Hoofdstuk 2

Historie

Wie denkt dat de functionaliteit die nu al beschikbaar is en die verder wordt ontwikkeld voor een belangrijk deel voortkomt uit een technology push vanuit landelijke overheden, heeft het niet helemaal bij het rechte eind. De aandrang van overheidswege om technieken voor een digitale snelweg te ontwikkelen vanuit de gedachte dat 'we moeten vooroplopen' - die in Nederland overigens veel minder aanwezig is dan in andere landen en zeker dan in de Verenigde Staten - is tot nu eigenlijk zeer beperkt geweest. Het zijn bijna altijd gebruikersgroepen geweest die hebben bepaald welke kant nieuwe ontwikkelingen opgaan. Zo drukt de researchwereld een duidelijk stempel op de ontwikkelingen van het Internet en zorgen initiatieven als de Digitale Stad in Amsterdam ervoor dat de burger betrokken wordt bij het ontsluiten van overheidsinformatie op de digitale snelweg.
Ook het Internet is ontstaan vanuit een behoefte, namelijk de behoefte van het Amerikaanse ministerie van defensie om in het geval van een kernoorlog, computers op afstand te kunnen besturen.

Een terugblik

Voor 1970 waren de mogelijkheden voor internationale communicatie en informatieuitwisseling via computernetwerken vrijwel nihil. De telefoon was het canonieke gereedschap voor dit doel, maar had beperkingen: mensen zijn nu eenmaal niet te allen tijde bereikbaar per telefoon, al was het maar door tijdsverschillen. Computers waren er al wel, maar die werden bijna alleen voor wetenschappelijke toepassingen gebruikt, niet voor communicatie. Het waren grote veelal elektro(mechanische) systemen van een enorme fysieke omvang. Pas in het begin van de jaren vijftig werden de eerste computers ontwikkeld voor commerciële toepassingen. Eén generatie geleden kenden waarschijnlijk slechts enkele duizenden mensen op onze aarde het woord computer.

De ontwikkeling van computers is sinds die tijd stormachtig verlopen en is voornamelijk te omschrijven als 'steeds sneller en kleiner'. In de jaren tachtig zijn bijna alle primaire en ondersteunende bedrijfsprocessen direct afhankelijk van het naar behoren functioneren van computers. Natuurlijk speelt de mens nog steeds een belangrijke rol in het bedrijfsproces, maar als de taken die nu dagelijks door computers worden uitgevoerd overgenomen moeten worden door mensen dan zouden alle geboortebeperkende maatregelen wereldwijd snel moeten worden opgeheven: er zou ons een gigantische rekenklus in het verschiet liggen. Weersvoorspellingen uitrekenen voor een periode van drie dagen zou meer dan drie dagen duren en daardoor zinloos worden. Computers zijn niet meer weg te denken uit ons moderne dagelijkse leven.

De onderlinge uitwisseling van informatie tussen computers is een proces dat eind jaren zestig is begonnen en misschien wel een nog explosievere ontwikkeling heeft doorgemaakt dan de computer zelf. Sinds die tijd is er namelijk een ontwikkeling in gang gezet waarmee het uitwisselen van gegevens volledig automatisch kan geschieden. Het medium dat hiervoor gebruikt wordt, wordt over het algemeen aangeduid met computernetwerk. En ook hier is technologisch een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt, die zich kenmerkt in steeds sneller en 'kleiner'. De benodigde apparatuur voor computernetwerken, die zelf ook weer uit computers bestaat, wordt steeds compacter.
In de tweede helft van de jaren tachtig hebben veel organisaties hun eigen 'interne' computers gekoppeld met een zogenaamd lokaal netwerk of LAN (Local Area Network) en ontdekten daarmee de eerste geneugten van het uitwisselen van digitale informatie. Doel was om de computers die gebruikt werden voor produktie, bestuur- en beheerprocessen onderling informatie te laten uitwisselen, zodat er efficiënter met menskracht en middelen kon worden omgesprongen. De nadruk lag hierbij bijna exclusief op interne bedrijfsprocessen. De buitenwereld werd hierbij veelal om technische, maar zeker ook om organisatorische redenen buiten beschouwing gelaten. Maar deze netwerken werden ook steeds vaker gebruikt voor interne communicatie tussen medewerkers. Bijvoorbeeld om de gebruikers centrale bestanden (agenda's, adressenbestanden) en programma's (tekstverwerking etc.) te laten gebruiken of om het uitwisselen van elektronische documenten mogelijk te maken.

Dat een dergelijke behoefte ook aanwezig was tussen organisaties was duidelijk en daarom slechts een kwestie van tijd voordat ook deze uitdaging werd opgepakt.

Binnen de researchwereld is van oudsher de behoefte aan externe communicatie groot. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat juist vanuit deze hoek de ontwikkelingen van op netwerkgebied sterk zijn gestimuleerd. Een grote affiniteit met techniek en lage drempels op het gebied van gebruiksgemak, maakten juist deze groep geschikt als de voorloper van het eerste uur. Begin jaren tachtig was de researchwereld begonnen met de 'externe' computercommunicatie, door middel van computernetwerken.

Bij dit type computercommunicatie wordt gebruik gemaakt van (inter)nationale netwerken. Zo'n netwerk wordt aangeduid met de term Wide Area Network of kortweg WAN. In eerste instantie was een WAN een op zichzelfstaand fenomeen, zo goed als fysiek gescheiden van een LAN. Maar de gebruikers wilden uiteraard geen verschillende voorzieningen voor lokale en externe communicatie. En dus werden LAN's direct gekoppeld aan één of meerdere WAN's.

Het Internet: het begin

Eind jaren zestig werden er door de industrie en overheden verschillende initiatieven ontplooid om computers via netwerken informatie te laten uitwisselen. Voor een deel betrof het hier theoretisch onderzoek bij een aantal universiteiten en researchorganisaties, met name in de Verenigde Staten. Het 'Department of Defense' (DoD) in de Verenigde Staten had een duidelijk belang in computernetwerken en heeft als eerste de middelen beschikbaar gesteld om daarvoor technieken te ontwikkelen. Dit heeft geleid tot een project waarvan de coördinatie in handen lag van de 'Defense Advanced Research Projects Agency', DARPA, en waarin een aantal universiteiten en onderzoeksinstellingen als partner deelnamen. In 1972 werd door Bob Kahn van het deelnemende BBN op verzoek van DAPRA een eerste demonstratie gegeven van het ontwikkelde 'DARPANET'. Dit vond plaats tijdens 'the International Conference on Computer Communications' in de kelder van het Hilton Hotel in Washington en het was de eerste mogelijkheid voor buitenstaanders om kennis te nemen van de voorloper van het uiteindelijke Internet. De onderzoeksinitiatieven leidden uiteindelijk tot het bouwen van een data-infrastructuur in de Verenigde Staten, die tot doel had netwerken en computers onderling te koppelen. Ook dit proces werd vanuit DARPA aangestuurd (Lynch, Rose, 1993).

Tijdens de experimentele fase werd een datanetwerk vooral gezien om op afstand computers te kunnen gebruiken (bijvoorbeeld schaarse supercomputers). Eigenlijk bij toeval werd door de beheerders van die computers het fenomeen e-mail (elektronische post) ontdekt. De beheerders wilden namelijk eenvoudig informatie over hun systemen kunnen uitwisselen en men zocht daarbij naar een snelle en efficiënte weg. Zo blijkt dat nieuwe toepassingen soms schijnbaar 'uit het niets' kunnen ontstaan, door alleen maar mensen de ruimte te geven om beschikbare middelen creatief te gebruiken.

Het protocol dat uiteindelijk het hart van het Internet zou gaan vormen werd in 1973-1974 ontwikkeld en kreeg de naam TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol). De belangrijkste architecten van TCP/IP waren Bob Kahn en Vint Cerf. De voorloper van TCP, NCP, werd tot 1983 in het ARPANET gebruikt. Op 1 januari 1983 werd onder leiding van Dan C. Lynch de migratie naar TCP/IP uitgevoerd. Op dat moment waren er slechts enkele honderden computers gekoppeld aan het netwerk, toch nam deze exercitie twee dagen in beslag.

Op het ARPANET werden in de beginjaren uitsluitend researchinstituten aangesloten die een 'relatie' hadden met DAPRA. In 1980 werd het MILNET (voor defensie) afgesplitst van het ARPANET. Het restant van ARPANET bleef voortbestaan als researchnetwerk. Dit is misschien wel het eerste duidelijke voorbeeld geweest van twee gescheiden WANs die toch op een 'gecontroleerde' wijze onderling verbonden waren. Het gebruik van de term Internet was vanaf dat moment ook te rechtvaardigen, want er was duidelijk sprake van 'Inter-networking' tussen deze twee netwerken. De verdere groei maakte de introductie van de aanduiding 'het Internet' een logische stap.

In 1985-86 kreeg de National Science Foundation (NSF) ook interesse in de toepassingsmogelijkheden van het Internet en besloot om, gebaseerd op de TCP/IP-technologie, een nationaal netwerk te realiseren. Dit netwerk, dat de naam NSFNet kreeg, werd de infrastructuur waarop in principe alle universiteiten en onderzoeksinstituten aangesloten konden worden. De opmars was hiermee eigenlijk onopgemerkt van start gegaan. Eind jaren tachtig begon NSFNet ook allerlei vertakkingen te krijgen naar Europa en andere werelddelen. In Europa was Engeland (University College London, UCL) een van de eerste gebruikers. In Nederland fungeerde het Centrum voor Wiskunde en Informatica in Amsterdam als Internetpionier.

Afbeelding: Mijlpalen binnen het Internet (7.1 kb)

Hoewel er met name voor elektronische post medio jaren tachtig al een wereldwijd researchnetwerk was (EARN/BITNET), werd NSFNET dat meer mogelijkheden bood, al snel zo populair dat wereldwijd vele universiteiten en onderzoeksinstellingen overstapten op netwerken die op TCP/IP waren gebaseerd. Hieruit heeft zich het huidige Internet ontwikkeld dat bestaat uit de koppeling van internationale, regionale, landelijke en lokale netwerken.

De exponentiële groei van het Internet begon in 1986, onder meer door het feit dat vanaf dat moment Unix-systemen, zoals Berkeley Unix v4.2, standaard werden uitgerust met TCP/IP, waardoor ook voor LAN's de keuze van TCP/IP populair werd. Omdat TCP/IP ook voor Wide Area Netwerken werd gebruikt, werd een WAN als het ware een 'logisch' verlengstuk van een lokaal netwerk.

Terug Vervolg Inhoud