Tekstvoorstel

In relaties met individuen hebben overheidsorganisaties in elk geval de volgende bijzondere plichten.

  1. De plicht burgers in een zo vroeg mogelijk stadium te informeren over voorgenomen beleidsinitiatieven en hen gelegenheid te geven van hun inzichten daaromtrent te laten blijken.
  2. De plicht het bewerken en de opslag van persoonlijke informatie binnen de overheid zo te organiseren dat elke burger in staat is tot een effectieve en volledige inzage en correctie van die informatie.
  3. De plicht er zorg voor te dragen dat informatie die met openbare middelen tot stand is gekomen in basisvorm tegen zo laag mogelijke kosten en met zo weinig mogelijk belemmeringen beschikbaar is voor de burger.
  4. De plicht zich zoveel mogelijk te onthouden van het aanleggen en in stand houden van registraties met persoonlijke informatie, in het bijzonder in situaties waarin die informatie bij de persoon kan blijven berusten.
  5. De plicht in te staan voor de volledigheid, juistheid en authenticiteit van een als zodanig aangemerkt informatieaanbod van de overheid.

Discussiepunten

  1. Ook hier is de lijst afhankelijk van de visie op mens, maatschappij en overheid. Ook hier gaat het dus om gewichtige politieke afwegingen en keuzen.
  2. Paragraaf b zou kunnen betekenen dat de overheid alle informatie betreffende personen goed en grondig aan elkaar koppelt - zodat één blik van de burger genoeg is om te weten wat de overheid over hem of haar weet. Hetgeen haaks staat op het idee dat koppelen slecht is voor de privacy.
  3. Paragraaf d is formeel overbodig omdat het hier gestelde al geldt vanwege de overeenkomstige toepassing van principe 7 c. Maar materieel gezien is er alle reden voor een doublure: de overheid is een grote verzamelaar van persoonlijke informatie.
  4. Paragraaf e: er zijn situaties - hoge waterstanden - waarin de burger zich tot een informatiebron moet kunnen wenden waarvan de juistheid boven elke twijfel staat.