe geavanceerde data- en mediadiensten staat in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië zowel qua onderzoek als qua toepassing zeer in de belangstelling daar het als toegangspunt tot de klant van grote strategische betekenis is; in Nederland laat deze belangstelling te wensen over.
De genoemde competitieve bewegingen zorgen voor een principiële druk op de bestaande door kruissubsidies gekenmerkte tariefstructuren in de richting van kostengebaseerde tarieven en in verband daarmee een versterkte stimulans naar produktiviteitsgroei en efficiency, en mogelijk ook, afhankelijk van de gekozen strategie, naar differentiatie in diensten en gerichte investeringen. Anderzijds leidt competitieve prijsvorming naar waarschijnlijkheid tot een sterker groeiende markt mits daarvoor een draagvlak bestaat (zie boven). Het idee, misschien zelfs eerder de hoop achter de scenariostudies is dat de groei van de markt in termen van verkeer en diensten voldoende zal zijn om de potentieel nadelige gevolgen voor de nu dominante operators op te heffen. Creatieve oplossingen zoals de wijze waarop met verplichtingen van operators wordt omgegaan en het laten meebetalen van alle toetreders aan het tegen uniforme voorwaarden beschikbaar stellen van een minimumpakket aan basisdiensten en aan een mogelijk access deficit voor de bestaande operator kunnen daartoe bijdragen. Op overigens verschillende wijze geschiedt dit ten dele al in Australië en de Verenigde Staten, en in het kader van recente interconnectiediscussies in Groot-Brittannië.
Uit ervaringen die tot nog toe in diverse landen met het introduceren van concurrentie in de telecommunicatie zijn gemaakt, kunnen lessen worden geleerd. Deze kunnen de te ondernemen brede initiatieven op weg naar een Nederlandse Informatie- en Telecommunicatie Infrastructuur juist versterken. Minstens zo belangrijk is ook dat ze een gevoel voor nuancering van de rol van concurrentie en beter begrip voor de condities waaronder het effect van concurrentie pas wordt gerealiseerd, zouden kunnen oproepen.


Figuur 2 (137 Kb)

Effecten van concurrentie: landenvergelijking

De recent verschenen 'Communications Outlook 1993' van de OESO biedt de mogelijkheid om na te gaan of er samenhang bestaat tussen het niveau van concurrentie in telecommunicatie en een aantal prestatie-indicatoren zoals tarieven, produktiviteit, marktgroei en marktomvang. Een scheidslijn tussen hoop, verwachting en realiteit is vaak moeilijk te trekken. Dit blijkt ook hier, want tussen de regels door valt ondanks de nuanceringen te merken dat de OESO niet alleen graag zou willen dat een dergelijk verband er was, maar dit verband eigenlijk ook verwacht en vervolgens zelfs constateert hoewel nadere analyse van de data (figuur 2) duidelijk maakt dat daarvoor lang niet altijd een basis voorhanden is. Nu is dit ook niet nodig, want er is een sterker pro-competitie argument denkbaar dan de samenhang tussen liberalisering en prestatie. Dit vereist echter inzicht in de onderliggende karakteristieken van de sector, de marktcondities en de nationale omstandigheden.
Allereerst een analyse van de data. Met enige voorzichtigheid kan worden geconcludeerd dat competitie de ontwikkeling van de markt in telecommunicatiediensten gemeten als percentage van het nationale BBP stimuleert. Met name geldt dit duidelijk in landen als Australië, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Nieuw Zeeland, landen met een hoge graad van liberalisering die een groeiend en hoog aandeel van de telecomsector als percentage van het BBP kennen. Opmerkelijk is echter wel dat dit effect in Japan, dat eveneens een hoge graad van liberalisering kent, afwezig is: daar daalt het aandeel van telecommunicatie in het BBP en is bovendien relatief laag. Bij marktgroei valt op dat landen zoals Australië, Finland, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Zweden en Nieuw Zeeland hoog scoren. Dit zijn landen met netwerkcompetitie. Een redelijk sterke samenhang lijkt ook aanwezig voor de indicator 'produktiviteitsgroei', waar landen als Australië, Nieuw Zeeland, Nederland, Japan en Duitsland in overeenstemming met hun graad van liberalisering scoren.
Anderzijds zijn er ook duidelijke afwijkingen van verwachtingspatronen. Japan scoort ook voor de indicatoren 'marktgroei', 'investeringen' en 'digitalisatiegraad' te laag. Voor wat betreft de zakelijke tarieven scoren Nieuw Zeeland, de Verenigde Staten en Australië te laag terwijl eigenlijk alleen Zweden conform verwachting scoort. Kijkend naar het produktiviteitsniveau valt op dat alleen Japan overeenkomt met de verwachting terwijl Australië, Zweden, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten tegenvallen.
Het blijkt dat om verschillen tussen landen te verklaren, gekeken moet worden naar nationale factoren in de markt, de economie en zelfs de cultuur die de uitgangsposities van landen kleuren. Zo zijn er verschillen in niveau van de infrastructuur, penetratiegraad, regelgeving en marktcondities die hun uitwerking doen gelden. Concurrentie in de telecommunicatie is nog van relatief recente datum, en op het gebied van netwerkconcurrentie heeft nog maar een heel beperkt aantal landen ervaring (de Verenigde Staten vanaf midden jaren zeventig , Groot-Brittannië vanaf 1983, Japan, Nieuw Zeeland, Australië, Zweden vanaf eind jaren tachtig/begin jaren negentig). De genoemde verschillen brengen met zich mee dat relatief hoge scores te danken kunnen zijn aan 'inhaaleffecten'. Heel belangrijk lijkt daarnaast de wijze waarop het totale potentieel aan effecten van concurrentie niet alleen wordt gegenereerd door diverse factoren (met name verkeers- en produktiviteitsgroei en omzet- en marktgroei) maar ook wordt verdeeld over de diverse betrokken partijen en aanwendingsmogelijkheden: de operators (winstniveau, investeringen, financiële structuur), overheid (belastingen), aandeelhouders (dividendniveaus) en de gebruikers (tariefdalingen). Omdat het ten dele substituerende effecten betreft is het eigenlijk in het geheel niet vreemd dat landenvergelijkingen op indicatoren een op het eerste gezicht een teleurstellend beeld te zien geven van de effecten van concurrentie. Dit blijkt ook wel wanneer we de beide factoren produktiviteit en marktgroei die het meest bepalend zijn voor het genereren van concurrentie-effecten tezamen nemen en relateren aan de liberaliseringsgraad van landen. Dan komen de aan liberalisering toe te rekenen effecten beter uit de verf, zij het dat de diverse landen verschillen in de precieze manier waarop deze effecten worden behaald. Bij Japan moet eerder gekeken worden naar produktiviteit dan naar marktomvang (en wellicht eerder nog naar de sterke verkeersgroei); bij de Verenigde Staten, Zweden en Groot-Brittannië eerder naar marktomvang en -groei; en bij Nieuw-Zeeland (en ook bij landen als Nederland en Duitsland) naar beide.
Voor een aantal indicatoren is het effect van concurrentie goed te herleiden tot omgevingsfactoren naast de doorwerking van het marktmechanisme. De meeste private netwerken in Europa zijn aan te treffen in landen met netwerkconcurrentie en daaruit voortvloeiende lage huurlijntarieven (Groot-Brittannië en Zweden). Ook voor de tarieven van sterk marktafhankelijke diensten zoals huurlijnen of tarieven voor gebruikersgroepen met marktmacht valt het effect van concurrentie duidelijk te constateren. Tarieven voor huurlijnen zijn immers het laagst in achtereenvolgens Groot-Brittannië, de VS en Japan. Op tarieven voor telefonie werken echter vele krachten: naast het effect van concurrentie ook de tariefstrategie van de overheid en van operators (tariefbalancering), de wijze van prijsregulering, de afschrijvingsmethoden en de toename van produktiviteit. Bij de analyse van produktiviteitsverschillen moet rekening gehouden worden met zowel niet-concurrentie-afhankelijke factoren zoals penetratie (lijnen per inwoner), netwerkgebruik (calls per lijn) en prijselasticiteit als met concurrentie-afhankelijke factoren zoals tariefniveaus en werkorganisatie. Zo kent de vs een 'cultureel bepaald' hoog niveau van netwerkgebruik en penetratie hetgeen de factor produktiviteit uiteraard sterk beïnvloedt en een zinvolle vergelijking tussen landen bemoeilijkt.

De dynamiek van concurrentie

In de Verenigde Staten, maar overigens ook in het Verenigd Koninkrijk, gaan de ontwikkelingen in zeer sterke mate in de richting van volledige lokale concurrentie. De introductie van concurrentie heeft na de beslissing tot ëontvlechtingë van 1982 een complex patroon gevolgd van overheids- en juridische beslissingen (restricties op activiteiten van lokale en lange-afstandsaanbieders in elkaars markten), ontwikkelingen in regulering (herbalancering van lokale en lange-afstandstarieven, verplichting tot gelijke toegang voor lange-afstandsaanbieders tot lokale netwerken, interconnectievoorwaarden) en concurrentiestrategieën van de betrokken marktpartijen. Hieruit blijkt wel dat niet uitsluitend gesproken kan worden van introduceren van concurrentie 'sec': de begeleidende regelgeving heeft een geweldige invloed gehad. Veel regelgeving die oorspronkelijk de bedoeling had van het tegengaan van excessieve marktmacht (zoals de 'line of business' en 'cross-ownership' restricties die de activiteiten van lokale telecom operators in R&D, in kabeltelevisie en in lange-afstandstelefonie verboden) belemmerde gaandeweg de ontwikkeling van echte concurrentieverhoudingen en daarmee ook investeringen in de infrastructuur. De meest recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten houden hier ook rekening mee: de invoering van 'price CAPs' (1989), de onlangs sterk vergrote mogelijkheden van de lokale Bell Operating Companies tot exploitatie van value added diensten en videotransmissie. De recente adviezen (1992) van de Federal Communications Commission pleiten ervoor de restricties voor telecommunicatie-operators op het vlak van kabeltelevisie op te heffen, om sterk aangescherpte verplichtingen tot interconnectie en open toegang te bieden aan concurrenten ('Competitive Access Providers') van de lokale telecom-operators. Bij dit laatste gaat de FCC zelfs zover CAP's toe te staan hun apparatuur (multiplexers en dergelijke) in centrales van de lokale operators te plaatsen (fysieke of virtuele collocation), hetgeen overigens op felle tegenstand is gestuit. Belangrijk signaal voor de toekomstige concurrentieverhoudingen tussen lokale en lange-afstandsoperators, voor de groei van zowel de telecommunicatiemarkt als de mediamarkt is tenslotte ook de samenwerking tussen Time Warner en US West en de overname van McCaw door at&t.
In de lange-afstandsmarkt heeft concurrentie over het algemeen gunstige gevolgen gehad, met name op de tarieven (daling van reëel 60 procent sinds de ontvlechting), de efficiency en de kwaliteit van diensten. Na een periode van prijsconcurrentie hebben MCI en US Sprint een strategie van kwaliteitsverhoging gevolgd en heeft at&t als reactie daarop haar moderniseringsprogramma versneld uitgevoerd en zo haar produktiviteit verhoogd. Uiteindelijk heeft at&t haar dominante positie kunnen stabiliseren op een marktaandeel van ongeveer 70 procent.
Dit neemt niet weg dat de kwaliteit en de investeringen in de telecommunicatie-infrastructuur in de Verenigde Staten onderwerp van zorg is, getuige een rapport van de National Telecommunications and Information Administration. Het lage en zelfs dalende niveau van de investeringen in de afgelopen 10 jaar is waarschijnlijk veroorzaakt door de restricties op de activiteiten van Bell Operating Companies op het gebied van kabeltelevisie, maar zeker ook door hun monopoliepositie op de lokale markten. Zoals boven aangegeven zijn er echter overduidelijke tekenen dat de lokale concurrentie aantrekt. Activiteiten van 'bypass'-bedrijven en nieuwe technologische mogelijkheden als tweeweg kabelsystemen en Personal Communications Networks geven daartoe de impuls. Deze activiteiten bedreigen de inkomsten van de lokale operators die zich uit deze situatie willen redden door kabeltelevisie activiteiten en lange-afstandstelecommunicatie aan te kunnen bieden. Inkomsten van de lokale operators uit 'access' bedragen immers liefst 25-30 percent van de totale inkomsten, terwijl ze rond 50 procent van de kosten voor lange-afstandsaanbieders vormen.
Daar waar al concurrentie in de lokale markt bestaat, zijn duidelijk positieve effecten gesignaleerd in de vorm van tariefdalingen en versnelling van investeringen in moderne glasvezelnetten. Bekend is ook dat de Bells omvangrijke investeringen voorbereiden (Pacific Bell 30 miljard, Bell South 16 miljard, tci en Bell Atlantic 26 miljard dollar, enzovoort).
In Groot-Brittannië heeft de privatisering van 1984 en de liberalisering gemengde gevolgen gehad. Het duopoliemodel heeft nauwelijks echte concurrentie opgeleverd, ook veroorzaakt door de trage regeling van interconnectie tussen Mercury en British Telecom). BT heeft een marktaandeel van 97 procent van de binnenlandse telefonie-aansluitingen en 93 procent van de waarde van de Britse telecommunicatiemarkt. Tekenend is dat British Telecom pas de afgelopen jaren serieus aan verbetering van de produktiviteit is begonnen. De tariefregulering via een 'price CAP' systeem heeft het maken van excessieve winsten door British Telecom niet verhinderd terwijl niet kan worden gezegd dat de kwaliteit van de diensten sterk is verbeterd. Concurrentie heeft met name goed gewerkt in termen van verkeers- en marktgroei, en modernisering van het netwerk. Met name de zakelijke grootverbruiker heeft kunnen profiteren. Op korte termijn moet ook aanzienlijke concurrentie worden verwacht van netwerken met nationale dekking als Energis en Ionica (radiotechnologie) en waarschijnlijk ook AT&T die licenties hebben verkregen of aangevraagd. Energis onderhandelt met kabeltelevisiebedrijven om lokale koppeling te verkrijgen. Interessante ontwikkeling is voorts ook de concurrentie op de lokale markt, met name vanuit de kabeltelevisie ('kabeltelefonie'). De omvang van de markt in absolute termen is nog gering maar de groei is zeer aanzienlijk. Interconnectie wordt gezien als een cruciale voorwaarde voor het ontstaan van concurrentie. De recente discussie hierover gaat in de richting van scheiding van BT-activiteiten (accounting separation) als hulpmiddel om niet-discriminerende tarieven af te dwingen, naast een stelsel van access deficit betalingen aan BT als vergoeding van verlies aan winstgevendheid in het lokale netwerk.
In Japan is sinds 1985 concurrentie via private netwerkinfrastructuren ook op de basisdiensten mogelijk. Sprake is van aanzienlijke maar pragmatische regelgeving. Er is op de lange-afstandsmarkt een aanzienlijke concurrentie ontstaan, die heeft geleid tot tariefdaling van het lange-afstandsverkeer, speciaal op bepaalde routes zoals Tokio-Osaka en internationaal. Totstandkoming van bedrijfsnetwerken wordt sterk gestimuleerd. Overigens is niet zozeer sprake van marktvergroting als wel van een sterke toename van het verkeer, en het zodanig wegtrekken van verkeer door de nieuwe concurrenten ten koste van de dominante operators NTT en KDD dat er zeker sprake is van een bedreiging.
In een aantal andere landen zijn de ontwikkelingen nog te recent om tot eenduidige conclusies te leiden. Leerzaam is de ontwikkeling in Duitsland geweest, waar kunstmatig hoog gehouden huurlijntarieven een beperkende factor zijn geweest. Na deregulering bleek dat de ontwikkeling van de value added markt beperkt bleef doordat grote bedrijven al eigen netwerken hadden opgezet. Het potentiële welvaartsverlies daarvan is geschat op wel 0,5 procent van het Duitse BBP. In Australië is pas recent tot netwerkcompetitie in de vorm van een duopolie besloten (1990). Er is een felle prijsconcurrentie ontstaan tussen Telecom Australia en de nieuwkomer Optus, maar ondanks dat er tijdig aandacht is besteed is aan de interconnectieproblematiek zien de kansen voor Optus gezien de intact gebleven dominante positie van Telecom er niet zo gunstig uit. Opmerkelijk maar niet zo bekend zijn de ontwikkelingen in Zweden, waar sprake is van volledige concurrentie. Zweden kent relatief lage tarieven, een sterke marktgroei, een hoog niveau van digitalisering en een hoog investeringsniveau. In Nieuw-Zeeland is sprake van volledige open markt onder afwezigheid van enige regelgeving, maar er is eigenlijk geen feitelijke concurrentie tot stand gekomen. Mogelijk ligt de oorzaak daarvan juist in het ontbreken van concurrentiebevorderende regelgeving. Tenslotte wijzen we op Finland waar een situatie bestaat met zeer vele concurrerende lokale telecom-operators hetgeen nog eens aangeeft dat concurrentie op infrastructuur heel goed mogelijk is.

Conclusies en vooruitblik

Terugkijkend naar de effecten van concurrentie in de telecommunicatie zoals die in diverse landen zijn gegenereerd, valt op dat nauwelijks direct oorzakelijk verband zichtbaar wordt tussen de graad van liberalisering en diverse prestatie-indicatoren (met uitzondering misschien van het effect op de bijdrage van telecommunicatie aan het BBP). Daarvoor zijn de onderliggende processen te complex en de uitgangsposities en nationale factoren te verschillend. Dit bemoeilijkt een landenvergelijking op basis van indicatoren maar biedt wellicht een eerlijker en nuttiger beeld van de rol die concurrentie in specifieke nationale omstandigheden in de marktontwikkeling speelt. Introduceren van concurrentie is te vergelijken met investeren in 'groeikansen'; kritische factoren zoals industrie- en dienstenbeleid, technologiestimulering en regelgeving zouden in onderlinge samenhang moeten worden ingezet om deze groeikansen ook daadwerkelijk te realiseren.
De ontwikkelingen in landen met netwerkconcurrentie zoals Japan, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië tonen dat de invoering van concurrentie geenszins betekent dat geen regelgeving meer nodig is. De problemen waarvoor men zich gesteld ziet zoals interconnectie van netwerken en diensten zijn ook geenszins triviaal. De ervaring in een aantal landen en de trend naar ontbundeling toont wel aan dat netwerkconcurrentie in telecommunicatie mogelijk is. Tegelijk bieden de technologische ontwikkelingen en trends tot convergentie steeds weer ruimte voor nieuwe vormen van machtsconcentraties, getuige de recente overnames en samenwerkingsverbanden in de Verenigde Staten. Dit betekent dat het belang van concurrentiebeleid en andere regelgeving zeker niet zal verminderen. Een gebied waarop dat ook voor Nederland duidelijk zal worden is dat van de media en de audiovisuele sector.
Nogmaals dient in dat verband te worden gewezen op het grote en strategische belang van de local loop als toegangskanaal naar de klant (de consument, maar ook bedrijven). Openen van de local loop voor concurrentie, investeren in de betreffende infrastructuur en verbeteren van de koppelingsmogelijkheden tussen de verschillende local loops zal de komende jaren een der belangrijkste vraagstukken worden. Meer dan 50 procent van alle investeringen vindt plaats in de local loop. Fundamenteel is hier de technologiegedreven trend naar convergentie van infrastructuren, uitmondend in convergentie van bedrijfstakken en sectoren tot een 'multimedia-industrie'.
In diverse landen met netwerkconcurrentie is uiteindelijk de ervaring opgedaan dat regelgeving een kritische grootheid is bij het realiseren van competitieve verhoudingen in de telecommunicatiemarkt. Een belangrijk aspect daarbij is het creëren van voorwaarden voor interconnectie (met name verrekentarieven, kwaliteit, nummering, gelijke toegang, access deficit bijdrage, standaarden) tussen netwerken en diensten van alle concurrerende aanbieders. Hierbij speelt een belangrijke rol hoe reële concurrentieverhoudingen kunnen worden gerealiseerd terwijl tegelijkertijd de dominante operator niet te zeer wordt benadeeld maar wel geprikkeld wordt tot efficiency een belangrijke rol. Wellicht is een vorm van accounting separation gecombineerd met inzicht in kostenbepalings- en tariefstellingsmethoden een pragmatische oplossing. Men is in Nederland geneigd om na alle discussies over de PTT vreemd tegen 'ontvlechting' aan te kijken maar in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië ligt dat anders en worden duidelijke garanties ingebouwd ter voorkoming van prijsdiscriminatie en excessieve kruissubsidiëring. Ook in de recente EU-studie naar ONP-toepassing op de local loop waarin interconnectie een prominente plaats heeft worden dergelijke garanties aanbevolen. De problematiek van interconnectie krijgt nog een extra dimensie bij intelligente netwerkfuncties. Uiteindelijk zal in een concurrerende doorzichtige markt op basis van een divers aanbod van produkten en diensten het belang van het instrument regelgeving sterk zijn verminderd.
Bij het openen van de telecommunicatie- en mEDIamarkt voor concurrentie spelen ook belangrijke handelspolitieke vragen. Amerikaanse kabel- en telecommunicatiebedrijven investeren in Europa de komende jaren zo'n 15 miljard gulden in infrastructuur, niet alleen in Groot-Brittannië maar ook in Frankrijk, Scandinavië en Oost-Europa. Dat is goed voor eindgebruikers, maar een bedreiging voor de Europese telecommunicatiesector daar de winsten naar elders verdwijnen. Het witboek-Delors beoogt hier een tegenwicht te bieden en het is noodzakelijk dat ook in Nederland de bestaande gefragmenteerde aanpak wordt losgelaten en zoiets als modern industriebeleid voor de gehele mEDIa en telecommunicatiesector ontstaat. Het is daarbij allereerst van belang om een goed beeld te krijgen van de diensten en faciliteiten die in de diverse marktsegmenten zullen ontstaan en te bezien waar voorlopersposities kunnen worden ingenomen. Naast nationaal georiënteerde initiatieven rond dienstontwikkeling, demonstratieprojecten voor specifieke doelgroepen en sectoren, verbeteren van de overheidsinformatievoorziening, koppelen van local loops, upgraden van EDI- en videotexprojecten, op gang brengen van de toegang tot databanken zou ook een meer internationale gericht beleid zinvol zijn gericht op het creëren van praktische Europese samenwerking.

dg xiii/a/1/a (1993), Open Network Provision Applied to the Local Loop. Final Report, Analysys Ltd. Ministerie van Verkeer en Waterstaat (1993), Hoofdlijnennotitie Herziening Wet op de Telecommunicatievoorzieningen.
oecd (1993), Communications Outlook 1993. Paris.
Schaffers, H., S. Maltha & G. Fahrenkrog (1993), De economische betekenis van telecommunicatie voor Nederland. Studie in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat door Studiecentrum voor Technologie en Beleid tno.
Schaffers, H. (1993), De effecten van competitie in telecommunicatie. Comparatieve landenanalyse en case studies naar marktdynamiek. Studie verricht door stb-tno. Ministerie van Economische Zaken.