![]() |
I&I-> Jaargangen -> Artikel
Publieke omroep in de
|
|
Door: Willem F. Korthals Altes 25 Jaar Public Broadcasting Act In dit artikel wordt ingegaan op de Public Broadcasting Act die vijfentwintig jaar geleden in de Verenigde Staten werd aangeno men. Hoe vergaat het de publieke omroep in het land van de grote networks? Een terugblik. Het beeld dat wij Westeuropeanen van de Amerikaanse televisie hebben, wordt voor een groot deel gevormd door de traditionele networks abs , cbs en nbc en sinds enige tijd ook de nieuwszender cnn. We weten dat de televisie in Amerikaanse huiskamers, keukens en kinderka mers de hele dag aanstaat en dat de programma's, die voornamelijk op entertainment zijn gericht, te pas en te onpas door reclame worden onderbro ken. Zelfs als we de soaps en sitcoms door onze eigen omroepen krijgen voorgeschoteld, kunnen we precies bepalen op welke momenten in de Verenigde Staten een commercial zou verschijnen. We denken dan met tevredenheid aan ons eigen sys teem dat, nu op Europees niveau zelfs dubbel beschermd, dergelijke uitwassen bespaard blijft en mag bogen op een veel hogere kwaliteit dan datgene wat die beklagenswaardige Amerikanen wordt voorgeschoteld. Gelukkig dat wij Europeanen een publieke omroep hebben! Los van de vraag of de conclusie over kwaliteit gerechtvaardigd is, vergeten we bij deze overpeinzingen dat ook in de Verenigde Staten public broadcasting bestaat, met programma's van vaak hoog niveau die niet door reclameboodschappen worden onderbroken en veel cleaner zijn dan ons door was- en andere middelen vervuilde sluikrecla mebestel. Op 7 november 1992 was het 25 jaar geleden dat de Public Broadcasting Act werd aanvaard en in de Communications Act van 1934 werd opgenomen.(1) Dat is een legitieme reden om eens bij dit misschien wat onderbelichte verschijnsel stil te staan. Daarbij komt dat het Congres in het zit tingjaar 1991-1992 weer voor drie jaar moest bepalen hoeveel federaal geld aan de publieke omroep ter beschikking zou worden gesteld. Saillant detail: deze beslissing moest worden genomen in een jaar waarin presidentsverkiezingen plaatsvonden. Dat geeft altijd extra problemen, want met name de conservatieve hoek van de Republikeinse Partij grijpt elk onwelgevallig voorval aan om te trachten public broadcasting de nek om te draaien. Organisatorische StructuurDe Public Broadcasting Act van 1967 (pba 1967) is de opvolger van de Educational Television Facilities Act uit 1962 (etfa 1962). Daarmee wordt meteen iets van de achtergrond van de Amerikaanse pu blieke omroep zichtbaar. Al in de jaren dertig vond de federale overheid het gewenst dat naast de toen reeds commercieel opererende radiozenders aparte ruimte werd geschapen voor programma's met een educatief doel.(2) Dat was nog niet veel meer dan dat er frequenties voor dergelijke pro gramma's werden gereserveerd. In deze situatie kwam geen wijziging, ook niet toen de televisie haar intrede deed, totdat men aan het begin van de jaren zestig meer en meer het gevoel kreeg dat het openstellen van een deel van het spectrum en het vrije spel van de economische krachten te weinig tastbaar resultaat opleverden. Enkele gemeenten en universiteiten slaagden er wel in met enige regelmaat als educatief be schouwde programma's te verzorgen. Dit had echter slechts een incidenteel karakter. De etfa 1962 deed al iets meer: deze wet maakte het mogelijk dat op een matching-basis fondsen werden vrijgemaakt voor het opzetten van facilitei ten voor noncommercial educational broadcasting. Diverse staten voegden hieraan nog iets toe door het treffen van eigen wettelijke maatregelen. Pas met de pba 1967 (vooral het werk van de regering-Johnson) kwam er een structureel systeem van fe derale ondersteuning. De pba 1967 riep ook de organisatiestructuur in het leven waarop public broadcasting tot de dag van vandaag berust. Daarnaast werd een aantal be palingen opgenomen met voor sommigen het doel de bemoeienis van de overheid zoveel mogelijk te beperken en voor anderen deze controle juist te versterken. Hierbij moet worden bedacht dat de toelaatbaarheid van overheidsbemoeienis in het Amerikaanse constitutionele denken vaak is ge koppeld aan de ter beschikking stelling van belastinggeld. Het zal duidelijk zijn dat de hier bedoel de onderdelen van de pba 1967 tot diverse juridische conflicten aanleiding hebben gegeven. De Corporation for Public BroadcastingAls belangrijkste instelling kent de pba 1967 de Corporation for Public Broadcasting (CPB). Dat is niet een overheidsorgaan, maar een private onder neming die tot taak heeft de verwerving en het beheer van de middelen die de niet-commerciële omroep ter beschikking staan. Het private karakter van de CPB wordt in de praktijk overigens behoorlijk uitgehold. Sommigen zijn dan ook van oordeel dat datgene wat de CPB in haar hoedanigheid verricht, als state action moet worden beschouwd, met alle constitutionele gevolgen van dien. Zo wordt het uit tien leden bestaande bestuur (Board of Directors) door de President op advies en met toestemming van de Senaat benoemd. Teneinde een eenzijdige samenstelling te voorkomen is wel bepaald dat niet meer dan zes bestuursleden deel van dezelfde politieke partij mogen uitmaken. De zittingstermijn is vijf jaar, maximaal één keer verlengbaar. De leden moeten 'eminent in such fields as education, cultural and civic affairs, or the arts, including radio and television' zijn. Het be stuur dient een brede samenstelling te hebben, zowel geografisch als wat beroepen en kundigheden betreft. Twee van de tien leden moeten voortkomen uit de kring van vergunninghouders van pu blieke radio- en televisiestations. Het niet-publieke karakter van de CPB wordt ook aangetast, doordat zij van haar activiteiten aan het Congres verantwoording moet afleggen en verplicht is haar boeken desgevraagd ter controle aan het General Accounting Office te laten zien. Verder hebben de employees van de CPB weliswaar niet de status van overheidsambtenaar, maar hun salarissen zijn wel gebonden aan door het Congres bepaalde grenzen. Ook het systeem van overheidsfinanciering als zodanig zou men kunnen beschouwen als een element dat het handelen van de CPB als state action bestempelt. Voor 1993 heeft het Congres 285 miljoen dollar voor public broadcasting uitgetrokken en in het voorjaar van 1992 hebben Huis van Afgevaardigden en Senaat bepaald dat in de jaren 1994-1996 gemiddeld 350 miljoen dollar per jaar ter be schikking zal worden gesteld. Deze bedragen worden volgens een uiterst gedetailleerd en ingewik keld schema verdeeld over de diverse activiteiten waarop de pba 1967 betrekking heeft. PBS en NPR als ProgrammamakersOp zichzelf zou tegen de hier aangestipte aspecten van overheidsbetrokkenheid geen bezwaar bestaan, als deze zich niet tot de programmering zou uit strekken. Van belang in dit verband is dat de CPB zelf geen programma's maakt. Deze activiteit wordt, behalve door de individuele radio- en tele visiestations, verricht door de Public Broadcasting Service (PBS) voor televisie- en door National Public Radio (NPR) voor radioprogramma's. PBS en NPR worden niet als zodanig door de pba 1967 geregeld. Hun bestaan berust op de uitwerking door de CPB van haar verplichting om assistentie te verlenen bij 'the establishment and deve lopment of one or more interconnection systems to be used for the distribution of public telecom munication services so that all public telecommunication entities may disseminate such services at times chosen by the entities'. PBS en NPR zijn de hier bedoelde 'interconnec tion systems'. Beide zijn noNPRofit-organisaties die als het ware de verbinding vormen tussen de CPB als geldgever en de leden-omroepstations die de programma's feitelijk uitzenden.(3 )Dat wil niet zeg gen dat er geen band tussen de stations en de CPB kan bestaan. Zo kan de CPB programma's van lokale stations rechtstreeks van financiële steun voorzien en bepaalt zij uiteindelijk welke program ma's worden gefinancierd. De band tussen PBS, respectievelijk NPR, en de stations is echter sterker, met name waar het de belangenbehartiging be treft. Ook heeft PBS weten te bedingen dat ongeveer tweederde van het budget van de CPB zonder beperkende voorwaarden als Community Service Grants ter beschikking wordt gesteld. De loop van de geldstromen is overigens behoorlijk ingewikkeld. Gezamenlijk financieren de CPB en de televisiestations de technische activitei ten van PBS. Voorts kunnen de stations hun van de CPB ontvangen gelden gebruiken voor de betaling van programma's die ze van PBS betrekken. Anders dan PBS deelt NPR wel in de gemeenschappelijke produktie van programma's die door de CPB van financiële steun worden voorzien. Ver der wordt de produktie van programma's door NPR geheel door de CPB betaald, zonder dat individuele radiostations een bijdrage leveren. De in vloed van de CPB op radioprogramma's is dan ook aanmerkelijk geringer dan die op televisieprogram ma's. Het zal duidelijk zijn dat 350 miljoen dollar per jaar (nauwelijks 2,5 Nederlandse centen per inwoner) bij lange na niet voldoende is om een behoor lijk pakket aan radio- en televisieprogramma's in het gehele land te bekostigen. De omroepstations zijn daarom genoopt en hebben ook het recht andere geldbronnen aan te boren. Voor een deel zijn deze eveneens bij de overheid te vinden, maar dan op statelijk of lokaal niveau. Voor een ander deel zorgen kijkers en luisteraars (als leden die een paar tientjes of soms veel meer bijdragen)( 4) en bedrijven (die als sponsor optreden). De afhanke lijkheid van de federale steun is dan ook betrekkelijk gering: de inkomstenzijde van de jaarrekening van een gemiddeld radiostation bijvoorbeeld wordt maar voor 5 tot 15 procent door geld uit Washington gevuld. Regulering van de Inhoud van Omroepprogramma'sGeluidopnamen verplicht? De meeste aandacht rond de Public Broadcasting Act ging en gaat uit naar de controversiële bepalingen over de inhoud van omroepprogramma's. Met name paragraaf 399 is daarbij onderwerp van discussie. Volgens paragraaf 399(b), zoals deze bepaling in 1967 luidde, waren alle niet-commerciële omroepstations die federale middelen ontvingen, ver plicht geluidopnamen te maken van alle programma's waarin 'any issue of public importance' be sproken werd. De opnamen moesten gedurende zestig dagen worden bewaard en tegen kostprijs in kopie ter beschikking worden gesteld van iedereen die erom vroeg. Een aantal stations, waaronder Community-Ser vice Broadcasting of Mid-America, Inc., vroeg aan de rechter op deze bepaling het stempel 'onconsti tutioneel' te drukken en met succes. Het Court of Appeals van het District of Columbia Circuit con stateerde al snel dat het voornaamste, zo niet enige, doel van de regel was het Congres de mogelijk heid te bieden een oordeel te geven over de inhoud van uitzendingen van niet-commerciële sta tions.(5 )Weliswaar is het Congres verantwoordelijk voor de toewijzing van financiële middelen, 'but this oversight function has never been thought to encompass sporadic review by congressmen or the FCC of the contents of particular programs'. In fei te, zei het hof, was paragraaf 399(b) 'intended and expected to serve as a means for uNPRecedented government review in effect, government cen sorship [...]'. In 1981 verwijderde het Congres de gewraakte bepaling uit de wet. Het verbod op 'editorializing'. In 1984 sprak het u.s. Supreme Court in FCC v. League of Women Voters de banvloek over een nog veel controversiëler on derdeel van paragraaf 399 uit.(6) Oorspronkelijk luidde paragraaf 399(a): 'No noncommercial educational broadcasting station may engage in edito rializing or may support or oppose any candidate for political office.' Na het amendement van 1981 was de volledige tekst van paragraaf 399: 'No noncommercial educational broadcasting station which receives a grant from the Corporation for Public Broadcasting under subpart c of this part may engage in editorializing. No noncommercial educational broadcasting station may support or oppose any candidate for public office.' Het tweede deel van deze bepaling riep vooralsnog weinig bezwaren op, maar het eerste deel des te meer, ook nu het verbod op 'editorializing' was beperkt tot stations die federale geldmiddelen ont vingen. Het Supreme Court zag in de eerste plaats een verschil tussen de geschreven pers en de omroep: 'Were a similar ban on editorializing applied to newspapers and magazines, we would not hesitate to strike it down as violative of the First Amend ment.' Omroep is een 'scarce and valuable national resource' en het Congres mag ervoor zorgen dat het publiek een 'balanced presentation of information on public issues of public importance' ontvangt die het zonder enige controle niet zou krijgen. Aan de andere kant zijn 'broadcasters [...] enga ged in a vital and independent form of communicative activity' waarin hun de grootst mogelijke ruimte moet worden gelaten. Beperkingen zijn in het verleden alleen toegelaten als het Hof ervan overtuigd was dat ze 'narrowly tailored' zijn 'to further a substantial governmental interest, such as ensuring adequate and balanced coverage of public issues'. Het verbod van paragraaf 399 was, zo consta teerde het Supreme Court vervolgens, ten eerste specifiek gericht op een uitingsvorm die het hart van het First Amendment raakt. Voorts had het uitsluitend betrekking op de inhoud van de uiting. 'It singles out noncommercial broadcasters and denies them the right to address their chosen au dience on matters of public importance.' Het Hof verwierp het standpunt van het Minis terie van Justitie dat het verbod op 'editorializing' nodig zou zijn om te voorkomen dat de non-commerciële stations naar de pijpen van de steunverle nende overheid of speciale belangengroepen zouden moeten gaan dansen. Het verbod strekte zich zelfs uit tot het verkondigen van meningen op een evenwichtige en faire wijze. In feite verbood para graaf 399 uitingen die anders aan de fairness doctrine zouden zijn onderworpen. Anderzijds was de bepaling geen effectief middel tegen programma's met vooringenomen posities. Ten slotte wees het hoogste rechtscollege erop dat het verbod op 'editorializing' zich alleen richt te tot de eigenaren of vergunninghouders van omroepstations en niet tot redacties van program ma's. De gewraakte bepaling werd als strijdig met de Constitutie aangemerkt. Sinds 1988 is alleen nog de volgende zinsnede van paragraaf 399 over: 'No noncommercial educational broadcasting sta tion may support or oppose any candidate for political office.' Het Karakter van Public BroadcastingIs er sprake van een 'public forum'? In de discussies over de pba 1967 komt, behalve de positie van de diverse organisaties en de hierboven besproken in houdelijke aspecten, ook meermalen de vraag naar het karakter van public broadcasting aan de orde. In 1982 verwierp het Court of Appeals van het Fifth Circuit in Muir v. aetc een eis van een aantal televisiekijkers om de Alabama Educational Television Commission ( aetc) te verplichten 'Death of a Princess' alsnog uit te zenden. Dit program ma, dat ook in Europa veel stof heeft doen opwaaien, was aangekocht door PBS en zou door diverse leden-omroepstations worden vertoond. Vanwege de potentiële risico's voor in het Mid den-Oosten werkende inwoners van Alabama besloot de aetc 'Death of a Princess' niet op het scherm te zetten. De belangrijkste vraag was of de eisende kijkers met recht een beroep op het First Amendment deden. Zij stelden dat deze bepaling de staat geen rechten verleent, maar uitsluitend verplichtingen oplegt. Hoewel het hof het hiermee in hoofdlijnen eens was, constateerde het dat de staat ook zonder de bescherming van het First Amendment 'may "participate in the marketplace of ideas" and "con tribute its own views to those of other speakers"'. De aetc mocht dus beslissingen over de programmering nemen. Maar kon zij dit doen zonder de First Amendment rechten van de kijkers te schenden? Het Court of Appeals wees op de opzet van de Communications Act en het evenwicht dat deze wet beoogt aan te brengen tussen de belangen van kijkers en omroepers. Van belang was, aldus het hof, dat 'broadcast licensees are not to be deemed common carriers' en dat zij de volledige verantwoordelijkheid voor de programma's dragen. Daarbij maakt het in beginsel niet uit of het om commerciële of niet-commerciële stations gaat, be halve op één onderdeel: de bescherming van het First Amendment. Maar dat betekende volgens het Court of Appeals niet dat individuele kijkers ten opzichte van vergunninghouders van public stations een sterkere aanspraak op invloed op de programmering hebben. Het hof verwierp met name de stelling dat public stations een public forum zouden zijn: 'The Supreme Court has recently rejected the theory adopted by the District Court that because a government facility is "specifically used for the communication of information and ideas" it is ipso facto a public forum.' Het vervolgde: 'The ge neral invitation extended to the public is not to schedule programs, but to watch or decline to watch what is offered.' Hier was sprake van een staat die een beslissing nam over haar eigen uitin gen, niet van een staat die de uitingen van anderen trachtte te onderdrukken. Is public broadcasting hetzelfde als non-commercieel? Een tweede vraag is hoe niet-commercieel public broadcasting is. Bij de invoering van de Public Broadcasting Act in 1967 was elke vorm van commercie verboden. In 1981 werden twee bepalingen toegevoegd (paragraaf 399a en paragraaf 399b) die in deze strakke regeling een versoepeling aanbrach ten. In paragraaf 399a wordt het gebruik van logo's van bedrijven en andere instellingen geregeld. Het tweede lid van deze bepaling luidt: 'Each public television station and each public radio station shall be authorized to broadcast announcements which include the use of any business or institutional logogram and which include a reference to the location of the corpora tion, company, or other organization involved, except that such announcements may not inter rupt regular programming.' Het tweede artikel, paragraaf 399b, heeft betrek king op reclame. Het tweede lid geeft aan wat wel en niet mag: '(1) Except as provided in paragraph (2), each public broadcast station shall be authorized to engage in the offering of services, facilities, or products in exchange for remuneration. (2) No public broadcast station may make its fa cilities available to any person for the broadcasting of any advertisement.'(7 ) De invoering van deze bepalingen had alles te ma ken met de dereguleringsdrift van de in 1981 aan de macht gekomen regering-Reagan, maar ook met de door dezelfde regering gecreëerde behoefte aan meer financiële middelen. Weliswaar stond als uitvloeisel van besluiten onder de regering-Carter uit 1978 voor de jaren 1981 tot en met 1983 gemiddeld 200 miljoen dollar federale steun op de begroting, maar voor 1984 werd dit verlaagd tot 145 miljoen dollar. De wijze waarop de paragrafen 396a en 396b moesten worden geïnterpreteerd, was niet steeds even duidelijk. De FCC had drie rapporten, respectievelijk memoranda nodig om de nodige helder heid aan te brengen. De problemen spitsten zich toe op de vraag hoeveel ruimte de public stations was toegemeten bij het vermelden van namen en andere informatie als tegeNPRestatie voor financiële of daarmee gelijk te stellen steun. In mei 1981 (vóór de invoering van de paragrafen 399a en 399b in de Communications Act) bepaalde de FCC dat public broadcasting stations geen enkele aankondi ging mochten doen als daar een tegeNPRestatie tegenover stond. Alleen 'acknowledgements of con tributions' waren toegestaan.(8) Een jaar later moest de commissie erkennen dat zij strenger was dan de Communications Act. De in 47 cfr 73.503 en 73.621 opgenomen regel verbood reclame voor elke soort instelling, waar para graaf 399b zich beperkte tot 'any person who is engaged in such offering for profit'. De FCC wijzigde de paragrafen 73.503 en 73.621 dan ook door achter de woorden 'no promotional announcement' toe te voegen: 'on behalf or for profit entities'. Verder werd ter bevestiging van de bepalingen uit de Communications Act gesteld dat aankondigin gen van deze aard de programma's niet mochten onderbreken. In dat opzicht had de FCC in eerste instantie meer vrijheid gegeven. De FCC sprak zich in het Second Report ook uit over de wijze waarop bedrijven mochten worden aangeduid. Van belang was dat slogans en dergelij ke moesten voldoen aan de 'identification without promotion '-test. Dat betekende dat wel mocht worden gesproken van 'General Motors, maker of automobiles and automobile accessories', maar niet van 'General Motors, maker of Oldsmobile Cutlass, Pontiac Firebird, Buick Century, and Cadillac Eldorado' en evenmin van 'General Motors, maker of fine automobiles and automobile accessories'. Ten slotte maakte de commissie duidelijk dat er geen beperkingen waren op de vermelding van namen en dergelijke, als daar geen tegenpres tatie tegenover stond. Twee jaar later wijdde de FCC opnieuw een rap port aan de onderhavige kwestie. Van vele kanten was geklaagd over het feit dat merk- en handelsna men van produkten en diensten niet mochten worden genoemd. Dit was iets wat de commissie in 1982 nog eens uitdrukkelijk had verboden. Hoewel paragraaf 399a hier niets over zei, voelde ze zich in haar beleid gesteund door de 'identification without promotion'-regel. In 1984 was ze echter van mening dat de omstandigheden zich zodanig hadden gewijzigd dat de regels konden worden versoepeld. Duidelijk was dat de mogelijkheid om namen van geldgevers te vermelden aanmerkelijke financiële voordelen had opgeleverd. Ook in het eind verslag van een naar aanleiding van de wetswijziging van 1981 ingestelde speciale commissie werd geconstateerd dat een verruiming van de richtlij nen veel meer armslag aan de public broadcasting stations zou geven. De commissie beval de FCC dan ook aan het vermelden van merk- en handelsnamen en slogans toe te staan. 'To summarize,' zei de FCC, 'donor acknowled gements utilized by public broadcasters may include ( 1) logograms or slogans which identify and do not promote, ( 2) location, (3) value neutral descriptions of a product line or service, ( 4) brand and trade names and product or service listings.' De commissie wees er echter met nadruk op dat de aankondigingen geen kwalitatieve of vergelij kende bewoordingen mochten bevatten en dat het verboden bleef, overeenkomstig paragraaf 399b, 'advertisements' uit te zenden. (9) Bij dit alles bleef de regel overeind dat de aan kondigingen alleen aan het begin en aan het eind van programma's mogen worden opgenomen. Een uitzondering bestaat alleen voor uitzendingen van complete opera's ter beschikking gesteld door de Metropolitan Opera. Deze terbeschikkingstelling kan worden gezien als de tegeNPRestatie ('conside ration' in het Angelsaksische overeenkomstenrecht) voor de faciliteiten die de Opera krijgt: de mogelijkheid om voor en na, maar ook in de pauzes van de opera's aankondigingen over uitvoerin gen te verrichten, interviews te houden en nadere informatie over de Met zelf te verstrekken. Hoewel het in feite om het aanbieden van goe deren en diensten gaat, achtte de FCC het in haar 'Memorandum Opinion and Order' ( 1982) in verband met het noNPRofit-karakter van de activitei ten niet nodig de regels over de tijdstippen van de aankondigingen voor dit geval te handhaven. In hetzelfde kader werd het toegestaan 'reclame' te maken voor goederen en diensten die door noNPRofit-organisaties, inclusief het omroepstation zelf, op de markt worden gebracht. Ze moeten dan wel met een of meer uitzendingen verband hou den. De FCC verwierp in 1984 overigens het stand punt van NPR dat zij niet bevoegd zou zijn te regelen op welke wijze de omroepstations commercie mogen bedrijven. Zij wees op paragraaf 303 van de Communications Act, op grond waarvan zij onder meer omroepstations mag categoriseren en mag bepalen welke diensten door iedere categorie worden verricht. SlotopmerkingenAls adjectief bij het in dit artikel besproken type omroep worden afwisselend de woorden public, noncommercial en educational gebruikt. Het non-commerciële karakter is hierboven aan de orde ge komen. Duidelijk zal zijn dat maar dat is des omroepers eigen wordt geprobeerd de regels zo veel mogelijk op te rekken teneinde de ruimst mogelijke financiële armslag te scheppen. In de prak tijk levert dat niettemin een betrekkelijk beschaafd beeld (en geluid) op van korte flitsen met, afhankelijk van de kijk- of luisterdichtheid, één of meer aanduidingen van geldgevers met een enkele slogan aan het begin en het eind van het programma. Beschaafd is public broadcasting ook in de aard van de programma's en daarmee het soort pu bliek dat zich ervan bedient. Het televisiepakket bevat vrijwel geen populaire sitcoms, soaps of spelletjes,(10) maar bestaat vooral uit informatieve pro gramma's (bijvoorbeeld het MacNeil/Lehrer Newshour), opera's en concerten, toneelstukken (op zondagavond Masterpiece Theater met vrijwel altijd Engelse toneelstukken, tot voor kort ingeleid door de legendarische Alistair Cooke), kwaliteitsfilms en documentaires. En laten we hierbij Sesame Street, het meest bekende kinderprogramma, niet vergeten.(11) Public radio is een combinatie van informatieve programma's (met als paradepaardjes de actualiteiteNPRogramma's Morning Edition en All Things Considered, beide geproduceerd door NPR in Washington) en meer of minder klassieke muziek. Een hinderlijke onderbreking vormen de periodieke fundraising drives : gedurende een dag of tien worden de luisteraars de hele dag doodgegooid met verzoeken om vooral maar lid te worden (of te blijven).(12) In februari 1992 leverden deze activiteiten wnyc -Radio in New York 350.000 dollar op. Een klein aantal public broadcasting stations in het land produceert zelf programma's die mede-leden tegen betaling overnemen. Verreweg het grootste deel moet het hebben van de nationale programma's van NPR en afhankelijk van de fi nanciële ruimte de eigen meer of minder low budget produkties. Over de term 'public' werd uitvoerig gedebat teerd bij de bespreking van het ontwerp-pba. Het was niet bedoeld als een tegenwicht tegen ' private', maar eerder ter onderscheiding van 'educationa l'. Niettemin werd educational broadcasting uiteinde lijk een onderdeel van de pba 1967. Bij dit alles moet worden bedacht dat bij de te levisie de oorsprong van public broadcasting nog al tijd het meest zichtbaar is: het educational karakter. Worden de eigenlijke publieksprogramma's 's avonds uitgezonden, overdag kan men kijken naar een niet aflatende serie cursussen, schoolprogram ma's en dergelijke. Ook het eerder genoemde Sesame Street verschijnt dan op het scherm. Verder kan men dan op diverse stations (onder andere wnyc-tv in New York) buitenlandse programma's aanschouwen, bijvoorbeeld uit Italië. Alles bij elkaar is public/noncommercial/educatio nal broadcasting niet een fenomeen dat hoge kijk- en luistercijfers oplevert. In de statistieken ver schijnen wat de televisie betreft op de eerste plaats nog altijd met grote voorsprong de traditionele commerciële networks. Deze hebben de laatste jaren wel een forse veer moeten laten, maar deze hebben de nieuwe kabelstations op hun hoed kunnen zetten en niet de niet-commerciële netten. Ophef maakt public broadcasting als er contro versiële programma's worden uitgezonden. Zo was Tongues United, een programma over het leven van zwarte homo's, verzorgd door PBS en ten dele gefinancierd door de National Endowment for the Arts, het veelbesproken doelwit van degenen die vonden dat aan public broadcasting niet langer belastinggeld moest worden besteed. Daarnaast wordt zowel PBS als NPR meermalen verweten dat ze zich politiek met de liberals asso ciëren.(13) Als voorbeeld geldt het programma Front line van Bill Moyers. PBS wijst er dan steevast op dat ze ook andere standpunten de ruimte geeft en een echte publieke functie vervult. Zo was PBS, an ders dan de traditionele networks, tijdens de verkiezingsstrijd bereid een door velen als een verkie zingsactie aangemerkte persconferentie van presi dent Bush rechtstreeks uit te zenden. Verder deed PBS uitgebreid verslag van de Democratische en Republikeinse conventies, waar abc, cbs en nbc zich tot onderdelen en samenvattingen beperkten. Voor de jaren 1994-1996 zijn de federale financi ën veilig gesteld. Wel moest de CPB beloven meer te letten op de verplichting tot het in acht nemen van de verplichte 'strict objectivity and balance'. Op PBS, NPR en de individuele stations zal steeds meer druk komen naar alternatieve bronnen te zoeken. Met dit al heeft public broadcasting in de Verenigde Staten een zuiverder publiek(s) karakter dan het kunstmatig in stand gehouden publieke omroepsysteem in Nederland. De bijdrage van de kijkers en luisteraars zijn werkelijk nodig om de stations draaiende te houden en de betrokkenen moeten er door middel van de kwaliteit van hun programma's voor zorgen dat ze de gunst van hun publiek houden. |
|