I&I-> Jaargangen -> Artikel

Strategische
aspecten van IT-
en organisatiebeleid

Door C.E. Dallinga-Hunter


In de halve eeuw van computertechnologie is een overgang geweest van automatisering - het door automaten/computers laten verrichten van bestaande taken - naar informatisering: het bepalen van vorm, inhoud en samenhang van informatiestromen, op een wijze die passend is voor de organisatie, gebruikmakend van de mogelijkheden van computersystemen en, daarna, ook van netwerken. Uit voorbeelden - een multinationale onderneming, het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, een Nederlandse universiteit - zal blijken dat en waarom deze overgang niet zonder schokken is verlopen. Uit de ervaringen vallen lessen te trekken, die mede de aandachtsgebieden voor de komende jaren bepalen.

In een moderne tekst over informatisering hoort het woord 'gebruiker' of 'eindgebruiker' thuis. Dit om aan te geven dat de mens centraal staat in de beschouwing. Soms is dit het geval, vaak echter blijkt het technische systeem - de computer, tele- of datacommunicatie-infrastructuur, toepassingssysteem - de centrale plaats in te nemen en is de mens in dit systeem slechts een afgeleide, zo niet een slachtoffer. Immers, vele in de laatste tien jaar ontwikkelde systemen hebben gebreken vertoond die soms voor de gebruiker van catastrofale aard waren. De kranten hebben er wel eens bol van gestaan.
Ik wil betogen dat het centraal stellen van de techniek een onjuiste benadering is. Uitgangspunt moeten de vraagstukken van de organisatie en vooral de rol en de taak van de mens in de organisatie zijn. Alleen dan kunnen alle problemen in een vroeg stadium van de ontwikkeling tot hun recht komen, doordat ook niet-technologen zowel bij de strategieontwikkeling als bij de toepassingen van de informatietechnologie betrokken worden.
De stelling is niet nieuw, er wordt al veel lippendienst aan bewezen. Toch zal het in Nederland nog wel langer dan tien jaar duren voor een geïntegreerde aanpak van informatiseringsproblemen regel is. Hiermee wordt bedoeld een opzet, waarbij in alle stadia ook alle relevante factoren meespelen. De snelheid van de ontwikkeling in deze richting wordt mede bepaald door de mate waarin het onderwijs zo'n houding, bij systeemontwikkelaars én gebruikers, bevordert. Dat vereist een meervoudige rol van de informatietechnologie in het onderwijs: niet alleen onderwerp van studie, maar ook gebruiksinstrument in de studie.
Voorafgaand aan de bespreking van problemen, keuzemogelijkheden en strategieontwikkeling in de huidige situatie geef ik een kort, sterk op persoonlijke ervaringen gebaseerd overzicht van de historische ontwikkeling.

De jaren vijftig tot negentig

Degenen die mij in de computerwereld introduceerden maakten in de jaren vijftig kennis met de eerste digitale computers. Zij maakten de schok mee die door de enorme versnelling van berekeningen - tot wel duizend optellingen per seconde - werd veroorzaakt. Niet alleen ging alles vlugger, maar ook tot dan toe buiten het bereik liggende problemen konden worden aangepakt. Het daardoor opgewekte enthousiasme was, meer dan bedrijfseconomische overwegingen, de stuwende kracht bij het gebruik van de eerste computers.
Wat Nederland betreft werd de eerste commercieel verkrijgbare computer aangeschaft voor het Koninklijke/Shell-laboratorium, Amsterdam. Deze was een bezienswaardigheid, die trots getoond werd aan collega's van elders, maar ook aan hoge bezoekers als koningin Juliana en de toenmalige Sjah van Perzië. Na korte tijd werd dit wonder - het kreeg de naam MIRACLE, een acroniem waarin de M afkomstig was van Mokum - dag en nacht, vaak zeven dagen per week, gebruikt. U moet daarbij bedenken dat de gebruikers, dat waren vooral beta-wetenschappers, niet alleen zelf de programma's schreven, maar ook de machines bedienden. Alleen voor het onderhoud waren er drie specialisten. De gebruiker was de baas; de computer was (bijna) zijn persoonlijke dienaar. Wel een tijd en aandacht vragende dienaar. Daar kwam verandering in.
Computers kostten veel geld en werden steeds krachtiger en duurder. Allengs werd het echter duidelijk dat de programmeringskosten nog sneller stegen. Dit en de uitbreiding van de gebruikerskring leidden tot de ontwikkeling van symbolische programmeertalen: FORTRAN (formula translation) en algol (algorithmic language) voor de technisch-wetenschappelijke computing, en COBOL (common business oriented language) voor de administratief-commerciële computing. In de jaren zestig bevorderden deze ontwikkelingen het ontstaan van rekencentra die, met hun operators, programmeurs en andere specialisten, de gebruikers veel werk uit handen konden nemen. Niet altijd tot plezier van de gebruikers: er kwamen spelregels en wachttijden en ook de kosten werden beter zichtbaar gemaakt. De rekencentra groeiden en werden datacentra; door ontwikkelingen als time-sharing en de verbetering van datacommunicatieverbindingen konden zij ook op afstand hun klanten bedienen.
Vanuit de bedrijfsleiding gezien bleven de kosten van computing - hardware, software, communicatie en menskracht voor bediening en ontwikkeling - in de jaren zestig en ook nog enige tijd daarna in het algemeen beneden één procent van de jaarlijkse omzet. Dit had, bij grote ondernemingen, tot gevolg dat het management van de automatisering op afdelings- en divisieniveau plaatsvond. Pas toen de kosten van automatisering en communicatie in de jaarrekening zichtbaar werden en vervolgens soms meer dan vijf procent van de bedrijfskosten gingen bedragen, groeide ook de gerichte aandacht van de (financiële) managers. In die periode - eind jaren zeventig en in de jaren tachtig - kwamen de vragen: waaraan geven we ons geld uit, is er wildgroei, wat is de kosten/batenverhouding?
Er waren andere factoren die de vraagstelling nog dringender maakten. De kracht van de general purpose computers groeide, maar ook de onvrede met het serviceniveau van de datacentra. De technische ontwikkeling, vooral de miniaturisering van computercomponenten, zorgde niet alleen voor een enorme capaciteitsvergroting van de machines, maar bood ook nieuwe mogelijkheden: minicomputers, intelligente werkstations, personal computers. Hierdoor werden tal van activiteiten mogelijk, waarbij men het centrale datacentrum wel kon missen. De mogelijkheden leken onbeperkt, maar de kostenstijgingen bleken dat ook te zijn, waarbij een belangrijke bijdrage werd geleverd door het gebrek aan standaardisatie zowel in de hardware, de software, de communicatie als in de toepassingsprogramma's.
Met de laatste opmerkingen komen we toe aan een aantal problemen van de jaren negentig.

De jaren negentig

Naast de eerste, meest brede vraag: hoe hanteer ik informatiseringsproblemen? en ook als onderdeel daarvan, doen zich een aantal deelproblemen voor. Deze betreffen enerzijds de interne bedrijfssituatie, anderzijds de relatie met leveranciers en (eventuele) adviseurs. Men moet zich daarbij realiseren dat het bij de huidige stand van zaken niet meer gaat louter om het aanschaffen van computerkracht (voor een persoon, een afdeling of het hele bedrijf). Nee, het gaat om de vraag hoe men een infrastructuur op het gebied van informatisering creëert, die ten dienste kan staan van het gehele instellingsgebeuren, met al zijn interne en externe interacties. Als men daarvan uitgaat, moet een informatiseringsplan dat die naam verdient, uitvloeisel zijn van het instellingsplan. Wij komen hier nog op terug, en stippen nu eerst enige belangrijke deelproblemen aan, overigens zonder daarvoor algemeen geldende oplossingen te kunnen bieden.
Een belangrijke vraag bij de aanschaf van computerfaciliteiten betreft de keuze van de leverancier. Wil men zich beperken tot één leverancier van hardware en de daarbij passende produkten? Dat kan kosten besparen en problemen voorkomen, maar leidt tot een afhankelijkheid die in kwetsbaarheid kan ontaarden. Factoren die hierbij meespelen zijn de levensduur van computersystemen, de snelheid van veranderingen in de instelling zelf en het tempo van nieuwe ontwikkelingen in de computerindustrie. De producenten streven elkaar steeds voorbij, bij voorbeeld wat betreft prijs/prestatieverhouding of verbetering van mens-machine-interface. Bij een multinationale onde
rneming als Shell beperkte men zich niet tot één leverancier. Dat was bedrijfsbeleid, echter niet alleen gebaseerd op de hiervoor genoemde overwegingen, maar ook vereist door de grote variatie in behoeften van de centrale kantoren en de vele werkmaatschappijen. In zo'n situatie is standaardisering alleen uitvoerbaar bij een uiterst strakke hiërarchische leiding.
Ook wanneer men kiest voor één hardware (of plug-compatible) lijn, blijft er een keuzevraag met betrekking tot de software. Die is snel gemaakt wanneer de hardwareleverancier operatingsystemen levert die uitsluitend op de eigen machine functioneren. De ontwikkeling van een machine-onafhankelijk besturingssysteem is al lang geleden gestart in de laboratoria van Bell: UNIX. Dit produkt is algemeen geaccepteerd in de wereld van wetenschappelijke toepassingen. Toepassing in de commerciële wereld is geremd door het niet voltooid zijn van back-up en recoveryprocedures; gebruikszekerheid en beschikbaarheid zijn voor dat type toepassingen een absolute eis.
De volgende keuzevraag betreft database-management software, analyse- en ontwerphulpmiddelen, talen, generatoren en ontwikkelhulpmiddelen, documentatie en testhulp-middelen, schattingshulpmiddelen, enzovoort. Er zijn op elk van deze terreinen vele produkten op de markt, elk gebaseerd op een eigen filosofie. Om de complexiteit te tonen nemen we de database-managementsystemen als voorbeeld. Het systeem kan hiërarchisch zijn, een netwerk, relationeel, semantisch, associatief, neutraal of wat de (nabije) toekomst nog meer te bieden heeft. Zoals gezegd is het niet mogelijk om een algemene uitspraak te doen over welk systeem het beste is: dat hangt zeer sterk af van de conceptuele en de logische gegevensstructuur die wordt geïmplementeerd. En deze hangen weer af van het type bedrijf of bedrijfsproces waarop de gegevens betrekking hebben.
Een algemene opmerking die wel over het keuzeprobleem gemaakt kan worden, luidt dat de leveranciers (uiteraard) vooral de nadruk leggen op de kwaliteiten van hun produkten en dat de verkopers vaak beter op de hoogte zijn van de commerciële dan van de technische aspecten van hun produkten. Om teleurstellingen te voorkomen is eigen vakkennis of die van een betrouwbaar, onafhankelijk adviseur zeer gewenst. Dit is slechts gedeeltelijk bedoeld als kritiek op de leverancier; men kan het ook een kenmerk noemen van een jonge, nog niet uitontwikkelde industrie.
Een managementprobleem voor de jaren negentig wordt ook gevormd door de steeds groeiende verbinding van systemen. Men kan zeggen dat met de aanleg van lokale, regionale, nationale en internationale netwerken en hun onderlinge verbindingen een nieuwe, 'gedistribueerde' wereld voor ons open gaat, met zeer vele, nu nog onbedachte toepassingen. Het betekent in elk geval dat het strategisch beleid met betrekking tot informatisering zich ontwikkelt van een individueel beleid op elk van de gebieden hardware, software, communicatie, toepassingen op het gebied van numerieke computing, high performance computing, gegevensverwerking, tekstverwerking, electronische post, computer integrated manufacturing, computer-ondersteund onderwijs, computer aided experimentation, enzovoort, tot een meer geïntegreerd beleid dat, zoals hiervoor opgemerkt, een afgeleide zal zijn van het instellingsbeleid. De formulering van een informatiseringsbeleid vereist derhalve kennis van en ervaring met zowel informatisering als bedrijfsprocessen. Dit houdt in betrokkenheid van computerspecialisten, organisatiedeskundigen en vooral ook de gebruikers van de systemen in alle fasen van een ontwikkeling. Daarbij zijn experimenten op de werkvloer nodig, met behoud van het overzicht, wat het informatiseringsproces maakt tot een iteratief proces, waarbij bottom-up en top-down fasen elkaar afwisselen.

Strategisch informatiseringsbeleid

Aanpak afhankelijk van de aard van de instelling. Het informatiseringsbeleid is de opvolger en uitbreiding van het automatiseringsbeleid. Bij het automatiseringsbeleid van een organisatie was een belangrijke vraag: wat is het niveau van de automatiseringsmanager, aan wie rapporteert hij of zij en hoe intensief is de relatie met het hogere niveau? Het antwoord was niet overal hetzelfde en soms om goede redenen. Ik loop weer even mijn eigen ervaringen langs.
Bij Shell waren er twee mogelijkheden, afhankelijk van de aard van het bedrijf. Betrof het een exploratie- of produktiemaatschappij dan rapporteerde, vanaf de jaren tachtig, de chef automatisering aan de algemeen directeur. Betrof het een marketing-, chemisch- of olieproduktiebedrijf dan vond de rapportage plaats aan de financieel directeur. Men kan zeggen dat deze verschillen op natuurlijke wijze tot stand kwamen, bepaald als zij werden door aard en niveau van de relatie tussen automatisering en de desbetreffende disciplines. Er was een sterke wisselwerking tussen leiding en automatiseringsgroep.
Bij de overheid (rijk, provincie, gemeente, ook bij de universiteit) trof men ook verschillende situaties aan, bepaald door historische en politieke factoren. Zo rapporteerde in het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, eind jaren tachtig, de afdeling organisatie en automatisering aan de secretaris-generaal, met dwarsverbanden naar elk der directoraten-generaal en/of directies. De wisselwerking tussen leiding en automatiseringsgroep was in vergelijking met het bedrijfsleven niet sterk, mede omdat op het hogere niveau de vakkennis beperkt was.
Bij de Informatiseringsbank, toen een losstaand, maar niet geheel zelfstandig onderdeel van het departement, bestond aan het eind van de jaren tachtig een interactie op afstand, zowel letterlijk (Groningen-Zoetermeer) als figuurlijk. Dit leidde tot een verschil tussen 'droom en daad', dat wil zeggen tussen wetgeving en praktische uitvoerbaarheid, dat soms grote problemen veroorzaakte. Na de reorganisatie is die situatie gewijzigd, met als doel het strategisch belang van de informatisering voor het bereiken van de bedrijfsdoeleinden tot gelding te brengen. Enerzijds rapporteert de informatiseringsdirectie direct aan de hoofddirecteur, anderzijds licht deze het departement voor over de praktische haalbaarheid van wetsveranderingen en van het tijdstip dat men daarvoor op het oog heeft.
Bij de universiteiten zijn de situaties onderling verschillend. Het is niet ongewoon dat er een softwaregroep is van redelijke kwaliteit, die echter niet in staat is tot het uitvoeren of voorbereiden van een strategisch beleid. Dit mede omdat op de hogere niveaus òf de belangstelling òf de kennis voor het leveren van een bijdrage aan zo'n beleid onvoldoende aanwezig is. In het volgende ga ik wat meer in detail in op mijn ervaringen bij de Universiteit van Amsterdam.

Toen ik in 1989 door de Universiteit van Amsterdam werd aangetrokken - op het niveau van adjunct-secretaris - was mijn opdracht om de automatisering en informatisering gerichte aandacht te geven, zowel bij de vijftien faculteiten als bij de zes diensten en de vijf overige beheerseenheden. Uitgangspunt daarbij was de weloverwogen conclusie van het College van Bestuur dat deconcentratie van het beheer noodzakelijk was. Een vereiste daarvoor is een goed samenspel tussen de twintig eenheden op het gebied van studenten, onderwijs, onderzoek, bestuur, beheer (financiën, gebouwen, personeel), bibliotheken en algemene zaken en hiervoor zijn weer goede bestuurlijke- en beheersinformatiesystemen nodig. Voor het opzetten en doen functioneren daarvan besloot het College van Bestuur een functionaris aan te stellen op het hoogst mogelijke ambtelijke niveau en om daarvoor geen ambtenaar te kiezen, maar een onafhankelijk deskundige met ervaring in het bedrijfsleven.

Zowel de opdracht als de daaraan ten grondslag liggende overwegingen klonken mij aantrekkelijk in de oren, te meer omdat het College van Bestuur duidelijk maakte dat het ernst was met de veranderingsprocessen. Tijdige, correcte en zo volledig mogelijke bestuurlijke informatie is onmisbaar voor het besturen van een zo omvangrijke en complexe organisatie als de Universiteit van Amsterdam, was de vaste overtuiging.
Wat snel opviel was de tegenstelling tussen de hoge kwaliteit van onderwijs en onderzoek op het gebied van informatisering en de geringe kennis en ervaring op dit terrein van bestuurders, beheerders, directeuren, beleidsambtenaren, raadsleden en anderen alsmede het vrijwel ontbreken van verbindingen tussen deze onderdelen van de instelling. Het kwam mij voor dat hierin verbetering te brengen moest zijn, te meer omdat bleek dat aan wetenschappelijke zijde belangstelling bestond voor het toepassen van de eigen kennis op de bestuurlijke problemen van de universiteit. Anderzijds waren de diensten sterk geïnteresseerd in mogelijke verbeteringen in hun procedures en methodieken.
Dit leidde ertoe dat theoretisch goed opgeleide bijna-afgestudeerden als stagiaire konden worden betrokken bij verscheidene vernieuwingsprojecten. Op deze wijze kregen zij, op een passende schaal, te maken met praktische moeilijkheden zoals deze in het voorafgaande aan de orde kwamen en zoals zij ook later in hun loopbaan zouden ontmoeten. Zij wisten daar ook goede oplossingen voor te vinden, zodat deze symbiose wederzijds tot voldoening aanleiding gaf. Enige voorbeelden :

  • Voor het downloaden van de financiële gegevens uit het grootboeksysteem op de mainframe- computer werden selectieprogramma's en procedures gemaakt. Zaten de gegevens eenmaal in de pc, konden er modellen mee doorgerekend worden en werden de gegevens via grafische vormgeving op een aantrekkelijke manier gepresenteerd.
  • Beslissingsondersteunende systemen werden bestudeerd en geïmplementeerd; toepassingen werden gemaakt en besproken met de beleidsambtenaren. Duidelijk werd, dat op dit terrein nog heel veel experimenten moeten plaatsvinden alvorens deze hulpmiddelen in de lijnorganisatie vruchtbaar gebruikt kunnen worden.
  • Een belangrijk werkprincipe bij veranderingsprocessen is, om eerst de bestaande situatie globaal in kaart te brengen. Ook deze taak werd door afstudeerders uitgevoerd. In drie tot zes maanden, afhankelijk van de lengte van de afstudeerstage, droegen zij bij aan het systematisch in kaart brengen van de informatiehuishoudens van de zes diensten van het bureau van de universiteit: personeel, financiën, bouw en huisvesting, studentzaken, onderwijs en onderzoek en algemene zaken. Daarna kwamen ook de faculteiten en de universiteitsbibliotheek aan de beurt. Deze beschrijving van enige activiteiten aan de Universiteit van Amsterdam heeft als doel te illustreren dat elke instelling haar specifieke problemen heeft, zowel wat de informatiebehoefte als de interne relaties betreft. Tevens wordt, hoop ik, duidelijk dat deel-automatiseringen in het huidige informatiseringstijdperk niet verstandig zijn; bij de vele mogelijkheden die de stand van de techniek biedt, en nog gaat bieden, is het buiten beschouwing laten van samenhangen tussen organisatieonderdelen een bron van moeilijkheden.

    De architectuur van het systeem

    Het is gebruikelijk om, sprekende over de structuur van informatiesystemen, onderscheid te maken tussen gegevens-, functionele en technologische architectuur. Met andere woorden: welke ordening brengen we aan in de gegevens, voor welke doeleinden willen we ze gebruiken en hoe worden we daarbij geholpen of gehinderd door de mogelijkheden van de beschikbare (hard- en software) hulpmiddelen? Deze laatste formulering maakt duidelijk dat de genoemde architecturen niet onafhankelijk van elkaar zijn.
    In het volgende worden de architecturen afzonderlijk besproken en wordt niet steeds de onderlinge afhankelijkheid benadrukt. Deze is echter wel altijd aanwezig en bepaalt ook vaak de gedachtengang.

    Informatie-architectuur

    Op welk niveau zijn de gegevens die in geautomatiseerde systemen gebruikt worden beschreven? Vaak ligt dit op het niveau van een fysiek gegevensmodel per toepassingsgebied. Onder fysiek gegevensmodel verstaan we de feitelijke vastlegging in electronische vorm. Bij de UvA bestond er voor sommige toepassingen, bijvoorbeeld de centrale studenteninschrijving, een aanzet tot een conceptueel en een logisch gegevensmodel. Onder logisch gegevensmodel verstaan we de beschrijving van de gegevens en hun onderlinge relaties in directe samenhang met de toepassingsprogramma's. Onder conceptueel gegevensmodel verstaan we de afbeelding van de realiteit in het benoemen van gegevenseenheden en de onderlinge relaties tussen de eenheden. Om van zo'n situatie te geraken tot een voor de gehele universiteit aanvaardbare informatie-architectuur is een taak, die men niet moet onderschatten. Immers, op verschillende plaatsen zijn verschillende definities in omloop met betrekking tot studentgegevens, gevolg van de niet parallel lopende interessen en belangen van de diverse actoren.
    Anderzijds: de studentgegevens zijn parameters in de bekostigingsmodellen, zowel van het ministerie van O&W naar de universiteit als van het College van Bestuur naar de faculteiten, zodat eenduidigheid en eensgezindheid over de definities wel zeer gewenst is. Zo gewenst, dat de taaie volharding nodig om misverstanden uit de weg te ruimen en meningsverschillen en belangentegenstellingen te overbruggen, moet worden opgebracht. Een belangrijk, zelfs doorslaggevend hulpmiddel daarbij is het altijd bieden door de projectleider van een heldere, waarheidsgetrouwe, voor alle betrokken partijen overeenstemmende en slechts voor één uitleg vatbare voorstelling van zaken en het tot gemeenschappelijk bezit van de betrokkenen maken daarvan.
    Een voorbeeld waarbij blijkt dat het maken van een universitair gegevensmodel zijn vruchten kan afwerpen, ligt op het raakvlak van financiën en personeel. Begrotingen laten zien dat 85 procent van de universitaire begroting bepaald wordt door de post 'personele lasten'. Zorgvuldig personeelsbeleid en -beheer zijn niet alleen nodig voor goed onderwijs en onderzoek, maar betreffen ook een zeer grote component van de bestedingen van de universiteit. Mijn ervaringen zowel op het ministerie van O&W als bij de Universiteit van Amsterdam laten zien dat de samenspraak tussen personeelsdienst en financiële dienst over de toch gemeenschappelijke definitiekwesties veel te wensen overlaat. Het is veelal de automatiseringsafdeling die met beide diensten spreekt en dan is het weer afhankelijk van het aanzien en de overtuigingskracht van deze organisatie of die in staat is om de personeels- en financiële deskundigen aan één tafel te krijgen. Bij de Informatiseringsbank lukte dit mede door de hiërarchische organisatie: de hoofddirecteur kon de informatica-, de personeels- en de financieel directeur bij zich roepen om de noodzakelijke afstemming te bereiken (zie kader).
    Terug naar de informatie-architectuur van de universiteit. Slechts weinige universiteiten zullen zich herkennen in een hiërarchisch informatie- of gegevensmodel. Een netwerkmodel benadert de realiteit een stuk beter. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat de stichting universitaire administratieve automatisering (SUAA) ruim tien jaar geleden koos voor IDMS, een netwerkdatabase-managementsysteem. De afbeelding van de realiteit op de computer was hiermee uitvoerbaar, maar zoals we nu weten, niet erg efficiënt en flexibel. Met de komst van de relationele database-architectuur is hier verandering in gekomen, maar ook hier zien we nog de afstand tussen ontwerp en praktijk.
    De jonge afstudeerders in informatica of bedrijfsinformatiekunde bleken vertrouwd met de mogelijkheden en beperkingen van relationele databases. Het rekencentrum van de Amsterdamse universiteiten bood echter op dit terrein alleen beperkte ondersteuning op het onderwijs- en onderzoekdeel; dezelfde service werd niet geleverd onder het besturingssysteem van de bestuurlijke- en beheersproblemen. Dit is zowel een kwestie van financiële middelen als van beleid van het universitair rekencentrum, dat op afstand van de universiteiten functioneert als een zelfstandige stichting. Het feit dat de universitaire bestuurders in het bestuur van het rekencentrum zitten, verkort deze afstand onvoldoende; de invloed van gebruikers op de bedrijfsvoering is heel beperkt. Het wordt met het werken aan bestuurlijke informatie van dag tot dag duidelijker dat de universiteit een veel-, zo niet allesomvattend gegevensmodel nodig heeft. Eénmalig zo'n model maken kan iedereen die de juiste menskracht gedurende een aantal maanden aan het werk kan zetten. Eénmalig opzetten heeft echter weinig zin wanneer er geen hulpmiddelen zijn om de modellen te onderhouden en aan te passen aan de steeds veranderende eisen en wensen. Zowel op het gebied van data dictionary/directories als op het gebied van datamodelinghulpmiddelen is er de laatste tien jaar wel veel, maar toch nog onvoldoende beschikbaar gekomen. Relevante technieken, met name de middelen voor overbrenging van wijzigingen in één van de modellen, bijvoorbeeld in het logische model, naar de andere (conceptueel en fysiek model) ontbreken in de meeste produkten.
    Samenvattend: in grote en complexe organisaties, waar beheers- én stuurgegevens gebruikt worden voor zowel beheers- als stuurinformatie, is de aanwezigheid van een informatiemodel op drie niveaus, namelijk conceptueel, logisch en fysiek, noodzakelijk. Er zijn weinig universitaire onderwijsorganisaties die dit al op het concernniveau gerealiseerd hebben. De state-of-the-art is dat op elk van de beheersgebieden: financiën, personeel, huisvesting, studenten, onderwijs en onderzoek dit onderwerp nu serieus benaderd wordt.
    Alleen wanneer er informatiemanagers op het hoogste concernniveau zijn aangesteld, mag men activiteiten verwachten die zowel leiden tot een omvattend gegevensmodel als tot richtlijnen en adviezen aan organisatorische eenheden over de te hanteren definities en de inrichting van de lokale gegevensmodellen. Het doel van een adequate modellering en beschrijving van de gegevens is om op de zich steeds wijzigende organisatiestructuren en wijzen van gebruik van de informatie op een flexibele manier te kunnen anticiperen.

    Functionele architectuur

    Nadat we in het vorige gedeelte stil hebben gestaan bij het belang van de modellering van gegevens, komen we nu toe aan de functies, de processen en de activiteiten die op de gegevensverzamelingen worden losgelaten. Voor het beschrijven van deze functionele modellen zijn vele methodieken ontwikkeld en van hulpmiddelen voorzien. Zelf vind ik de data-flow-diagrammethode één van de meest overzichtelijke wijzen van processen weergeven. De schematische weergave van globaal niveau tot het diepste gewenste niveau van detail zorgt ervoor dat de processen goed doordacht worden en dat cirkelredeneringen en onheldere samenhangen beter zichtbaar worden gemaakt dan in uitsluitend beschrijvende tekst.
    Voor het maken van functionele modellen geldt dat beperking en beheersing belangrijke kundigheden (moeten) zijn van de architect/ontwerper. Zeer veel systemen zijn onbetaalbaar en/of onbeheersbaar geworden doordat het geloof van de vaak technologisch geschoolde projectleider in de mogelijkheden van de hardware en software groter was dan uiteindelijk in realiteit gewettigd bleek. De ontwikkeling van het geautomatiseerde systeem dat de wet op de studiefinanciering uitvoert is zo'n voorbeeld van te groot geloof in de oplossingen van de techniek. Wanneer ik terugkijk naar de reeks van mij bekende succesvolle en mislukte projecten, blijken de omvang en de complexiteit uiterst belangrijke factoren. Decompositiemethoden en -technieken kunnen hierbij de helpende hand bieden. Na de decompositie in basiselementen bouwt men het proces opnieuw op, waarbij slechts de volstrekt onmisbare elementen worden gebruikt. Op deze wijze bereikt men een minimale verzameling van functionele processen.
    Onderdeel van de functionele architectuur en direct gekoppeld aan het organisatiemodel is de wijze van besluitvorming over automatiseringsprojecten. Betreft het automatisering binnen een overzichtelijke afdeling dan loopt men weinig risico bij de realisatie van een qua omvang en complexiteit beheersbaar systeem. Vindt de besluitvorming via de top van de organisatie plaats, dan zijn de risico's bij realisatie een stuk groter. Wie bereidt de keuzes en afwegingen voor, hoe goed zijn de directeuren in staat om de individuele en gezamenlijke consequenties van de besluitvorming te overzien? Lange tijd deden de projectleiders van geautomatiseerde systemen, die vaak vrij zelfstandig konden opereren, weinig moeite om zich los te maken van het vakjargon en in een voor de opdrachtgevers begrijpelijke taal te communiceren. Pas na een reeks van publiek besproken en beschreven mislukkingen is de persoonlijke betrokkenheid van topbestuurders en managers op dit punt vergroot. Ook de wijze waarop functionele modellen beschreven werden heeft niet tot een helder inzicht in het verschil tussen automatiseren en informatiseren geleid en daardoor de professionalisering van de informatisering geen goed gedaan.
    Als in de jaren zeventig en tachtig in de besluitvormende vergaderingen de produkten van analisten en ontwerpers op tafel kwamen, waren dat ordners vol met schema's en teksten zonder overzicht, zonder samenhang maar met veel details in de bijlagen. Vaak was één persoon niet meer in staat om het overzicht en de samenhang te bewaken. Later is gebleken dat zo'n aanpak op fiasco's uitloopt. Een van mijn zeer ervaren collega's vroeg, als onderdeel van adviezen die hij gaf over een informatiseringsproject, waar het ene velletje papier was waarop hij de functionaliteit van het systeem in één oogopslag kon zien. Was dat er niet, dan gaf hij de opdracht het te maken; kwam het er niet dan gaf hij advies het project te stoppen en een andere opzet en aanpak te kiezen. Veelal vonden dan ook spelerswisselingen plaats.
    Veel projectleiders en systeemontwerpers vertonen holistisch gedrag, het liefst koppelen ze op papier alles aan alles. Projectleiders met meer zelfbeheersing, die in het verleden bewezen hebben binnen de afgesproken kosten en tijd hun produkten op te kunnen leveren, zijn zeldzaam; zij moeten gekoesterd worden door de organisatie en gestimuleerd om hun kennis en ervaring op anderen over te dragen.
    Over de functionele architectuur is nog veel meer te zeggen. Bijvoorbeeld: wie bepaalt wie in de organisatie het gehele systeem en delen van het systeem geautomatiseerd mag gebruiken? Wie mag gegevens raadplegen, wie mag gegevens bewerken, wie mag gegevens verwijderen? Het antwoord op deze vragen luidt veelal: de functionele systeembeheerder of -beheerders. Vooral in sterk gedecentraliseerde/gedeconcentreerde bedrijven en organisaties wordt deze vraag niet op uitsluitend rationele gronden beantwoord. Machtrelaties, relatieve autonomie, vertrouwen en vooral wantrouwen spelen hierin mee. Ook hier geldt dat de techniek steeds meer mogelijkheden biedt, maar niet minder waar is dat men de techniek ook nog de baas moet blijven.
    Eén van de meest aantrekkelijke ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar is dat er hulpmiddelen op de markt zijn gekomen, waarmee men in enkele dagen de buitenkant, dit is de gebruikerskant, van een systeem kan simuleren. Met het simulatiemodel kan men participerend ontwerpen en daarbij komen tot een beter mens-machine interface. Het zijn deze hulpmiddelen die de nuttige bijdrage van de niet-informatici zichtbaar vergroten. Vaak is het voor de traditioneel gevormde automatiseerder moeilijk om een dergelijke stap naar nieuwe werkwijzen te maken, maar dat is niet uniek voor automatiseerders.

    Technologische architectuur

    Een informatietechnoloog 'pur sang' was zijn verhaal natuurlijk met deze architectuur begonnen, om daarna de rest eraan te relateren. Het is niet zonder reden dat ik er mee besluit, omdat ik wil benadrukken dat de techniek de mens moet ondersteunen, en dat de techniek niet de mens zal domineren. Dit principe onderschrijft, zoals eerder gezegd, iedereen, maar in de praktijk... Een vrij recente krantekop luidde: 'Computers nemen de taak van de rechters over', en in het artikel stelde de auteur dat, wanneer een computer iets beter/objectiever kan zijn dan de mens, de computer de taken dan maar moet overnemen. Het debat over dit onderwerp zal, zolang er mensen op aarde zijn, niet eindigen. Het doordenken van de vraag in welke situaties de menselijke arbeid vervangen kan en mag worden door machines, is uiterst boeiend. Reeds lang zijn we blij dat onze salarissen via nauwkeurige machines berekend worden: de willekeur van reken- en schrijffouten werd snel en positief opgeheven bij de introductie van computers. Maar een totale overname van het werk van onderwijzend personeel door computersystemen lijkt ons momenteel - en waarschijnlijk ook voor de toekomst - géén ideaal. Wel moet men een afweging maken: waarin is de mens sterk, wat doet hij zelf, wanneer schakelt hij de machine in om meer, beter of sneller resultaat te krijgen? Waarbij de continue beschikbaarheid van de machines een niet onbelangrijk element is.
    Met betrekking tot de technologische architectuur zijn er strategische beleidskeuzen te maken op het gebied van de hardware, de software, de communicatie, de methodieken, de technieken en hulpmiddelen bij de realisatie van toepassingen, bij de keuze: kopen of maken, onderhoud uitbesteden of in eigen beheer uitvoeren, wel of géén general purpose rekencentrum, wel of géén standaardisering, bij de bepaling van de hoogte van de jaarlijkse investeringen in de infrastructuur en van de exploitatiekosten in mensen en middelen.
    De te maken technologische keuzen moeten goed afgestemd worden op de bedrijfscultuur van de organisatie, waarbij geldt dat men bij veranderingen niet te grote stappen moet maken. Het opereren van minicomputers, een nieuw systeem van doorbelasting van kosten, om een paar voorbeelden te noemen, vereisen zorgvuldige introductie. Na de inrichting van de rekencentra met grote general purpose mainframe computers hebben we in de jaren zeventig en tachtig de opkomst van de mini, de dedicated computers, de afdelingsmachines. In de tweede helft van de jaren tachtig zien we de machines op vier niveaus werken, van personal computer/werkstation via mini en mainframe tot supercomputers. Ook in de jaren negentig zullen de discussies over welke machine het beste is voor een organisatie of organisatie-onderdeel nog gevoerd worden. Ze worden met de nieuwe systeem- en netwerkarchitecturen gelukkig steeds minder relevant, waardoor de aandacht van de beleidsmakers zich kan richten op de toepassingen, die door de technologische infrastructuur steeds gevarieerder worden.
    Een interessante vraag is ook, hoe het gebruik van personal computers zich zal ontwikkelen. Het lijkt mij niet ondenkbaar dat het aantal pc's per persoon - voorzover deze althans computergebruiker is - zal oplopen tot drie. Uit eigen ervaring weet ik, dat het gebruik van een werkstation effectief is wanneer op het werk, onderweg en thuis met dezelfde systematiek en uitwisselbare gegevens gewerkt kan worden. Maar zolang draagbare pc's zwaarder zijn dan 2,5 kilo blijf ik de vulpen als aardig alternatief gebruiken. Voornamelijk door de ontwikkelingen van de tele- en datacommunicatie-infrastructuren wordt de vraag: centrale of decentrale oplossing? steeds vaker beantwoord met: geen van beide, liever iets er tussen in. Dat betekent dus een systeem van gedistribueerde computerfaciliteiten. Dit door de technologie mogelijk gemaakte antwoord stelt wel weer geheel nieuwe eisen aan de organisatie en aan de omgang van de organisatie met het informatiesysteem.

    Knelpunten en oplossingen

    Naar ik hoop heeft het voorafgaande duidelijk gemaakt dat goed informatiseringsbeleid pas kan worden gevoerd wanneer er binnen de organisatie voldoende kennis, deskundigheid en ervaring is opgebouwd met betrekking tot de mogelijkheden en beperkingen van informatietechnologie. Het is niet verwonderlijk, dat er een duidelijke kloof is tussen de praktijk van informatisering en de voorhanden theoretische grondslagen in relevante vakgebieden als kerninformatica, wiskunde, organisatiekunde en psychologie.
    Voor een evenwichtige en betrouwbare ontwikkeling van methodieken voor de aanpak van informatiseringsprojecten is een theoretische basis op de genoemde terreinen gewenst. Wat de informatica betreft liggen er mogelijkheden om de kloof te overbruggen in het opzetten van bijvoorbeeld software engineering research centra en telematica-onderzoekcentra, en in het tot stand brengen van samenwerkingsverbanden tussen wetenschappelijke instituten, overheid en bedrijfsleven. Ook is het een goede zaak dat steeds meer mensen een studie op hogeschool- of universitair niveau afronden in een van de vele disciplines die de informatica als geïntegreerd onderdeel van de studie kennen. Dat leidt tot vakken als communicatiewetenschap, sociaal wetenschappelijke informatica, rechtsinformatica, informatierecht, boek- en informatiewetenschap, documentatie- en bestuurlijke informatiekunde, alfa informatica, bedrijfsinformatiekunde, informatiemanagement, electronic dataprocessing auditing, medische, fysieke, neurale en biologische informatica, gamma informatica, informatiesystemen, kunstmatige intelligentie, telecommunicatie, datacommunicatie. Men moet hopen dat de beoefenaren voldoende contact onderhouden met de kerninformatica, zodat uit dat gebied komende nieuwe mogelijkheden hun niet ontgaan.
    Door de vorming en scholing van deze hoger opgeleiden van goede kwaliteit en in voldoende aantallen, mogen we verwachten dat de professionalisering van de informatisering gestaag voortgaat, mits, nogmaals, de samenwerking tussen de informatiseringsdisciplines onderling en tussen de andere disciplines en de informatica door de opleiding wordt bevorderd.
    Een ander aspect vormt de al gesignaleerde technische dominantie in informatiseringsprocessen, die er toe leidt dat de hanteerbaarheid van systemen voor niet-technici belemmerd wordt. Weinigen zullen beweren dat de MS-DOS-architectuur en -verschijningsvorm of de IBM operating systemen en hun doorwerking in de applicaties, merkbaar mensvriendelijk zijn. Om hier verandering in te brengen zal een geheel nieuwe generatie van systeemontwerpers opgeleid moeten worden die de problematiek benadert vanuit het menselijk, functioneel, organisatorisch handelen en die de informatiesystemen daarop laat aansluiten. Gezien de huidige stand van zaken zal deze situatie nog jaren op zich laten wachten.
    De politieke en bestuurlijke aandacht voor informatietechnologie is in Nederland nog beperkt. Werden in het begin van de jaren tachtig veel stimuleringsfondsen gecreëerd en stimuleringsprogramma's op nationale en Europese schaal ontwikkeld, de resultaten van die programma's zijn nog zelden tastbaar en zichtbaar en ze hebben de ervoor ijverende politici vermoedelijk geen extra stemmen opgeleverd.
    Op het bestuurlijke vlak is er wel veel geleerd, vooral door schade en schande. Postdoctorale opleidingen leveren een werkelijke aanvulling in dit nieuwe vakgebied. Als er één mooi terrein te noemen valt voor éducation permanente dan is het wel het informatiseringsgebied. Wanneer gedurende enige jaren de ontwikkelingen niet bijgehouden worden, dan heeft men een zodanige achterstand opgelopen, dat die slechts met zeer veel inspanning ingehaald kan worden.
    Uitgangspunt voor een goed informatiebeleid is dat er een afstemming plaatsvindt tussen doel of missie van de organisatie, verder uitgewerkt in een bedrijfsplan, en het informatiseringsplan. Het informatiseringsplan bevat beleidskeuzen, herkenbare prioriteiten en keuzen en fasering met betrekking tot de uitvoering, zoals de nieuwbouw of vernieuwbouw van informatiesystemen.
    Voor de informatiseringsorganisatie moet gestreefd worden naar een goede balans tussen lokale kennis, taken en verantwoordelijkheden en het centraal samenbrengen van schaarse deskundigheid op specialistische gebieden. De centraal gesitueerde organisatie moet haar bestaansrecht bewijzen door aan de lokale eenheden en de concernleiding waardevolle adviezen en andere assistentie te geven. Bij het opzetten en onderhouden van adequate bestuurlijke informatie is het van belang dat de informatie van binnen uit de organisatie toegankelijk is, dat deze tezamen met informatie uit de buitenwereld, geplaatst in tijdreeksen, op goed leesbare en snel herkenbare wijze wordt gepresenteerd. De verantwoordelijkheid voor de bepaling van bestuurlijke informatie ligt idealiter dicht bij de strategische planningorganisatie.
    Het op orde hebben van de informatiesystemen, een goede verzameling definities van bestuurlijke informatie en een adequaat werkende administratieve organisatie zijn noodzakelijke componenten voor een onderneming met een professioneel bestuur en beheer.