I&I-> Jaargangen -> Artikel

Schaarse frequenties en
brede kabels

Door: Jan van Cuilenburg, Paul Slaa

Het voorstel van de Amerikaanse media-onderzoeker Negroponte de omroep uit de ether te halen en uitsluitend via de kabeltelevisie te verspreiden, om zo ruimte in de ether te maken voor nieuwe mobiele telecommunicatiediensten, wordt door Van Cuilenburg & Slaa positief onthaald. Niet alleen omdat daarmee een effectiever gebruik kan worden gemaakt van ether en kabel, maar ook omdat via de kabel een veel betere publiekssegmentatie van het aanbod van omroepprogramma's mogelijk is, op zichzelf al een positieve bijdrage aan de communicatievrijheid.

Stel u eens voor, te moeten leven in een land waarin slechts vier kranten en tijdschriften verschijnen. Dat land zou ons land kunnen zijn, een land waarin bij de ako slechts gekozen zou kunnen worden uit bijvoorbeeld de Privé, de Nieuwe Revu, De Telegraaf en Trouw. Met alle waardering voor de genoemde media, zo'n land zou toch voor ieder van ons een schrikbeeld zijn. Zo'n land bestaat gelukkig dan ook niet, althans niet benoorden de evenaar. Alleen al in Nederland verschijnen meer dan 8000 verschillende tijdschriften en het aantal kranten waaruit gekozen kan worden bedraagt ondanks persfusies toch nog 44 titels.(1) Voor elke hobby, professie, specialisme of doelgroep, hoe bijzonder ook, is in Nederland wel een apart foliomedium te vinden. Wat heet, vaak ook nog wel heel wat meer dan één.

Niets te klagen dus. Maar hoe heel anders is het gesteld met het medialandschap in de electroni sche sfeer. De televisiekijker heeft vergeleken met de foliolezer maar weinig te kiezen: drie Nederlandse zenders en zes als we de kabeldistributie van rtl en de Vlaamse zenders meerekenen. Jarenlang hebben we het normaal gevonden dat we slechts konden kiezen tussen Nederland i en ii. En politici, omroepbazen en communicatiewetenschappers durfden vroeger zelfs te beweren dat een variatie met twee televisiemenu's de kwalificatie van 'pluri form' alleszins mocht verdienen. Achteraf is dat wellicht enigszins komisch. Niettemin werd de cennia zonder morren genoegen genomen met dat geringe televisieaanbod. De ether kende immers een beperkt aantal frequenties, waardoor slechts een gering aantal omroepprogramma's tegelijker tijd konden worden gedistribueerd. Dat was althans de gangbare redenering bij de technici. Maar was er wel etherschaarste? En is etherschaarste een natuur-noodzakelijkheid of heeft het veel meer te maken met de maatschappelijke keuzes die terzake van communicatiedistributie in het verleden werden gemaakt en vaak nog zonder veel discussie worden gecontinueerd? Wat we ook in de finale afweging van zijn ideeën zullen vinden, reeds nu kan vastgesteld worden dat Nicholas Negroponte met zijn 'switch' ons de ogen heeft geopend voor de omstandigheid dat schaarste in de ether geen kwestie is van onveranderbare natuurkundige wet ten, maar resultante van technologische en politieke keuzes.

De 'planologische' bestemming van het frequen tiespectrum is voor communicatiewetenschappers een nogal technisch onderwerp. En communica tiewetenschappers houden niet veel van techniek. De vroegere Delftse hoogleraar Bordewijk heeft begin jaren zeventig al gewezen op de grote kloof tussen telecommunicatietechniek en communica tiewetenschap. Van een goede dialoog is geen sprake. Bordewijk verklaarde dat uit de toekomst gerichtheid van de technicus en de empirische, op heden en verleden gerichte instelling van de com municatiewetenschapper.(2) Een vriendelijke verklaring, daar niet van, maar niettemin is die kloof tussen communicatiewetenschap en techniek te betreuren. Bordewijks opvolger in Delft, collega Jens Arnbak, wijst in een recent artikel op de gevolgen van deze algemene desinteresse voor tech niek.

'Doordat er ­ terecht ­ meer aandacht in het be leid is voor de inhoudelijke doelen en waarborgen van telecommunicatie, worden ­ onterecht ­ nieu we technische mogelijkheden en oude natuurkundige wetmatigheden van de electromagnetische golfvoortplanting onvoldoende erkend bij de beleidsvorming. Immers, fysica en techniek genieten weinig populariteit in opleiding, politiek, openbaar bestuur en commercieel management in Ne derland. Aldus zijn de opiniërende discussies over toegang tot de al of niet vrije ether vaak luchtledi ger dan de ether zelf, en is het gevoerde beleid al lang een zaak van besloten onderhandelingen tussen ingenieurs in gevestigde belanghebbende orga nisaties. Uit o.a. de Handelingen van de Tweede Kamer en ambtelijke beleidsnota's blijkt, dat deel nemers in de discussie over communicatiecapaciteit en (rest)frequenties zich vaak weinig moeite hebben getroost om zich de benodigde technische begrippen eigen te maken.' (3)

We zeggen niet dat communicatiewetenschappers het voorlopig maar moeten doen met Arnbaks te recht kritische woorden. In tegendeel. Arnbaks betoog plaatst ons als communicatiewetenschappers juist voor de noodzaak, ons veel meer dan vroeger te verdiepen in de natuur en techniek van communicatiedistributie, willen we althans de maatschap pelijke relevantie van de communicatiewetenschap op dit terrein ook in de toekomst kunnen waar borgen.

De Maatschappelijke Informatievoorziening

Communicatiewetenschappers houden zich bezig met de maatschappelijke informatievoorziening, zowel voor de publiekssector als voor de zakelijke sector. Binnen die maatschappelijke informatievoorziening zijn, zoals bekend, drie lagen te on derscheiden. In de eerste plaats, de laag van de te lecommunicatie-infrastructuur, de transmissie-, routerings- en beheersmiddelen nodig voor sig naaloverdracht. In de tweede plaats, de laag van de transportdiensten, de diensten die de directe verzending voor hun rekening nemen van spraak, beeld en data. De bekendste transportdiensten zijn in ons land uiteraard die van nozema, van ptt en van de leden van de vecai. Tenslotte, in de derde plaats, de laag van de tele-informatiediensten, in formatiediensten die volgens een bepaald verkeerspatroon worden afgewikkeld. Te denken valt on der meer aan omroep en aan teleconsultatiediensten zoals videotex en audiotex.

De maatschappelijke informatievoorziening kenmerkt zich door 'tri-functionaliteit' (zie figuur 1). Zonder tekort te doen aan de rol van het gewone gesprek tussen mensen, kunnen we zeggen dat omroep, pers, telefonie en post het zenuwstelsel vormen waarlangs de samenleving zichzelf voorziet in haar informatie- en communicatiebehoeften. Geredeneerd vanuit het begrip 'algemeen belang' ­ het belang van de samenleving als geheel ­ kun nen aan dit communicatieve zenuwstelsel drie verschillende functionaliteiten worden onderschei den: een sociale, een politieke en een economische. Dat geldt voor omroep en pers, zo goed als voor telefonie en post. De sociale functionaliteit van de maatschappelijke informatievoorziening komt heel uitdrukkelijk naar voren in de rol van telefonie bij de interacties tussen mensen: zo kun nen familiebanden met telefoon over veel grotere afstanden actief worden onderhouden dan vroeger ooit het geval was, om maar een willekeurig voor beeld te noemen. Bij de politieke functionaliteit van de maatschappelijke informatievoorziening is uiteraard het begrip 'democratie' het sleutelwoord. Zonder een adequate maatschappelijke informatievoorziening is een democratie niet goed denkbaar. Pers en omroep spelen daarbij, zullen velen zeggen, de eerste viool, maar niet ontkend kan wor den dat ook de telefoon een belangrijk politiek ve hikel is om de communicatievrijheid en de democratische meningsvorming in de samenleving te realiseren. Vandaar ook dat De Sola Pool in zijn beroemde boek telefonie in één adem noemt met pers en omroep als één van de drie Technologies of freedom.(4)

De derde functionaliteit van de maatschappelij ke informatievoorziening betreft haar economische betekenis. In onze informatiesamenleving is infor matie steeds meer een vooraanstaande produktiefactor. Bijgevolg neemt ook het economisch be lang van de distributie van informatie, via telefonie, omroep en anderszins, navenant toe.

Hoe dit alles zij, een overheid die een doordacht en geïntegreerd communicatiebeleid wil voeren stelt nadrukkelijk de tri-functionaliteit van de maatschappelijke informatievoorziening voorop. Daarbij worden het mediabeleid en het telecombeleid in onderlinge samenhang gevoerd en wordt niet alleen gekeken naar de economische betekenis van media en telecommunicatie, maar ook naar hun politieke en sociale implicaties. En omgekeerd. En dat geldt mutatis mutandis ook voor vraagstukken van frequentiebeheer. We komen daarop nog terug.

De Infrastructuur: Drie Beheerssferen

De maatschappelijke informatievoorziening is uiteraard afhankelijk van een goed functionerende telecommunicatie-infrastructuur. In ons land wordt die infrastructuur, zoals bekend, geken merkt door de omstandigheid van drie afzonderlijke beheerssferen: het door de ptt beheerde deel van de infrastructuur, vervolgens de omroepzen dernetten en dbs-frequenties onder beheer van nozema , en in de derde plaats de lokale kabelnetten. Gezien het toenemend belang van de telecom municatie-infrastructuur voor een steeds grotere variëteit aan allocutie-, consultatie- en (mobiele) conversatiediensten is te verwachten dat de beheerders van de verschillende delen van de infra structuur elkaar in de toekomst steeds vaker zullen tegenkomen. In feite kunnen we nu al grensconflicten signaleren. In de ethersfeer betreft dat bij voorbeeld datacasting waarvan niet duidelijk is of zij als consultatieve informatiedienstverlening on der het beheer moet vallen van de nozema, vanwege het feit dat gebruik wordt gemaakt van om roepzenders of dbs-satellieten, danwel onder dat van de ptt, omdat er immers geen sprake is van omroep. En een grensconflict van potentieel veel grotere orde tussen ptt en nozema hangt uiteraard samen met de vraag, hoeveel ruimte er in de toekomst in de ether gewenst is voor mobiele point-to-point -communicatie, naast omroeptoepassingen. Overwegingen van 'eenheid van beheer' hebben in het verleden geleid tot exclusieve concessies aan ptt, nozema en kabelexploitanten. Vastgesteld moet nu echter worden dat van een planmatige aanpak van de gehele infrastructuur tot op dit moment geen sprake is. Financierings- en planningsinstrumenten waarmee de drie delen van de infrastructuur als één geïntegreerd trans portsysteem van informatiediensten worden benaderd, ontbreken. De uiteenlopende exploitatievor men en de verschillende belangen die daarbij in het geding zijn, bemoeilijken een dergelijke inte grale benadering aanzienlijk. En daarmee wordt ook de publieke discussie over een optimale verde ling van de maatschappelijke communicatiecapaciteit, ook in de ether, ernstig gehinderd.

Horizontale Verbinding en Verticale Ontvlechting

Het bestaan van drie afzonderlijke beheerssferen in de telecommunicatie verhoudt zich slecht met de hedendaagse tendens tot technologische conver gentie. In dit verband is het zinvol, nogeens te wij zen op de voornaamste bevindingen uit de voc-studie uit 1990.(5) Zoals de titel van die studie al aangaf wordt de communicatiesector gekenmerkt door verbinding en ontvlechting. Verbinding in de communicatie duidt op processen waarbij de grenzen tussen 'communicatiesferen', die eens duidelijk gescheiden waren, vervagen en zelfs verdwij nen, waardoor die sferen steeds meer één geheel worden. Soms gaat het daarbij om grenzen van puur technologische aard, maar ook kunnen juri dische, maatschappelijke, bestuurlijke en/of economische grenzen bij verbinding worden geslecht. Ontvlechting is een tegenovergesteld verschijnsel, dat zich soms tegelijkertijd, maar ook wel in reac tie op processen van verbinding voordoet. Anders dan bij verbinding gaat het bij ontvlechting om zaken zoals segmentatie, specialisatie, ontkoppeling en differentiatie in communicatiesferen. Men zou kunnen zeggen dat bij ontvlechting communicatiesferen opnieuw worden ingedeeld en afge paald.

Verbinding en ontvlechting manifesteren zich in de communicatiesector zowel bij informatiediensten en transportdiensten als op het terrein van de infrastructuur. Bezien we de huidige trends in de maatschappelijke informatievoorziening dan kan worden gesteld dat de komende tien jaar vermoe delijk steeds meer sprake zal zijn van verticale ont vlechting en horizontale verbinding (zie figuur 2). Anders gezegd, naar verwachting zal zich in toenemende mate verticale ontvlechting voordoen van informatiediensten ten opzichte van transportdiensten en van transportdiensten ten opzichte van aanbieders van infrastructuur. Daarnaast zal de informatievoorziening meer en meer geken merkt worden door horizontale verbinding, technologisch en economisch. Dat laatste manifesteert zich ondermeer in een verdere schaalvergroting in de communicatiesector (persconcentratie, 'media cross-ownership', 'multimedia-publishing'). Daarnaast zien we technologisch een hechter wordende band tussen computer en telecommunicatie en een toenemende integratie van ooit gescheiden tele communicatie-infrastructuren.

Horizontale verbinding en verticale ontvlechting confronteren beleidsmakers met een aantal vragen. Bij horizontale verbinding rijst in de eerste plaats de vraag, hoe technologische convergentie in de toekomst de onderscheiden vormen van electroni sche transmissie zal beïnvloeden en welke nieuwe vormen van informatiedistributie door convergentie zullen worden uitgelokt. En in de tweede plaats, hoe de koppelbaarheid van verschillende infrastructuren het best kan worden bevorderd? De tendens van verticale ontvlechting noopt beleidsmakers tot bezinning op de positie van de huidige 'operators' in relatie tot de infrastructuur die zij thans beheren. De vraag wordt meer en meer prangend, in hoeverre het uitgangspunt van 'eenheid van beheer', duidend op de exclusieve band tussen infrastructuur en transportdienst, nog langer zinvol is. Sprekend over de ether hebben we het dan over de vraag, van wie de ether is en of het beslag dat nozema voor de distributie van omroepsignalen legt op de 'ether-infrastructuur', nog wel te rechtvaardigen is in het licht van 'claims' van andere partijen op ethertransmissie. Beperken we ons hier verder tot deze laatste vraag, dan kun nen we die ook algemener formuleren, en wel aldus:

Welke electronische transmissietechniek is ­ ge geven verbinding en ontvlechting in de communicatie ­ voor welk communicatieverkeerspatroon het meest doeltreffend en doelmatig met het oog

op een simultane realisatie van de politieke, de so ciale en de economische functionaliteiten van de maatschappelijke informatievoorziening?

Wie dit een zinvolle vraag vindt, maakt princi pieel de toewijzing van ether tot een verdelingsvraagstuk en stelt zich achter recente adviezen van de Mediaraad en van de rapt(6), waarin gepleit wordt voor belangenafweging en kosten/batenana lyses voor de indeling en uitgifte van frequentiebanden. (7) Waarmee het automatisme 'omroep = ether = nozema' in beginsel wordt doorbroken.

Frequenties en Frequentiebeleid

Op dit punt aanbeland is het wellicht zinnig, even kort stil te staan bij de 'facts and figures' van fre quenties en frequentiebeleid. Het frequentiespec trum ­ ook wel 'radiospectrum' genoemd ­ loopt in beginsel van 9 Khz (Kilohertz) tot 400 Ghz (Gigahertz).(8) Eén 'Hertz' staat hierbij voor één trilling per seconde van een electromagnetische golf. Aldus komt 1 Kilohertz overeen met 1000 trillingen per seconde, 1 Megahertz met 1000 * 1000 = 1 miljoen trillingen en 1 Gigahertz met 1000 * 1 miljoen = 1 miljard trillingen. Hoe hoger de frequentie, hoe geringer de golflengte, het begrip dat we vroeger bij uitstek van de radio ken den.(9) Het frequentiespectrum is onderverdeeld in een groot aantal frequentiebanden. Die indeling van het spectrum vindt plaats in zgn. warc-conferenties( 10) van de itu, de International Telecommunication Union, een intergouvernementele organi satie, onderdeel van de Verenigde Naties. Ter oriëntatie, omroepzenders treffen we aan in de langegolf, middengolf, kortegolf en in de vhf- en uhf-banden, banden die een gebied beslaan dat loopt van 150 Khz tot 960 Mhz.

Niet alle delen van het radiospectrum zijn tech nisch en economisch even geschikt en aantrekkelijk voor signaaldistributie. Grosso modo geldt dat de kosten voor transmissie het laagst zijn in de la gere frequentiebanden. Het meest intensief wordt dan ook het spectrum gebruikt tussen 30 Khz en 3000 Mhz. Daarnaast geldt dat de ene communi catietoepassing meer bandbreedte vergt dan de andere. Televisie is wat dat betreft een enorme veel vraat: per kanaal is een bandbreedte nodig van tenminste 6 Mhz om een ongestoorde transmissie te waarborgen. Aldus vergt televisie 100 keer meer transportcapaciteit dan HiFi-radio(11) en 2000-3000 keer meer dan telefonie.(12). Om over de toekomstige hdtv maar te zwijgen.(13)

Zoals gezegd vindt de indeling ('allocation') van het frequentiespectrum naar soorten gebruik ­ soorten 'radiodiensten' ­ plaats door de itu. 14 Eens in de ongeveer 20 jaar wordt die indeling herzien, laatstelijk in 1992. Na de indeling in banden worden frequenties toegewezen aan landen ('allot ment'). Vervolgens worden frequenties nationaal uitgeven ('assignment') aan omroepdiensten en niet-omroepdiensten. Landen worden geacht zich aan de internationale indeling van het spectrum te houden. Dat betekent dat omroepbanden in beginsel alleen voor omroep mogen worden ge bruikt. Een nationaal afwijkend gebruik is echter toegestaan, voorzover die afwijking geen storing veroorzaakt bij andere landen. In een klein land met veel buitenland is daarvan natuurlijk nogal snel sprake.

De 'Negroponte Switch'

Economen spreken van 'schaarste' als men om iets te verwerven iets anders moet opofferen. In die zin is 'etherfrequentie' een schaars goed: wanneer we heel veel bandbreedte gebruiken voor omroep diensten, met name voor televisie, kan het niet voor iets anders worden gebruikt. Waarmee we, zoals bij elk schaars goed dat alternatief kan wor den aangewend, voor een keuzeprobleem staan: wat is eigenlijk het meest doeltreffend en doelma tig gebruik van de ether? Negroponte is hierover kort en helder. Zijn 'switch' komt neer op twee vuistregels. In de eerste plaats: 'ether is voor mo biel', dat wel zeggen gebruik de ether voor communicatie met plaatsen die bewegen, zoals auto's, boten, vliegtuigen en zak-en-pols-telecom-apparaten. En in de tweede plaats: ' kabel is voor huis en kantoor', dat wil zeggen distribueer informatie naar huis en kantoor via glasvezel. De 'switch' doorvoerend zou het met name gedaan zijn met etherdistributie van televisie. Volgens schattingen zou daarmee alleen al in ons land ruimte vrijkomen voor 12 mobiele telefoonnetwerken, te weten vier in de vhf-band en acht in de uhf-band. Men kan niet ontkennen: een aanlokkelijk perspectief.( 15)

Negropontes switch past in een meer algemene beschouwing over de ontwikkeling van onze samenleving in de richting van een 'telekosmos' 16 waarin mensen als multimediale nomaden zich volstrekt los van tijd en ruimte vrij willen bewe gen. Juist deze 'independence of time and space' is volgens Negroponte de grootste dienst die de mensheid op dit ogenblik kan worden bewezen. 17 Volgens de Amerikaan Gilder past Negropontes benadering in de natuurkundige 'logica van het spectrum': spraak vergt heel weinig ether, video duizenden keren meer. Zolang beeld via de ether wordt thuisbezorgd zal televisie gedwongen zijn om een massamedium blijven, per regio beperkt tot een zeer gering aantal kanalen. En dus verantwoordelijk voor die wat meewarige, in het begin al gesignaleerde situatie die we nu nog kennen, namelijk dat de videoconsument met Nederland 1, 2 en 3 nauwelijks te kiezen heeft. Willen we op de televisiemarkt net zo'n produktdifferentiatie voor de consument als bij kranten en tijdschriften, dan is kabeldistributie daartoe de enige begaanbare weg. De huidige etherdistributie van video belem mert juist deze ontwikkeling in de richting van segmentatie. En zolang daartegenover telefonie voornamelijk via kabels zal blijven gaan, zal de te lefoon een 'hit-and-miss medium' blijven, met zo'n 50 procent niet-tot-stand-gekomen verbindingen.18 Kortom, er is volgens Gilder alle reden voor de Amerikaanse fcc om de networks en de lokale televisiestations er alvast op voor te bereiden dat zij binnen afzienbare tijd hun ether kwijt raken ten faveure van mobiele communicatie.

Het betoog van Negroponte spoort wonderwel met de 'paradigmaverandering' die zich volgens Arnbak op dit ogenblik in de radiocommunicatie voordoet. In de traditie van de radiotechniek be stond de uitdaging steeds uit de overwinning van de natuur: het overbruggen van grote afstanden met krachtige antennes, versterkers en gevoelige ontvangers. Vanaf de eerste transatlantische radio verbinding van Marconi is volgens Arnbak deze 'brute force'-benadering overheersend geweest. Met cellulaire radio breekt echter het tijdperk aan van 'klein, maar fijn': 'niet zozeer de overwinning van de natuur is nu de uitdaging als wel de beheer sing van een gezamenlijke communicatiecultuur teneinde de wederzijdse storingen te verkleinen, en het spectrumgebruik overeenkomstig te vergroten.' En daarmee hangt samen dat radiocommunicatie zich van een kostbare, exclusieve aangelegenheid van ptt's en nozema's ontwikkelt in de richting van massagebruik en operationele innovaties, aldus Arnbak.(19)

Afweging in Drie Functionaliteiten

De ether is een schaars goed, hebben we betoogd. Daarmee heeft frequentiespectrum per definitie economische waarde. Wellicht zelfs een geldelijke waarde, overeenkomend met de 13 miljoen gulden per enkele Mhz-bandbreedte die het Britse advies bureau Hatfield in 1988 berekende.(20) De ontwikkelingen in de communicatiesector plaatsen ons voor de noodzaak, opnieuw af te wegen, of etherdistributie van televisie nog wel langer doelmatig is. In dit verband moet er ook rekening mee gehouden worden dat de bekabelingsgraad in ons land ligt op maar liefst 90 procent van de huishou dingen, een percentage dat vermoedelijk nog wel iets verder zal stijgen. Dat betekent dat voor slechts een gering aantal huishoudens een dure, verspillende vorm van ethertelevisiedistributie in stand wordt gehouden.(21) Maar belangrijker nog is het argument dat etherdistributie een forse sta-in -de-weg is voor de zo gewenste segmentatie in het televisieaanbod, een segmentatie die alleen langs de weg van kabeldistributie kan worden gerealiseerd. Daarbij nog gevoegd de fors groeiende markt voor allerlei mobiele telecomdiensten die van het frequentiespectrum afhankelijk zijn, en er is voldoende reden om bij de ether oude afwegingen opnieuw te overwegen.

Afwegen van alternatieven onderstelt het be staan van afwegingscriteria en van procedures en instanties die het afwegingsproces zoveel mogelijk kunnen objectiveren. Het ligt voor de hand om de criteria voor ethergebruik met name te zoeken bij de drie functionaliteiten van de maatschappelijke informatievoorziening. Een aantal vragen dient zich dan aan. In de eerste plaats, welk economisch belang voor onze samenleving gelegen is in etheromroep vergeleken met om dezelfde infrastructuur concurrerende mobiele telecomtoepassingen. Die vraag valt waarschijnlijk niet in het voordeel van de etheromroep uit. De 'economische massa' van telecom is een veelvoud van omroep: de omzet van alleen al ptt Telecom is in Nederland bijna het tienvoudige van het hele 'Hilversumse'. (22) Ook internationaal laat telecommunicatie qua omzetten de omroep mijlen achter: binnen de oecd wordt de verhouding geschat op 6 : 1 in het voordeel van de telecommunicatie-'operators'.( 23)

Het tweede aspect dat in de afweging moet wor den betrokken betreft de sociale functionaliteit van de maatschappelijke informatievoorziening. Telecommunicatie is sociaal gezien een 'space-adjusting technology', een technologie die de ruimte, de leefwereld van mensen, verandert. Net zoals fysieke vormen van transport heeft telecommunica tie de nabijheid, de proximiteit van steden en dorpen, van landen en werelddelen vergroot.( 24) Maar veel meer dan scheepvaart en luchtvaart, heeft tele communicatie de wereld van de mens omgevormd tot McLuhans 'global village': mensen interacteren vandaag de dag met veel meer en veel meer andersgestemde mensen dan in een wereld zonder te lefoon ooit mogelijk was. Mobiele communicatie voegt aan telefonie als 'space-adjusting technology' een dimensie toe, namelijk een volstrekte onafhankelijkheid van lokatie, zoals Negroponte al vast stelde. De niet te onderschatten maatschappelijke waarde daarvan zal in vergelijking met etherom roep op de één of andere manier moeten worden vastgesteld.

Het derde aspect dat, tenslotte, bij een 'switch' in het geding is, ligt op politiek terrein en betreft de communicatievrijheid in de samenleving. Hebben we het over omroep dan is voor de communi catievrijheid pluriformiteit van het programma-aanbod van oudsher in ons land een belangrijke toetssteen. Dat betekent dat we ons moeten afvragen, welke vorm van distributie het meest bij draagt aan omroep-pluriformiteit, gemeten in termen van het aantal aanbieders en van de toeganke lijkheid en beschikbaarheid van bepaalde informatiesoorten. Het is vermoedelijk juist hier, in het politieke vlak van de pluriformiteit, geen al te boude bewering wanneer we stellen ' schaarse ether en brede kabels'. Waar anders dan in kabelland kunnen duizend televisie- en radiobloemen bloeien? Glasvezel en multimedia-computertechnologie brengen een eigen radio- en televisiestudio en zelf-programma's-maken binnen bereik van velen, zoals ondermeer recentelijk in de Verenigde Staten is gebleken, waar mensen thuis met computers via Internet een eigen radio-omroep begonnen zijn.(25) Als dat geen 'technology of freedom' is.

Afweging tussen concurrerende ethertoepassin gen onderstelt naast criteria uiteraard ook een afwegend orgaan en een nette afwegingsprocedure. Meer dan eens is de laatste tijd het 'veilen' van de ether' als procedure in de discussie naar voren ge komen. Of dit voor ons land een begaanbare weg is, kunnen we hier gevoeglijk laten rusten. Wel is duidelijk dat ­ welk marktmechanisme ook wordt gekozen ­ een onafhankelijke marktmeester bij de herverdeling van de ether zeer welkom is. En dat brengt ons nog eens bij de pleidooien die de laat ste jaren door verschillende raden en commissies zijn gevoerd voor een bestuursorgaan sui generis zoals een Commissariaat voor de Elektronische In formatievoorziening (cei)(26) of een Commissariaat voor Frequentiemanagement ( cfm) zoals bepleit door de Mediaraad.(27)

Slot

Omroep-via-ether is vanaf het allereerste begin een vanzelfsprekendheid geweest: de radiopioniers van de avro richtten in de jaren twintig hun eigen zendmasten op in Huizen. De oprichting met de Radio-Omroep-Zenderwet van 1935 van nv nozema heeft de koppeling van omroep aan ether de cennia gefixeerd. nozema's formele monopolie op aardse omroepzenders is sinds 1935 onaangetast gebleven. Maar zestig jaar en een groot aantal com municatietechnologische revoluties verder kunnen we ons niet langer veroorloven om de ogen te slui ten voor het betrekkelijke van elke vanzelfsprekendheid, welke dan ook.

.