
Voor 1970 waren de mogelijkheden voor internationale communicatie en informatieuitwisseling via computernetwerken vrijwel nihil. De telefoon was het canonieke gereedschap voor dit
doel, maar had beperkingen: mensen zijn nu eenmaal niet te allen tijde bereikbaar per telefoon,
al was het maar door tijdsverschillen. Computers waren er al wel, maar die werden bijna alleen
voor wetenschappelijke toepassingen gebruikt, niet voor communicatie. Het waren grote veelal
elektro(mechanische) systemen van een enorme fysieke omvang. Pas in het begin van de jaren
vijftig werden de eerste computers ontwikkeld voor commerciële toepassingen.
Eén generatie geleden kenden waarschijnlijk slechts enkele duizenden mensen op onze
aarde het woord computer.
De ontwikkeling van computers is sinds die tijd stormachtig verlopen en is voornamelijk te
omschrijven als 'steeds sneller en kleiner'. In de jaren tachtig zijn bijna alle primaire en ondersteunende bedrijfsprocessen direct afhankelijk van het naar behoren functioneren van computers. Natuurlijk speelt de mens nog steeds een belangrijke rol in het bedrijfsproces, maar als de
taken die nu dagelijks door computers worden uitgevoerd overgenomen moeten worden door
mensen dan zouden alle geboortebeperkende maatregelen wereldwijd snel moeten worden
opgeheven: er zou ons een gigantische rekenklus in het verschiet liggen. Weersvoorspellingen
uitrekenen voor een periode van drie dagen zou meer dan drie dagen duren en daardoor zinloos
worden. Computers zijn niet meer weg te denken uit ons moderne dagelijkse
leven.
De onderlinge uitwisseling van informatie tussen computers is een proces dat eind jaren zestig
is begonnen en misschien wel een nog explosievere ontwikkeling heeft doorgemaakt dan de
computer zelf. Sinds die tijd is er namelijk een ontwikkeling in gang gezet waarmee het
uitwisselen van gegevens volledig automatisch kan geschieden. Het medium dat hiervoor
gebruikt wordt, wordt over het algemeen aangeduid met computernetwerk. En ook hier is
technologisch een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt, die zich kenmerkt in steeds sneller en
'kleiner'. De benodigde apparatuur voor computernetwerken, die zelf ook weer uit computers
bestaat, wordt steeds compacter.
In de tweede helft van de jaren tachtig hebben veel organisaties hun eigen 'interne' computers
gekoppeld met een zogenaamd lokaal netwerk of LAN (Local Area Network) en ontdekten
daarmee de eerste geneugten van het uitwisselen van digitale informatie. Doel was om de
computers die gebruikt werden voor produktie, bestuur- en beheerprocessen onderling informatie te laten uitwisselen, zodat er efficiënter met menskracht en middelen kon worden
omgesprongen. De nadruk lag hierbij bijna exclusief op interne bedrijfsprocessen. De buitenwereld werd hierbij veelal om technische, maar zeker ook om organisatorische redenen buiten
beschouwing gelaten. Maar deze netwerken werden ook steeds vaker gebruikt voor interne
communicatie tussen medewerkers. Bijvoorbeeld om de gebruikers centrale bestanden (agenda's, adressenbestanden) en programma's (tekstverwerking etc.) te laten gebruiken of om het
uitwisselen van elektronische documenten mogelijk te maken.
Dat een dergelijke behoefte ook aanwezig was tussen organisaties was duidelijk en daarom
slechts een kwestie van tijd voordat ook deze uitdaging werd opgepakt.
Binnen de researchwereld is van oudsher de behoefte aan externe communicatie groot. Het is
dan ook niet onbegrijpelijk dat juist vanuit deze hoek de ontwikkelingen van op netwerkgebied
sterk zijn gestimuleerd. Een grote affiniteit met techniek en lage drempels op het gebied van
gebruiksgemak, maakten juist deze groep geschikt als de voorloper van het eerste uur. Begin
jaren tachtig was de researchwereld begonnen met de 'externe' computercommunicatie, door
middel van computernetwerken.
Bij dit type computercommunicatie wordt gebruik gemaakt van (inter)nationale netwerken.
Zo'n netwerk wordt aangeduid met de term Wide Area Network of kortweg WAN. In eerste instantie was een WAN een op zichzelfstaand
fenomeen, zo goed als fysiek gescheiden van een LAN. Maar de gebruikers wilden uiteraard
geen verschillende voorzieningen voor lokale en externe communicatie. En dus werden LAN's
direct gekoppeld aan één of meerdere WAN's.
Het Internet: het begin
Eind jaren zestig werden er door de industrie en overheden verschillende initiatieven ontplooid
om computers via netwerken informatie te laten uitwisselen. Voor een deel betrof het hier
theoretisch onderzoek bij een aantal universiteiten en researchorganisaties, met name in de
Verenigde Staten. Het 'Department of Defense' (DoD) in de Verenigde Staten had een duidelijk
belang in computernetwerken en heeft als eerste de middelen
beschikbaar gesteld om daarvoor technieken te ontwikkelen. Dit heeft geleid tot een project
waarvan de coördinatie in handen lag van de 'Defense Advanced Research Projects
Agency', DARPA, en waarin een aantal universiteiten en onderzoeksinstellingen als partner deelnamen. In 1972 werd door Bob Kahn van het deelnemende BBN op verzoek van DAPRA een eerste demonstratie gegeven van het ontwikkelde
'DARPANET'. Dit vond plaats tijdens 'the International Conference on Computer Communications' in de kelder van het Hilton Hotel in Washington en het was de eerste mogelijkheid voor
buitenstaanders om kennis te nemen van de voorloper van het uiteindelijke Internet. De onderzoeksinitiatieven leidden uiteindelijk tot het bouwen van een data-infrastructuur in de Verenigde Staten, die tot doel had netwerken en computers onderling te koppelen. Ook dit proces werd
vanuit DARPA aangestuurd (Lynch, Rose, 1993).
Tijdens de experimentele fase werd een datanetwerk vooral gezien om op afstand computers te
kunnen gebruiken (bijvoorbeeld schaarse supercomputers). Eigenlijk bij toeval werd door de
beheerders van die computers het fenomeen e-mail (elektronische post) ontdekt. De beheerders
wilden namelijk eenvoudig informatie over hun systemen kunnen uitwisselen en men zocht
daarbij naar een snelle en efficiënte weg. Zo blijkt dat nieuwe toepassingen soms
schijnbaar 'uit het niets' kunnen ontstaan, door alleen maar mensen de ruimte te geven om
beschikbare middelen creatief te gebruiken.
Het protocol dat uiteindelijk het hart van het Internet zou gaan vormen werd in 1973-1974
ontwikkeld en kreeg de naam TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol). De
belangrijkste architecten van TCP/IP waren Bob Kahn en Vint Cerf. De voorloper van TCP,
NCP, werd tot 1983 in het ARPANET gebruikt. Op 1 januari 1983 werd onder leiding van Dan C. Lynch de migratie naar TCP/IP uitgevoerd. Op dat
moment waren er slechts enkele honderden computers gekoppeld aan het netwerk, toch nam
deze exercitie twee dagen in beslag.
Op het ARPANET werden in de beginjaren uitsluitend researchinstituten aangesloten die een
'relatie' hadden met DAPRA. In 1980 werd het MILNET (voor defensie) afgesplitst van het
ARPANET. Het restant van ARPANET bleef voortbestaan
als researchnetwerk. Dit is misschien wel het eerste duidelijke voorbeeld geweest van twee
gescheiden WANs die toch op een 'gecontroleerde' wijze onderling verbonden waren. Het
gebruik van de term Internet was vanaf dat moment ook te rechtvaardigen, want er was duidelijk sprake van 'Inter-networking' tussen deze twee netwerken. De verdere groei maakte de
introductie van de aanduiding 'het Internet' een logische stap.
In 1985-86 kreeg de National Science Foundation (NSF) ook interesse in de toepassingsmogelijkheden van het Internet en besloot om, gebaseerd op de TCP/IP-technologie, een nationaal
netwerk te realiseren. Dit netwerk, dat de naam NSFNet kreeg, werd de infrastructuur waarop
in principe alle universiteiten en onderzoeksinstituten aangesloten konden worden. De opmars
was hiermee eigenlijk onopgemerkt van start gegaan. Eind jaren tachtig begon NSFNet ook
allerlei vertakkingen te krijgen naar Europa en andere werelddelen. In Europa was Engeland
(University College London, UCL) een van de eerste gebruikers. In Nederland fungeerde het
Centrum voor Wiskunde en Informatica in Amsterdam als Internetpionier.
Afbeelding: Mijlpalen binnen het
Internet (7.1
kb)
Hoewel er met name voor elektronische post medio jaren tachtig al een wereldwijd researchnetwerk was (EARN/BITNET), werd NSFNET dat meer
mogelijkheden bood, al snel zo populair dat wereldwijd vele universiteiten en onderzoeksinstellingen overstapten op netwerken die op TCP/IP waren gebaseerd. Hieruit heeft zich het huidige
Internet ontwikkeld dat bestaat uit de koppeling van internationale, regionale, landelijke en
lokale netwerken.
De exponentiële groei van het Internet begon in 1986, onder meer door het feit dat vanaf
dat moment Unix-systemen, zoals Berkeley Unix v4.2,
standaard werden uitgerust met TCP/IP, waardoor ook voor LAN's de keuze van TCP/IP
populair werd. Omdat TCP/IP ook voor Wide Area Netwerken werd gebruikt, werd een WAN
als het ware een 'logisch' verlengstuk van een lokaal netwerk.