
Rol van het Internet
Welke rol voor het Internet is weggelegd is niet duidelijk. De huidige
Internet-technologie zal waarschijnlijk in de toekomst ontoereikend zijn, maar
de snelheid waarmee binnen het Internet nieuwe toepassingen worden ontwikkeld,
geïntroduceerd en geaccepteerd, maakt het wel tot een niet te
onderschatten fenomeen. Bovendien is het Internet een netwerk met wereldwijde
connectiviteit en met een grote openheid, terwijl andere initiatieven meestal
nog een gesloten en regionaal karakter hebben. De vraag is of de grote partijen
in de markt de huidige en toekomstige Internet-technieken zullen adopteren of
dat zij zullen proberen hun eigen technieken tot standaard te verheffen.
Wanneer de belangrijke spelers in de consumentenelectronica zoals Philips,
Sony, en ook Microsoft een vinger in de pap van de elektronische
dienstverlening krijgen, is het laatste niet ondenkbaar. Maar deze partijen
zullen dan netwerken moeten creëren die qua omvang, verspreiding en
functionaliteit met het Internet kunnen concurreren.
Laten we er van uitgaan dat ofwel het Internet populair blijft, ofwel er een
alternatief voorhanden is. Er zijn dan een aantal grote problemen te verwachten
op het gebied van capaciteit, kostenstructuur, op sociaal gebied en bij de
organisatie.
Capaciteit en kosten
Een probleem dat de komende jaren opgelost zal moeten worden is de beperkte
capaciteit van de netwerkvoorzieningen. Er spelen hier drie factoren een rol.
De eerste is de verwachte groei van het aantal gebruikers. Deze is
de afgelopen
jaren ieder jaar verdubbeld en het is de verwachting dat dit de komende jaren
ook zo zal zijn. De tweede factor is de toename in capaciteit van
de lokale toegang per gebruiker. (Het Kabel-experiment bij de Landbouw Universiteit Wageningen heeft dit aangetoond.) Medio 1995 is 28.8 kbit/s ongeveer de maximale
capaciteit via het telefoonnet en 2 mbit/s bij vaste verbindingen. Als
alternatief voor een telefoonverbinding biedt isdn 64 kbit/s tot 128 kbit/s per
gebruiker. Vaste verbindingen en verbindingen via de televisiekabel leveren
snelheden op tot 4 mbit/s per gebruiker. De laatste factor is
gelegen in de sterk in opkomst zijnde multimediatoepassingen. De integratie van
beeld en geluid binnen het WorldWide Web is hiervan een duidelijk voorbeeld.
Dergelijke toepassingen vragen een aanzienlijke hoeveelheid bandbreedte.
De drie genoemde factoren zorgen tezamen voor een groeiende
behoefte aan
Internet-netwerkcapaciteit. Een voorbeeld: het verkeer op het surfnet is de
afgelopen jaren iedere negen maanden ongeveer verdubbeld.
Momenteel bestaat het Internet voor het grootste deel uit
ptt-verbindingen en
worden alternatieve voorzieningen slechts op beperkte schaal
toegepast. Het is zeker niet de techniek die hier de bottleneck
van het capaciteitsprobleem is. Er liggen in Europa tientallen
lange-afstandsverbindingen met glasvezels met zeer grote capaciteit. Alleen al
tussen Frankrijk en Engeland zijn bij de realisatie van de kanaaltunnel
glasvezelverbindingen met een capaciteit van honderden mbits/s gerealiseerd.
Ook binnen de Europese landen worden op grote schaal glasvezelverbindingen
gerealiseerd. In [Slaa, 1994] wordt beschreven hoe in een aantal Europese
landen (België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk en Nederland)
de overheid in de jaren tachtig de overheid de convergentie tussen de
telematica- en de audiovisuele wereld in technische zin heeft gestimuleerd door
innovatie en industriebeleid te sturen in de richting van een geïntegreerd
breedbandnet. Een sterke druk van de overheid in deze richting heeft echter
niet kunnen leiden tot een digitale snelweg. Al spoedig is men in gaan zien dat
er ook een economische ondergrond nodig was om een digitale snelweg van de
grond te krijgen. Daarom hebben de overheden tevens een liberaliserings- en
privatiseringsbeleid opgezet dat tot op heden wordt doorgevoerd. Het heeft ook
de overhand gekregen boven de sturing van technische innovatie.
Onder invloed van de vrije-marktwerking zullen de tarieven voor de benodigde
ptt-voorzieningen in prijs gaan dalen, maar of deze daling gelijke tred zal
houden met de verwachte behoefte is nog maar de vraag. De huidige ptt-tarieven
zijn dusdanig dat grootschalige uitbouw van het Internet alleen met
investeringen die factoren hoger liggen dan die momenteel gangbaar zijn, kan
worden gerealiseerd. Het ligt dan ook voor de hand dat alternatieve
voorzieningen gebruikt gaan worden.
Voor lokale toegang - de local loop - naar de gebruiker is op dit moment de
televisiekabel een logische oplossing. Een onderzoek door het Massachusetts
Institute of Technology (mit) in de Verenigde Staten toont aan dat de
televisiekabel zowel technisch als commercieel te prevaleren is boven isdn
[Gillet, 1995]. Men toont met dit onderzoek aan dat de kabel ten opzichte van
isdn vier maal meer bandbreedte kan leveren tegen de helft van de kosten. Een
bijkomstig positief aspect is dat het kabelnetwerk 95 procent van alle
huishoudens in Nederland bereikt. Een kanttekening die hierbij gemaakt dient te
worden is dat de meeste kabelnetwerken momenteel technisch nog niet zo geschikt
zijn voor interactief verkeer en voor de grote bandbreedte. Er zal daarom nog
enige tijd overheen gaan voordat alle huishoudens interactief via de kabel
kunnen werken. Bovendien rijst de vraag of de kabelexploitanten de beschikbare
bandbreedte in de nabije toekomst niet eerder zullen gebruiken voor meer
televisiekanalen of traditionele telefonie dan voor interactieve diensten,
omdat ze daarvan weten dat het aansluit bij een bestaande behoefte. Als dat zo
is, dan kan de introductie van toegang tot de digitale snelweg thuis nog wel
eens verder worden uitgesteld. De overheid zou hier een taak kunnen vervullen
door onder andere een minimum aanbod van diensten te definiëren (zie ook
de conclusie in [Slaa, 1994].
Technisch gezien is isdn van ptt Telecom een aardig alternatief. Het is net
als de kabel overal te realiseren en biedt oplossingen die op dit moment al
goed werken. Echter, de kosten van isdn zijn te hoog, zoals het bovengenoemde
onderzoek van mit aantoont. Wanneer de ptt de kosten verlaagt zou isdn voor de
nabije toekomst nog wel eens een populair middel voor toegang tot de digitale
snelweg van dit moment, het Internet, kunnen worden.
Organisatie
Een zorg voor de toekomst van het Internet is de organisatie van het netwerk.
De vraag is of deze schaalbaar is en werkbaar blijft als de commercialisering
verder doorzet. Binnen de researchnetwerken en met (relatief) weinig gebruikers
kunnen organisaties als de ietf en de Internet Society prima functioneren en
een grote vooruitgang boeken. Maar op dit moment zijn al gebieden te ontdekken
waar de invloed van deze organisaties tanende is. Op het gebied van de
technieken voor het WorldWide Web is er binnen de ietf al nauwe- lijks meer
consensus te bereiken. De taken leken te worden overgenomen door het w3
Consortium maar ook daar is al een kentering waar te nemen. Oorzaak: er spelen
commerciële belangen een rol en teveel mensen bemoeien zich ermee.
Of het Internet aan de huidige organisatiestructuur ten onder gaat is niet te
zeggen, maar duidelijk is dat er voor de digitale snelweg van de toekomst op
sommige punten een strakkere organisatie nodig zal zijn. Een door een enkele
partij opgelegde structuur (Microsoft, Sony, Philips, ...) heeft dàt
natuurlijk mee, maar heeft weer tegen dat de flexibiliteit van het netwerk veel
geringer zal zijn. Er zal een middenweg gevonden moeten worden, waarbij de
uitgangspunten die hebben geleid tot het huidige succes van het Internet,
hopelijk gerespecteerd blijven.
Sociaal
Exploitanten van netwerken en de overheden stellen zich tot doel om door middel
van de digitale snelweg zoveel mogelijk mensen te bereiken. De overheden hebben
hiervoor al aanbevelingen gedaan. De Sociaal Economische Raad produceerde in
1988 al een wensenlijst voor het ontwikkelen van nieuwe diensten [Bekkers,
1994, pp. 68-69].
De Amerikaanse overheid heeft in februari 1995 de 'Government Information
Locator Service', gils gedefinieerd. Als doel wordt omschreven: 'As part of the
Federal role in the National Information Infrastructure, gils will identify and
describe information resources throughout the Federal government, and provide
assistance in obtaining the information. gils supplements other government and
commercial information dissemination mechanisms, and uses international
standards for information search and retrieval so that information can be
retrieved in a variety of ways'.
Maar de vraag blijft of iedereen wel bereikt wil en kan worden via de digitale
snelweg. Op dit moment zijn er mensen die zich laten informeren via de
bestaande media zoals kranten, tijdschriften, televisie of bibliotheek maar er
zijn ook mensen die de behoefte daartoe veel minder hebben. De digitale snelweg
zal voor de eerste groep wellicht een gemakkelijker toegang tot de gewenste
informatie bieden, maar voor de tweede groep weinig toevoegen (voor wat betreft
de informatievoorziening tenminste, wellicht wel als middel voor recreatie).
Het is dan ook niet vreemd dat velen verwachten dat de digitale snelweg de
kloof tussen de info-haves en de info-have-nots zal vergroten. Daarbij worden
beelden opgeroepen waarin de info-haves een luxe virtuele dimensie aan hun
leven toevoegen en de info-have-nots in reële getto's elkaar naar het
leven staan. Gedeeltelijk loodrecht daarop staat het beeld van de
informatievoorziening die steeds minder van bovenaf komt en dus dichter bij de
mensen staat. Het beeld van de tweedeling info-haves en info-have-nots ontstaat
immers doordat we uitgaan van bestaande informatiestromen via nieuwe
technologieën. Als die nieuwe technologieën nu ook eens een
verandering in de informatiestromen tot gevolg hebben, waardoor informatie
zoals in vroegere tijden veel meer van mond tot mond - van beeldscherm tot
beeldscherm - gaat, dan zou de betrokkenheid van de ver- meende info-have-nots
wel eens veel groter kunnen zijn dan we denken. In [Bekkers, 1994] constateert
de Tilburgse bestuurskundige dr P. Frissen dat ook de overheden zich veel
minder van bovenaf moeten profileren met de komst van de digitale snelweg:
'minder verticaal en piramidaal en meer horizontaal, als een archipel'. Hij
constateert dat dit een kans is voor de overheden die door de nieuwe technieken
wordt aangereikt. Een kans om meer mensen te bereiken dan nu het geval is.
Dat begrippen als afstand, tijd en cultuur altijd al iets virtueels hebben
gehad, wordt door het Internet inzichtelijk. Virtualiteit blijkt echter voor
veel individuen iets onwerkelijks en wordt daarom, misschien onbewust, buiten
hun eigen realiteit gehouden. De drempel om kennis te nemen van nieuwe
ontwikkelingen wordt daardoor zeker niet lager.
De invloed van de digitale snelweg van de toekomst en het Internet moet echter
niet overschat worden. Ongetwijfeld zal het een handig hulpmiddel blijken en
ons leven in een aantal opzichten doen veranderen. Bijvoorbeeld de manier
waarop we communiceren en, inderdaad, toegang krijgen tot informatie, of zelfs
de manier waarop we ons werk doen (meer thuiswerken, free-lance, en
dergelijke), maar we moeten een netwerk zoals het Internet in het perspectief
van de realiteit blijven zien. Het zal niet overal voor gebruikt gaan worden.
Persoonlijk, menselijk contact zal niet worden verdrongen door virtueel contact
via een netwerk. Een netwerk zal wel kunnen bijdragen aan het ontmoeten van
geloofsgenoten en gelijkgestemden. Een virtueel bezoek aan een museum is aardig
om een overzicht te krijgen van wat er te zien is, maar het zal niet het
werkelijke contact met een kunstwerk kunnen vervangen. Een virtueel schilderij
is geen schilderij, zoals een pijp op een schilderij geen pijp is, zo leerde
ons René Magritte. Misschien zal niet iedereen zich dit in den beginne
realiseren, maar op den duur zal toch blijken dat de gebruiker niet deel
uitmaakt van het netwerk, maar er in werkelijkheid buiten staat. Het netwerk
zal dan tot zijn normale proporties zijn teruggebracht: een handig hulpmiddel
voor communicatie en informatie. Digitale liefdes zullen surrogaat blijken te
zijn en het verlangen naar échte liefdes versterken. Het netwerk hooguit
als liefdesmakelaar of als medium om echte liefdes in stand te houden. Er zal
niet veel nieuws onder de zon blijken te zijn.
Indien het Internet rond het jaar 2000 meer dan honderd miljoen gebruikers
heeft zal het echter ook te maken krijgen met negatieve zaken. Momenteel wordt
de regelgeving van overheden en de kostbare voorzieningen van ptt's als
factoren gezien die de groei van het Internet belemmeren. Het Internet zal
zich, op het moment dat het een echte economische kracht vertegenwoordigt,
moeten voorbereiden op veel extremere bedreigingen. Er zijn namelijk altijd
partijen die ten koste van anderen de wereld willen veranderen. De komst van
digitale terroristen is een kwestie van tijd. De klassieke hacker zal daarna
wel eens omschreven kunnen worden als een digitale landloper van de jaren
tachtig en negentig.
Afsluitend
Het Internet geeft een reëel beeld van hoe digitale snelwegen er in de
toekomst uit kunnen gaan zien. Het biedt nu mogelijkheden die nog maar enkele
jaren geleden door vele experts als niet haalbaar werden omschreven. Er zijn
voldoende signalen dat de wereld snel verandert. Een ervan is de wet van Moore,
medeoprichter van de Intel Corporation, die luidt dat elke 18 maanden de
rekenkracht en opslagcapaciteit van computers verdubbelt. Een ander is de
verwachting dat er volgens The Economist voor privégebruik wereldwijd in
1995 vijftien miljoen pc's zullen worden verkocht.
De kracht van het Internet is de mogelijkheid om een persoon zijn
individualiteit en creativiteit te laten behouden. De openheid en
interactiviteit maken het Internet tot een plaats waar personen nieuwe
gemeenschappen kunnen vormen, die tezamen komen op marktpleinen van de global
village. Voor miljoenen mensen is dit in 1995 al de realiteit. Les
belles réalités (zie omslag van dit boek) van het jaar 2000
zullen zijn dat met verbazing teruggekeken zal worden naar die van 1995.
Meer informatie:
gils:
http://info.er.usgs.gov/public/gils/intro.html
The Economist:
http://www.economist.com/intro.htm
De schilderijen van René Magritte zijn te zien op:
http://heiwww.unique.ch/art/magritte/