Cryptografie

Het toepassen van cryptografie, voor het beveiligen van telematica toepassingen, is nationaal en zeker internationaal slecht geregeld, in die zin dat organisaties die dit willen gebruiken nauwelijks kunnen achterhalen wat wel en wat niet is toegestaan. Im- en exportcriteria zijn vaak moeilijk te doorgronden en stammen meestal nog uit de tijd dat de digitale snelweg niet veel meer dat een 'digitaal karrepad' was. Op het Internet komt echter steeds meer informatie over deze materie on-line en dat maakt het voor betrokkenen in ieder geval eenvoudiger om er kennis van te nemen en er eventueel tegen te ageren.
Door middel van wet- en regelgeving inzake cryptografie bij computers en netwerken willen overheden controle blijven uitoefenen over het reilen en zeilen van de burger. Deze controle wordt bij traditionele communicatiemiddelen, zoals het postverkeer, ook al uitgevoerd en dat is bij wet geregeld. Zo is er de mogelijkheid om het briefgeheim te schenden en kunnen indien gewenst telefoongesprekken worden afgetapt. Uiteraard zijn deze mogelijkheden terecht aan strenge voorwaarden gebonden.
Het gebruik van cryptografie met behulp van computers stelt de overheid nu voor een 'nieuw' probleem. Hoe kan men, indien men bijvoorbeeld staatsgevaarlijke activiteiten op het spoor is, gegevens ontcijferen, of met andere woorden, hoe komt men in het bezit van de sleutel? Het probleem is hier vele malen groter dan bij traditioneel postverkeer, aangezien dit slechts beschermd wordt door een envelop. Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is dat de wetgevers de vercijferingssleutel opeist (indien men tenminste de persoon kent die de gegevens heeft vercijferd). De tweede is door de vercijferde gegevens te gaan analyseren. In de praktijk betekent deze laatste optie dat men met bruut geweld (brut force), een krachtige computer, vercijferde gegevens probeert te ontcijferen. Beide methodes zijn niet eenvoudig uit te voeren en leiden zeker niet altijd tot succes.

Internationale wet- en regelgeving op dit vlak is er niet of nauwelijks en binnen het Internet wordt er over het algemeen gekozen voor een pragmatische, in plaats van een formele aanpak.
Ook nationale initiatieven van overheden komen maar moeizaam van de grond. In 1993 werd het Clipper-initiatief in de Verenigde Staten als standaardoplossing voor het beveiligen van gegevens door de overheid aangedragen. Het werd echter met scepsis ontvangen (Blaze, 1994). In de voormalige Sovjet-Unie stelde Jeltsin op 3 april 1995 per decreet met als titel 'On the measures of law enforcement in design, production, implementation and use of encrypting tools, and also in offering services of information encyption' (Rossijskaja Gazeta, 1995), dat ongeveer 'alles', mits niet expliciet goedgekeurd, verboden is. Igor V. Semenyuk noemde het decreet in een internationale elektronische discussiegroep over beveiliging 'the worst re-incarnation of Clipper case'. In Frankrijk kiest men nog steeds voor een recht-toe-recht-aan oplossing. Het gebruik van cryptografie is daar bij wet verboden, alleen in uitzonderingsgevallen zoals voor bancaire transacties is het gebruik toegestaan.

In Nederland leverde in 1994 een voorontwerp van 'de Wet op Cryptografie' een storm van protest op. Vanuit de juridische hoek stelde prof. Corien Prins: 'De overheid gaat bij het voorontwerp uit van een zeer negatief vijandsbeeld'. Richard de Mulder, hoogleraar te Rotterdam, over de haalbaarheid: 'In het wetsontwerp cryptografie is het hebben van een programma voor encryptie of decryptie in een bruikbare vorm verboden. Dit is vragen om overtreding, handhaving zal nooit lukken' (Geerlings, 1994).
De overheid stelde voor om een 'centraal beheerorgaan' in te richten waar alle toegepaste vercijferingssleutels dienen te worden ingeleverd en opgeslagen. De overheid als goede herder, een mooi ideaalbeeld, maar helaas ver buiten de realiteit. Internationaal opererende banken, multinationals, belangengroeperingen zoals Greenpeace en Amnesty International zullen nooit hun bestaan afhankelijk laten zijn van de integriteit van een externe partij.

Dergelijke wetsvoorstellen lijken soms ook niet geheel consistent met reeds bestaande wetten op dit punt. De Wet Computer Criminaliteit (1993) eist van een houder van een informatiesysteem dat dit voorzien is van een minimale beveiliging en de Wet op de Persoonsregistratie (WPR, 1989) eist een adequaat beveiligingniveau. Voor beide kan worden gesteld dat het gebruik van vercijferingstechnieken het enige afdoende hulpmiddel is om je echt veilig te voelen. Een stimulerend beleid ten aanzien van het gebruik van vercijferingstechnieken zou beter aansluiten bij deze wetgeving.

Recht op privacy

Wetsvoorstellen als hiervoor beschreven weerspiegelen niet de enige verschijnselen binnen het Internet die mensen zorgen baren. In de Verenigde Staten is op 14 juni 1995 door de senaat een amendement gegekeurd met als titel 'The Communications Decency Act of 1995' (Amendment No. 1362). Als doel wordt omschreven: 'To provide protections against harrassment, obscenity and indecency to minors by means of telecommunications devices'. In dit amendement wordt onder andere voorgesteld om iedereen die op een of andere manier betrokken is bij het ontsluiten van 'obscene informatie' strafbaar te stellen. Dit betekent dat een Internetaanbieder gestraft kan worden indien via zijn netwerk obscene informatie wordt verspreid. Consequentie hiervan zou kunnen zijn dat een Internetprovider informatiestromen moet gaan bestuderen, om dergelijke berichten te onderscheppen. Het recht op privacy van de gebruikers komt hierdoor direct in gevaar.
De reactie van Internetactivisten, onder leiding van de Electronic Frontier Foundation, was dat er in het amendement op geen enkele wijze werd duidelijk gemaakt hoe die bescherming zou moeten worden gerealiseerd, met als gevolg dat de vrijheid van menigsuiting hierdoor in gevaar zou kunnen komen.
Een Nederlandse variant van de EFF is de in juni 1994 opgerichte Digitale Burgerbeweging Nederland. Deze profileert zich als volgt: 'Informatie- en communicatietechnologie biedt de samenleving kansen. De Digitale Burgerbeweging Nederland wil die kansen grijpen en de dreigingen tegengaan'. Een van hun acties betroft het ageren tegen de verkoop van Kabeltelevisie Amsterdam (KTA) aan US West en Philips. Eén van de gevoeligheden lag ook op het punt van censuur. Het Parool van 21 juni 1995 daarover: 'Het is onduidelijk of de koper US West zich moet houden aan de Amerikaanse wetgeving, en dus aan de zojuist aangenomen Communications Decency Act, die censuur pleegt op het Internet. Als dat laatste het geval is, mag niet aan US West verkocht worden'. De verkoop is begin juli 1995 afgerond en hoewel de auteurs van dit boek geen juristen zijn, lijkt het hun zeer onwaarschijnlijk dat er zich Amerikaanse taferelen in Amsterdam zullen gaan afspelen.

Het privacy aspect komt soms op onverwachte momenten naar voren. Bijvoorbeeld bij het gebruik van WWW. Het populaire netsurfen met WWW-clients gaat in de praktijk niet zo anoniem als menig gebruiker denkt. Er wordt namelijk door sommige servers bij elke WWW-pagina die wordt geraadpleegd een aantal kenmerken van de gebruiker geregistreerd. Deze informatie, waarvan in tabel 9 een voorbeeld is weergegeven, kan zeer bruikbaar zijn voor marketingdoeleinden. Zo wordt precies weergegeven vanaf welke werkplek 'duoez.surfnet.nl' en met welke hard- en software 'Mozilla/1.1N (Macintosh; I; 68K)' een gebruiker informatie heeft geraadpleegd.

Tabel 9: Registratie van gebruik


GATEWAY_INTERFACE:CGI/1.1

HTTPS:OFF
HTTP_ACCEPT:*/*, image/gif, image/x-xbitmap, image/jpeg HTTP_USER_AGENT:Mozilla/1.1N (Macintosh; I; 68K) PATH:/usr/sbin:/usr/bin REMOTE_ADDR:192.87.108.62 REMOTE_HOST:duoez.surfnet.nl REQUEST_METHOD:GET SCRIPT_NAME:/cgi-bin/printenv SERVER_NAME:www.uiuc.edu SERVER_PORT:80 SERVER_PROTOCOL:HTTP/1.0 SERVER_SOFTWARE:Netscape-Commerce/1.1b2 SERVER_URL:http://www.uiuc.edu TZ:US/Central

Tabel 9 is het resultaat van raadplegen via http://www.uiuc.edu/cgi-bin/printenv.

Terug Hoofdstuk 12 Inhoud