Tekstvoorstel

In relaties met individuen hebben particuliere organisaties in elk geval de volgende bijzondere plichten en verantwoordelijkheden:

  1. De plicht aan te geven wat het doel, de aard en de betrouwbaarheid is van door hen aangeboden informatie, alsmede welke voorwaarden van toepassing zijn op het uitwisselen van die informatie.
  2. De plicht zich te onthouden van vormen van informatieaanbod die niet of niet gemakkelijk geweigerd kunnen worden.
  3. De plicht zich zoveel mogelijk te onthouden van het aanleggen en in stand houden van registraties met persoonlijke informatie, in het bijzonder in situaties waarin die informatie bij de persoon kan blijven berusten.
  4. De plicht gelegenheid te geven tot inzage en correctie van alle in registraties vastgelegde persoonlijke informatie.
  5. De plicht bij correctie de wensen van geregistreerde(n) te volgen als het gaat om het beoordelen van de betekenis van persoonlijke informatie.
  6. De plicht registraties met persoonlijke informatie niet voor andere doeleinden te gebruiken dan waarvoor ze werden aangelegd.
  7. Registraties met persoonlijke informatie te vernietigen of anoniem te maken zodra het doel waarvoor de registratie werd aangelegd, is komen te vervallen.
  8. De plicht de vertrouwelijkheid van informatie-uitwisseling te respecteren zowel qua vorm en proces, als qua inhoud en doel.
  9. De plicht in het openbaar kennisgeving te doen van het feit dat een registratie zal worden aangelegd met persoonlijke informatie en van het doel en de aard van deze registratie.
  10. De plicht zich te onthouden van het verhandelen van persoonlijke informatie als daar door geregistreerde(n) bezwaar tegen wordt gemaakt.
  11. De plicht registraties met persoonlijke of vertrouwelijke informatie te beveiligen tegen misbruik door derden.

Deze plichten en verantwoordelijkheden kunnen uitsluitend buiten werking worden gezet bij wettelijke bepaling.

Discussiepunten

  1. In feite neemt dit lijstje al een voorschot op het stellen van wettelijke beperkingen of aanvullende eisen met betrekking tot het principe van overeenkomstige toepassing; zie principe 6.
  2. Daarbij zijn paragraaf a en b in feite niet meer dan een herhaling/aanscherping van wat ook al in deel II wordt gesteld. Reden van deze doublure is het belang het individu juist hier bescherming te bieden tegen de avances van al te opdringerige bedrijven.
  3. Paragraaf c zegt dus dat - waar mogelijk - de (decentrale) chipcard de voorkeur heeft boven het aanleggen van een (centrale) registratie.
  4. Voor het overige gaat het om zaken die samenhangen met het feit dat registraties toch vooral worden aangelegd door organisaties en niet door individuen. Dit verklaart waarom aanvullende regelingen noodzakelijk worden geacht.
  5. Evenals bij principe 5 rijst de vraag hoe deze plichten afdwingbaar moeten zijn. Via het strafrecht of via een civiele procedure?
  6. Tenslotte, reden dat de genoemde plichten en verantwoordelijkheden uitsluitend bij wet buiten werking geplaatst kunnen worden - zie de laatste regel - is de gedachte dat voorkomen moet worden dat sociaal/economisch zwakkeren gedwongen worden vrijwillig afstand te doen van hun rechten. Bijvoorbeeld in de algemene voorwaarden van een informatieaanbod dat juist zij wel moeten accepteren.