
Kosten en tarieven van Internetaanbieders
Allereerst kijken we naar de diensten die de Internetaanbieders leveren, welke kosten zij
daarbij
maken en met welke kosten de klanten te maken hebben. Internetaanbieders leveren netwerkdiensten, de basis voor alle Internettoepassingen (zie deel II-5).
Deze diensten zijn een
duidelijk voorbeeld van wat genoemd wordt een 'economy of scope' [Slaa, 1994]. Er is sprake
van
een economy of scope als één infrastructuur voor meerdere diensten tegelijk
wordt benut en dit winst oplevert. Een Internetaanbieder beschikt in principe over één infrastructuur. Deze bestaat uit een backbone-netwerk of een inbelpunt (of beide),
die gebruikt kan worden voor het leveren van meerdere toepassingen.
Ondanks het feit dat voor sommige van deze toepassingen, zoals elektronische post, additionele diensten moeten worden geleverd en meerdere
toepassingen over één infrastructuur hogere eisen stellen aan die infrastructuur,
kent het Internet zo'n groot aantal toepassingen dat het onmiskenbaar veel duurder zou zijn
wanneer voor iedere toepassing een aparte infrastructuur moest worden aangelegd. Door de
huidige economy of scope is het Internet ook populair: de Internetaanbieders zijn in staat om
relatief goedkoop een scala aan diensten aan te bieden.
De kosten die een Internetaanbieder maakt hangen in belangrijke mate af van de omvang van
de eigen infrastructuur. Internetaanbieders met een eigen backbone hebben uiteraard kosten
voor deze backbone en (inter)nationale koppelingen met andere Internetaanbieders. Deze
bestaan uit kosten voor netwerkverbindingen (met name
huurlijnen) voor apparatuur (zie deel II-5) en voor beheer en
onderhoud. De huurlijnkosten zijn afhankelijk van de dimensionering van het netwerk die weer
samenhangt met het
volume van het gebruik en de door de klanten gewenste beschikbaarheid. Het eerste betekent
dat een backbone moet bestaan uit huurlijnen van voldoende capaciteit zodat het verkeer van de
klanten zonder problemen kan worden verwerkt. Het tweede houdt in dat de backbone dient te
bestaan uit meer huurlijnen dan strikt noodzakelijk om verkeerspieken te kunnen verwerken en
om het tijdelijk wegvallen van huurlijnen op te vangen.
Gezien het feit dat de kosten voor PTT huurlijnen (en voor de meeste andere transportmiddelen;
zie deel II-2) afhankelijk zijn van de capaciteit, is het niet verwonderlijk dat de
meeste Internetaanbieders hun tarieven voor aansluitingen ook baseren op de afgenomen
capaciteit. Meestal gebeurt dat op basis van een zogenaamde 'flat fee', een
volume-onafhankelijk tarief. De reden daarvoor is dat de Internettechnieken (zie deel II-5)
nauwelijks methoden bieden om het volume van het verkeer te meten. Volume-afhankelijke
tarieven brengen daardoor relatief hoge verwerkingskosten met zich mee.
Flat fees worden voornamelijk toegepast door de grotere Internetaanbieders. Voor deze aanbieders geldt de wet van de 'economy of scale', dat wil zeggen dat uit de inkomsten die voortvloeien uit de groei van het volume van het gebruik en de groei van het aantal gebruikers de noodzakelijke uitbreiding van de backbone bekostigd kan worden. Dit heeft te maken met de wijze
waarop de tarieven voor huurlijnen zijn opgebouwd. Bij grotere bandbreedtes is de verhouding
tussen capaciteit en prijs niet lineair. Een 2Mbps verbinding is qua capaciteit vergelijkbaar met
dertig 64Kbps verbindingen. Het verschil in prijs is echter
een factor 7,155. Bij internationale verbindingen, die relatief nog veel duurder zijn, is de
economie of scale nog groter. Het is daarom ook logisch dat Internetaanbieders de krachten
bundelen om de economy of scale te benutten.
Voor kleinere Internetaanbieders die een backbone hebben met een beperkte capaciteit of beschikken over één centraal systeem waarop ingebeld kan worden, gaat de economy of scale niet altijd op. Dit is bijvoorbeeld het geval waneer enkele gebruikers de voorzieningen tijdelijk veel gebruiken, waardoor de backbone of het centrale systeem van zo'n aanbieder zodanig belast wordt dat andere gebruikers daar hinder van ondervinden. Uitbreiding van deze infrastructuur brengt dan relatief grote kosten met zich mee die een forse verhoging zouden betekenen van de tarieven. Deze kleinere Internetaanbieders zetten daarom vaak een 'rem' op het gebruik per instelling of individu door volume-afhankelijke tarieven toe te passen. De verwerkingskosten bij deze vorm van tarifering zijn veel lager omdat al het verkeer via een centraal systeem loopt. Het is daarom niet verwonderlijk dat Internetaanbieders met een groeiende backbone die eerst met volumeafhankelijke tarieven werkten, steeds meer overgaan naar volumeonafhankelijke tarieven. In Nederland is NLnet daar een voorbeeld van.