Wie zijn de gebruikers van het Internet?

Tot 10 mei 1995 was de algemene indruk dat het merendeel van de gebruikers van het mannelijke geslacht was (een veel gehoorde verhouding was 10:1). Een onderzoek door 'The Matrix Information and Directory Services' (MIDS) uit Austin, Texas in de Verenigde Staten liet echter zien dat de verhouding omngeveer 2:1 is (2 mannen tegen 1 vrouw). Men heeft hiervoor eind 1994 1463 organisaties benaderd die gezamenlijk meer dan 10 procent van de totale Internet populatie vormen. Deze significante bijstelling heeft zeker consequenties voor commerciële organisaties. De marketingstrategie van vele bedrijven zal onder invloed van dit cijfer bijgesteld moeten worden. Het Internet is geen boys-only club, maar blijkt qua gebruik steeds meer een reële afspiegeling te worden van onze maatschappij (zie tabel 6).

Tabel 6: Internet man/vrouw verhouding
oktober 1994 met waarschijnlijkheid van 95%

Man Vrouw Foutmarge
The Internet 64% 36% +/- 2.8%
Just Educational 59% 41% +/- 5%
Non Educational 70% 30% +/- 3.2%

Bron: MIDS

Ondanks deze positieve ontwikkeling dient te worden opgemerkt dat indien de onderwijsinstellingen buiten beschouwing gelaten worden de verhouding toch nog anders ligt. De verhouding man vrouw blijkt dan 7:3 te zijn.

Gebruikers SURFnet

In 1995 heeft SURFnet een onderzoek laten verrichten naar de gebruikers, waarin werd onderzocht welke applicaties en welke voorzieningen men gebruikt (Calkoen, 1995). Gebaseerd op dit onderzoek wordt het aantal gebruikers in 1995 geschat op 130 tot 150 duizend. Wat applicaties betreft is e-mail het meest populair, gevolgd door het raadplegen van bibliotheekcatalogie, gopher en WWW. In tabel 7 wordt weergegeven hoeveel procent van de medewerkers en studenten dagelijks gebruik maken van e-mail.

Tabel 7: Gebruik e-mail in Nederland

Gebruik van Medewerkers Studenten
e-mail WO HBO WO HBO
Dagelijks 60% 44% 23% 20%
Geregeld 82% 63% 38% 23%
Alleen intern 24% 36% 19% 14%

Uit tabel 8 valt af te leiden dat de pc op grote schaal wordt gebruikt en niet alleen door medewerkers, maar met name ook door studenten thuis.

Tabel 8: Gebruik van de pc in Nederland

PC bezit Medewerkers Studenten
WO HBO WO HBO
PC op het werk 96% 91% 68% 79%
PC thuis 80% 83% 81% 81%
Modem thuis 10% 20% 11% 10%

De verschillen tussen mannen en vrouwen is zeker bij de medewerkers relatief gering. Zeventig procent van de mannelijke en 59 procent van de vrouwelijke medewerkers maakt gebruik van SURFnet. Bij de studenten maken 43 procent van de mannen en 20 procent van de vrouwen gebruik van SURFnet.

Welke applicaties worden gebruikt?

Dat het Internet nog volop in ontwikkeling is blijkt als gekeken wordt naar de omvang van het gebruik van Internetapplicaties. In afbeelding 'Internetgebruik NSF backbone' is het verkeer dat door populaire Internetapplicaties is gegenereerd, over een periode van enkele jaren, weergegeven. Vertikaal is het percentage ten opzichte van het totale verkeer uitgezet. De metingen zijn verricht op de NSFnet-backbone. Het totale verkeer is over deze periode exponentieel gegroeid (in december 1990 573.735 Mbytes tot 13.404.656 Mbytes in april 1995).

Afbeelding: Internetgebruik NSF backbone (63.3 kb)

In de groep overigen vallen alle overige toepassingen die over de NSF-backbone worden getransporteerd, zoals beheerapplicaties. Uit de grafiek valt af te leiden dat het verkeer dat door applicaties als SMTP (e-mail) en NNTP (News) verhoudingsgewijs redelijk constant is gebleven. Het gebruik van FTP (bestandsoverdracht) is sinds de komst WWW aanzienlijk gedaald. Het is opvallend dat een applicatie als e-mail slechts 6 procent van de beschikbare bandbreedte gebruikt en WWW dat pas vanaf eind 1993 echt operationeel is, sinds april 1995 de meeste bandbreedte van alle applicaties opeist, namelijk 26 procent. Gezien de toenemende populariteit van WWW is de komende jaren verdere groei te verwachten. Dit kan tot gevolg hebben dat de overige applicaties qua verkeersbelasting een marginale rol gaan vervullen. Het maakt ook aannemenlijk dat het Internet er over een paar jaar weer anders uit kan zien, indien bijvoorbeeld realtime video- en audio-applicaties populair op grotere schaal hun intrede gaan doen.

Conclusies

De beschreven onderzoeken vallen verschillend uit, maar dat is begrijpelijk als het gaat om een medium dat nieuw en nog in ontwikkeling is en zo'n en grote geografische verspreiding kent. Ieder onderzoek naar gebruik en gebruikers moet in het perspectief gezien worden van het moment waarop het plaatsvond, waar het onderzoek is gehouden, en de ontwikkeling van het Internet op die locatie. De ontwikkeling van het Internet bevindt zich zeker niet in ieder land op hetzelfde niveau. Toch zijn er wel wat algemene trends waar te nemen. Omdat het Internet voortkomt uit de academische wereld, en met name de bêta-hoek, is het begrijpelijk dat waar de ontwikkeling nog in de kinderschoenen staat de gebruikersgroep dezelfde kenmerken heeft als de groep van eerste gebruikers. Namelijk veel meer mannen dan vrouwen en veel technisch georiënteerde en hoger opgeleide mensen (de jonge technocraten).
Hoewel er steeds meer vrouwen op het net komen en steeds meer mensen die niet persé technisch georiënteerd zijn, geldt echter nog steeds dat het vooral de hogere inkomensklassen zijn die het Internet gebruiken. De reden daarvoor zou wel eens kunnen zijn dat toegang tot het Internet voor particulieren te hoog is, door een beperkt kennisniveau, men niet over een pc beschikt of over onvoldoende financiële middelen. De lagere en midden inkomens dreigen geheel buiten de boot te vallen en dat is, zoals blijkt uit het SRI-onderzoek in de Verenigde Staten, veertig procent van de huidige bevolking. Indien deze ontwikkeling zich voortzet, bestaat de kans dat er zich een tweedeling in de wereld gaat voltrekken. Dat derde wereldlanden in de 'have not' categorie vallen lijkt niet zo verwonderlijk, maar dat ook in de westerse wereld zo'n groot deel van de bevolking hiertoe behoort, is opmerkelijk.

Terug Hoofdstuk 9 Inhoud