I&I-> Jaargangen -> Artikel

Naar een nieuwe wet op informatieproduktie en informatietransport

Door Anne-Lieke Mol

De Mediaraad heeft inmiddels twee adviezen uitgebracht van een drieluik over de herstructurering van het informatiebeleid: een gaat over informatietransport en de ander over informatieproduktie. In dit artikel worden enkele hoofdlijnen besproken.


Bob Dylan zong het al in de jaren zestig: 'The times they are aëchanging'. Ook zonder protestzangers kan worden vastgesteld dat het tempo waarin dat thans gebeurt vele malen hoger ligt dan toen kon worden voorzien (even daargelaten de vraag welke veranderingen Dylan op het oog had).
Het startsein voor deze acceleratie werd gegeven in de jaren zeventig, toen zowel technische als maatschappelijke ontwikkelingen een (paradigma)verschuiving teweegbrachten van een op de goedkope inzet van energie gebaseerde produktie/consumptiewijze, naar een die in hoofdzaak gebaseerd is op het snel en goedkoop verwerken, opslaan en ontsluiten van informatie. Anders gezegd, we beleven nu de veel bediscussieerde overgang van een industriële samenleving naar een informatiemaatschappij.
Zo langzamerhand worden de gevolgen van de overgang steeds meer zichtbaar, vooral ook voor het terrein van het informatietransport en dat van de informatiediensten. Er is sprake van een explosief groeiend informatie-aanbod (tegenover een min of meer stabiel blijvende vraag!), dat langs tal van transportwegen zowel via de ether als via kabels wordt verspreid. Dat aanbod is in toenemende mate gericht op specifieke doelgroepen of bepaalde thema's, terwijl ook het gebruik van informatieprodukten steeds meer gebeurt op basis van individuele voorkeuren die sterk uiteenlopen. Het aantal partijen dat zich commercieel met het transport van elektronische informatie bezig houdt of wil houden neemt toe evenals het aantal partijen dat informatiediensten aanbiedt. En met dat al is er steeds meer behoefte aan concurrentie en aan minder invloed van de overheid.
In tijden van grote technologische en economische veranderingen correspondeert het gevestigde sociale en institutionele raamwerk vaak niet langer met de eisen die door de nieuwe technologie worden gesteld (Freeman, 1988; Perez 1983). Aanpassingen zijn nodig in de organisatie en structuur van overheden, organisaties, bedrijven en industrieën die moeten 'leren' om te gaan met de nieuwe mogelijkheden en omstandigheden.
Binnen de sector van de informatievoorziening (informatietransport en informatiediensten) zijn er voorbeelden te over van zulke aanpassingen. Zo is een inmiddels al enkele jaren verzelfstandigde KPN druk doende zich door middel van fusies een sterkere internationale concurrentiepositie te verwerven; treft de NOZEMA voorbereidingen om de markt op te gaan; weet de publieke omroep zich meer en meer belaagd door commerciële concurrenten en doet voorzichtige pogingen zich ook buiten het terrein van de traditionele omroep te begeven (tv-plus, abonnee-tv), voelen uitgevers van gedrukte media de noodzaak ook elektronisch actief te worden en staan de lokale kabeltelevisienetten aan de vooravond van grote veranderingen in zowel organisatiestructuur als dienstenpakket.
De situatie op dit moment laat zich vergelijken met de start van een lange-afstandrace waarin de deelnemers zich opmaken voor een zo goed mogelijke uitgangspositie. Vroegere kampioenen zullen plaats moeten maken voor aanstormend nieuw talent of zullen hun tactiek moeten wijzigen om ook in de toekomst in aanmerking te kunnen komen voor ereplaatsen. En de overheid is niet langer de coach die selectief spelers inzet of buitensluit, maar zal steeds meer als scheidsrechter gaan fungeren die erop toeziet dat iedereen toegang heeft tot de wedstrijd, zowel als deelnemer als toeschouwer.

Knelpunten

Zo'n proces verloopt niet zonder slag of stoot en roept meestal vooral bij de gevestigde partijen verzet op. Terwijl technologische veranderingen zich in de regel snel voltrekken, volgen de sociale en beleidsmatige instituties veel langzamer. Daarbij komt nog dat lang niet vast staat hoe de maatschappij zich zal gaan ontwikkelen als gevolg van de nieuwe impulsen. Veel alternatieven zijn mogelijk en de discussie hierover vindt plaats in een complexe sociale arena, waarin tegenstrijdige belangen spelen. Aan de overheid de taak om dit omwentelingsproces in goede banen te leiden.
Het huidige beleid en het stelsel van wet- en regelgeving lijkt daartoe echter steeds minder geschikt. Zo heeft de verwevenheid van regelgeving op het gebied van informatietransport en informatieproduktie - mede gebaseerd op historie en techniek - ertoe geleid dat de verdeling van bevoegdheden over verschillende overheidsinstanties ondoorzichtig is geworden. Besluitvorming vindt daarom vaak plaats op basis van onduidelijke criteria en op ad-hoc-basis. Dit laatste werpt onnodige belemmeringen op voor een uitbundig informatieverkeer.
Het bestaande ordeningsmodel gaat nog steeds uit van een sterke, modelmatige overheidsbemoeienis. Nieuwe ontwikkelingen vragen echter in toenemende mate om een economische ordening, waarbij bevordering van mededinging een belangrijke plaats inneemt.
Kenmerkend voor de huidige regelgeving is ook de fixatie op de techniek; iedere keer dat daarin veranderingen optreden moet de regelgeving weer worden bijgesteld. Aangezien dergelijke veranderingen aan de orde van de dag zijn leidt dit tot vertraging van de innovaties en dus tot het onthouden van nieuwe mogelijkheden aan burgers.
Zowel het informatietransportbeleid als het informatiedienstenbeleid zijn gericht op de aanbieder. Anders gezegd: wat de overheid zeker wil stellen op het terrein van de informatievoorziening probeert ze te realiseren via het regelen van een aanbiedersstructuur. Dat heeft in de praktijk geleid tot een Wet op de telecommunicatievoorzieningen (WTV) die is opgetuigd rond de PTT en een Mediawet die in feite slechts gericht is op de bescherming van de positie van de publieke omroep. Nu in beide sectoren het aantal partijen sterk toeneemt, alsmede het aanbod en de diversiteit aan zowel transportwegen als informatiediensten, ligt een beleid dat zich slechts beperkt tot (enkele) aanbieders steeds minder voor de hand.
De conclusie dat een nieuw ordenings- of besturingsconcept voor de informatievoorziening vrijwel onontkoombaar is geworden vindt momenteel een steeds breder draagvlak. Hoe zo'n concept er uit moet gaan zien is een ander verhaal en daarover bestaat veel minder eensgezindheid. Politieke discussies worden wel gevoerd, maar vooral op onderdelen van beleid, zoals het overleven van het huidige publieke omroepbestel of de herstructurering van het beleid inzake telecommunicatievoorzieningen. Een aanpak waarbij zowel het informatietransport als de informatieproduktie in hun totaliteit zijn betrokken, blijft vooralsnog uit, wat misschien mede wordt veroorzaakt door departementale verkokering.
De Mediaraad heeft met twee deeladviezen een voorzet willen geven voor een politiek debat waarin de hoofdlijnen van de inrichting van een nieuw beleid op het terrein van de informatievoorziening centraal staan.1 Hieronder worden enkele van zijn gezichtspunten besproken.

Naar een nieuw beleid

Herziening van het beleid wordt in veel gevallen gelijk gesteld met het zo snel mogelijk liberaliseren van de informatievoorziening. Heel nadrukkelijk wordt daarbij het belang van het bedrijfsleven voorop gesteld, er gemakshalve van uitgaande dat een zo groot mogelijke marktwerking als vanzelf ook zal werken in het voordeel van de burger. Overheidsbeleid heeft in een dergelijke visie slechts tot doel het marktmechanisme zo soepel mogelijk te laten verlopen, waarbij iedere beperkende of verplichtende maatregel aan marktpartijen als een verstoring van dat mechanisme wordt opgevat.
Jill Hills wees er tijdens een vorig jaar gehouden studiemiddag van de Mediaraad op dat individuele burgers in deze opvatting meer en meer (ver)worden tot consumenten, tot personen die informatiediensten en -produkten kopen. Steeds minder aandacht is er daardoor voor de bescherming van het recht op informatie en communicatie, een recht dat toch als essentieel beschouwd kan worden voor burgers in een democratische samenleving: 'Each citizen is a person with a web of political, economic and social rights and obligations, not an atomistic 'consumer' of good. And to function in a modern society that citizen needs both to be able to receive information and to communicate [...]. However these requirements of citizenship, for diverse sources of information, for the ability to communicate as well as to receive come up against those market trends which emphasize information as a commodity to be 'consumed' and communications as an economic, rather than political or social infrastructure.' (Hills, 1993, p.9).
Uitgangspunt voor de Mediaraad is het belang van de burger om te functioneren als vo
lmondig burger in een democratische samenleving. Het beleid moet daarom gericht zijn op een uitbundig informatieverkeer met als resultaat de verspreiding van een rijkheid van inhouden waarbij de toegang van de burger tot de informatievoorziening, zowel als aanbieder als ontvanger, maximaal is.
De Mediaraad vindt dat een nieuw bestuurlijk concept voor de informatievoorziening in principe gericht kan zijn op een minimalisering van de hoeveelheid regelgeving en het terugdringen van overheidsbemoeienis. Dit laatste moet niet gezien worden als een doel op zichzelf, maar als een middel om het uitgangspunt te verwezenlijken.

Hoofdthema's nieuw beleid

De wet- en regelgeving wordt tot nu toe gekenmerkt door veel overheidsbemoeienis en beperkte mogelijkheden tot concurrentie. Zowel Mediawet als WTV staan bol van ver- en gebodsbepalingen die voornamelijk tot doel hebben om de publieke omroep en de PTT zoveel mogelijk in staat te stellen om ongehinderd door 'concurrenten' hun taak uit te voeren. Een dergelijke dominante positie van publieke aanbieders is gezien de nationale en internationale marktverhoudingen niet langer houdbaar. Regelgeving, gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe zal daarom in een nieuw beleid het veld moeten ruimen voor het beginsel 'ja, mits', ofwel voor een beleid gebaseerd op vrijheid met beperkingen. Deze laatste blijven noodzakelijk om te voorkomen dat de vrijheid van de een te veel ten koste gaat van die van de ander.
Een ander hoofdthema van beleid is het streven naar zoveel mogelijk gelijkwaardigheid van partijen binnen de markt van de informatievoorziening. De verschillende 'lagen' in de informatievoorziening (zie figuur 1) en met name in de transportketen komen steeds meer in één hand. Ook aan kleinere bedrijven of nieuwkomers op de markt moet echter de mogelijkheid worden geboden zich staande te houden.
Voorop moet blijven staan dat een optimale toegang verzekerd is voor iedereen die gebruik wil maken van de informatievoorziening, zowel om informatie te verspreiden als om die te kunnen ontvangen.
Aan het begrip 'toegang' kleven verschillende aspecten. Het gaat om toegang tot transportfaciliteiten (bijvoorbeeld transportcapaciteit of de aansluiting op een infrastructuur), de toegang tot de exploitatie van diensten, de toegang tot informatieprodukten (bijvoorbeeld het financieel in staat zijn tot het nemen van een abonnement op een krant of omroeppakket) en ook om kennis en vaardigheden om van informatie en voorzieningen gebruik te kunnen maken.
Van een wat ander karakter is ten slotte dat diegenen die diensten leveren op het gebied van informatietransport geen boodschap aan de boodschap(pers) mogen hebben. Het zou een slechte zaak zijn voor de toegankelijkheid van het informatietransport wanneer bijvoorbeeld de beheerder van een infrastructuur (ether of kabel) bepaalde informatiediensten gaat weren, omdat hij belangen heeft in concurrerende informatiediensten. Maar ook wanneer zo'n betrokkenheid niet bestaat moeten leveranciers van transportdiensten niet gaan bepalen welke informatie van derden wel of niet wordt verzonden.
Al deze thema's moeten worden verwerkt in een nieuwe wet- en regelgeving. Aanpassing van de huidige wetgeving zou slechts betekenen dat de zoveelste lap aan de lappendeken wordt toegevoegd, zonder dat er sprake is van een fundamentele herziening. In plaats van de huidige, verstrengelde, WTV, Mediawet en Radio-Omroep-Zenderwet (ROZ) introduceert de Mediaraad een Wet op het informatietransport (WIT) en een Wet op de informatieproduktie (WIP). Wat hij zich daarbij voorstelt wordt hieronder uiteengezet, waarbij in aparte kaders praktijkillustraties zijn opgenomen.

Wet op het Informatietransport (WIT)

In de WIT gaat het uitsluitend om de verschillende lagen binnen de informatietransportketen van elektronische informatie: infrastructuurdiensten, netwerkdiensten en toegevoegde-waardediensten (zie kader 1).2
Iedereen die dat wil moet in principe in staat worden gesteld om diensten aan te bieden binnen de informatietransportketen, ongeacht het type dienst. Aan deze vrijheid kunnen echter beperkingen worden gesteld teneinde andere belangen veilig te stellen, zoals het streven naar een optimale toegang tot het informatietransport voor iedereen en naar gelijkwaardigheid tussen marktpartijen. Het opleggen van beperkingen vereist dat er een mogelijkheid is tot het instellen van een vergunningensysteem per 'laag'. Dit betekent dat er een functionele scheiding moet worden aangebracht tussen de verschillende lagen in de transportketen (zie figuur 1).
Een open, optimaal toegankelijke markt met veel concurrentie op alle niveau's lijkt een aantrekkelijk perspectief. Echter, zowel internationale als nationale fusiebewegingen maken duidelijk dat alle ondernemingen die op enig niveau van betekenis (willen) opereren binnen de transportketen, streven naar verticale integratie en vergroting van de schaalomvang. Heel nadrukkelijk is hierbij tevens de 'laag' van de informatiediensten betrokken in verband met de verwachting dat multimediale diensten in de toekomst een grote bron van inkomsten gaan vormen.
De meest in het oog springende voorbeelden zien we in de Verenigde Staten met de allianties tussen TCI en Bell-Atlantic; US West en Time Warner Entertainment en de overnamestrijd om Paramount Communications tussen QVC Network en Viacom. In Nederland, evenals in de rest van Europa, zijn grote telecombedrijven eveneens uit op het verkrijgen van 'keten-macht' waardoor op alle onderscheiden transpoRTLagen belangen worden verkregen. Aangenomen moet worden dat de laag van de informatiediensten zich niet aan dit streven zal onttrekken. In dit licht moet de overname door KPN van 50 procent van het aandelenpakket van Teleworld, een bedrijf dat zich richt op de markt van interactieve televisie, worden gezien.
De tendens naar verticale integratie wordt vergezeld door een mondiale expansiedrift. Meer en meer oriënteren bijvoorbeeld Amerikaanse ondernemingen zich met dat doel op de Europese markt, waarbij ook Nederland, vanwege de hoge bekabelingsgraad, hoge ogen gooit. Een bedrijf als US West heeft al te kennen gegeven geïnteresseerd te zijn in overname van kabeltelevisienetten.
Ook Europese telecommunicatieconcerns, waaronder KPN, werken binnen en buiten Europa naarstig aan schaalvergroting. Het valt niet uit te sluiten dat uiteindelijk slechts een beperkt aantal concerns de markt van het informatietransport gaat beheersen.
Met zijn voorstel tot functionele scheiding beoogt de Mediaraad niet om de bovengenoemde tendensen tegen te gaan of te verbieden (voor zover dit al mogelijk of wenselijk zou zijn). De vrijheid van (toekomstige) megaconcerns mag echter niet ten koste gaan van die van bedrijven die alleen actief willen zijn op een deelmarkt. Dit betekent minimaal dat iedere laag van de transportketen boekhoudkundig autonoom moet zijn met eigen onderlinge mededingingsverhoudingen, regels waaraan iedereen zich moet houden.
Om een optimale toegang tot de informatievoorziening te verwezenlijken is het nodig dat alle producenten en gebruikers van informatie minimaal gebruik moeten kunnen maken van transportcapaciteit en de beschikking hebben over een infrastructuuraansluiting die toegang biedt tot netwerkdiensten, ongeacht door wie die wordt geleverd. De overheid kan hiertoe via een vergunningensysteem de verplichting opleggen aan beheerders van infrastructuren om abonnees aan te sluiten en transportcapaciteit te leveren als daarom gevraagd wordt.

Superhighway Nederland BV


Wanneer zich op netwerkdienstenniveau een bedrijf aandient, NOZEMA bijvoorbeeld, met het verzoek om transportcapaciteit, is de divisie infrastructuur van Superhighway Nederland BV krachtens de vergunningenvoorwaarden verplicht deze te leveren onder dezelfde voorwaarden als die hij rekent voor de divisie 'omroepverspreiding' van Superhighway Nederland BV.

Om ervoor te zorgen dat de toegang tot het informatietransport betaalbaar blijft voor iedereen, is het tevens van belang dat de prijs van een aansluiting aan bepaalde maxima wordt gebonden. Datzelfde geldt voor de kosten van het transport van die (informatie)diensten waarvan de samenleving vindt dat iedereen erover moet kunnen beschikken (zoals spraaktelefonie, publieke omroep). In de vergunningenvoorwaarden moet daarom de mogelijkheid worden opgenomen tot instelling van een:

  • verplichting voor alle leveranciers in de transportketen tot een universele dienstverlening op grond waarvan een bepaald pakket aan diensten tegen een bepaalde prijs aan iedereen moet worden geleverd;
  • must-carry-verplichting voor aanbieders van toegevoegde-waardediensten en netwerkdiensten voor de doorgifte van informatiediensten van een publieke aanbieder.

    Superhighway Nederland BV


    De publieke informatiedienstenaanbieder levert een multimedia-applicatie voor asielzoekers die erop gericht is om hen wegwijs te maken in Nederland. Deze dienst valt onder de must-carry- en universele dienstverleningsverplichting. Alle divisies van BV Superhighway Nederland die bij het transport betrokken zijn, zijn daarom verplicht om de applicatie overal in Nederland te leveren tegen eenzelfde tarief. Wanneer de overheid dat noodzakelijk acht kan deze daarbij een maximumprijs opleggen.

    De functionele scheiding tussen lagen in de informatievoorziening is tevens een beleidsinstrument ter voorkoming van een verstrengeling tussen informatietransport en informatiediensten, ofwel van een boodschap aan de boodschap(pers).

    De eerder genoemde verplichting tot het voeren van een gescheiden boekhouding strekt zich daarom eveneens uit tot het niveau van informatiediensten.

    Superhighway Nederland BV


    Superhighway BV heeft grote belangen in diverse informatiediensten. Concurrent x vraagt of Superhighway het volledige transport in Nederland wil verzorgen van zijn informatiedienstenpakket. Superhighway Nederland BV is verplicht dit te doen onder dezelfde voorwaarden als voor het transport van de informatiediensten van Superhighway BV.

    Wet op de Informatieproduktie (WIP)

    De WIP vervangt de huidige Mediawet en ook die passages in de wtv die gaan over informatiediensten (zie kader 2). De WIP valt uiteen in:

  • de exploitatie van informatiediensten;
  • de beschikbaarheid van informatieprodukten;
  • de toegang tot informatieprodukten.

    Exploitatie van informatiediensten

    De noodzaak van een vergunningensysteem voor de exploitatie van elektronische informatiediensten zoals omroep, wordt steeds kleiner nu de transportmogelijkheden sterk toenemen. Zo hebben we in Nederland door de uitbreiding en modernisering van kabeltelevisienetten een verveelvoudiging van informatiekanalen tot onze beschikking gekregen en zullen digitale ontwikkelingen ertoe bijdragen dat dit aantal zowel via de ether als via de kabel alleen nog maar toeneemt.
    Een andere reden voor het hanteren van een vergunningensysteem komt voort uit het streven van de overheid tot bescherming van de publieke omroep. Nu echter blijkt dat RTL 4 en 5 zich desondanks een plaats in het medialandschap hebben verworven is ook die reden niet langer realistisch.
    In de WIP kan daarom zonder bezwaar een algemene toestemming worden vastgelegd voor de exploitatie van informatiediensten. Het staat daarmee iedereen vrij welke informatiedienst dan ook te exploiteren, of het nu gaat om kranten, tijdschriften, omroep, teletekst of multimedia.
    Wel moeten de exploitanten overeenstemming zien te bereiken met aanbieders van netwerkdiensten en toegevoegde-waardediensten over het transport van hun informatiedienst.

    BV Klokhuis

    BV Klokhuis is een bedrijf dat gespecialiseerd is in informatie voor 6-12 jarigen. Het bedrijf kiest voor verschillende presentatievormen, ervan uitgaande dat iedere vorm weer andere voordelen biedt: hetzij om een bepaald segment van de doelgroep te bereiken, hetzij om een bepaald type informatie zo goed mogelijk over te brengen. Zo produceren ze onder meer een jeugdkrant, boeken, televisieprogramma's,radioprogramma's, CD-I's, computerspelletjes en videotexdiensten.

  • Het bedrijf heeft van niemand voorafgaand verlof nodig om informatie op de markt te brengen, noch is er een vergunning vereist voor de exploitatie van een bepaalde informatiedienst.
  • Voor het transport van de electronische informatiediensten moet BV Klokhuis overeenstemming zien te bereiken met een of met verschillende netwerkdienstenleveranciers en leveranciers van toegevoegde-waardediensten (transportdienst).

    Beschikbaarheid van informatieprodukten

    Dat er voor een uitbundig informatieverkeer een breed geschakeerd informatie-aanbod beschikbaar moet zijn voor iedereen, wordt door weinigen betwist. Of de markt in staat is om zo'n aanbod te leveren is wel een punt van discussie. Volgens sommigen zal dit alleen lukken voor een bepaalde 'elitelaag' die bereid en in staat is hiervoor te betalen. Anderen denken dat de markt heel goed een pluriform aanbod kan genereren voor de hele bevolking. Hoe het ook zij, op dit moment is het vooral de publieke omroep die, daartoe in staat gesteld door een aanbiedersfinanciering van de overheid, geacht wordt om hierin te voorzien. Het valt echter niet uit te sluiten dat er een moment komt waarop dit beleidsinstrument niet langer toereikend is. Ontwikkelingen als de afnemende forumfunctie van de publieke omroep, het sterk stijgende aantal aanbieders van informatiediensten, de groeiende betekenis van andere informatiediensten naast omroep en de toenemende segmentatie in het aanbod, maken zelfs dat dat moment sneller kan aanbreken dan door sommigen wordt aangenomen.
    Belangrijk is dat de overheid dan in staat is flexibel in te kunnen spelen op veranderingen. Daarvoor is het nodig dat zij kan kiezen uit (een combinatie van) verschillende beleidsinstrumenten. De Mediaraad onderscheidt de volgende:

    Aanbiedersfinanciering:

    de overheid wijst één of enkele aanbieders aan die zorgdragen voor de totstandkoming van een bepaald informatie-aanbod.
    Produktfinanciering: de overheid stelt een financiering in waarop een beroep kan worden gedaan bij de produktie van bepaalde informatieprodukten.
    Marktwerking: de overheidsbemoeienis is (voor een bepaald nader omschreven aanbod) beperkt tot een voorwaardenscheppende rol bij het marktproces.

    Deze instrumenten zijn niet slechts bedoeld voor 'omroep' maar kunnen worden ingezet voor alle mogelijke informatieprodukten variërend van gedrukte media als krant en tijdschrift, tot elektronische media als omroep, videotex, teletekst, cd-i en multimedia-applicaties.

    De politiek zal steeds een afweging moeten maken in hoeverre een bepaald instrument of een combinatie van instrumenten nog voldoet, gegeven de veranderde omstandigheden. Wanneer ze constateert dat dat niet het geval is kunnen accenten worden verlegd. Zo kan bijvoorbeeld de huidige aanbiedersfinanciering voor omroep gedeeltelijk worden verlegd of uitgebreid naar andere informatiediensten als abonnee-omroep, videotex en multimedia. Tevens kan, tegelijkertijd of in plaats van het voorgaande, een produktfinanciering worden ingesteld voor bepaalde informatieprodukten. Welke informatieprodukten daarvoor in aanmerking komen is afhankelijk van criteria die daarvoor zijn opgesteld. Naast deze maatregelen kan de overheid bovendien besluiten om bepaalde taken geheel aan de markt over te laten. Concreet betekent dit alles voor het beleid dat:

  • er openingen gecreëerd moeten worden voor produktfinanciering voor alle informatieprodukten;
  • de mogelijkheid moet worden geopend om de publieke dienstverlening, die nu alleen gestalte krijgt in de vorm van een aanbiedersfinanciering van de publieke omroep, uit te breiden tot alle informatiediensten.

    Toegang tot informatieprodukten

    Het beschikbaar zijn van informatie-aanbod betekent niet automatisch dat dat aanbod ook voor iedereen toegankelijk is. Met name de betaalbaarheid kan voor sommigen een te hoog obstakel blijken te zijn. Problematisch wordt dit wanneer mensen hierdoor niet meer de beschikking zouden hebben over een basis-informatiepakket, nodig om zich als volwaardig burger in de samenleving te kunnen handhaven.
    Om in een dergelijke situatie als overheid toch bepaalde toegangsgaranties te verschaffen, kan gedacht worden aan de mogelijkheid van individuele ondersteuning aan minder draagkrachtigen. Concreet kan het gaan om het geven van subsidie voor de aanschaf van een krant, een abonnement op een omroeppakket of voor de afname van een bepaald omroepprogramma, maar ook om een (gedeeltelijke) vrijstelling van betaling van een eventuele heffing zoals nu de omroepbijdrage.
    Aan zo'n vorm van ondersteuning kleven natuurlijk verschillende nadelen van zowel inhoudelijke aard (welke produkten komen wel en welke niet in aanmerking?) als van sociaal-maatschappelijke aard (gevaar van stigmatisering). De overheid zal daarom terughoudendheid betrachten bij de toepassing ervan.

    BV Klokhuis

    Als de overheid zich zorgen maakt over de vraag of bepaalde informatie wel bij iedereen terecht kan komen kan zij in de transportsferen maatregelen treffen. Zij kan een must carry-verplichting of een universele dienstverleningsverplichting instellen. De must carry geldt alleen voor geïdentificeerde produkten van een publieke dienstenaanbieder.
    De produkten van de BV Klokhuis komen dus niet in aanmerking voor een 'must carry'. Indien de overheid een bepaalde informatiedienst, bijvoorbeeld via videotex, onder de universele dienstverlening wil laten vallen profiteert ook de BV Klokhuis hiervan.

    Besluit

    De Mediaraad heeft in zijn adviezen een aantal hoofdlijnen van toekomstig beleid neergelegd. Het ging er hem daarbij om een aanzet te geven tot een fundamenteel maatschappelijk debat, zonder te treden in allerlei concrete politieke vragen en keuzeproblemen en bijbehorende voetangels en klemmen.
    Belangrijk is het besef dat, hoe graag sommigen dat misschien ook anders zouden zien, met de voortschrijdende veranderingen hoe dan ook bepaalde traditionele zekerheden en verworvenheden verloren zullen gaan. KPN is niet meer de oude PTT van voor de verzelfstandiging, de NOZEMA zal zich in haar gedrag steeds minder onderscheiden van andere marktpartijen, de privatisering van kabeltelevisienetten betekent op termijn waarschijnlijk dat er een einde komt aan de lokale overheidsbemoeienis op dat terrein en de muur die om de publieke omroep is gebouwd zal hoe dan ook sneuvelen, danwel een andere architectuur krijgen.
    Dat alles neemt natuurlijk niet weg dat de uitgangspunten van een informatiebeleid dezelfde blijven, al was het maar omdat die onlosmakelijk zijn verbonden met het voortbestaan van de democratie. Bovendien zullen er nieuwe verworvenheden in de plaats kunnen komen van de verloren gegane, niet in de laatste plaats ook verworvenheden die een rol kunnen spelen bij het verzekeren van (de toegang tot) een gevarieerd informatie-aanbod voor burgers.
    Wanneer echter wordt verzuimd op een andere manier dan nu in het huidige beleid gebeurt vorm te geven aan deze uitgangspunten, dreigt het gevaar dat de ruimte om de richting daarvoor aan te geven verdwijnt. Wat de uitkomst dan zal zijn is 'blowing in the wind', om nog maar eens met Bob Dylan te spreken.

    Freeman, C. (1988), 'Information Technology and the New Economic Paradigm'. In Schutte, H. (ed.), Strategic Issues in Information Technology; international implications for decision makers. Maidenhead.
    Hills, J., 'Information and citizenship'. In: Mediaraad, Informatie tot (w)elke prijs?; toegankelijkheid en betaalbaarheid van informatie. Verslag van de studiemiddag te Den Haag, 12 oktober 1993.
    Perez, C. (1983), 'Structural Change and Assimilation of New Technologies in the Economic and Social Systems'. In: Futures, October 1983.