Hoofdstuk 12

De toekomst van het Internet

Het voorspellen van de toekomst van het Internet is niet eenvoudig in een wereld die zo sterk in beweging is. Het kijken door een macroscoop kan hier een hulpmiddel zijn: Het Internet als onderdeel van een veel groter geheel. Als we ons beperken tot de telecommunicatie dan kunnen we in de afgelopen decennia twee belangrijke ontwikkelingen zien. Samen zouden deze wel eens voor de realisatie van de digitale snelweg kunnen zorgen, in plaats van naast of geïntegreerd met het Internet, dat is de vraag.
De eerste ontwikkeling betreft de audiovisuele media die massa-amusement, voorlichting en informatie bracht gericht op de consument. Deze ontwikkeling zorgt voor de gestructureerde presentatie van (multimedia-) informatie. Het gaat hierbij voornamelijk om allocutie: één centrale partij, een omroep bijvoorbeeld, bepaalt de dienstregeling van de communicatie door een televisieuitzending. De tweede ontwikkeling is die van computers en netwerken (telematica). Computers hebben ervoor gezorgd dat in het bedrijfsleven, bij de overheid, in het onderwijs en onderzoek allerlei processen zijn geautomatiseerd. De kracht van deze ontwikkeling ligt in de oneindige hoeveelheid communicatievormen tussen professionele gebruikers: elke computer in een netwerk kan zowel de rol van zender als ontvanger vervullen en is zo onder zowel conversatie, consultatie als registratie onder te brengen.
De telecommunicatiesector heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld tot een volwassen bedrijfstak. De huidige telecommunicatie-infrastructuur kenmerkt zich door een grote verscheidenheid aan landelijke en wereldomvattende netwerken. Oorlogen worden nu live via satellietcommunicatie verslagen, terwijl via diezelfde satelliet computers binnen enkele seconden vele gegevensbestanden kunnen uitwisselen. Via vaste glasvezelverbindingen kunnen gelijktijdig duizenden intercontinentale telefoongesprekken worden gevoerd, maar ook duizenden computernetwerken met elkaar worden verbonden. De telecommunicatiewereld verandert snel en dat heeft consequenties voor de betrokken partijen, die om te overleven hun strategie constant zullen moeten bijstellen. Vragen die gesteld kunnen worden zijn:
De afgelopen jaren is een groot aantal mediabedrijven met netwerkbedrijven gefuseerd of samenwerkingsverbanden aangegaan. Het is duidelijk dat iedereen strategische partners zoekt om nieuwe diensten als video-on-demand, pay-tv, teleshopping, beeldtelefonie, videoconferencing, thuiswerken en onderwijs en onderzoek op afstand aan te kunnen bieden, multimediatoepassingen waarvoor een grote toekomst wordt voorspeld.
De telematicawereld noemt het gebruik van e-mail, met daarin zowel tekst als een grafische afbeelding, multimedia. De audiovisuele wereld noemt het bestellen van produkten via de televisie een vorm van multimedia. Omdat er hierbij veelal gebruikt gemaakt wordt van reeds bestaande technieken, is dit geen grote verandering. De grote vernieuwing is echter dat twee gescheiden werelden waarschijnlijk al binnen een decennium samen zullen gaan. Multimedia kan hierbij gezien worden als het te bereiken gemeenschappelijke doel voor deze convergerende communicatiewerelden. Dit betekent ook dat telematicatoepassingen die in de eerste plaats voor de zakelijke markt bestemd waren, nu ook hun weg zullen vinden naar de consument. Andersom zullen audiovisuele bedrijven meer toepassingen ontwikkelen voor de zakelijke markt.
De wijze waarop de consument uiteindelijk gebruik zal maken van de nieuwe multimediatoepassingen is nog onzeker. De computer zal zeker daarin een centrale plaats vervullen, aangezien deze ontwikkeld is om digitale informatiestromen te verwerken. De toekomst van de televisie zoals wij die nu kennen is minder duidelijk. Deze zal zeker interactiever worden door video-on-demand en pay-tv, maar de vraag is of er wel meer geschikte toepassingen te verwachten zijn.

Rol van het Internet

Welke rol voor het Internet is weggelegd is niet duidelijk. De huidige Internet-technologie zal waarschijnlijk in de toekomst ontoereikend zijn, maar de snelheid waarmee binnen het Internet nieuwe toepassingen worden ontwikkeld, geïntroduceerd en geaccepteerd, maakt het wel tot een niet te onderschatten fenomeen. Bovendien is het Internet een netwerk met wereldwijde connectiviteit en met een grote openheid, terwijl andere initiatieven meestal nog een gesloten en regionaal karakter hebben. De vraag is of de grote partijen in de markt de huidige en toekomstige Internet-technieken zullen adopteren of dat zij zullen proberen hun eigen technieken tot standaard te verheffen. Wanneer de belangrijke spelers in de consumentenelectronica zoals Philips, Sony, en ook Microsoft een vinger in de pap van de elektronische dienstverlening krijgen, is het laatste niet ondenkbaar. Maar deze partijen zullen dan netwerken moeten creëren die qua omvang, verspreiding en functionaliteit met het Internet kunnen concurreren.
Laten we er van uitgaan dat ofwel het Internet populair blijft, ofwel er een alternatief voorhanden is. Er zijn dan een aantal grote problemen te verwachten op het gebied van capaciteit, kostenstructuur, op sociaal gebied en bij de organisatie.

Capaciteit en kosten

Een probleem dat de komende jaren opgelost zal moeten worden is de beperkte capaciteit van de netwerkvoorzieningen. Er spelen hier drie factoren een rol. De eerste is de verwachte groei van het aantal gebruikers. Deze is de afgelopen jaren ieder jaar verdubbeld en het is de verwachting dat dit de komende jaren ook zo zal zijn. De tweede factor is de toename in capaciteit van de lokale toegang per gebruiker. (Het Kabel-experiment bij de Landbouw Universiteit Wageningen heeft dit aangetoond.) Medio 1995 is 28.8 kbit/s ongeveer de maximale capaciteit via het telefoonnet en 2 mbit/s bij vaste verbindingen. Als alternatief voor een telefoonverbinding biedt isdn 64 kbit/s tot 128 kbit/s per gebruiker. Vaste verbindingen en verbindingen via de televisiekabel leveren snelheden op tot 4 mbit/s per gebruiker. De laatste factor is gelegen in de sterk in opkomst zijnde multimediatoepassingen. De integratie van beeld en geluid binnen het WorldWide Web is hiervan een duidelijk voorbeeld. Dergelijke toepassingen vragen een aanzienlijke hoeveelheid bandbreedte.
De drie genoemde factoren zorgen tezamen voor een groeiende behoefte aan Internet-netwerkcapaciteit. Een voorbeeld: het verkeer op het surfnet is de afgelopen jaren iedere negen maanden ongeveer verdubbeld. Momenteel bestaat het Internet voor het grootste deel uit ptt-verbindingen en worden alternatieve voorzieningen slechts op beperkte schaal toegepast. Het is zeker niet de techniek die hier de bottleneck van het capaciteitsprobleem is. Er liggen in Europa tientallen lange-afstandsverbindingen met glasvezels met zeer grote capaciteit. Alleen al tussen Frankrijk en Engeland zijn bij de realisatie van de kanaaltunnel glasvezelverbindingen met een capaciteit van honderden mbits/s gerealiseerd. Ook binnen de Europese landen worden op grote schaal glasvezelverbindingen gerealiseerd. In [Slaa, 1994] wordt beschreven hoe in een aantal Europese landen (België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk en Nederland) de overheid in de jaren tachtig de overheid de convergentie tussen de telematica- en de audiovisuele wereld in technische zin heeft gestimuleerd door innovatie en industriebeleid te sturen in de richting van een geïntegreerd breedbandnet. Een sterke druk van de overheid in deze richting heeft echter niet kunnen leiden tot een digitale snelweg. Al spoedig is men in gaan zien dat er ook een economische ondergrond nodig was om een digitale snelweg van de grond te krijgen. Daarom hebben de overheden tevens een liberaliserings- en privatiseringsbeleid opgezet dat tot op heden wordt doorgevoerd. Het heeft ook de overhand gekregen boven de sturing van technische innovatie.
Onder invloed van de vrije-marktwerking zullen de tarieven voor de benodigde ptt-voorzieningen in prijs gaan dalen, maar of deze daling gelijke tred zal houden met de verwachte behoefte is nog maar de vraag. De huidige ptt-tarieven zijn dusdanig dat grootschalige uitbouw van het Internet alleen met investeringen die factoren hoger liggen dan die momenteel gangbaar zijn, kan worden gerealiseerd. Het ligt dan ook voor de hand dat alternatieve voorzieningen gebruikt gaan worden.
Voor lokale toegang - de local loop - naar de gebruiker is op dit moment de televisiekabel een logische oplossing. Een onderzoek door het Massachusetts Institute of Technology (mit) in de Verenigde Staten toont aan dat de televisiekabel zowel technisch als commercieel te prevaleren is boven isdn [Gillet, 1995]. Men toont met dit onderzoek aan dat de kabel ten opzichte van isdn vier maal meer bandbreedte kan leveren tegen de helft van de kosten. Een bijkomstig positief aspect is dat het kabelnetwerk 95 procent van alle huishoudens in Nederland bereikt. Een kanttekening die hierbij gemaakt dient te worden is dat de meeste kabelnetwerken momenteel technisch nog niet zo geschikt zijn voor interactief verkeer en voor de grote bandbreedte. Er zal daarom nog enige tijd overheen gaan voordat alle huishoudens interactief via de kabel kunnen werken. Bovendien rijst de vraag of de kabelexploitanten de beschikbare bandbreedte in de nabije toekomst niet eerder zullen gebruiken voor meer televisiekanalen of traditionele telefonie dan voor interactieve diensten, omdat ze daarvan weten dat het aansluit bij een bestaande behoefte. Als dat zo is, dan kan de introductie van toegang tot de digitale snelweg thuis nog wel eens verder worden uitgesteld. De overheid zou hier een taak kunnen vervullen door onder andere een minimum aanbod van diensten te definiëren (zie ook de conclusie in [Slaa, 1994].
Technisch gezien is isdn van ptt Telecom een aardig alternatief. Het is net als de kabel overal te realiseren en biedt oplossingen die op dit moment al goed werken. Echter, de kosten van isdn zijn te hoog, zoals het bovengenoemde onderzoek van mit aantoont. Wanneer de ptt de kosten verlaagt zou isdn voor de nabije toekomst nog wel eens een populair middel voor toegang tot de digitale snelweg van dit moment, het Internet, kunnen worden.

Organisatie

Een zorg voor de toekomst van het Internet is de organisatie van het netwerk. De vraag is of deze schaalbaar is en werkbaar blijft als de commercialisering verder doorzet. Binnen de researchnetwerken en met (relatief) weinig gebruikers kunnen organisaties als de ietf en de Internet Society prima functioneren en een grote vooruitgang boeken. Maar op dit moment zijn al gebieden te ontdekken waar de invloed van deze organisaties tanende is. Op het gebied van de technieken voor het WorldWide Web is er binnen de ietf al nauwe- lijks meer consensus te bereiken. De taken leken te worden overgenomen door het w3 Consortium maar ook daar is al een kentering waar te nemen. Oorzaak: er spelen commerciële belangen een rol en teveel mensen bemoeien zich ermee.
Of het Internet aan de huidige organisatiestructuur ten onder gaat is niet te zeggen, maar duidelijk is dat er voor de digitale snelweg van de toekomst op sommige punten een strakkere organisatie nodig zal zijn. Een door een enkele partij opgelegde structuur (Microsoft, Sony, Philips, ...) heeft dàt natuurlijk mee, maar heeft weer tegen dat de flexibiliteit van het netwerk veel geringer zal zijn. Er zal een middenweg gevonden moeten worden, waarbij de uitgangspunten die hebben geleid tot het huidige succes van het Internet, hopelijk gerespecteerd blijven.

Sociaal

Exploitanten van netwerken en de overheden stellen zich tot doel om door middel van de digitale snelweg zoveel mogelijk mensen te bereiken. De overheden hebben hiervoor al aanbevelingen gedaan. De Sociaal Economische Raad produceerde in 1988 al een wensenlijst voor het ontwikkelen van nieuwe diensten [Bekkers, 1994, pp. 68-69].
De Amerikaanse overheid heeft in februari 1995 de 'Government Information Locator Service', gils gedefinieerd. Als doel wordt omschreven: 'As part of the Federal role in the National Information Infrastructure, gils will identify and describe information resources throughout the Federal government, and provide assistance in obtaining the information. gils supplements other government and commercial information dissemination mechanisms, and uses international standards for information search and retrieval so that information can be retrieved in a variety of ways'.
Maar de vraag blijft of iedereen wel bereikt wil en kan worden via de digitale snelweg. Op dit moment zijn er mensen die zich laten informeren via de bestaande media zoals kranten, tijdschriften, televisie of bibliotheek maar er zijn ook mensen die de behoefte daartoe veel minder hebben. De digitale snelweg zal voor de eerste groep wellicht een gemakkelijker toegang tot de gewenste informatie bieden, maar voor de tweede groep weinig toevoegen (voor wat betreft de informatievoorziening tenminste, wellicht wel als middel voor recreatie). Het is dan ook niet vreemd dat velen verwachten dat de digitale snelweg de kloof tussen de info-haves en de info-have-nots zal vergroten. Daarbij worden beelden opgeroepen waarin de info-haves een luxe virtuele dimensie aan hun leven toevoegen en de info-have-nots in reële getto's elkaar naar het leven staan. Gedeeltelijk loodrecht daarop staat het beeld van de informatievoorziening die steeds minder van bovenaf komt en dus dichter bij de mensen staat. Het beeld van de tweedeling info-haves en info-have-nots ontstaat immers doordat we uitgaan van bestaande informatiestromen via nieuwe technologieën. Als die nieuwe technologieën nu ook eens een verandering in de informatiestromen tot gevolg hebben, waardoor informatie zoals in vroegere tijden veel meer van mond tot mond - van beeldscherm tot beeldscherm - gaat, dan zou de betrokkenheid van de ver- meende info-have-nots wel eens veel groter kunnen zijn dan we denken. In [Bekkers, 1994] constateert de Tilburgse bestuurskundige dr P. Frissen dat ook de overheden zich veel minder van bovenaf moeten profileren met de komst van de digitale snelweg: 'minder verticaal en piramidaal en meer horizontaal, als een archipel'. Hij constateert dat dit een kans is voor de overheden die door de nieuwe technieken wordt aangereikt. Een kans om meer mensen te bereiken dan nu het geval is.
Dat begrippen als afstand, tijd en cultuur altijd al iets virtueels hebben gehad, wordt door het Internet inzichtelijk. Virtualiteit blijkt echter voor veel individuen iets onwerkelijks en wordt daarom, misschien onbewust, buiten hun eigen realiteit gehouden. De drempel om kennis te nemen van nieuwe ontwikkelingen wordt daardoor zeker niet lager.

De invloed van de digitale snelweg van de toekomst en het Internet moet echter niet overschat worden. Ongetwijfeld zal het een handig hulpmiddel blijken en ons leven in een aantal opzichten doen veranderen. Bijvoorbeeld de manier waarop we communiceren en, inderdaad, toegang krijgen tot informatie, of zelfs de manier waarop we ons werk doen (meer thuiswerken, free-lance, en dergelijke), maar we moeten een netwerk zoals het Internet in het perspectief van de realiteit blijven zien. Het zal niet overal voor gebruikt gaan worden. Persoonlijk, menselijk contact zal niet worden verdrongen door virtueel contact via een netwerk. Een netwerk zal wel kunnen bijdragen aan het ontmoeten van geloofsgenoten en gelijkgestemden. Een virtueel bezoek aan een museum is aardig om een overzicht te krijgen van wat er te zien is, maar het zal niet het werkelijke contact met een kunstwerk kunnen vervangen. Een virtueel schilderij is geen schilderij, zoals een pijp op een schilderij geen pijp is, zo leerde ons René Magritte. Misschien zal niet iedereen zich dit in den beginne realiseren, maar op den duur zal toch blijken dat de gebruiker niet deel uitmaakt van het netwerk, maar er in werkelijkheid buiten staat. Het netwerk zal dan tot zijn normale proporties zijn teruggebracht: een handig hulpmiddel voor communicatie en informatie. Digitale liefdes zullen surrogaat blijken te zijn en het verlangen naar échte liefdes versterken. Het netwerk hooguit als liefdesmakelaar of als medium om echte liefdes in stand te houden. Er zal niet veel nieuws onder de zon blijken te zijn.
Indien het Internet rond het jaar 2000 meer dan honderd miljoen gebruikers heeft zal het echter ook te maken krijgen met negatieve zaken. Momenteel wordt de regelgeving van overheden en de kostbare voorzieningen van ptt's als factoren gezien die de groei van het Internet belemmeren. Het Internet zal zich, op het moment dat het een echte economische kracht vertegenwoordigt, moeten voorbereiden op veel extremere bedreigingen. Er zijn namelijk altijd partijen die ten koste van anderen de wereld willen veranderen. De komst van digitale terroristen is een kwestie van tijd. De klassieke hacker zal daarna wel eens omschreven kunnen worden als een digitale landloper van de jaren tachtig en negentig.

Afsluitend

Het Internet geeft een reëel beeld van hoe digitale snelwegen er in de toekomst uit kunnen gaan zien. Het biedt nu mogelijkheden die nog maar enkele jaren geleden door vele experts als niet haalbaar werden omschreven. Er zijn voldoende signalen dat de wereld snel verandert. Een ervan is de wet van Moore, medeoprichter van de Intel Corporation, die luidt dat elke 18 maanden de rekenkracht en opslagcapaciteit van computers verdubbelt. Een ander is de verwachting dat er volgens The Economist voor privégebruik wereldwijd in 1995 vijftien miljoen pc's zullen worden verkocht.
De kracht van het Internet is de mogelijkheid om een persoon zijn individualiteit en creativiteit te laten behouden. De openheid en interactiviteit maken het Internet tot een plaats waar personen nieuwe gemeenschappen kunnen vormen, die tezamen komen op marktpleinen van de global village. Voor miljoenen mensen is dit in 1995 al de realiteit. Les belles réalités (zie omslag van dit boek) van het jaar 2000 zullen zijn dat met verbazing teruggekeken zal worden naar die van 1995.

Meer informatie:

gils:
http://info.er.usgs.gov/public/gils/intro.html

The Economist:
http://www.economist.com/intro.htm

De schilderijen van René Magritte zijn te zien op:
http://heiwww.unique.ch/art/magritte/

Terug Deel 2 Inhoud