Peering in de Verenigde Staten

Sinds het verdwijnen van de NSFNet-backbone op 1 mei 1995, is de situatie op het vlak van 'peering' gewijzigd. In plaats van één Internetbackbone, leveren nu meerdere leveranciers een panamerikaans netwerk. Een klant wordt via een Network Access Point (NAP) van een van deze Internetaanbieders gekoppeld aan het Internet. Door het beperkte aantal panamerikaanse Internetaanbieders is het relatief eenvoudig om financiële en QOS afspraken te maken over transitverkeer. De Verenigde Staten heeft door deze actie duidelijk een voorsprong genomen op Europa, aangezien het waarschijnlijk nog wel enige jaren zal duren voordat een vergelijkbare structuur in Europa beschikbaar is. Er zijn echter duidelijke signalen dat de grote telecombedrijven ook in Europa actief gaan worden op Internetgebied. BT & MCI en Unisource & AT&T hebben namelijk medio 1995 concrete acties ondernomen om paneuropese Internetdiensten te gaan leveren.

Commerciële transacties op het Internet

Veel meer geld dan in het leveren van netwerkdiensten zal er in de toekomst omgaan in de commerciële transacties die op het Internet plaatsvinden. De komst van banken op het Internet die digitaal betalingsverkeer mogelijk maken, zal hiervoor zorgen.
Informatie-aanbiedes en -makelaars kunnen dan tarieven verbinden aan de diensten die zij nu gratis bieden of nog niet bieden. De gebruikers betalen dan direct bij het opvragen van de informatie. De vraag is echter aan welke typen diensten een tarief verbonden moet worden en hoe hoog die dan moet zijn. Digitaal beschikbaar gestelde informatie heeft de eigenschap dat het zeer gemakkelijk te kopiëren is. Wie een persoon kent die al over bepaalde informatie beschikt, kan deze vragen om een kopie ervan te sturen. Zo'n kopie is dan niet van het origineel te onderscheiden. Wie informatie op het Internet beschikbaar stelt dient hiermee rekening houden. Een oplossing om toch iets aan beschikbaar gestelde informatie te verdienen is om er relatief lage bedragen voor te vragen. Een gebruiker zal bij een laag tarief minder snel op zoek gaan naar een goedkoper alternatief, aangezien tijd ook uitgedrukt kan worden in geld. De algemene verwachting is dat het bij transacties met betrekking tot digitaal opgeslagen informatie om kleine bedragen zal gaan. Maar dit zal niet voor alle informatie rendabel blijken te zijn. Informatie met een beperkt afzetgebied zal wellicht niet voldoende inkomsten genereren om de minimale kosten, de kosten van het beschikbaar stellen, te kunnen dekken. De oplossing hiervoor is dat dit soort informatie als bijprodukt van rendabele dienstverlening beschikbaar wordt gesteld.
Informatiemakelaars hebben het gemakkelijker. Het type dienst dat zij leveren - het in kaart brengen van de informatie op het Internet en het bieden van zoekmogelijkheden - zijn in het algemeen niet te kopiëren en zij hebben daardoor minder beperkingen bij het tariferen van hun diensten. De kracht van dit type dienstverleners zal moeten liggen op snelheid, exactheid en volledigheid. Snelheid omdat een zoekopdracht vaak on-line wordt gegeven en men liefst direct het antwoord heeft. Exactheid betekent dat een gebruiker bij voorkeur alleen die informatie krijgt waar hij om gevraagd heeft. Volledigheid spreekt voor zich, maar in het steeds groter wordende aanbod zal dit er niet eenvoudig te realiseren zijn.
Voor de banken geldt dat zij betalingsmechanismen moeten bedenken met geringe transactiekosten. Wanneer de transactiekosten hoog zijn is het voor informatieaanbieders en -makelaars namelijk onmogelijk om de kosten voor informatie zo laag te houden als hierboven is aangegeven. Lage transactiekosten zijn te bereiken als een hoge mate van automatisering mogelijk is. Die lijkt te zijn gevonden in het systeem van de digitale handtekening (zie deel II-7). Waar een fysieke credit card hoge transactiekosten met zich meebrengt, omdat een met pen geschreven handtekening moet worden gecontroleerd, kan een digitale versie van de credit card met lage transactiekosten toe, omdat een digitale handtekening automatisch kan worden gecontroleerd. Hoewel het totale systeem technisch complexer is, zijn de transactiekosten door de vergaande vorm van automatisering lager. In 1995 zijn verschillende manieren van digitaal bankieren op het Internet beschikbaar (zie deel II-6).
Niet alle informatie op het Internet zal voor een gebruiker geld gaan kosten. Veel informatie zal wegens een duidelijke marketingwaarde gratis beschikbaar zijn. Ook zal software in de toekomst vaker gratis of voor een gering bedrag beschikbaar komen. Geld wordt dan verdiend met bijbehorende support. In de economie wordt zo'n 'bijkomstige' bron van inkomsten een 'externality' genoemd. Daarvan zijn nu ook al enkele voorbeelden aan te wijzen. Zo kan een boek elektronisch beschikbaar worden gesteld via het WorldWide Web. Omdat deze vorm van publikatie zich in het algemeen niet leent om het als geheel te printen en daarna te gaan lezen, maar alleen om het eens 'in te kijken', zou men dit gratis kunnen doen. De verwachting is dan dat meer mensen, na het kennisnemen van de on line versie, zullen overwegen om een fysiek exemplaar van het boek te bestellen. Het fysieke boek kan dan als een 'externality' worden gezien.

Nieuwe technologie op het Internet: network externalities

Bij de introductie van nieuwe technologie op het Internet blijkt vaak dat de organisatie die het beschikbaar stelt de specificaties publiek maakt, bijvoorbeeld via de IETF, en ook de produkten die ermee werken niet te duur maakt of zelfs gratis beschikbaar stelt. Men kan zich afvragen wat daarbij de drijfveer is van zo'n organisatie. In feite speelt hier weer het principe van de 'network externalities' een rol: de waarde van een goed neemt toe als meer mensen het gebruiken. Dit principe wordt vaak toegepast op produkten die een nieuwe technologie hebben geïmplementeerd. In het begin zullen weinig gebruikers beschikken over produkten met deze nieuwe technologie en is het gebruik ervan, met name als het om communicatiediensten gaat, weinig interessant. Pas als veel gebruikers en dienstenaanbieders een nieuwe technologie gebruiken zullen gebruikers het op waarde inschatten en bereid zijn ervoor te betalen.
Een organisatie die een monopoliepositie heeft met een bepaalde nieuwe techniek zal zoveel mogelijk produkten die van deze techniek gebruik maken willen verkopen. De beste strategie hiervoor is om zowel de technische specificaties vrij te geven, als in het begin de produkten voor een lage prijs te verkopen [zie Cabral, Salant, et al., 1994]. Door deze beide acties maakt deze organisatie de meeste kans op een grote gebruikersgroep, waardoor de produkten steeds meer door de gebruikers gewaardeerd zullen worden. Uiteindelijk zal dit leiden tot een groter marktaandeel dan wanneer slechts een van beide, of geen van beide acties wordt ondernomen.
Een voorbeeld van een organisatie die volgens dit mechanisme te werk gaat is Netscape Communications Corporation. Netscape heeft software voor WWW-servers en clients die tegen lage kosten beschikbaar zijn. Hierin is steeds de laatste stand van zaken van de techniek geïmplementeerd, die onder andere door Netscape zelf wordt ontwikkeld, maar wel in samenwerking met de IETF. Hiermee is Netscape zo succesvol dat bijna iedere Internetgebruiker op zijn minst van de produkten gehoord heeft en naar schatting zeventig procent van alle gebruikers ook de Netscape-produkten gebruiken. Het wachten is op het moment dat Netscape voor een aantal zaken meer geld gaat vragen. Het voordeel van het gecreëerde grote afzetgebied daarbij is dat het niet om hoge tarieven hoeft te gaan.

Meer informatie:

Een goede on-line bron voor allerlei informatie met betrekking tot de economie van het Internet is een WWW-pagina bij de Universiteit van California (at Berkeley):
http://www.sims.berkeley.edu/~hal/InfoEcon.html

IEPG-peering voorstel:
http://www.aarnet.edu.au/iepg/settlements.html

Terug Hoofdstuk 11 Inhoud