
In de inleiding van dit boek hebben we in navolging van Al Gore het Internet
een prototype van de digitale snelweg genoemd. Een belangrijke reden hiervoor
is het 'open' karakter van het netwerk. Juist vanwege deze karakteristiek wordt
het Internet door de pers vaak omschreven als een onveilig netwerk, waar
hackers vrij spel hebben. Dit is echter een ongenuanceerde uitspraak. Beveiligingsexperts zijn
het er over eens dat dingen mis kunnen gaan,
maar voegen daar direct aan toe dat er ook vele mogelijkheden zijn om het
Internet, en met name het gebruik ervan veiliger te maken. Men duidt dan niet
alleen op technische zaken, maar ook op betere voorlichting, procedures
en wet- en regelgeving. Dit zijn allemaal zaken die niet alleen
iets met het Internet te maken hebben, maar meer in het algemeen met het
gebruik van computers en netwerken. In 1991 was dan ook een van de
hoofdconclusies uit het rapport 'Computers at Risk' van de National Research
Council in de VS [NRC, 1991]: 'The nation needs computer techology that
supports substantially increased safety, reliability, and, in particular,
security'.
In dit hoofdstuk zal achtereenvolgens aandacht worden besteed aan de vraag welke
aspecten een rol spelen bij beveiliging en wat er gedaan is of kan worden gedaan om
netwerken, in het bijzonder het Internet, en het gebruik ervan veiliger te
maken, onder andere op het vlak van wet- en regelgeving, procedures en
techniek.
Beveiligingsaspecten
Een conclusie van een beveiligingsproject van SURFnet bv luidde: 'Het ontbreken
van een beveiligingsplan maakt het moeilijk om een evenwichtig pakket van
maatregelen samen te stellen op het gebied van het voorkomen van bedreigingen
(preventief), het signaleren van bedreigingen (detectief), het er voor zorgen
dat bij het optreden van een bedreiging de schade beperkt blijft (repressief)
en het er voor zorgen dat indien een bedreiging zich manifesteert de schade zo
snel mogelijk wordt hersteld (correctief)' [Zegwaart, Zwiggelaar, 1993].
Organisaties worden vaak door schade en schande wijs. Een beveiligingsbeleid en
daarop gebaseerd concreet plan ontbreekt bij vele organisaties, terwijl er wel voorschriften zijn
voor brandpreventie. Het bewustzijn dat beveiliging een essentieel onderdeel dient te zijn van
computer- en netwerktoepassingen neemt de laatste jaren echter wel toe
(Beveiliging bij datacommunicatie NGI [NGI, 1989], Beveiligingsbeleid en
beveiligingsplan NGI [NGI, 1992]).
Binnen het Internet wordt al jaren gewerkt aan het ontwikkelen en introduceren
van nieuwe hulpmiddelen [Branstad, 1993] en [Galvin, 1994].
Er zijn aanbevelingen gedaan over wat er in technische zin verbeterd dient te
worden [Bellovin, 1989]), maar
ook aan de organisatie er omheen en de rol van de gebruiker in het geheel
[Hambridge, 1993], (rfc1087), (rfc1244) en (rfc1281).
Bij beveiliging van computers en netwerken spelen drie aspecten een cruciale rol:
Om een evenwichtig pakket van maatregelen samen te stellen is het van belang dat er eerst een goede inschatting gemaakt wordt van de kans dat er iets mis kan gaan en welke consequenties dit tot gevolg kan hebben, of anders gezegd, wat is het risico? De oplossing is het uit (laten) voeren van een bedreigings- of risico-analyse. In het kader 'Risico-analyse' wordt hier meer in detail op in gegaan.
In het vervolg van dit hoofdstuk zal worden aangegeven hoe de exclusiviteit, integriteit en beschikbaarheid van gegevens en middelen kunnen worden gerealiseerd door gebruik te maken van wet- en regelgeving, procedures en techniek.
Wet- en regelgeving
Door wetgeving op het vlak van computers en netwerken kan een overheid aangeven waar de grenzen liggen van wat wel of niet toelaatbaar is en daarmee de burgers beschermen tegen misbruik van elektronisch opgeslagen gegevens. In Nederland is in 1989 de WPR, de Wet op de Persoonsregistratie, en recent in 1993 de Wet Computercriminaliteit van kracht.
De WPR is een maatregel die de exclusiviteit en integriteit van persoonsgegevens moet waarborgen. Het (elektronisch) beschikbaar stellen van persoonsgegevens wordt in de WPR 'persoonsregistratie' genoemd. De definitie daarvan is: 'een samenhangende verzamelingen van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging systematisch is aangelegd. Bij persoonsgegevens moet het altijd gaan om gegevens die herleidbaar zijn tot een individuele, natuurlijke persoon'. Met ingang van 1 juli 1989 is in de Wet op Persoonsregistratie een aantal verplichtingen vastgelegd waar 'houders' en 'bewerkers' van een persoonsregistratie zich aan dienen te houden, ongeacht de vorm waarin deze gegevens worden opgeslagen. Enkele belangrijke punten hieruit zijn:
De WPR zegt dat beveiliging van persoonsregistraties op een 'adequaat niveau'
moet worden geregeld, dat wil zeggen volgens de per tijdsvak heersende
opvattingen over beveiliging. Met andere woorden: de technische en procedurele
hulpmiddelen voor de beveiliging van persoonsregistraties moeten altijd voldoen
aan de normen van de tijd.
De WPR komt onder andere kijken bij het opzetten van een Directory Service
(bijvoorbeeld X.500; zie hoofdstuk 6), omdat daarmee persoonsgegevens voor de
buitenwereld beschikbaar worden gesteld. Iedere 'houder' van een database in
een gedistribueerde Directory Service dient deze aan te melden bij de
registratiekamer. Zolang zo'n database alleen communicatiegegevens van personen
bevat, zoals telefoonnummers en e-mailadressen, is de aanmelding een
formaliteit en hoeft vaak geen reglement te worden opgesteld, maar als ook
andere zaken beschikbaar zijn, zoals afdelingen waar mensen werkzaam zijn,
functies en dergelijke, dan heeft de registatie meer voeten in de aarde.
De Wet Computercriminaliteit is een maatregel die exclusiviteit, integriteit en beschikbaarheid van gegevens beter moet waarborgen. Hoewel de wet bedoeld is om beter te kunnen optreden tegen computerfraude, spionage en sabotage, hoopt de overheid dat er een duidelijke preventieve werking vanuit gaan. Volgens de wet is alleen het binnendringen in een beveiligd computersysteem strafbaar te stellen. Een minimale beveiliging van het systeem is daarbij reeds voldoende, maar deze voorwaarde legt toch een grote verantwoordelijkheid bij de gebruikers en beheerders van systemen omdat zij moeten zorgen dat het systeem op geen enkele wijze 'open' staat. Een kraker van een systeem moet dus een bijzondere inspanning, hoe minimaal ook, plegen om binnen te komen.
Als het binnendringen van een systeem wordt gevolgd door één van de hierna volgende kwalijke handelingen, dan levert dit voor de dader een aanzienlijke vergroting van strafbaarheid op:
Hulpmiddelen die justitie heeft bij het opsporen van computercriminaliteit zijn onder meer het mogen aftappen van telefoon- en dataverkeer en het recht om onderzoek in computersystemen te verrichten (in het kader van een huiszoeking). Het op kunnen sporen van computercriminaliteit blijkt in de praktijk echter geen eenvoudige zaak. De wetgeving op dit gebied moet dan ook gezien worden als een duidelijk maatschappelijk signaal over de normen waaraan een burger zich dient te houden.
Een goede beschrijving van de inhoud en gevolgen van de wet wordt beschreven in [Klaasse, Stikvoort, 1994].