Dit geschrift, vervaardigd met behulp van de computer maar uiterlijk nog in de vertrouwde foliovorm, is het resultaat van een langjarige confrontatie met media; oude, vernieuwde en nieuwe media. Confrontatie ook met nu eens overhaaste en dan weer vertraagde introductie van nieuwe informatietechnologien en telecommunicatiestructuren en vooral met de onderbelichting van de intellectuele component van de informatiesystemen.

Ik heb mij sinds 1956, het jaar waarin ik mijn uitgeversloopbaan bij N. Samsom nv te Alphen a/d Rijn begon, met een zekere regelmaat afgevraagd of er wellicht methoden te ontdekken zouden zijn waarmee men bij het ontwikkelen van nieuwe en/of innovatieve informerende systemen als boeken, tijdschriften en andere mechanische of elektronische informatiediensten potentiële succesfactoren of faalkansen met enig zicht op een redelijk resultaat vooraf zou kunnen bepalen. Dit leek mij van essentieel belang voor een bedrijfstak die als doelstelling heeft het systematisch vergaren, veredelen, vastleggen, verspreiden en natuurlijk ook exploiteren van informatie en kennis. Vooral het exploiteren van nieuwe media bleek nog vaak bij veel uitgevers op grote problemen te stuiten.

Aan het eind van de jaren vijftig bood Samsom een uitstekend startpunt voor een dergelijk praktijkonderzoek. De onderneming was namelijk zeer sterk in de markt van de mechanische administratie en had een grote Hollerith-afdeling, waar met behulp van ponskaarten service werd verleend aan overheden, bedrijfsleven en onderwijs. De uitgeverij-activiteiten concentreerden zich op het ontwikkelen van formulieren en op het publiceren van documentaire informatie in de vorm van boekwerken, losbladige uitgaven en tijdschriften voor de markten die met de gekozen dienstverlening werden bestreken.

Korte tijd na mijn entree werd besloten tot het installeren van een computer die het (voor oudere juristen omineuze) kengetal 1401 droeg. Een `mainframe' dus, al werd een computer toen nog niet zo genoemd. Met deze innovatie hoopte Samsom niet alleen zijn bestaande overheidsmarkt (verzorgen van verkiezingen en andere administratieve dienstverleningen) beter te kunnen gaan bedienen, maar men meende ook mogelijkheden te kunnen scheppen om zich te zijner tijd op het terrein van de zogenaamde database-publishing en host-activiteiten te gaan begeven. De computer werd in die dagen nog nauwelijks gezien als een tekstverwerkend apparaat maar veeleer als een administratie-machine en de plannen van Samsom waren daarom behoorlijk geavanceerd en innovatief.

Zelf was ik in mijn studententijd nogal onder de indruk geraakt van science-fictionliteratuur en met name van het korte verhaal van Arthur C. Clarke (1953) `The Nine Billion Names of God' waarin een Lama uit Tibet aan een computerbedrijf in New York opdracht geeft in zijn klooster een Automatic Sequence Computer te installeren: `Your Mark V Computer can carry out any routine mathematical operation involving up to ten digits. However, for our work we are interested in letters, not numbers. As we wish you to modify the output circuits, the machine will be printing words, not columns of figures'. We zien hier dus hoe Clarke een ontwikkeling voorspelde die later ook door Samsom werd voorzien: Het gebruik van de computer als instrument voor de uitgeverij. Samsom wijzigde na de overname van A.W. Sijthoff zijn naam dan ook in `Informatie en Communicatie Unie' (nv icu) waarmee men een voorschot nam op de te verwachten koers van de onderneming.

Met de Mark V computer van Clarke liep het in zoverre slecht af dat hij door zijn tekstverwerkingscapaciteit het einde van de wereld versnelde (ik ga hier het beangstigende verhaal niet navertellen, men leze Clarke) en ook het computerservice bedrijf van Samsom kon - mede door het wegvallen van overheidsorders (privacy overwegingen!) en moordende concurrentie - de strijd niet volhouden en moest uiteindelijk worden afgestoten. Tot een geslaagd gebruik van de mainframe computer bij het genereren van publikaties of host-activiteiten is het dus vóór de jaren tachtig bij Samsom, ondanks alle pogingen, toen nauwelijks gekomen en men ging zich concentreren op de meer traditionele uitgeverij-activiteiten.

Zover was het echter nog niet in de jaren zestig en zeventig. Er heerste een groot optimisme over de commerciële mogelijkheden van de nieuwe media voor opslag, verwerking en manipulatie van tekst, beeld en geluid en ik had de gelegenheid actief deel te nemen aan experimenten en projecten zowel bij Samsom als later bij de Erven P. Noordhoff en Wolters-Noordhoff (microvormen, talenpractica, leertoestellen in diverse vormen en geprogrammeerde instructie). Andere praktijkervaring kon ik opdoen bij buitenlandse bedrijven als Aspen Systems Corporation (een pionier op het gebied van databanken, clearing houses, information management en ontwikkelingen rond grote overheidsopdrachten in de v.s.) en in diverse landen van Europa waar de problematiek zich vooral concentreerde op de vraag of en zo ja hoe en in welk tempo de klassieke folio media (boek en tijdschrift) vervangen zouden worden, in eerste instantie door dynamische media als de losbladige uitgave en de nieuwsbrief en in tweede instantie door elektronische en optische media.

In de jaren tachtig en begin negentig heb ik (onder meer in verband met functies bij de International Publishers Association en de Europese Commissie en ook geïnspireerd door mijn praktijkervaringen) een aantal publikaties over de nieuwe media en in het bijzonder over `Electronic Publishing' het licht doen zien. Bestudering van de literatuur (op zichzelf al een voorbeeld van `information overload' en `less = more') en een verkenning van de mogelijkheden van toepassing van begrippen uit de `klassieke' uitgeverswereld op de nieuwe media resulteerden in de contouren van een onderzoeksproject dat zich zou moeten richten op de slaag- en faalkansen van nieuwe of vernieuwde informerende systemen, in het bijzonder in of rond de uitgeverij. Het bleek bij deze verkenningen dat de rol van het papier groter was dan ik oorspronkelijk had gedacht; papier is een in vele opzichten aantrekkelijk medium dat zich niet gemakkelijk laat vervangen. Ik bemerkte, dat het in de praktijk bijzonder moeilijk is om computers universeel in te schakelen in de informatievoorziening vooral omdat nog zo ontzettend veel van de huidige informatie en kennis in analoge, dus in gedrukte en niet in digitale vorm aanwezig is en derhalve niet door de computer te lezen is.

Ik koos als hoofdtitel `Bibliodynamica' (het dynamische, `uit de band springende' informatieve boek) met als doel, de rode draad door het onderzoek vast te houden: namelijk de ontwikkeling van het gedrukte informatieve boek (Ars artium omnium conservatrix) tot databank, van papieren tot elektro-optische opslag, van analoge naar digitale informatievoorziening.

Bij het volgen van het spoor terug naar het boek bleek praktijkervaring weer van waarde; zo zag ik met eigen ogen de eerste opzet van Telerate, die bestond uit een op een beeldscherm vertoond elektronisch boek waar op elke elektronisch omgeslagen bladzijde een afzonderlijk beursfonds stond aangegeven. Tijdens een bezoek in 1982 aan het laboratorium van Rank Xerox in Palo Alto liet men mij de oervorm van Windows zien als instrument voor de uitgeverij van de toekomst.

Tenslotte waren ook recente bestuurlijke ervaringen met de digitalisering via optische karakterherkenning van het `Groot Woordenboek der Nederlandse Taal' alsmede het project `Publishing-on-demand' van het International Bureau of Fiscal Documentation en de multimediale aanpak van het Nederlands Omroepproductie Bedrijf (nob) voor mij van belang.

Het modelleren van een dissertatie is een academisch ritueel dat eigenlijk dicht zou moeten volgen op de afronding van een studie, in mijn geval de studie Nederlands Recht in 1956. Mijn promotoren hebben daarom een moeilijke taak op zich genomen omdat zij niet alleen de sprong naar een andere discipline maar ook een tijdsverloop van bijna veertig jaar moesten helpen overbruggen. Ik ben mijn promotoren dan ook zeer dankbaar dat ze mij bij mijn onderzoek hebben willen begeleiden en corrigeren.

Zoals uit het voorgaande duidelijk zal zijn geworden was deze dissertatie niet zonder empirisch onderzoek en veel gesprekken met betrokkenen en deskundigen tot stand gekomen. Tijdens het onderzoek in bijna tachtig bedrijven en instellingen heb ik vooral veel profijt gehad van de ondersteuning van de volgende personen:

_ Mevrouw C.E. van den Beld
_ Drs. C.J. Brakel
_ Prof.Dr. H.R. Brinberg
_ C. Breekweg
_ C. Burns
_ Drs. F.W. van Kleef
_ Mevrouw Dr. T. Kruyt
_ Drs. C. de Koning
_ P.C. Minderhout
_ Drs. F.C. Noordhoff
_ Prof.Dr. A.G. Oettinger
_ Mevrouw Mr. M.V. Reinshagen
_ J.F. Samsom
_ Dr. R.H. Samsom
_ Prof.Dr. P.G.J. van Sterkenburg
_ Drs. W.J.J.C. Vercouteren

Tezamen met of met behulp van enkele van de genoemde personen heb ik een blik kunnen werpen binnen de `black box' van de directiekamer waar de beslissingen over `doorgaan of afhaken, go - no go' vallen. Die beslissingen bleken soms minder rationeel te zijn dan men op het moment zelf wilde doen geloven. Ook kwam het voor dat omstandigheden of ontwikkelingen pas achteraf konden worden gereconstrueerd.

Veel dank ben ik verschuldigd aan mijn dochter Justine Kist die met geduld en zorg de illustraties uitwerkte, aan Willy de Gijzel-Floor die het manuscript tikte en telkens weer reviseerde en aan mevrouw Mr. M. Wiersma-van Soest die de supervisie had over het gehele uitgeefproject.

Tenslotte nog een antwoord op de vraag waarom ik dit boek niet in het Engels heb geschreven. De reden daarvan is, dat ik het een uitdaging vond om te trachten de grotendeels op Amerikaanse en Engelse publikaties steunende communicatie- en informatiewetenschap van een goeddeels op Nederlandse ervaringen gebaseerde aanvulling te voorzien. De vele citaten uit Engelstalige bronnen heb ik echter onvertaald gelaten om ze zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen.

J. Kist

Velp, mei 1996